Uit (groot)moeders tijd
Het
land van Noord-Scharwou
(Tekst/muziek Dirk Witte, Uitvoering: Jean-Louis
Pisuisse)
Toen
ik voor het eerst jou heb gezien
In
het land van Noord-Scharwou
Toen
ik jou zag, mijn blonde Trien
Dacht
ik jij wordt mijn vrouw
Jouw
wangen en jouwe lieve mond
Jouw
snuit, zo fiks,
Zo
rond, zo rond
Ik
wou geen ander meer tot vrouw
Dan
jou alleen in Noord-Scharwou
Ik
wou geen ander meer tot vrouw
Dan
jou in Noord-Scharwou
Die
bleke juffers uit de stad
Ik
kon ze niet meer zien
Niet
een die half die wangen had
Van
jou mijn dikke Trien
Een
hals en armen had er geen
Het
was enkel vel en enkel been
En
daarom als ik ooit eens trouw
Dan
is het met jou in Noord-Scharwou
En
daarom als ik ooit eens trouw
Dan
is het in Noord-Scharwou
Een
Amsterdamse meisjeszoen
Is
zacht en delicaat
Die
denken steeds aan haar fatsoen
En
of zoiets wel staat
Maar
als ik met jou te vrijen zit
Dan
kost het me haast een vals gebit
Dat
is de ware vrijsterstrouw
’s
lands wijs, ’s lands eer in Noord-Scharwou
Dat
is de ware vrijsterstrouw
In
het land van Noord-Scharwou
Het
parfum van meisjes van de chic
Is
duur en maakt je wee
Het
is Marquis de Carabas
Of
Chevalier d’Orsay
Maar
druk ik jou eens aan mijn vest
Dan
ruik ik hooi, dan ruik ik mest
Dan
proef ik uit zo’n zoen van jou
De
biggenteelt van Noord-Scharwou
Dan
proef ik uit zo’n zoen van jou
Het
land van Noord-Scharwou
Jouw
vader is een deftig man
Heel
rijk en groot en dik
Die
vindt dat jij niet trouwen kan
Met
iemand zoals ik
Maar
ben jij eens een halve wees
Dan
nemen wij zijn mooiste sjees
Dan
rij ik met jou als man en vrouw
Naar
het stadhuis in Noord-Scharwou
Dan
rij ik met jou als man en vrouw
Door
het land van Noord-Scharwou
Terug
naar overzicht
Het
lege wiegje (Bob Scholte)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor de tekst)
Ze
waren tezamen
Gelukkig
getrouwd
En
hadden de hemel op aarde.
Hun
huisje was knus
En
gezellig gebouwd
Maar
iets had bijzondere waarde.
Refrein:
Een
wiegje, zo mooi, in een sierlijke tooi
Door
speelgoed en liefde omgeven
Dat
wiegje zo fijn, zo gezellig en klein,
Was
tot heden toe, steeds leeg gebleven
Het
wiegje stond klaar,
Vol
met strikjes en kant
Het
wachtte nog steeds op bekroning
Het
was voor hun beiden
't
Dierbaarste pand
Het
mooiste geschenk in hun woning
Refrein
Zo
gingen de jaren
Steeds
wachtend voorbij
Vervuld
werden nimmer hun dromen
Verkleurd
zijn de strikjes
Vergaan
is de zij
't
Kindje is nimmer gekomen
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
leven is een tocht naar 't graf
(met
dank aan Marc Blokland voor het sturen van de tekst)
'k
Blijf altijd nog vol droefheid staren
Naar
't lieve kind aan d' overkant
Een
meisje nog geen achttien jaren
Zo
schoon als weinigen in 't land
'k
Zie het venster nog waar de bloemen
Bloeien
alleen ter harer eer
We
kunnen op haar schoonheid roemen
Maar
't lieve meisje is niet meer.
Refrein:
Ach
wat is 't leven, een tocht naar 't graf
Wat
heden bloeit valt morgen af
Ach
wat is 't leven, een tocht naar 't graf
Wat
heden bloeit valt morgen af.
Waar
zijn dan toch die vriend'lijke trekken
Bij
elke glimlach om heur mond
Vooral
voor mensen blijdschap wekken
Haar
oogjes dart'len in het rond
Zij zijn met 't lieve kind verdwenen
Zo
kort van duur als bloesemdos
De
wind die waait over d'r henen
En
rukt de dorre bladertjes los
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
leven is heus niet zo kwaad
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
't
Leven is mooi, 't leven is goed,
Al
baart het dikwijls veel zorgen.
't
Zuur is vanouds 'n zusje van 't zoet,
Nét
als de dag van morgen.
Als
je de vreugd' die het soms biedt,
Of
het zo hoort, accepteert
Past
het niet dat je om ieder verdriet,
Dadelijk
maar lamenteert.
Refrein:
Het
leven is heus niet zo kwaad,
Wanneer
je de zin maar verstaat.
Wanneer
je maar niet om een zon
,
Die
eens vijf minuten schuilen gaat,
Aan
het huilen slaat !
Wanneer
je bij 't grootste verdriet,
Toch
altijd nog dit er in ziet.
Het
dient alleen, opdat je straks,
Wanneer
het zonnetje weer keert,
Het
mooie des te meer waardeert.
't
Leven is bont, 't leven is rijk,
't
Biedt soms verrassende kansen.
Zó
zit je dik onder het slijk,
Zó
ga krom van de kransen.
G'loof
me, geluk klopt op zijn tijd,
Eénmaal
bij iedereen aan.
't
Is maar de kunst om te voelen wanneer,
Opdat
je 't dan niet laat gaan.
Refrein
't
Leven is mild, 't leven is wijs,
't
Leert je in lessen van jaren.
Dat
op den duur, 't aards paradijs,
Niet
zit in wat we vergaren.
Even
zozeer als een paleis,
Kans
biedt op zorgen en druk.
Is
er op aarde geen hutje zo klein,
Of
het heeft plaats voor geluk !
Refrein
Terug
naar overzicht
Het licht van den toren
(met dank aan Carola voor het sturen
van de tekst)
Een vriend van de zeeman is 't licht op
de kust,
Dat ginds uit de vuurtoren straalt;
In tijden van nood geeft het menigmaal rust,
Dat licht heeft nog nimmer gefaald.
Hun strijd met de baren is dikwijls zoo groot,
Zij keren nooit weder misschien;
Maar zij die ontkwamen den vres'lijken dood,
Zijn dankbaar dat licht weer te zien.
Refrein:
De vuurtoren werpt z'n licht overzee,
De zeeman begroet het zoo blij.
Wanneer hij keert huiswaarts de vangst viel ook mee
En komt nu de kust naderbij;
Dan ziet hij voor ogen z'n lief of z'n vrouw
Of moeder die thuis op hem wacht,
Dan klinkt blij z'n lied vol van liefde en trouw
Door dat licht in den donkeren nacht.
Het roept hem van verre naar 't veilige strand,
Ten teken de haven is hier.
Daar wacht hem z'n vrouw met haar kind aan de hand,
Dat vader omhelst van plezier.
Zoo spreekt dan dat licht tot die mannen op zee,
Die stormen en noodweer doorstaan.
Het is hun een steun in het wel en het wee,
Zoo vaak zij naar zee moeten gaan.
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
lichtmatroosje
(tekst: Henri d'Albert/muziek: Jan Gorissen)
Een
levenslustig lichtmatroosje
Kwam
voor de eerste maal van de zee
Ontmoette
daar een heel aardig meisje
In
het kleine buurtcafé
Ze
zong voor hen die uit gaan varen
Bij
een oud accordeon
Een
mooi weemoedig afscheidsliedje
Dat
hij maar niet vergeten kon
Refrein:
Ze
zong van de baren, de bruisende zee
Die
namen haar lied als herinnering mee
Van
dat meisje zo blond met haar lachende mond
Uit
het straatje van het havencafé
De
wrede zee had geen genade
Want
bij een loeiende orkaan
Is
heel de schuit en het lichtmatroosje
Bij
nacht de kelder ingegaan
De
zeeman vond een laatste haven
Ver
van het aardse tranendal
Het
meisje zong een afscheidsliedje
Voor
hem die nooit weer komen zal
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
lied is uit
(uitvoering De Selvera's)
Leg
de telefoon maar neer en zeg geen woord,
Want je hebt een mooie droom te vlug verstoord.
Wat een ander aan me gaf, dat kon jij niet,
Dus ik zeg: "Dit is 't einde van 't lied."
Ook al klinken al je woorden nu oprecht,
Heus, ik kan niet meer geloven wat je zegt.
't Is voorbij, ik geef je nog een laatste raad,
Blijf maar weg, dat is voor mij je beste daad.
Want je liefde was al lang bedrog, toch ben ik niet meer kwaad,
Maar alleen: ik zal je niet meer zien, wanneer je voor me staat.
Dit is alles wat ik even zeggen wou,
Want die and're won met eerlijkheid van jou.
Ga maar heen, er wacht weer snel een nieuwe buit,
Leg de telefoon maar neer, 't lied is uit.
Want je liefde was al lang bedrog, toch ben ik niet meer kwaad,
Maar alleen: ik zal je niet meer zien, wanneer je voor me staat.
Dit is alles wat ik even zeggen wou,
Want die and're won met eerlijkheid van jou.
Ga maar heen, er wacht weer snel een nieuwe buit,
Leg de telefoon maar neer, 't lied is uit.
Terug
naar overzicht
Het
lied van Bacchus
(René de Clercq 1877-1932 )
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Men hoort in onze kerke
Den paster met zijn preek:
Dat elk zijn ziel versterke
Door vasten, week op week.
Maar hier, waar 't lied van Bacchus klinkt,
Is 't beter dan in 't sermoen.
De hemel drinkt, en de aarde drinkt,
Hoe zouden wij 't niet doen ?
De paster, in zijn kuipe,
Praat voor een oude non;
Maar Bacchus preekt de zuipe,
En elk zit rond zijn ton.
De kreuple zelf springt op en hinkt
Om zich daarheen te spoên.
De hemel drinkt, en de aarde drinkt,
Hoe zouden wij 't niet doen ?
De mannen en de vrouwen
Scheidt men hier niet vaneen.
Want ieder, die wil trouwen,
Mag vrijen, naar ik meen.
En 't meisje dat een oogje pinkt,
Krijgt van haar lief een zoen.
De hemel drinkt, en de aarde drinkt,
Hoe zouden wij 't niet doen ?
Hier hebt gij geen miserie
Om alles te verstaan.
Het slot van elk mysterie
Draait open als een kraan.
Als 't bier maar in den beker blinkt,
Heeft alle latijn fatsoen.
De hemel drinkt, en de aarde drinkt,
Hoe zouden wij 't niet doen ?
De pasters zeggen: amen !
Maar Bacchus zegt: 't Is uit !
En: vult het ! roepen samen
De scharen, lang en luid.
De glazen op ! God Bacchus schinkt !
Zijn hoofd is al één groen !
De hemel drinkt, en de aarde drinkt,
Hoe zouden wij 't niet doen ?
Terug
naar overzicht
Het
lied van de IJssel
(tekst: Jan en Henk van Dijk / muziek:
Jacob Kessler/uitvoering:Orkest Zonder Naam)
Aan
d'oever van de IJssel staat een veerhuis
Daar
woon' een meisje, Greetje is haar naam
U
zult haar daar helaas niet meer ontmoeten
Want
Amor heeft ook hier zijn werk gedaan
U
zult haar daar helaas niet meer ontmoeten
Want
Amor heeft ook hier zijn werk gedaan
De
hele dag voer zij de mensen over
Ze
deed haar werk met opgewekt gezicht
Haar
heldere lach klonk vrolijk over 't water
En
iedereen hield van het lieve wicht
Haar
heldere lach klonk vrolijk over 't water
En
iedereen hield van het lieve wicht
Een
schipper, die geregeld daar voorbij voer
Heeft
met zijn lied het blonde kind bekoord
Op
zeek're dag liet hij het anker vallen
En
nam zijn Greet voor altijd mee aan boord
Op
zeek're dag liet hij het anker vallen
En
nam zijn Greet voor altijd mee aan boord
Nu
vaart ze blij met hem langs verre kusten
Ze
nam voor altijd afscheid van de pont
In
het veerhuis woont sindsdien een ander meisje
Dat
wacht, tot ook voor haar een schipper komt
In
het veerhuis woont sindsdien een ander meisje
Dat
wacht, tot ook voor haar een schipper komt
Terug
naar overzicht
Het
lied van de oude piano
(tekst:Pim De La Fuente/muziek: Jacq van Tol/uitvoering:
Snip en Snap kwartet)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
De
lijdensweg van een klavier gaat u dit lied verhalen,
Het
stond eens in een trots kasteel, bij freule Knots van Balen.
't
Vertolkte Bach en Tosti, want zij speelde slechts klassiek,
Voor
graven en baronnen met een scheutje rheumatiek.
Refrein:
Zeg
ken je het lied van die ouwe piano ?
Die
ouwe piano, een heel aardig ding.
Maar
speelde je hot op die ouwe piano,
Dan
was het precies of de wereld verging.
De
freule ging ter ziele, wat zij wel aan Bach verdiende,
En
de piano werd verkocht; alleen de stemmer griende.
Een
leraar kocht het instrument, een pedadogisch man,
En
't speelde voortaan: Jan, daar ligt een kip in 't water, Jan.
Refrein
De
leraar liet het leven, toen de mot in zijn lang haar kwam,
Waarna
dit oud klavier door een vendutie in een bar kwam.
En
uit het oude karkas klonk het ritme van de hot,
En
vaak viel er een glas om, dan sprong een snaar kapot.
Refrein
Die
bar die ging failliet, en de portier kocht voor twee knaken,
Het
oude instrument om een konijnehok te maken.
De
snaren liet hij zitten... onder in het oude ding,
Daar
minnen nu konijnen, en dan zegt de E-snaar: ping.
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
lied van de straat
Klinkt
in de verte een lied van de straat,
Dat zich zo gaarne beluisteren laat.
Dan komt er dadelijk weer,
Zo een gezellige sfeer.
Iets leeft er in wat je niet kunt weerstaan,
Juist door zijn simpelheid trekt het je aan.
't Heeft geen pretentie en elk die het hoort,
Wordt door zijn charme bekoord.
Refrein:
Langs
de pleinen en grachten,
Klinkt het lied van de straat,
Dat in ieders gedachten,
Een herinnering laat.
Langs de pleinen en grachten,
Klinkt het lied van de straat,
Je kent het op slag en met een lach,
Zing je het elke dag.
Zo gaat het terstond,
Van mond tot mond de wereld rond.
Als
in het steegje zo oud en gedrukt,
Piet aan zijn mondorgel tonen ontrukt,
Als dan een walsliedje deint,
Is 't of de zon er weer schijnt.
't Lijkt of de steeg er weer jonger op wordt,
En tante Neel met haar heldere schort,
Hangt uit het raam en ze wiegelt tevreê,
Zacht op het walsritme mee.
Refrein
Grootvaders stoel is met bloemen versierd,
Want hij is tachtig, zijn feest wordt gevierd.
Lachend zegt hij tot zijn Aag:
"'k Voel me nog piepjong vandaag."
Dra heerst er vreugde, dat hoeft geen betoog
En op 't kamertje achter, drie hoog,
Zingen de buurtjes in terts harmonie,
De Pierement Symphonie.
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
lied van de zee
Huilende
sirenes, een schip gaat in zee,
En wuivend op de kade, huilt een meisje mee.
Haar jongen gaat varen, hij staat op de brug,
"Over zes jaren keer ik weer bij jou terug."
Refrein:
Hoor
je het lied van de golven ?
Hoor je het lied van de zee ?
Vaar met me mee om de wereld mijn kind,
Kom kus me en vaar met me mee!
Kom kus me en vaar met me mee !
Zes jaren verstreken, het schip kwam nooit weer,
Het ging ten onder, de matroos kwam nimmer meer.
Het meisje, ze wacht nog, haar hart vol verdriet,
En in de verte hoort ze af en toe dit lied:
Refrein
Terug
naar overzicht
Het lied van den boom
(met
dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En aan dien boom, daar kwam een tak,
O, zoo'n overschoone tak !
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En aan dien tak, daar kwam een twijg,
O, zoo'n overschoone twijg !
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En aan die twijg, daar kwam een knop,
O, zoo'n overschoone knop !
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En aan die knop, daar kwam een blad,
O, zoo'n overschoone blad !
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En aan dat blad, daar kwam een nest,
O, zoo'n overschoone nest !
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En in dat nest, daar kwam een ei,
O, zoo'n overschoone ei !
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En van dat ei, daar kwam een jong,
O, zoo'n overschoone jong !
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En van dat jong, daar kwam een oud,
O, zoo'n overschoone oud !
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En van dat oud, daar kwam een veêr,
O, zoo'n overschoone veêr!
En de veer van het oud,
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En van die veêr, daar kwam een bed,
O, zoo'n overschoone bed !
En het bed van de veêr,
En de veer van het oud,
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En op dat bed, daar kwam een vrouw,
O, zoo'n overschoone vrouw !
En de vrouw op het bed,
En het bed van de veêr,
En de veer van het oud,
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En van die vrouw, daar kwam een kind,
O, zoo'n overschoone kind !
En het kind van de vrouw,
En de vrouw op het bed,
En het bed van de veêr,
En de veer van het oud,
En het oud van het jong,
En het jong van het ei,
En het ei in het nest,
En het nest aan het blad,
En het blad aan den knop,
En de knop aan de twijg,
De twijg aan den tak,
De tak aan den boom,
De boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
En van dat kind kwam een student,
O, zoo'n overschoone student! -
En daarmeê is het lied ten end,
O, zoo'n overschoone end ! -
En het end van het lied,
En het lied van den boom,
En de boom die stond in 't aardrijk,
En bloeide zoo schoon.
Terug
naar overzicht
Het
lied van den Polderjongen
(tekst/muziek Maurice Dumas)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
De
ouwerwetse Polder, kind van Rotterdam,
Waar
't altijd vroolijk toeging, waar elke zeeman kwam.
Die
goeie, ouwe Polder, die is er nou geweest,
D'r
wordt niet meer gezopen, gesprongen en gefeest.
Zoolang
ik leven kan,
Vertel
ik alleman:
Refrein.:
In
de Polder ben ik geboren,
In
de Polder, daar heeft m'n wieg gestaan,
In
de polder heb ik m'n hart verloren,
En
de Polder, de Polder, hij is vergaan.
In
onze ouwe Polder, daar kon je alles doen,
Daar
ging je pierewaaien, daar ging je om je zoen.
Daar
ging je met de meiden de danszaal op en neer,
We
dronken en we hosten, dat doen we nou niet meer.
Die
ouwe Poldertijd,
Helaas,
die zijn we kwijt.
Refrein
En
kreeg een meid een kindje, dan was ze in d'r sas,
Het
kon d'r niks verdraaien wie of de vader was.
Ze
gingen alle dagen met Jan en alleman,
Onmooglijk
dat een meissie daar ook van houen kan.
Wie
of het heit gedaan,
Dat
kwam er niks op aan.
Refrein
De
meiden gaan in 't klooster, daar leeren ze fatsoen,
De
dienders van de Polder, die krijgen nou pensioen.
En
alle toffe jongens, die worden heilsoldaat,
En
bidden alle dagen voor hun gemeenteraad.
En
in de Pauwesteeg,
Blijven
de hokken leeg.
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
lied van het pierement
(tekst: Dico v.d. Meer/muziek: Tonny
van Maurik en D. Stolk/uitvoering: Annie de Reuver met Orkest Jan Corduwener)
Het
pierement speelt heel de dag zijn liedje
Van lief en leed op plein en straat en gracht
En even wordt door het zangerig melodietje
In ieder hart wat zonneschijn gebracht.
Zing je lied van liefde en van leven,
Zing je lied van zomer zonneschijn.
Laat het vrij door open vensters zweven,
Tot het dringt in het hart van groot en klein.
Zing je lied waarin het verlangen fluistert,
Dat het hart van alle mensen kent.
Zing je lied waar ieder graag naar luistert,
Want geen straat kan zonder pierement.
De
orgelman draait onvermoeid de zwengel,
Eerst links, dan rechts terwijl het orgel gaat.
En schokkend slaat een blondgelokte engel,
Op het pierement met houten arm de maat.
Zing
je lied waarin het verlangen fluistert,
Dat het hart van alle mensen kent.
Zing je lied waar ieder graag naar luistert,
Want geen straat kan zonder pierement.
Terug
naar overzicht
Het lied van 't besjeshuis
(met
dank aan Jeanne Albers voor de tekst)
Hoort, wat een klucht, wat een abuis
Was laatst in het besjeshuis:
Het besje, dat te slapen lag,
Droomde, dat het moest sterven;
En toen het nu weêr wakker was,
En dacht om hare zaken,
Verzocht zij in haar huisje ras,
Een testament te maken;
"Want ik sterf, want ik sterf !"
Riep het oude besje,
"En ik derf, en ik derf
Nu mijn borrelfleschje."
De notaris kwam terstond,
Haar familie in het rond,
Ieder kwam er om zijn deel,
Maar helaas ! het was niet veel,
"Want ik sterf, want ik sterf !"
Riep het oude besje,
"En ik derf, en ik derf
Nu mijn borrelfleschje."
"Eerst mijn kiep of beste hoed,
Die is nog als nieuw zoo goed;
Kom notaris, schrijf maar op,
Die 's voor nichtje Trijn haar pop;
"Want ik sterf, want ik sterf !"
Riep het oude besje,
"En ik derf, en ik derf
Nu mijn borrelfleschje."
"Nu mijn krukje, dat daar staat,
't Mag haar ondersteunen,
Want ik ga niet meer op straat,
'k Hoef niet meer te leunen;
"Want ik sterf, want ik sterf !"
Riep het oude besje,
"En ik derf, en ik derf
Nu mijn borrelfleschje."
"Nu mijn fleschje met anijs,
Laat ons saam eens drinken,
En aleer ik ga op reis
Nog eens helder klinken !
"Want ik sterf, want ik sterf!"
Riep het oude besje,
"En ik derf, en ik derf
Nu mijn borrelfleschje."
Maar toen 't alles was geschied,
Stierf het oude bestje niet.
"'k Sterf nog niet, 'k sterf nog niet
!"
Riep het oude bestje,
"Wat verdriet! wat verdriet !
Niets meer in mijn fleschje !"
Terug
naar overzicht
Het luxe- en het werkpaard
(De ruin en de merrie)
(Eduard Jacobs 1868-1914)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Daar stonden in dezelfde stal
Twee paarden naast elkaar
De ruin deed bijna niemendal
De merrie werkte zwaar
De ruin ging maar een enkel keer
Voor een tilbury of een ar
De merrie moest door wind en weer
Voor 'n zwaar geladen kar
Als ruintje ingespannen was
Dan hinnikte hij blij
Hij kreeg dan buiten heerlijk gras
En klaver in de wei
Als hij thuiskwam van de rit
Dan streelde men het beest
Hij kon niet moe zijn of verhit
't Was voor 't plezier geweest
De merrie werkte ied're dag
Soms viel ze d'r bij neer
Maar dan kwam menig forse slag
Op 't hijgend lichaam neer
Toch morde ze niet, want ze wist:
Thuis lag haar hooi al klaar
Er was ook haver in de kist
Maar die was niet voor haar
De ruin werd ziek, op zeek're dag
Hij kon haast niet meer staan
De veearts zei, toen hij hem zag:
"Hij mag niet uit meer gaan"
Houd hem maar thuis een dag of wat
Dan is het beest weer klaar
En wilt ge 's zondags uit de stad
Neem dan de merrie maar
Nu werd het zwaar voor 't arme dier
Het kreeg geen rustdag meer
Toch ging ze 's zondags met plezier
Uit rijden met meneer
"Als ik het werk van ruin verricht"
Zo redeneerde zij
"Dan krijg ik 's avonds ook, allicht
Ook haver, net als hij"
Maar daarin heeft ze zich vergist
Ze werkte zich kapot
Maar 's avonds bleef de haverkist
Toch steeds voor haar op slot
Ze zag het aan, niet zonder leed
Het hinderde haar terdeeg'
Hoe ruin, die helemaal niets deed
Toch nog z'n haver kreeg
Eens vroeg ze aan de kat bescheid
En zij zei wat zij dacht:
"Wat", zei ze, "wou jij dankbaarheid
Had je dat heus verwacht ?
Wat ik je raad, als goede vriend
Zet dat maar uit je kop
Jij hebt de haver wel verdiend
Maar een ander vreet ze op"...
Terug
naar overzicht
Het
mannetje van de radio (Kees Pruis)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Jantjes
pa was ingedommeld
Bij
’t geluid der radio
De
omroeper sprak van een vermiste
Dringend
klonk het halo, halo
Jantje
gleed van vaders schoot af
Schoof
een stoel bij ’t instrument
En
met het hoofdje bij den hoorn
Riep
de lieve kleine vent
Halo,
halo, zeg mannetje van de radio
Ik
lig ieder nacht van moesje lief te dromen
Halo,
halo ach roept u boven ook eens af
Dat
Jantje’s moesje gauw terug moet komen
Op
den dag dat moesje heen ging
Was
zij in het wit gekleed
‘k
weet ook nog dat zij des’morgens
In
een zwarten wagen reed
Vaak
komt hier een vreemde tante
Pa
zegt ‘t wordt mijn nieuwe mam
Maar
ik zou veel liever willen
Dat
mijn eigen moes weer kwam
Halo,
halo, zeg mannetje van de radio
Ik
lig ieder nacht van moesje lief te dromen
Halo,
halo ach roept u boven ook eens af
Dat
Jantje’s moesje gauw terug moet komen
Kleine
Jantjes pa werd wakker
En
ontroerd hoorde hij het aan
Zachtjes
lopend is hij heel dicht
Achter
Janneman gaan staan
Toen
het kind zijn vraag herhaalde
Kromp
zijn hart van smart ineen
Hij
drukt een kus op een klein portretje
En
snikte waarom ging jij heen
Halo,
halo, zeg mannetje van de radio
Ik
lig ieder nacht van moesje lief te dromen
Halo,
halo ach roept u boven ook eens af
Dat
Jantje’s moesje gauw terug moet komen
Terug
naar overzicht
Het meisje met den blauwen
hoed
(Willy Derby 1934)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Stil en evenwichtig vlood mijn leven,
Ongestoord en kalm was mijn bestaan
Al wat and’ren ’t harte kon doen leven
Liet ik rustig langs mij heen gaan,
‘k Telde noch emoties noch verlangens,
Eenzaam zijn is alles wat ik vroeg
Totdat jij gelijk een vlinder
Door mijn wereld kwam gefladderd, en de
vree verjoeg.
Refrein:
Mijn blonde meisje met je blauwe hoedje
Waarom kwam jij zoo onverwacht voorbij ?
Die blauwe dop stond schuin naar één
kant op je toetje,
En liet je oogen amper vrij
Maar door een blik, die ‘k opving onder
’t randje
Is er iets geks gebeurd in mijn gemoed
Ik kan geen uur meer leven
Zonder ’t meisje met den blauwen hoed.
Nu beheerscht je al mijn doen en denken,
Nu ben je doorlopend in mijn brein,
Alle schatten zou ‘k je willen schenken
Die er op de wereld zijn.
Doch ik kan helaas niets anders bieden
Dan mijn liefde en mijn trouw
Want ik heb alleen mijn hart maar
En dat bonst nog als een hamer als ik
denk aan jou.
Refrein
Terug
naar overzicht
Het meisje uit mijn dorpje
(The yellow rose of Texas)
(tekst: Mies Karsemeijer/muziek:
Don George/uitvoering: Dick Doorn met De
Windmolens en De Wieken)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
In 't dorpje waar ik thuis hoor, woont
in de dezelfde straat
Een lief, aardig, meisje dat wacht op
haar soldaat.
We zijn nu door de diensttijd gescheiden
van elkaar
Maar als ik eenmaal afzwaai, blijf ik
voorgoed bij haar.
Refrein:
't Is 't meisje uit m'n dorpje, waar ik
geboren ben
Ze is van alle meisjes de mooiste die ik
ken
Van de jongens van de compagnie heeft
elk z'n ideaal
Maar het meisje uit m'n dorpje is het
liefst van allemaal.
Ik zie haar in mijn gedachten weer bij
het hekje staan,
Haar ogen nat van tranen zien mij vol
liefde aan.
Toen kon ik haar vertellen dat ik veel
van haar hou,
En bij het afscheid nemen riep zij: "Ik
wacht op jou".
Refrein
En als ik bij het marcheren haar beeld
maar voor me zie,
Dan voel ik mij de rijkste van de hele
compagnie.
Dan kan ik uren lopen en draag de
zwaarste vracht,
Omdat ik weet dat ergens een meisje op
mij wacht.
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
moederoog
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Veel
jaren waren heen gesneld,
Sinds
hij het land verliet.
Hij
keerde weer naar 't oude dak
,
En
sprak en sprak:
"Ik
ben nieuwsgierig wie mij straks
Herkennen
zal wie niet."
De
tolbaas zat bij tolhek neer,
Voor
hij het land verliet.
Was
deze reeds zijn beste vriend
Als
kind als kind.
Wel
werd zijn groet beantwoord maar,
Herkennen
neen dat niet.
Hij
ging de stad thans verder in,
Daar
klonk een helder lied.
Zijn
zuster was 't, zij leefde nog,
Maar
och maar och.
Zijn
groet werd trouw beantwoord maar,
Herkennen
neen dat niet.
En
droevig schreed de wand'laar voort,
Een
klacht ontvlood zijn mond.
Oud
moedertje keek door de ruit
Eens
uit eens uit.
Ze
zag hem aan de trouwe ziel,
En
kende hem terstond.
"God
zegen u" zo sprak hij,
En
zag dankend naar omhoog.
Ik
groette er veel, geen kende mij,
En
jij en jij.
O
jongen sprak zij zie daar is,
Ook
maar een Moederoog.
Terug
naar overzicht
Het
oude jagershuis
(tekst: Franssen en Valeda/muziek:
Stemmler en Brandin/uitvoering: Fred Eastwood en Orkest
Zonder Naam)
't
Grote bos droomt in de avondschemer
De nevel streelt verliefd de heidegrond
De oude jager zit aan 't kleine venster
En aait verloren in gedroom z'n hond
Dat oude jagershuis, daar tussen bos en ven
Dat heeft jaar in, jaar uit veel lief en leed gekend
De
oude heeft eens over deze drempel
Z'n jonge bruid in 't jagershuis gebracht
De liefde drukte op hun lot haar stempel
Voor 't eerst klonk daar z'n zoontjes blijde lach
Toen klonken blijde stemmen door de woning
De tijd verging, helaas 't moest zo zijn
De zoon vertrok, om nooit meer terug te komen
Dan stierf z'n vrouw, de jager bleef alleen
Dat
oude jagershuis, daar tussen bos en ven
Dat heeft jaar in, jaar uit veel lief en leed gekend
Dat
oude jagershuis heeft lief en leed gekend
Terug
naar overzicht
Het oude Rembrandtsplein
(met
dank aan Cor de Boer voor het sturen van de tekst)
Al reisde je de wereld rond, al zag je
Oost en West,
Je voelt je in je eigen land, toch
altijd maar het best.
Omdat je steeds iets missen moest,
waar of je ging of kwam,
Het was je oude Rembrandtsplein, het
hart van Amsterdam.
Refrein:
Rembrandtsplein , Rembrandtsplein
Ja, daar kan toch ied’re Amsterdammer
trots op zijn.
Rembrandtsplein, Rembrandtsplein
Dat zal over honderd jaar nog steeds
het zelfde zijn.
Rembrandtsplein , Rembrandtsplein
Want daar begint toch de Victorie,
van het mooie Rembrandtsplein.
Zelfs Piccadilly, Leicester Square,
Montmartre, Reperbahn
Dat kan je met ons Rembrandtsplein,
niet vergelijken gaan.
Want waar ter wereld vindt je toch,
die oude romantiek
De sfeer van ’t plein, die stemt je
soms blij en melancholiek.
Refrein
We zien daar als ’t symbool van kunst,
het beeld van Rembrandt staan.
Door hem zal nooit van ’t oude plein,
de roem verloren gaan.
’t Mag zijn, dat ’n ander deel der
stad,
zijn eigen schoonheid biedt.
De Charme van het Rembrandtsplein,
die vindt je elders niet.
Terug
naar overzicht
Het
oude veer
(met
dank aan Kees van Dongen voor het sturen van de tekst)
Zit ik voor me uit te staren,
Zie ik het verleden weer
Zie ik ons voor zoveel jaren
Samen aan het Sneekermeer
Refrein:
Bij het oude veer aan het Sneekermeer
Werd voor ons het allermooiste
sprookje waar
‘k Zag je telkens weer bij dat oude
veer
Ied’re tocht bracht ons weer dichter
bij elkaar
Het zilveren water gleed aan ons
voorbij
Zo gingen nog jaren van geluk voor jou
en mij
Het zilveren water gleed aan ons
voorbij
Zo gingen nog jaren van geluk voor jou
en mij
‘k Weet nog hoe de veerman lachte
Op die nooit vergeten dag
Toen we op zijn veerpont wachtten
En hij ons als bruidspaar zag
Refrein
Terug
naar overzicht
Het
oudergraf
(tekst Hans de Regt en Hein Ruijgrok/muziek Willy Derby)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)
Van
alles hier op aarde
Wat
mij het liefste is
Heeft
een ding slechts meer waarde
In
vreugd' of droefenis
Daar
voel ik mij tevreden
Bij
storm of zonneschijn
Daar
lispel ik m'n bede
Voor
hen,die niet meer zijn
Refrein
Er
is geen lief klein plekje
Ver
in de eenzaamheid
Daar
staat een klein zwart hekje,
Waar
ik vaak heb geschreid;
Van
wat ik heb gekregen,
Dat
God mij eenmaal gaf,
Het
liefste in m'n leven,
Mijn
dierbaar oudergraf
En
als 't geluk mij toelacht
Mij
schenkt zijn overmaat,
Dan
mis ik eerst den glimlach,
Van
moeders lief gelaat
En
als ik hier op aarde,
M'n
vaders trots ook mis,
Voel
ik eerst wat de waarde,
Van
ouderliefde is
Refrein
Er
is een lief klein plekje
Ver
in de eenzaamheid,
Daar
staat een lief zwart hekje,
Waar
ik vaak heb geschreid:
Van
wat ik heb gekregen,
Dat
God mij eenmaal gaf,
Het
liefste in m'n leven,
Mijn
dierbaar oudergraf
En
als ik door de slagen,
Des
levens droefenis,
De
pijn niet kan verdragen,
Die
in mijn harte is
Dan
vlucht ik naar dat plekje,
Verlangend
naar de dag,
Dat
ik daar bij dat hekje,
Voor
eeuwig rusten mag.
Refrein
Er
is een lief klein plekje,
Ver
in de eenzaamheid,
Daar
staat een klein zwart hekje,
Waar
ik vaak smart'lijk lijd,
Daar
heb ik vaak gebeden,
Dat
God me spoedig gaf,De eeuwige rust en vrede,
Bij
het dierbaar oudergraf.
Terug
naar overzicht
Het
paardendek
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
De
Kerstnacht was nauw aangebroken,
De
lucht betrokken, guur en koud,
Een
storm in 't noorden opgestoken,
Huilde
akelig door 't besneeuwde woud.
Een
grijsaard met verkleumde handen,
Zat
half verkleumd te klappertanden,
In
't eenzaam kamertje naast het slot,
En
zond zijn morgenbee aan God!
Toen
stond hij op met wankelende schreden,
Sloop
hij elke stap vervaard,
De
brede trappen af naar beneden,
Waar
vuur lag in de warme haard
En
zette op een stoel zich neder,
Kreeg
hij gevoel van warmte weder,
Maar
sprong verschrikt op, toen vol gram,
Zijn
zoon al vloekend binnenkwam.
Nog
hier, wat warm jij je bij de kolen,
Vort,
uit mijn ogen op 't ogenblik,
Reeds
gisteren had ik u bevolen,
Je
weet ik ben hier meester, ik!
'k
Zeg pak u weg, geen tegenspreken,
Mijn
wil is duidelijk u gebleken,
'k
Jaag zo gij niet goedschiks wil gaan,
Straks
met geweld u hier vandaan!
0,
God! waar zal ik dan belanden,
Wees
toch niet zo wreed Boudewijn,
Zal
ik dan naakt met lege handen,
In
ballingschap geschonken zijn !
'k
Heb dit slot slechts bij mijn leven,
Met
al wat ik bezat aan u gegeven,
Geef
mij voor 't minst mij arme man,
Een
plaatsje waar ik sterven kan!
Wel
sterf: maar 't moet niet hier gebeuren,
Zei
schamper lachend Boudewijn,
Gij
moest, ik zou er niet om treuren,
Reeds
lang een prooi der wormen zijn !
Wie
zeventig of tachtig jaren,
Bereikt,
mocht vrij ten grave dalen,
Wanneer
kreeg anders oude bloed,
Toch
d' erfgenaam zijn geld en goed !
Bedenk
mijn zoon, bedenk dat heden,
Het
vreugdevol Kerstfeest wordt gevierd.
En
Hij die voor u heeft geleden,
In
deze nacht geboren wierdt.
Ik
bid u: wil toch eens bedenken,
Hoe
menigmaal gij Kerstgeschenken,
Als
kind uit mijne hand genoot
En
gij ontzegt mij dak en brood ?
Maar
't was vergeefs het angstig smeken,
De
grijsaard had een harde steen,
Eer
nog het hart zijns zoon doen breken,
Dat
harder nog dan marmer scheen.
Hij
sloeg door duivelswoede aan 't branden,
Aan
zijn eigen vader zelfs zijn handen,
En
sleurt, o gruwel! die barbaar,
Hem
naar de deur bij 't grijze haar!
Ach
spaar mij, ik zal het slot ontwijken,
Ik
smeek, dat gij alleen nog mij,
Uw
mededogen wil doen blijken,
In
dit strenge jaargetij !
Gij
ziet mijn rok is gans versleten,
Verschoon
mij, dat ik mij durf vermeten,
Een
kleed te vragen, eer ik vertrek,
Dat
beter voor de kou mij dekt.
Die
weldaad zal u wedervaren,
Sprak
Boudewijn en keert terstond,
Zich
tot zijn zoontje van tien jaren,
Dat
luisterend zich bij 't vuur bevond.
De
knaap ging heen maar werd bekeken,
Toen
hij weer in 't vertrek verscheen,
Waar
zijt ge toch zo lang gebleven,
Wie
heeft die deken doorgesneden ?
Ik,
zei het kind om zich te dekken,
Kon,
dacht ik, wel de helft verstrekken,
En
de and're helft? — welnu! — welnu!
Bewaar
ik vaderlief ....................... voor ....................... U ! ! !
!
Terug
naar overzicht
Het
parelsnoer
(met
dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)
Klein
Greetje ging dikwijls naar grootmoe
Wel
zes, zeven keer op een dag
Ze
vind het bij grootmoe zo heerlijk
Omdat
ze van alles daar mag
Ze
rommelt in kasten en laden
Dat
vindt ze zo heerlijk en fijn
Daar
ziet ze een pracht van een parelsnoer
Ach
grootmoeder geef die aan mij
Refrein
Grootmoeder
ziet haar aan met tranen in haar oog
Greetje
m'n kind, kom even bij me staan
Jij
vraagt aan mij waarvan ik niet kan schijden
Maar
later als je groter bent, krijg jij dat parelsnoer
Klein
Greetje liet 't hoofdje toen hangen
En
keek naar de grond van verdriet
Ach
grootmoe waarom krijg ik nou toch
dat
prachtige parelsnoer niet
U
bent nu al reeds in de zeventig
Misschien
gaat u spoedig wel dood
Dan
kan u het mij niet meer geven
Ach
grootmoe ik ben toch al groot
Er
werd een klein grafje gedolven
De
schooljeugd die stond daar omheen
Daarbij
stond een droevige grootmoe
Die
keek naar het kistje beneên
Daarbij
stond een droevige vader
Die
alles verloor wat hij had
Eerst
had hi 'vrouw moeten missen
en
nu nog z'n enigste schat.
Grootmoeder
ziet het kistje naar beneden gaan
Greetje
m'n kind, wie had dat ooit gedacht
Dat
jij van mij zo jong zou moeten scheiden
Dat
parelsnoer dat is er nog, maar Greetje komt nooit weer.
Terug
naar overzicht
Het
portretje
(met
dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst)
Je zult misschien verwonderd wezen,
Als je van mij nog wel iets hoort.
Het is een heel gewone kwestie,
Dus stel je er maar niets van voor.
Je hebt, dat zul je heel goed weten,
Het helemaal bij mij verbruid.
Al schrijf ik je nu nog een briefje,
Met ons is het uit.
Toen ik van jou ben weggelopen,
Omdat je zo jaloersig deed,
Toen nam ik, maar dat was per ongeluk,
Een klein portretje van je mee.
Het zou verloren kunnen raken,
Als ik het in dit briefje sluit,
Maar ik wil het toch niet langer
houden,
Met ons is het uit.
Je hebt zoals ik zelf gezien heb,
Je met een ander al getroost.
Je scheen je wel voor haar te schamen,
Want anders had je niet gebloosd.
Nu als ik ook oprecht moet wezen,
Je zocht ze vroeger mooier uit.
Afijn, 't kan mij geen zier meer
schelen,
Met ons is het uit.
Ik heb kennis in die tijd gekregen,
Aan mijn overbuurman de student,
Hij had al lang om mij gelopen,
't Was een echte knappe vent.
Maar nu de een en dan de ander,
Dat heeft me toch allang gestuit,
Ik kon niet aardig voor hem wezen,
Nu is het weer uit.
Als je het portretje terug wilt
hebben;
Ik heb er netjes op gepast.
Ik sta er dikwijls naar te kijken,
Staat in een lijstje op mijn kast.
Kom het dan deze week maar halen,
Je weet hoe laat de winkel sluit,
Maar kom dan liefst op woensdagavond,
Want dan mag ik uit.
Terug
naar overzicht
Het
prinsesje
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Eenzaam ben ik nu en verlaten,
Niemand die mij kent van voorheen,
Men schaamt zich om met mij te praten,
Men lacht wat om mijn geween.
Ook ik was vroeger zeer deugdzaam,
Wist niets van de wereld vol schijn,
Waarom kon dat niet eeuwig zoo duren,
Waarom moest die ontgoocheling zijn.
Refrein:
Ik was een klein prinsesje,
En kende goed mijn lesje,
Ik leefde in een gouden mijn,
Vol naberouw en fijnserij,
Was als de lelie teer,
Maar weg is nu mijn eer.
Vroeger minde mij alle heeren,
Men roemde mijn schoonheid zoo teer,
Maar juist door da coccetteeren,
Verloor ik mijn schoonheid en eer.
Mijn kleur was een blos der
gezondheid,
Maar nu is 't een kleur van de schijn,
Ik moest lachen als ik soms wou
schreien,
De liefde deed mij helaas pijn.
Refrein:
Niets was er vroeger fijnder,
In deugd was niemand reiner,
Maar weg is nu die gouden tijd,
Vol naberouw en fijnserij,
Ik was als de lelie teer,
Maar weg is nu mijn eer.
Daarom wil ik geen kwaad altijd
denken,
Zie hier een gevallene vrouw,
Mooie woorden, benevens geschenken,
Hij zwoer haar zijn liefde en trouw.
Dat is het wapen van alle mannen,
En is dan hun hartstocht voorbij,
Dan denken ze aan hun vrouw als
speelgoed,
En gooit het dan weder op zij.
Refrein:
Niets was er vroeger fijnder,
In deugd was niemand reiner,
Maar weg is nu die gouden tijd,
Vol naberouw en fijnserij,
Ik was als de lelie teer,
Maar weg is nu mijn eer.
Terug
naar overzicht
Het proces van Pietertje
Swing
(The Ramblers, 1939)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de teksten)
Ik open de zitting van dit gerecht
Luister naar wat de beschuldiging zegt
't Koninkrijk tegen Pietertje Swing
Dat is thans 't rechtsgeding
Deurwaarder, laat de beklaagde nu binnen
Stilte in de zaal, 't spel gaat beginnen
Luister beklaagde, hoe is uw naam
Pietertje Swing, heel aangenaam
En wat is uw broodwinning
Edelachtb're, ik doe aan swing
It don't mean a thing
If you ain't got that swing
Dowadowa-dowadowa-dowa
Wat is swing, wel voor den drommel
Ik speel slagwerk op een trommel
Pietje Swing, ik heb gehoord
Dat jij iemand hebt vermoord
Nee meneer, dat is niet waar
De beschuldiging ligt daar
Kent ge ook een juffrouw Loesje
Ja meneer, een reuze snoesje
Weet je dus wie Loesje is
Dat weet iedereen gewis
Wie is Loesje, wie is toch die Loesje
Loesje is het meisje van de drummer van de band
Getuige Hendrik van Steede
Moet thans voor de rechter treden
Spreekt gij de waarheid, zweer op uw eer
Ja edelachtbare heer, ik zweer
Getuige Van Steede, vertel mij eens snel
Gij kende die juffrouw Loesje toch wel
Wie is Loesje, wie is toch die Loesje
Stilte beklaagde, schei uit met die luimen
Of ik laat onmiddellijk de zaal hier ontruimen
Van Steede, gij hebt toch die Loesje gekend
Loesje is het meisje van de drummer van de band
Luister, getuige, gij hebt toch gehoord
Dat zekere Loesje des nachts werd vermoord
Ja edelachtb're, de derde april
Stond ik ongeveer om half negen stil
Vlak voor het huisje van Pietertje Swing
Ik hoorde een lawaai, of de wereld verging
Dat is voldoende, gij kunt thans weer gaan
Thans volgt getuige Maria Banaan
Yes, we have no bananas
Kijk eens, daar ben ik, bonsjour Meester Rechter
Het is buiten koud maar het kon nog wel slechter
Zeg, waarde heer, kom, geef me een stoel
Wat is 't hier een gezellige boel
He he he, wat zit ik nu fijn
Ik wil heel m'n leven getuige hier zijn
Zwijg een moment, thans ben ik aan 't woord
Wie heeft die juffrouw Louise vermoord
Beste meneer, dat heeft hij toch gedaan
Kijk daar die slungel onnozeltjes staan
Ja, waarde vriend, jij hebt Loesje vermoord
Bah, wat een kerel, nu spreekt 'ie geen woord
Getuige, kijkt u die trommelstok eens aan
Ja, hiermee heeft hij de misdaad begaan
Met deze stok sloeg hij elke dag Loesje
En zo vermoordde die schurk dat snoesje
Is dat waar, beklaagde Swing
Spreek, voordat ik je ertoe dwing
Luister, rechter, naar mijn woorden
Ik wou Loesje niet vermoorden
Iedere dag vroeg men mij weer
"Sla toch Loesje nog een keer"
En dat heb ik steeds gedaan
Maar, ze is niet dood gegaan
Loesje leeft en 't is bekend
Dat de drummer van de band
Haar nog dikwijls slaan zal moeten
Moet ik, stumper, daar voor boeten
Beklaagde Swing, ik spreek hier recht
Wat u zegt klinkt lang niet slecht
Maar, beklaagde, gij moet even deugd'lijke bewijzen geven
Dat doe ik met veel plezier
Geef m'n trommeltje maar hier
Edelachtb're, u hoort nu
Een stukje jazz, speciaal voor u
Aardig, aardig, lang niet kwaad
Je speelt keurig in de maat
Maar, beklaagde, kan dit werk
Ook een beetje minder sterk
Zeker rechter, 'k kan zo zacht
Als u nimmer had verwacht
Da's geweldig knaap, bravo
Nu wat swing, haidiho
Dat is prachtig, ik stel als eis
Vrijgesproken, gebrek aan bewijs
Terug
naar overzicht
Het regiment gaat voorbij (Voorop
daar loopt de Kolonel)
(uitvoering: Lou Bandy 1939)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de teksten)
Versie 1
Voorop daar loopt de Kolonel
Ki, ka Kolonel
Daarachter komt het hele stel
Voor onze Kolonel.
En daarna komt de Kapitein
Ki, ka Kapitein
Ik zeg er in de zonneschijn
Dat is de Kapitein.
Daarachter loopt de Luitenant
Li, la Luitenant
De sabel moet hij in zijn hand
Die knappe Luitenant.
En dan komt de Sergeant-Majoor
Si, sa Sergeant-Majoor
Die gaat in de modeldienst voor
Het is dus de Sergeant-Majoor.
Vervolgens komt de Korporaal
Ki, ka Korporaal
De meeste plaats van allemaal
Toch heet'ie Korporaal.
Versie 2
(tekst/muziek: Noiret en
Ferry/uivoering: Bob Scholte 1939)
Wanneer we het hele regiment zo kranig
zien marcheren,
Dan staan de meisjes, 't is bekend,
heel schalks te kokketeren.
Voorop daar rijdt de Kolonel
Ki-ka-Kolonel,
Daarachter komt het hele stel,
Voor onzen Kolonel.
Zo defileert de hele troep waarvan de
magen jeuken,
Na fijne rats of erwtensoep van kokkie
in de keuken.
Voorop daar rijdt de Kolonel
Ki-ka-Kolonel,
Daarachter komt het hele stel,
Voor onzen Kolonel.
En daarna komt de Kapitein,
Ki-ka-Kapitein.
Drie sterren in de zonneschijn,
Dat is de Kapitein.
Ze lopen keurig bij elkaar, de tamboer
roert de trommel,
De Jonkheer X. van Wassenaar, naast
Krelis Biet uit Bommel.
Voorop daar rijdt de Kolonel,
Ki-ka-Kolonel.
Daarachter komt het hele stel,
Voor onzen Kolonel.
En daarna komt de Kapitein,
Ki-ka-Kapitein.
Drie sterren in de zonneschijn,
Dat is de Kapitein.
Daarachter loopt de Luitenant,
Li-la-Luitenant.
De sabel moedig in z'n hand.
Die knappe Luitenant.
En Hein de Kikker die loopt schuin,
klaagt bleek van wintervoeten,
Zijn slapie ziet toevallig bruin van
al z'n zomersproeten.
Voorop daar rijdt de Kolonel,
Ki-ka-Kolonel.
Daarachter kom het hele stel,
Voor onzen Kolonel.
En daarna komt de Kapitein,
Ki-ka-Kapitein.
Drie sterren in de zonneschijn,
Dat is de Kapitein.
Daarachter loopt de Luitenant,
Li-la-Luitenant.
De sabel moedig in z'n hand,
Die knappe Luitenant.
Vervolgens komt de Korporaal,
Ki-ka-Korporaal.
De meeste praats van allemaal,
Dat heeft de korporaal.
En zo marcheert de troep voorbij, een
schare uitgelezen,
Elk die ze ziet, roept trots en blij:
"Ons leger mag er wezen !"
Voorop daar rijdt de Kolonel,
Ki-ka-Kolonel.
Daarachter loopt het hele stel,
Voor onzen Kolonel.
En daarna komt de Kapitein,
Ki-ka-Kapitein.
Drie sterren in de zonneschijn,
Dat is de Kapitein.
Daarachter loopt de Luitenant,
Li-la-Luitenant.
De sabel moedig in z'n hand,
Die knappe Luitenant.
Vervolgens komt de Korporaal,
Ki-ka-Korporaal.
De meeste praats van allemaal,
Dat heeft de Korporaal.
Dan komt 't regiment,
Ri-ra-regiment.
De ziekdragers op het eind,
Die sluiten 't regiment.
Terug
naar overzicht
Het regiment marcheert niet
meer, ze lopen nu te swingen
(Johnny & Jones 1939)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
In Nederland, in zeek're stad, daar
ligt een regiment
Ze marcheren daar op dansmuziek, 't succes is ongekend
Ze lopen daar in huppelpas heel ritmisch in de maat
Nu moet u toch eens komen zien, hoe aardig of dat gaat
Skideldiwideldiwank
Links uit de flank
Refrein:
Het regiment marcheert niet meer, ze lopen nu te swingen
Sergeant-Majoor en Kapitein zijn hardjes aan 't zingen
De leiding commandeert: "Swing out, we gaan nu exerceren
Vanmiddag veertig kilometer Lambethwalk studeren
Lalala, huppidoedoeloe, lalala
Nu vraagt heel Nederland zich af wie
of dit heeft bedacht
De tamboermajoor kreeg het idee, in z'n dromen op een nacht
De kap'tein zat op 't radeel, werden gemobiliseerd
Daarvan heeft toen de hele troep de Heidiho geleerd
Skideldiwideldihook
Pink op de naad van de broek
Refrein
Het nieuws dat wij bezongen, dat kwam
niet van ANP
Maar het is uitsluitend en alleen van ons een gek idee
Een mededeling echter, die ons nu nog even rest
Bij 't leger, hier in Holland, is de stemming opperbest
Skideldiwideldihug
Smeer de boter maar op je kuch
Refrein
Terug
naar overzicht