SeniorPlaza

Uit (groot)moeders tijd

Haar eerste fietstochtje

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Er was eens een aardig lief meisje,

Die had toch zoo gaarne een Fiets.

Maar Maatje wou daar niets van weten,

Zei: "meisje dat is voor jou niets."

Wil dat uit je hoofdje maar laten,

Wijl daar niets van komen kan.

Je loopt toch zoo gauw in de gaten,

Dus fiets jij maar niet om een man.

 

Het meisje dat dacht bij haar zelven,

Ik heb maling aan al dat gezeur.

Als ik toch zoo iets wil probeeren,

Geloof maar gerust dat gebeurt.

Dra had zij een besluit ras genomen,

Om 's middags uit fietsen te gaan.

Maar om op zoo'n ding te komen,

Dat zou zoo gemakkelijk niet gaan.

 

De pret was voor haar aangebroken,

Dra had zij het fietsen geleerd.

Mamaatje had nog niets vernomen,

Doch het blaadje was gauw omgekeerd.

Want vroeger ging het meisje bij avond,

Eens wandelen met Piet of met Jan.

Nu kan zij eens heerlijk gaan fietsen,

Dat gaat toch mijn moeder niets an.

 

De klok had juist acht uur geslagen,

Haar eerste fietstochtje brak aan,

Zij dacht nu zal ik het maar wagen,

Per fiets eens naar buiten te gaan.

Maar op een stil plekje gekomen,

Een heertje per fiets haald' haar in,

Sprak het meisje daar aan zonder schromen,

Je weet dat ik je teder bemin.

 

Daar stond men een poosje te praten,

Van Liefde, Geluk en nog meer.

Zeg zusje wil een kusje mij laten ?

Kom, fiets op een andere keer.

Dra zaten zij dicht bij elkander,

Haar fiets werd vergeten al ras,

Zoo'n fietstochtje is zoo gezellig,

Bij avond in 't heerlijke gras.

 

Het meisje ging avond aan avond,

Per fiets naar die heerlijke plek.

Het heertje kwam dikwijls haar tegen,

Toen dacht hij dat meisje is gek;

Neen ! niets wil ik meer van haar weten,

Ik rijdt dus een andere weg heen,

Nu heft hij het meisje vergeten,

Het meisje is niet meer alleen.

 

Nu was er een poosje verstreken,

Van een fietstocht had Ma niets gehoord,

Maar wat is nu weldra gebleken,

Ma werd in haar nachtrust gestoord.

Per fiets was een Langpoot gekomen,

Ja het was haast al over den tijd.

En heeft het aardige meisje,

Met een fiets-cadeautje verblijd.

 

Refrein:

Trallajaja, Trallajaja,

In 't groen daar streelt men graag.

Trallajaja, Trallajaja,

Tot dikwordens toe jaja.

 

Terug naar overzicht

Haar grote reeënogen

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Haar grote reeënogen vulden zich met tranen

Als zij terug dacht aan die jaren van geluk.

Haar grote reeënogen vulden zich met tranen

Ze was zo eenzaam al haar dromen waren stuk.

 

Ze waren al jaren gelukkig getrouwd,

Hij leefde slechts voor zijn gezin.

Maar toen kwam het noodlot, een jonge vriendin,

Die stelde zich tussen hen in.

Zijn vrouw werd hem daarbij te veel,

De eenzaamheid is nu haar deel.

 

Refrein als hiervoor

 

Hij leefde in een roes met zijn jonge vriendin,

Maar zijn geluk dat duurde niet lang.

Hij zwierf langs zijn huis in een donkere nacht,

Zijn schuldige hart klopte bang.

Te einde raad belde hij aan,

Toen heeft zij hem open gedaan.

 

Refrein:

Haar grote reeënogen vulden zich met tranen,

Toen zij hem zonder verwijt in de armen nam.

Haar grote reeënogen vulden zich met tranen,

Maar 't was van vreugd omdat voor haar 't geluk weer kwam.

 

Terug naar overzicht

Haar kleinkind

(Manna de Wijs-Moutton)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Grootmoe wat zal je me geven, wanneer ik naar school toe ga ?

Ik geef je een vlieger, daar vlieg je mee kind

Ver boven de mensen, in regen en wind

Een vlieger, dat is zo een kost'lijk gerief

Die zal ik jou geven mijn prinseke lief !

 

Grootmoe wat zal je me geven, als ik eens mijn communie ga doen ?

Ik heb je een slot en een sleutel beloofd

Dat niemand je kindervertrouwen ontrooft

Want vent, om je zieltje sluipt menige dief

Dat moet je versluiten, mijn prinseke lief.

 

Grootmoe wat zal je me geven, wanneer ik eens trouwen zal gaan ?

Ik geef je een gordel met zijde omwoeld

Zodat je de druk van de keten niet voelt

Die schakels, eerst luchtig, ze worden massief

Die mag je niet voelen, mijn prinseke lief.

 

Grootmoe wat zal je me geven, wanneer ik eens vader zal zijn ?

Ik geef je een boekje waar ik alles in schreef

Van dat wat je zelf in je jonkheid bedreef

En heb je dan tegen je kleuters een grief

Lees dan in dat boekje, mijn prinseke lief.

 

Grootmoe wat zal je me geven, wanneer ik eens grootvader ben ?

Dan is er mijn jongen, zo moe en zo oud

En gans met het werk'lijke leven vertrouwd

Kom dan op het kerkhof, en denk bij mijn graf

Aan alles wat grootmoe haar prinzske gaf.

 

Terug naar overzicht

Haar moeder is er altijd bij

(uitvoering Bobbejaan Schoepen)

Ik hou van Joseke, maar 'k mag haar niet kussen
Haar moeder is er altijd bij
Nooit lukt ons een afspraak, er komt steeds wat tussen
Haar moeder is er altijd bij
Ik mag haar wel zien maar m'n hartje blijft treuren
Wat nut heeft dat zien, er kan toch niks gebeuren
't Liefst zou ik die babysitster verscheuren
Geen ogenblik zijn we nog vrij
Want haar moeder is er altijd bij
Want haar moeder is er altijd bij

Gaan wij samen uit, dan begint weer m'n lijden
Haar moeder is er altijd bij
Net als een cipier zit zij tussen ons beiden
Haar moeder is er altijd bij
Zodra dat 't licht in de zaal uitgegaan is
Houdt zij onze handen vast, tot 't gedaan is
Begrijpt u dat dan mijn plezier naar de maan is
Weer ben ik de wanhoop nabij
Want haar moeder is er altijd bij
Want haar moeder is er altijd bij

 

Er is niks veranderd sinds wij man en vrouw zijn
Haar moeder is er altijd bij
Zelfs als wij in Keulen, in Capri of Cann zijn
Haar moeder is er altijd bij
Ons huwelijk kon er geen einde aan maken
Ze blijft als een waakhond haar dochter bewaken
Nooit zal ik 't geluk van 't vaderschap smaken
Een baby, die komt er nooit bij
Want haar moeder is er altijd bij
Want haar moeder is er altijd bij

 

Terug naar overzicht

Habanero

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Speel nog eenmaal voor mij Habanero,

Want ik hoor zo graag jouw lied.

Speel nog eenmaal voor mij Habanero,

Nee die tijd vergeet ik niet.

 

Jij bracht met jouw gitaar,

Twee harten bij elkaar,

Jij speelde slechts voor hem en mij.

Ik vond bij jouw muziek,

Geluk en romantiek,

Maar ach die droom ging snel voorbij.

 

Refrein

 

’t Is nu herinnering,

Van liefde die verging,

’n Droom die met de wind verdween.

Maar toch als ik jou zie,

Voel ik weer die magie,

Jouw klanken proeven als voorheen.

 

Refrein 

 

Terug naar overzicht

Had ik maar geld

(Oorspr.: Candy and cake)

(Ned. tekst: Bart Ekkers / muziek: Bob Merrill)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik zou jou zo dolgraag iets willen geven,

Maar ik heb geen geld, luister daarom even:

 

Refrein:

Had ik maar geld, had ik maar geld,

Dan zou ik je alles, alles geven,

Had ik maar geld !

Maar het is op, dat is de strop,

Want ik ben zo arm als Job en daarom:

Had ik geld !

Als ik het had, was het voor jou,

Dan zou ik je alles, alles geven,

Wat je maar wou !

Maar ach ik ben rut, ja helemaal blut,

Dus zeg me maar gauw: hoe moet dat nou ?

Ach, had ik maar geld !

 

Terug naar overzicht

Hadjememaar

(Dit is het lied van de straatvechter)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Hadjememaar, hadjememaar, met een knakie erbij

Hadjememaar, met een lokkie opzij,

Hadjememaar, wat je hoort en wat je ziet,

Ik wil wel met je vrijen, maar mijn centen krijg je niet !

 

Terug naar overzicht

Hadt je me maar is edelachtbaar !

(Wijze: Hadt je me maar)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Niemand kan 't haast gelooven,

En 't is toch zuiver waar.

C. de Gelder is gekozen,

Bijgenaamd  "Hadt je me maar".

Het bekende Amsterdamsche

Straattyp van 't Rembrandsplein,

Met z'n stok - sigarenkistje,

Jongens dat belooft een gein.

 

Refrein:

Hadt je me maar zit thans in de raad,

Kiezers vooruit dat is JE kameraat

Hadt je me maar, iedereen zegt 't sebiet

Daar alleen zal ik op rekenen,

Op een ander steun ik niet.

 

Als hij eenmaal is gezeten,

Meen toch niet 't is een bak,

Kost een brood weer zeven centen,

Twintig spie een kan cognac.

Voor vier duiten met een passie,

Op de electrische tram.

Voor de woekeraars een galg,

Op 't midden van de Dam.

 

Refrein

 

Voor de jongens van de vlakte

Wordt het nu een goede zaak,

Want die krijgen dan vergunning

Voor 't zetten van een kraak.

Ieder nachthuis wordt verboden,

Iets wat vroeger ook niet mocht.

Alleen dat mag open blijven,

Waar jenever wordt verkocht.

 

Refrein

 

En wanneer de raad gaat praten,

Van de melkknoeierij,

Dan schiet "hadt je" uit z'n sloffen,

En trekt dra aan de partij.

Wij zijn toch geen zuigelingen,

Melk smaakt toch niet kedin.

Pakt dan eerst de kastelein die,

Plompt er veel meer maaiem in.

 

Refrein

 

Nu hij lid is, wordt zijn kistje,

Goud verguld, met sneeuwwitgloor.

Word ze stok nu afgewasschen,

Ingelecht met echt ivoor.

In 't jaar twee rooie ruggen,

Hij verdient dan potverdrie

En een rooie rug van 't krabben,

Samen heeft hij er dan drie.

 

Terug naar overzicht

Hallo Bandoeng

(Willy Derby 1929)

't Kleine moedertje stond bevend

Op het telegraafkantoor

Vriendelijk sprak de ambtenaar: "Juffrouw

Aanstonds geeft Bandoeng gehoor."

Trillend op haar stramme benen,

Greep zij naar de microfoon

En toen hoorde zij, o wonder,

Zacht de stem van haren zoon.

 

Refrein:

Hallo, Bandoeng

"Ja moeder, hier ben ik"

"Dag lieve jongen," zegt zij, met een snik

Hallo, hallo

"Hoe gaat het ouwe vrouw ?"

Dan zegt ze alleen

"Ik verlang zo erg naar jou."

 

"Lieve jongen," zegt ze teder

"Ik heb maanden lang gespaard

't Was me, om jou te kunnen spreken

M'n allerlaatste gulden waard."

En ontroerd zegt hij dan: "Moeder

Nog vier jaar, dan is het om

Oudjelief, wat zal 'k je pakken

Als ik weer in Holland kom."

 

Refrein

 

"Jongenlief," vraagt ze, "hoe gaat het

Met je kleine, bruine vrouw."

"Best hoor," zegt hij, en wij spreken

Elke dag hier over jou.

En m'n kleuters zeggen 's avonds

Voor 't gaan slapen 'n schietgebed.

Voor hun onbekende opoe

Met 'n kus op jouw portret."

 

Refrein

 

"Wacht eens, moeder," zegt hij lachend

"'k Bracht mijn jongste zoontje mee."

Even later hoort ze duidelijk

"Opoelief, tabee, tabee."

Maar dan wordt het haar te machtig

Zachtjes fluistert ze: "O Heer

Dank, dat 'k dat heb mogen horen."

En dan valt ze wenend neer

 

Hallo! Bandoeng

"Ja moeder, hier ben ik."

Zij antwoordt niet, hij hoort alleen 'n snik

"Hallo, hallo" klinkt over verre zee

Zij is niet meer

En het kindje roept: "tabee"

 

Terug naar overzicht

Hanna hef ne grieze

(met dank aan Johan en Siny ten Hove voor het sturen van de tekst)

Hanna hef ne grieze

Hanna hef ne grieze

Hef ne grieze onderbokse an

Hanna hef ne grieze

Hanna hef ne grieze

Hef ne grieze onderbokse an

O Suzanna, wat is het leven wonderschoon

O Suzanna, wat is het leven wonderschoon

 

(kan ook met knipmutse, enz.)

 

Terug naar overzicht

Hans en Liesje

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Door het stille woud gaan Hans en Liesje

Samen naar hun dorpje toe.

In de ééne hand houdt Hans Liesje,

In de an'dre hand de koe.

Langzaam komt de schemer, zeggen dat de avond valt.

Liesjes pasjes worden kleiner, eindelijk houdt ze even halt.

Plotseling de stem van Liesje: "Hans jij voert wat in je schilt."

Hans zegt: "Kind je ziet ze spo-o-o-ken ,

Ik doe niks, ik weet niet wat je wilt."

 

Langzaam spreidt de nacht zijn sluier

Over het dichtte stille woud.

Liesjes pasjes worden kleiner,

Want ons Liesje was nog niet zo oud.

Liesje nam toen Hans zijn schouder, omdat hij de sterkste was.

En zo liepen ze samen verder, in die kalme rustige pas.

Plotseling de stem van Liesje: "Hans jij voert wat in jouw schilt."

Hans zegt: "Kind je ziet ze spo-o-o-ken,

Ik doe niks, ik snap niet wat je wilt."

 

Het is nu volslagen nacht geworden.

Liesjes angst groeit meer en meer.

Hans je wilt met mij beginnen

Denk toch aan mijn jeugd, mijn eer.

Hans begon het te vervelen, en hij blafte Liesje aan:

"Als ik werkelijk iets zou willen, zie je dat ik het echt niet kan.

Met de ene hand heb ik jou vast

En de andere hand is met het touw van de koe belast."

Toen sprak Liesje: Malle jo-o-o-ongen,

Bindt die koe dan aan een paaltje vast !"

 

Terug naar overzicht

Harmonica Jim

(tekst: Joop de Korver/muziek:Jan Hofmeester/uitvoering: Annie de Reuver)

Refrein:

Harmonica Jim, speel nog eens even

Een ouderwets lied, iets uit mijn leven

Speel eens dat lied, dat ik als meisje heb gezongen

Waarop ik danste met m'n allereerste jongen

Harmonica Jim, speel nog eens even

Dat lied van: 'Kom Karlineke, Kom Karlineke, Kom'

 

In een straatje liep een muzikant

Speelde populaire liedjes

Voor het venster hoorde 'n oude vrouw

Al die leuke melodietjes

Zachtjes tikte zij aan 't vensterglas

Lachte tegen hem

Gaf hem een paar centen en ze vroeg

Met een zachte stem

 

Refrein

 

Wat het oude vrouwtje heeft gevraagd

Is de wens van vele mensen

Menig oudje zou graag voor een keer

Weer de tijd van vroeger wensen

Leven met een stralend jeugdgevoel

Vol van dromerij

Vragen aan de muzikant op straat

Evengoed als zij

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Harmonica zeeman

(uitvoering: De Straatzangers)

Refrein:

Hij speelde voor de matrozen

Van liefde en rode rozen

De jongens, die zongen z'n liedekes mee

En ieder refrein galmde over de zee

Zo bracht 'ie dan telkens even

Wat vreugde in 't zeemansleven

Dat joch, dat zo enig kon spelen

Op z'n harmonica

 

Als jongen van zestien kwam hij op een schuit

Omdat ie voor zeeman wou leren

Ze lachten het tengere kereltje uit

Maar d'ouwe, die wou het proberen

En toen ie wat schuchter vertrok naar de zee

Toen nam ie z'n nieuwe harmonica mee

 

Refrein

 

Maar d'ouwe, die merkte het al na een week

Het werk kon z'n body niet velen

Want 's avonds dan was ie zo stil en zo bleek

En dikwijls te moe om te spelen

Toen hebben z'n maats al z'n werk maar verzet

In ruil voor een beetje harmonicapret

 

Zo bracht ie dan telkens even

Wat vreugde in 't zeemansleven

Dat joch, dat zo enig kon spelen

Op z'n harmonica

 

Terug naar overzicht

Hart van steen

(tekst en muziek: Willy van Hemert/Dick Schallies/uitvoering: Zwarte Riek en ook Black & White)

Refrein:

Jouw hart is zo hard als een steen, Marie.

Er is er niet een, Marie, met een hart zo hard.

Jouw hart is zo hard als een steen, Marie.

Er is er niet een, Marie, met een hart zo hard.

Een ezel stoot zich vast niet tweemaal aan dezelfde steen,

Maar aan dat stenen hart van jou, stoot iedere man zich bont en blauw.

Jouw hart is zo hard als een steen, Marie.

Er is er niet een, Marie, met een hart zo hard.

 

Marietje, ik snap werk'lijk niet wat of jou bezielt.

Er was zo menig jonge man, die dolveel van je hield.

Dat weet ik, maar er is geen man die mij iets interesseert

En toe, begin jij nou ook niet, want heus, je bent verkeerd.

 

Refrein

 

Marie, ik geef de moed niet op, eens moet jij keuze doen.

Vol spanning vragen wij ons af: "Wie krijgt de eerste zoen ?"

Ja jongen, dat is eerlijk ook een open vraag voor mij,

Maar als ik om mij heen kijk: Hier is hij beslist niet bij.

 

Refrein

 

Jij denkt misschien: "Ik heb geen haast, die keuze heeft nog tijd."

Maar denk er aan: "Ook jij raakt eens je jeugd en charme kwijt."

Ach, malle vent, ik ben heus niet de schoonste van 't land,

Maar dit staat vast: Mijn eerste zoen krijgt nooit een muzikant.

(Dat is niet erg, als 't de tweede dan maar is)

 

Refrein

 

Met een hart zo hard.

Met een hart zo hard.

 

Terug naar overzicht

Havenlicht

(Ned.tekst: Bart Ekkers / muziek: Jimmy Kennedy / uitvoering: Jan Koster)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De avond was gedaald

Het maantje ging schijnen,

Een vissersboot koos zee

Ik zag hem verdwijnen.

'k Zag ook een jonge vrouw

Met droef, betraand gezicht,

En vroeg de reden, ze zei:

" 't Is  't havenlicht."

 

Refrein:

Hier bij het havenlicht

Heb ik voor 't eerst op hem staan wachten

Toen hij na lange tijd

Weer eens naar huis toe kwam.

Dat zelfde havenlicht,

Waarbij we toen zo vrolijk lachten,

Licht ook het afscheid bij

Dat ik zoëven nam

Hij ging van mij

Weer voor een hele tijd vandaan,

Want als de zee hem roept

Moet ik hem laten gaan.

Hier bij het havenlicht,

Heb ik voor 't eerst op hem staan wachten

Bij 't zelfde havenlicht

Zal ik ook straks weer staan.

 

Terug naar overzicht

'k Heb een spijker in mijn schoen

(Kees Pruis 1915)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

’t Is vandaag een dag met een staartje geweest

Want ik heb voor ’t eerst in mijn leven

Vol trots aan mijn man’lijke plichten voldaan

En twee kinderen gelijk aangegeven

Want ‘k werd met de komst van een tweeling verblijd

‘k Ben zoo g’lukkig met twee kinderen rijker

’t Is zoo jammer, mijn vreugd wordt een beetje vergald

‘k Loop zoo beroerd, in mijn schoen zit een spijker !

 

Refrein:

‘k Heb zoo de hik, hik, hik !

‘k Voel me niet snik, snik, snik !

’t Rommelt en stommelt in mijn maag,

’t Was ook zoo’n gekke dag vandaag !

‘k Dronk niets dan thee, thee, thee !

Geen biertjes, nee, nee, nee !

‘k Waggel zoomaar ‘k kan d’r heusch niks aan doen

Want ‘k heb een spijkertje dwars door mijn schoen.

 

 

‘k Heb een vriend die’s vandaag mijn getuige geweest

En die heeft mij zoo vrees’lijk beleedigd !

Hij ligt nou in het gasthuis, zijn ribben zijn stuk.

‘k Heb mijn vaderlijke eer goed verdedigd !

Stel je voor ! toen ik zei: lijkt het paar niet op mij

Zei hij lachend, je bent toch zoo’n stakker !

Wrijf je ogen eens uit , kijk die ene lijkt

Op den melkboer, en d’and’re op den bakker !

 

Refrein

 

Toen de ambtenaar zei, het begin dat is goed

Twee gelijk die je nachtrust verstoren,

Heb ik g’antwoord, da’s niks’ want de een schreeuwt zoo hard

Dat je niets van de an’dere kunt hooren !

Als die schoen nou maar niet in mijn spijkertje zat

Was er niets dat mijn vreugde kon hind’ren,

‘k Drink eerst nog een kop thee, ik kan zoo niet naar huis

Want ik schaam mij zoo voor mijn twee kind’ren !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Heb ie je hoed op van de bedeeling

(Tekst:W. Pietersma)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Hoera ! de circus tijd is daar,

Dat een ieder zich verblijdt,

Zet nu je hoedje op van de bedeeling.

En zoeken doet een elke heer

Nu naar een lieve meid.

Met een hoed op een hoedje op,

Dan gaan wij verheugd van zin

Te samen het circus in.

En zinge wij alle de nieuwe mop

Van heb ie je hoedje op.

 

Refrein:

Heb ie je hoedje op ?

Van de bedeeling,

De bedeeling is zoo goed,

Hij gaf je een nieuwe hoed,

Van de bedeeling,

De bedeeling is zoo goed,

Hij gaf je een nieuwe hoed.

 

En manke Kee en schele Sien

Gingen met ons naar 't circus heen,

Wij hadden ons hoed op van de bedeeling.

De een kon uit haar oogen niet zien,

De ander niet vlug ter been.

Wij hadden ons hoedje ons hoedje op

Kwamen wij in het gedrang.

Maar Keetje was zoo bang,

Zingen vlogen wij hals over kop

De trappen van het circus op.

 

Refrein

 

En eindelijk zaten wij op ons gemak

Al in de derde rang,

Met onze hoed op van de bedeeling,

Wij hadden de flesch gauw uit ons zak

En namen een flinke prop.

Met onze hoed op, ons hoedje op,

En Sientje en Manke Kee

Dronken lustig met ons mee.

Doordat hun hoed viel op de grond

En nu zong men in het rond:

 

Refrein

 

Het duurde niet lang of er kwam een agent

Die pakte hun bij hun baat,

Trok hun toen mede al naar beneden.

Tot groot genot van het publiek

Smeet hij ze toen op straat,

Zij hadden, o strop, geen hoedje meer op

En daar liepen ze, nou hoe raar,

Gearmd heel familiaar.

En spoedig dansten zij in galop

En zongen de nieuwe mop:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Heb je mij vergeten te vertellen

(oorspr. Have I told you lately that I love you)

(tekst: André Meurs / muziek: Scot Wiseman/ uitvoering: Max van Praag met de Accordeola band)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Heb je mij vergeten te vertellen,

Toen ik gist'ren wand'len ging met jou,

Dat je wekenlang al piekert of ik jou zal vragen ?

Beloof me, vertel het dan gauw !

 

Refrein:

Je had het zelf aan mij wel kunnen vragen,

Maar ik weet zoiets dat doet geen vrouw,

Heus je moet niets vergeten te vertellen,

Geloof me, ik zeg het voor jou. 

 

Heb je mij vergeten te vertellen:

"Jij weet niet, hoeveel ik van je hou.

En geen uur zou ik nog zonder jou meer kunnen leven ?"

Beloof me, vertel het dan gauw !

 

Refrein

 

Heb je mij vergeten te vertellen:

"Op de dag wanneer ik met je trouw,

Zal m'n liefste wens pas in vervulling zijn gekomen ?"

Beloof me, vertel het dan gauw !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

'k Heb maling aan geld

(Hansen/Pol/uitvoering: o.a. Jany Bron en Marcel Thielemans en The Ramblers)

Refrein:

'k Heb maling aan geld

(ping ping ping ping)

Om gelukkig te zijn

Ik zing graag een wijsje

Met een meisje in de maneschijn

'k Heb maling aan geld

(ping ping ping ping)

Ik verlang slechts naar jou

Toe zeg nou ja mijn schat

Dan worden we man en vrouw

 

De zorgen van morgen die kwellen het meest

Als je zo samen eens uit bent geweest

Je wilt zo graag trouwen maar geld is er niet

Dus zing je alleen maar een lied

 

Refrein

 

Al heb je geen geld, dat komt ook wel weer goed

Je gaat naar de fiscus met een vrolijke snoet

De ambtenaar zegt: oh betaal je weer niet

Dan zingen we samen dit lied

 

'k Heb maling aan geld

Om gelukkig te zijn

Ik zing graag een wijsje

Met een meisje in de maneschijn

'k Heb maling aan geld

Ik verlang slechts naar jou

Toe zeg nou ja mijn schat

Dan worden we man en vrouw

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Heb meelij Jet

(Kees Pruis 1929)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

De Jansens leven heel den dag

In harmonie en vree

Ik zeg expres “den heelen dag”

Want ’s nachts O wee ! O wee!

Er is een bed, dat is zoo nauw

En zij een tweehonderd-kilo-vrouw

Zij is een walvisch, hij een sprot,

Zodoende komt er mot!

En ligt het stel in bed,

Begint de groote pret:

 

Refrein:

Meelij Jet! Heb meelij Jet!

Is er voor mij dan geen plaats meer in bed?

Ik lig met m’n rug op de scherpe rand

En ‘k hang voor de helft uit het ledikant

Meelij Jet! Heb meelij Jet!

Is er voor mij dan geen plaats meer in bed?

Jij neemt al de dekens O monstervrouw,

Ik bibber van de kou!!!

 

Hij heeft een strop, want Jet was slank

Toen hij haar handje vroeg

En toen zij trouwden was hun bed

Voor beiden groot genoeg

Maar Jansen werkte hard, zoodat

Hij mager werd gelijk een lat

Zij werd maar dikker, onze Jet

Nu zwemt ze in d’r vet

Draait zij in ’t ledikant,

Dan vliegt hij aan den wand!!!

 

Refrein

 

Het was een daalder waard te zien

In bed dat vreemde stel

Een hooge berg was zij, en hij

Wat beentjes met een vel

Het komt nog zoo ver, zek’ren keer

Dan slaakt de man z’n kreet niet meer

Dan hangt ie als een doode mug

Aan Jet d’r vette rug!

En ’t allerlaatste woord

Dat Jet nog van hem hoort:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Heeft u een sigarenbandje ?

(1935 uitvoering o.a.: Bob Scholte en Ab en Greet Scholte)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Bandjes zijn er bij de vleet,

Soms wel van een vinger breed,

Rood met goud en allerhande kleuren

Zie ik om een sigaar.

Denk ik: Joh, had ik die maar !

Op de straat mag ik er niet om zeuren

Moeder waarschuwt: 'Opgepast,

Doe geen mensen overlast !'

Maar we hebben er zo op gevlast,

Want die mooie bandjes hebben we zo graag,

Daarom zingen wij maar onze vraag:

 

 

Refrein:

Heeft u een sigarenbandje ?

Heeft u er een voor mij bewaard ?

Heeft u een sigarenbandje ?

'k Heb er al heel wat opgespaard.

Heeft u een sigarenbandje ?

'k Ben zo blij als u 't mij geeft.

Al ben ik een bijdehandje,

Vraag ik het u toch heel beleefd...'

 

 

Vader rookt altijd een pijp,

Iets wat ik maar niet begrijp.

Waarom rookt u niet voor mij sigaren ?

Koop sigaren  -  rook is rook,

Andere heren doen het ook -

Want dan kan u voor mij gaan sparen.

Moeder zegt: Als jij weer gaat

Bandjes bedelen op de straat,

Zal je zien wat jou te wachten staat !

Moeder, ik beloof u: dat doe ik niet meer,

Ik vraag op straat niet meer aan een meneer:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Heel de wereld (uitvoering Corry Brokken)

Heel de wereld moet ik m'n geheim vertellen

Omdat ik gelukkig ben

Heel de wereld gaat voor mij nu dubbel tellen

Omdat ik 't geluk nu ken

 

Refrein:

Maar heeft deze wereld het niet te druk

Wie heeft er nog tijd voor geluk

Toch wil ik juichen, want

Heel de wereld moet ik m'n geheim vertellen

Omdat ik gelukkig ben

 

Zal ik via kaarten kennisgeven

Zal ik adverteren in de krant

Hoe ik het vertel is mij om 't even

Maar het moet door het land

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Heer in 't verkeer

(tekst: Hans Ruf en Jaap Valkhoff / muziek: Fairman / uitvoering: Toby Rix)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Je koopt een tweede-handsie,

Maar dan zegt die meneer:

Ik geef je geen garantie,

Heer in 't verkeer.

Geen spatje chroom of nikkel,

Wat gaat dat ding tekeer.

Je voelt j'in zo'n vehikel

Heer in 't verkeer.

Alles weigert als'ie steigert

Over hobbelkeien !

Als de krukas maar niet stuk was

Zou'ie beter rijen.

Je remmen zijn versleten

En je toeter werkt niet meer

Maar toch blijf je verbeten

Heer in 't verkeer.

 

Wie autoles gaat nemen,

Die leert de eerste keer,

Dat'ie vooral moet wezen

Heer in 't verkeer.

Na twintig lessen  - ho maar !  -

Vergeet'ie dat al weer,

Maar heus, je wordt niet zomaar

Heer in 't verkeer.

Handles, knoppen, rijen, stoppen,

Zegt de instructeur je.

Tegen 'n fietsie. Halt ! Politie !

Vrindje, ik bekeur je.

Wat helpen dan je klachten.

Al was't de eerste keer.

Je was slechts in gedachten

Heer in 't verkeer. 

 

Je tank, daar zit een lek in,

Je slingert heen en weer.

Daar reed je haast een hek in,

Heer in 't verkeer.

Het is haast niet te harden,

Hij rammelt meer en meer.

Dan springt een band aan flarden,

Heer in 't verkeer.

Tegen 'n winkel, glasgerinkel

In de etalage.

Twee agenten, dat kost centen.

O, wat een ravage.

Wanneer je bont en blauw ziet

Besef je eens te meer:

Een mens wordt heus zo gauw niet

Heer in 't verkeer.

 

Terug naar overzicht

Hei, hei

(Uitvoering o.a. The Kilima Hawaiians)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De kleine Njonja,

Liep langs de Kali,

Daar zag ze komen haar geliefde,

En uit de verte klonk over 't water

Zijn blijde roep: 'Ik hou van jou'.

 

Hei, hei !

Hei, hei !

Meisjelief, je bent van mij !

Hei, hei !

Hei, hei !

Meisjelief, je bent van mij !

 

Dan had je op dezelfde melodie ook nog andere versies n.a.v. de overeenkomst, gemaakt op de internationale conferentie te Londen, om oorlogsmisdadigers - waar ook ter wereld - uit te leveren.

 

De kleine Anton

Vluchtte naar Rome,

Hij dacht: Hier ben ik lekker uit de kou,

Maar hij werd toch bij z'n kraag genomen.

Heel Nederland zong: Nou hebben we jou.

 

Hei, hei !

Hei, hei !

Toontje-lief, je bent erbij !

Hei, hei !

Hei, hei !

Toontje-lief, je bent erbij !

 

 

En Van Genechten

Zat van angst te zweten

Ergens in Spanje of in Portugal.

Geen mens dan hij, kon 't beter weten,

De rechter grijpt je overal.

Hei, hei !

Hei, hei !

Vriendjelief, je bent erbij !

Hei, hei !

Hei, hei !

Vriendjelief, je bent erbij !

 

 

Maxje Blokzijl

Had zich verscholen

Bij z'n geliefde Berlijn in Lübbenau.

Maar Max d'r is één brandende kwestie

Nog eerst te regelen met jou.

 

Hei, hei !

Hei, hei !

Lieg-archief, je bent erbij !

Hei, hei !

Hei, hei !

Lieg-archief, je bent erbij !

 

 

Ook kameraad Roskam

Vluchtte naar buiten

Ging naar Zuid- Afrika als hereboer.

Dat reisje kostte nog heel wat duiten,

Maar gratis kwam hij weer retour.

 

Hei, hei !

Hei, hei !

Koeiendief, je bent erbij !

Hei, hei !

Hei, hei !

Koeiendief, je bent erbij !

 

 

En Rost van Tonningen

Ging 'still und leise'

En nam het ouwe pontje van 't Rokin.

Maar Rost behoefde niet ver te reizen,

Hij ging het Binnengasthuis in.

 

Hei, hei !

Hei, hei !

Duitendief, je bent erbij !

Hei, hei !

Hei, hei !

Duitendief, je bent erbij !

 

Terug naar overzicht

 

Heidewitska (Kovacs Layos)

(muziek: Karl Nerbuer)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Vroeger ging alles even kalm en bedaard

Wagen en paard, matige vaart

Of in de trekschuit bij een pijpje tabak

Zat men op zijn gemak.

't Ging maar niet fijn, zo aan de lijn

Kwam je heel netjes waar je moest zijn.

Nu komt het leven als een stormwind geraasd

En heeft men altijd maar weer haast.

 

Refrein:

Heidewitska vooruit geef gas

Dat oude getreuzel komt niet meer te pas.

Geen afstand is vandaag een hindernis,

Als er maar benzine in het tankie is.

Heidewitska vooruit geef gas

Dat oude getreuzel komt niet meer te pas.

 

Toen deed men alles meer met kalm overleg

Ook op de weg, had men geen pech.

Men reed elkaar nog niet bij voorkeur tot gruis

Maar kwam nog heelhuids thuis.

Duurde het wat lang, men was niet bang

Want alles ging zijn rustige gang.

Nu hoort bij 't kruipend gedierte het paard

En wordt als zeldzaamheid bewaard.

 

Refrein

 

En als een motor draait het leven dan

Geen diligence krijgt meer een kans.

Hij die de tijd heeft is zeker ziek

Dat is een stuk antiek.

Op hoed of pet, wordt niet gelet

Maar heb je wel een cabriolet.

Ook in de liefde is de motor een vraag

Hoor maar het meisje van vandaag.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Heimat uwe sterren

(oorspronkelijk Duits lied)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Bergen en dalen waar 't noorderlicht glanst

Landstreek in 't zuiden door wijnstreek omkranst

Oost en west ben ik gewezen

Doch mijn heimat niet vergeten

Hoort ge mijn lied in de verte

Heimatland

 

Refrein:

Heimat uwe sterren

Die stralen mij toe uit 't verre oord

Wat zij zeggen verklaar ik mij zo gerne

Als een lieflijk en zalig liefdewoord

Schone avondstonden

De hemel is als een diamant

Duizend sterren schitteren in de ronde

Vormen tussen ons bij een liefdesband

In de verte droom ik van heimatland

 

Terug naar overzicht

Helaas, 't is voorbij

(tekst: Han Dunk / muziek: Bernard Drukker / uitvoering Annie de Reuver)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

't Geluk bracht onverwacht ons samen,

Helaas 't kon niet voor altijd zijn.

Ons liefdesavontuur, hoewel van korte duur,

Ontlokt m'n hart dit afscheidsrefrein:

 

Refrein:

Helaas 't is voorbij,

Die mooie tijd voor jou en mij,

Maar, ach wie weet, zien wij elkaar eenmaal weer !

Misschien komt eens de dag

Dat ik jou weer ontmoeten mag,

En dan verlaten wij elkaar nimmer meer,

Dan brengt ons het weerzien opnieuw zonneschijn,

Al is het dan winter, zal 't zomer toch zijn.

Helaas, het is voorbij,

Die mooie tijd voor jou en mij,

Maar ach wie weet, zien wij elkaar eenmaal weer !

 

Het lijkt nog maar zo kort geleden,

Dat ik je plots'ling heb ontmoet.

't Ging voor ons allebei veel te vlug voorbij,

Maar 't zal geen afscheidsgroet zijn voor goed.

 

 Refrein

 

Terug naar overzicht

Helemaal alleen in je eentje

(Kees Pruis 1925)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Hij hoort bij de zij, zij hoort bij de hij,

Anders was 't gedaan met die vrijerij.

Bij de vrijerij hoort de maneschijn,

Daarom moet je altijd met zijn tweeën zijn.

 

 Refrein:

Het is geen gein, in de maneschijn,

Helemaal alleen in je eentje.

Je liefdeswoord, wordt toch niet gehoord,

Helemaal alleen in je eentje.

Je kijkt toch niet in je eigen fieselemie,

Je geeft je zelf geen zoen.

En zit niet op je eigen knie,

Je zingt toch niet je zelfde liefdeslied,

Helemaal alleen in je eentje.

 

In de achtersteeg, grote chimpansee,

En zelfs de poging in zijn eenzaamheid.

Maar ze gaven gauw, een dik behaarde vrouw,

Toen wilde ze toch wel en zong verblijd:

 

Refrein

 

Ieder jaar in Maart, roert de kat zijn staart,

Je hoort de hele nacht miauw, miauw.

De kater hoort zijn stem, en weet het is voor hem,

En hij roept terug, miauw, miauw kom gauw.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Hello Dolly

(uitvoering: Johan Kaart)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Hello Dolly
Hey hello Dolly
Zeg wat leuk je weer te zien in deze tent
En maak je het goed Dolly
Ja dat moet Dolly
Want ik zweer je dat je nog precies dezelfde bent
Zeg kom eens hier ober
Nee geen bier ober
Alleen champagne hoort bij dit intieme feest
Proost
Ik drink op jou Dolly
De altijd jonge vrouw Dolly
En op wat er tussen ons is geweest

 

Wat doe je nu Dolly
Zeg jij u Dolly
Tegen mij terwijl je mij al jaren kent
Wat?
Als je me nou Dolly
Geef me mijn glas eens gauw Dolly
Lieve schat dan drinken wij
Op die Dolly van wie jij
Op die Dolly van wie jij
De dochter bent

 

Terug naar overzicht

Hello Kitty

(tekst en muziek: Ted Green/uitvoering: Lammy van den Hout en orkest olv. Klaas Beeck/ 1941)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Kitty de steno-typiste

Was reuze knap en dat wist ze;

Alles die man viste

'Study' naar Kitty's hand.

Kitty was 'crazy' op 'tea-en'

En op gebak was ze 'smoor'.

Als ze maar even 'beet' wilde geven,

Neuriede 't hele kantoor:

 

Refrein:

Hello Kitty,

Ga je met me tea-en in de city ?

Hello honey

Laatste van de maand, we hebben money !

Hello sweetie,

Samen in een 'cosy corner' zit je zo knus,

Luister even, 'k wil je geven,

Heel m'n traktementje voor 'n kus.

 

Als Kitty stenografeerde,

Was het de baas, die tracteerde.

En liefjes informeerde:

,,Heb je soms trek in thee ?"

Dan kwam de jongste bediende

Fijn in z'n zondagse pak.

Stiekem en schuchter en vroeg haar nuchter

,,Houdt u van roomgebak ?"

 

Refrein

 

Iedereen lag op z'n knieën,

Iedereen ging met haar 'tea-en',

Bood haar z'n hart en z'n spie-en,

Maar niemand kreeg haar hand.

Zoetjes vergingen de jaren

Kitty werd oud en grijs.

Dronk in haar hoekje, thee met een koekje,

Klonk nog de oude wijs:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Hemelhuis

(René Desiderius De Clercq 1877 - 1932)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Door mijn woning
speelt een zonnig licht.
'k Voel me een kleinen koning
in mijn groten plicht:
vrouw en kind te schragen
op mijn sterke jeugd;
en ze hoog te dragen
in mijn vreugd !

Daar, op 't schouwke,
prijkt mijn enig kruis.
Wees mijn engel, vrouwke,
wees mijn hemel, huis.
Wees mijn stoutste roemen,
wees mijn zoetste troost,
frisse levensbloemen,
krachtig kroost.

O, mijn kindren !
Graaggebroken brood !
Zou 't geluk vermind'ren
waar de last vergroot ?
Zou men armoe lijden
om een mondje meer ?
Och, waar mensen strijden,
helpt de Heer !

 

Terug naar overzicht

Herinnering 1940

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Bij Rhenen zijn velen gevallen,

Bij Rhenen stroomt Hollandersbloed.

Daar zworen twee Hollandse soldaten,

Elkander trouw in de dood.

Daar zworen twee Hollandse soldaten,

Elkander trouw in de dood.

 

Zij hadden elkander gevonden,

Zij hadden elkander zo lief;

Mocht een van ons beiden soms vallen,

Schrijft de ander aan Moeder een brief.

Mocht een van ons beiden soms vallen,

Schrijft de ander aan Moeder een brief.

 

Er kwam een vijandige kogel,

Doorboorde de ene zijn hart.

Voor de Duitsers was het een vreugde,

Voor de Hollanders was het een smart.

Voor de Duitsers was het een vreugde,

Voor de Hollanders was het een smart.

 

Toen de strijd was uitgestreden,

Ging een ieder terug naar 't kwartier.

Daar was reeds veel veranderd,

Hij nam potlood en schreef op papier.

Daar was reeds veel veranderd,

Hij nam potlood en schreef op papier.

 

Hij schreef er met bevende handen,

Hij schreef er met een traan in zijn oog:

Lieve Moeder, je zoon is gevallen,

Dicht bij Rhenen, hij keert nimmer weer.

Lieve Moeder, je zoon is gevallen,

Dicht bij Rhenen, hij keert nimmer weer.

 

Maar, O Duitsers, wij zullen ons wreken !

Ja, wreken dat onschuldig bloed.

Want eens komt de dag der vergelding,

Dan betaal je het met je eigen bloed.

Want eens komt de dag der vergelding,

Dan betaal je het met je eigen bloed.

 

Terug naar overzicht

Herr Hitler wil naar Londen

(tekst: Almary / muziek: Rel Rijff)

(met dank aan Bram Ross voor het sturen van de tekst)

Toen Herr Hitler half Europa had genomen,

En aan de rand van het Kanaal was aangekomen,

Dacht hij eventjes naar Londen door te stomen,

Als hij daar zat was het zaakje voor mekaar.

Maar zijn Messerschmitt-piraten kregen weldra knauw op knauw,

Want de Britse Leeuw heeft vleugels,

En die lust de Hunnen rauw !

 

Refrein:

 Herr Hitler wil naar Londen,

Naar Londen, naar Londen,

Hij wil zo graag naar Londen,

Maar dat lukt hem lekker niet.

Hij zei: "Ik ben er half Augustus, ’t duurt niet langer",

Maar de Britten hebben lak aan een behanger.

En is dat nu geen zonde, geen zonde, geen zonde,

Hij wil zo graag naar Londen,

Maar dat lukt hem lekker niet !

 

Van de schrik ging toen de As weer confereren,

Om te proberen,

Het lot te keren.

"Ach Benito laat je vloot toch assisteren,

Breng mijn helden even over het Kanaal."

"Dank je lekker Adolf mio,

‘k Houd mijn schepen aan de kant.

Een ontmoeting met de Navy,

Nee, dat is me te riskant !"

 

Refrein

 

Met dit klusje heeft het opperhoofd der moffen,

Na al zijn boffen,

Het niet getroffen,

Want hij brulde wel: "Ik haal het op mijn sloffen",

Maar nu is hij toch een pietsie over tijd.

Hou je kalm maar beste Adolf, een ontmoeting zal er zijn,

Maar in Londen is wat lastig,

Churchill komt wel naar Berlijn !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het afscheidslied (vertaling van Auld Lang Syne)

(met dank aan Staf van Leemput voor het sturen van de tekst)

Hier staat tot afscheid weer de jeugd
In’t rond bijeengeschaard
En deze vrome dagen blijven diep
In’t hart bewaard


Refrein:

Ik zeg u geen vaarwel mijn vriend
Dra zien w’elkander weer
Zodra de lente komt in’t land
Zien wij elkander weer

 

Dat elk nu neemt zijn vrienden hand
En houde vastgesnoerd
Zo gaan wij zonder wijlen langst de baan
Waar God ons voort

Refrein


Veel zalige uren sleten wij
Als vrienden hier te gaar
Dat God dit gastvrij oord
En zijn bewoners wel bewaard

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het bedelaarskind

(tekst: anoniem / muziek: Koen Raeymakers)

(met dank aan Henk Frings voor het sturen van de tekst)

Een knaapje dat zag men bij onstuimig weer
Van deure tot deure gaan vragen
Een aalmoes zo klonken zijn woorden teer
Het schenkt ons gezin veel behagen
Aanzie eens ons lijden zo sprak het welaan
Weldra zullen wij door den honger vergaan
Bespaar ons het leven red ons van de dood
En wil ons toch geven een aalmoes of wat brood

 

Opeens klonk een stemme vol woed' en geweld
De wet en de plicht doet gebieden
Ik ben een agent en voor u aangesteld
Hetgeen ik u zeg zal geschieden
Gij bedelt hier en dat mag niet bestaan
Daarom hebt gij meer dan een misdaad begaan
Gij zult uwe straffe voorwaar niet ontgaan
Al hebt gij op d'aarde nog nooit geen kwaad gedaan

 

Het kind voor den rechter gebracht sprak met klem
Mijnheer hebt gij geen medelijden
Aanhoor eens de woorden van mijn lieve stem
Mijn vader is blind door het strijden
Mijn lieve moeder ligt op 't ziekenbed neer
Geen vuur meer in huis en geen eten niet meer
Mijnheer wil vergeven ik zoek een stuk brood
Om ons te bevrijden al van den hongersnood

 

Mijn zusjes en broerkes zullen schreien gaan
Mijnheer ze zijn toch nog zo kleine
Wie zal hun kussen of hun vleien gaan
En hoe moet het nu thuis zijne
Met beide handjes samen gevouwd
Viel het wenend voor de magistraat
... op zijn knietjes viel het neer wijl het smeekte ...
Ach mijnheer de magistraat
Breng mij thuis bij vader en bij moeder lief
Straf mij niet te vele, denk aan hun verdriet

 

De rechter getroffen door 't kind zijne klacht
Die sprak er met tranen in d'ogen
Ik geef u de vrijheid uit al mijne macht
Omdat gij hier niet hebt gelogen
Ik dank u mijnheer sprak de knaap ontzind
Gij troost hier mijn moeder en vadertje blind
Maar ik vervloek de rijken die hebben gene nood
En die aan de armen niet geven een stuk brood
Maar ik vervloek de rijken die hebben gene nood
En die aan de armen niet geven een stuk brood

 

Terug naar overzicht

Het bedelknaapje

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Als verschoppeling der aarde,
Loopt een knaapje langs de straat.
Gehuld in lompen bloote voeten,
Bedelt hij tot 's avonds laat.
't Is de type van de schooier,
Zooals men er velen ziet.
Maar wat er omgaat in zijn harte,
Beseffen vele menschen niet.

Als zijn moeder nu nog leefde,
Behoefde hij dat niet te doen.
Die zou hem in 't bedje vleien,
En hem dekken met een zoen.
Dan kon hij gerust gaan slapen,
Zonder zorgen of verdriet,
Tot den ochtend als het zonlicht,
Vroolijk hem weer wakker riep.

Bij 't vallen van den avond,
Stijgt zijn droefheid schier ten top.
In de huizen van de rijken,
Steekt men reeds de lichten op.
Heerlijke piano tonen,
Klinken achter 't dichte raam,
Terwijl hij door de barre koude,
Rillend over straat moet gaan.

Voor een der groote heerenhuizen,
Hoort men 't klagende geluid,
Door brave menschen opgenomen,
Blies hij zijn laatste adem uit.
't Einde van zijn zwervers leven,
Werd hem jong al reeds gebracht,
Door de armen begraven,
Wordt om hem niet meer gedacht.

Terug naar overzicht

Het Biesboschlied

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Refrein:

In de maneschijn,
Dansen golfjes klein.
En de stromen, gaan en komen,
‘t Windje ruist er zacht,
Tovert sprookjeskracht,
In het Biesboschland bij nacht.

 

Stil glijdt zijn scheepje,
Tussen de grienden en riet,
Als iedereen slapen gaat,
Slaapt hij, de visser, niet.
Hij werpt zijn netten,
Neuriet een mooie wijs.
Voelt zich als een koning, want
Daar is zijn paradijs.

 

Refrein

 

Als hij gaat rusten,
Sluimerend in ‘t riet,
Dan zingen rondom hem heen,
Vogeltjes nog hun lied.
Onder zijn huifje,
Droomt hij van vrouw en kind,
Die hij als een Biesboschman,
Daar ook nog steeds bemint. 

 

Refrein

 

Als hij dan thuisvaart,
Ziet hij zijn huisje staan.
Daar komen zijn kindertjes,
Die hem dan tegen gaan.
Hij is gelukkig,
Zacht streelt zijn ruwe hand.
En ‘s avonds vertelt hij weer,
Over zijn Biesboschland. 

 

Refrein

 

 

Het boemeltje van Purmerend

(tekst en muziek: Jack Bulterman/ uitvoering: The Ramblers 1940)

Op de groote prairievlakten rent het woeste monster voort

Ergens loopt een koe te grazen tot ze het gedender hoort

Maar dan slaat ze aan het hollen, overstuur en heel nerveus

Want het groote woeste monster staat bijna voor haar neus

 

Kijk, een luxe Pullman dendert langs de lijnen

Met een snelheid als nog nimmer werd gekend

Als je 'm ziet dan zie je 'm even snel verdwijnen

't Is het boemeltje van Purmerend

In de superluxe restauratiewagen

Zit je in de zachte kussens heel verwend

En je hoort er werk'lijk zelden iemand klagen

't Is het boemeltje van Purmerend

Razend

Blazend

Vliegt het monster langs de lijn

Dreunend

Steunend

Maar daar staat een koe

Stop zegt de trein

 

Met een vaart van minstens honderd kilometer

Met een plaatsbewijs van zeker zestig cent

Zit je in die goede oude afstandsvreter

In het boemeltje van Purmerend

 

En we staren heel gezellig door de ramen

Grote ramen van papieren perkament

En we flirten dan ook rustig met een dame

In het boemeltje van Purmerend

 

Terug naar overzicht

Het dienstmeisje

(met dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst)

Ik liep laatst in de Kalverstraat,

Daar kwam ik een besteedster tegen.

Zij sprak: zeg meisje wat ben je weer laat,

Ben je soms om een dienstje verlegen ?

 

Refrein:

Wil je gaan dienen voor meid alleen,

Ga dan naar juffrouw Triptrap heen.

Wil je gaan dienen als meid alleen,

Gga dan naar juffrouw Triptrap been.

 

 

Ik kan goed schuren nat en droog

Kamers stoffen keurig netjes,

Ik geef nooit aan mijnheer een oog,

Ik houd niet van die looze pretjes.

 

Refrein

 

Kan ook goed met de was omgaan,

Stijven, strijken, netjes vouwen

En als mijn werk is afgedaan,

Kunt u mij bij mijnheer vertrouwen.

 

Refrein

 

Morgenvroeg kom ik terug,

Morgenvroeg te elfder uren.

En dan kleed ik mij netjes en vlug,

En dan zal u mij zeker wel huren.

 

Daarom mevrouw geef mij uw woord,

Ik ben een meisje zoals het behoort.

Daarom mevrouw geef mij uw woord,

Ik ben een meisje zoals het behoort.

 

Terug naar overzicht

Het dierbaar ouderhuis

(F. van Herzeele)

(met dank aan Corry Verhoeven voor het sturen van de tekst)

Wie kent er iets op aarde, wat meer ons heeft bekoord.

Van zo’n onschatbare waarde, een meer aantrekkelijk oord.

Als ‘t plekje waar we leefden en kenden vreugd en kruis,

Wie zal het ooit vergeten, het dierbaar ouderhuis,

Wie zal het ooit vergeten het dierbaar ouderhuis.

 

 

Daar werden wij geboren, vertroeteld en bemind,

Omringd van moeders zorgen en vaders liefste kind.

Daar leerden wij te strijden, in ‘s werelds woest gedruis,

Maar vonden weder vrede, alleen in ‘t ouderhuis,

Maar vonden weder vrede, alleen in ‘t ouderhuis.

 

 

En moeten wij eens scheiden van wat ons ligt aan ‘t hart,

Toch blijft die band ons binden, verzachtend onze smart.

Wij trouwen en wij zoeken ons wel een nieuw tehuis,

Doch waar er een te vinden, als het dierbaar ouderhuis,

Doch waar er een te vinden als het dierbaar ouderhuis.

 

 

Vaarwel geliefde woning, gij lustlot onzer jeugd,

Wanneer wij u herdenken, klopt ons het hart van vreugd.

Waar God ons moge voeren, in paleis of kluis,

Steeds zal men U gedenken, Gij dierbaar ouderhuis,

Steeds zal men U gedenken , Gij dierbaar ouderhuis.

 

Terug naar overzicht

Het ding

(tekst: Dico van der Meer en Jan de Cler/muziek: Charly Green)

(uitvoering: Orkest Zonder Naam/ Bob Scholte/Ger de Roos)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ik liep eens op het stille strand

Van Zandvoort aan de zee

Toen zag ik plots een grote kist

Die in de branding lee.

Ik viste 'm op, keek er eens in

En raad eens wat ik zag ?

Ik zag een knots van een XXX (stamp met de voet)

Die in dat kistje lag.

Ik zag een knots van een XXX (stamp met de voet)

Die in dat kistje lag.

 

Ik bond hem achterop mijn fiets

Met zeven meter touw

En peddelde er mee naar huis

En gaf hem aan mijn vrouw.

Die kreeg het op haar zenuwen

En riep: Eruit en vlug.

Zeg smeer'm nou met die XXX (stamp met de voet)

En kom er nooit mee t'rug !

Zeg smeer'm nou met die XXX (stamp met de voet)

En kom er nooit mee t'rug !

 

Ik dacht wat moet ik nou gaan doen

Toen kreeg ik een idee.

Ik maakte er een pakje van

En nam de zaak weer mee.

Toen ging ik naar het politiebureau

Dat stelde mij teleur.

Want men keek een keer naar die XXX (stamp met de voet)

En smeet me door de deur.

Want men keek een keer naar die XXX (stamp met de voet)

En smeet me door de deur.

 

Toen ging ik naar de lorreman

En zei: Zeg kijk eens hier.

Ik heb hier heel wat moois voor jou

Verpakt in pakpapier.

Maar weet je wat de lorreman dee

Die zei: Pak uit die koop

Maar nauw'lijks zag hij die XXX (stamp met de voet)

Of hij ging op de loop.

Maar nauw'lijks zag hij die XXX (stamp met de voet)

Of hij ging op de loop.

 

Zo was ik veertig jaren lang

In weer en wind op sjouw

Maar waar ik met mijn vondst ook kwam

Geen mens die 'm hebben wou.

Ten einde raad nam ik een besluit

En ging naar Ome Jan.

Die schrok zich dood van die XXX (stamp met de voet)

En brulde: niks d'r van !

Die schrok zich dood van die XXX (stamp met de voet)

En brulde: niks d'r van !

 

En dit is dan het einde van mijn eindeloos verhaal

Maar wat is nou voor u en mij tenslotte de moraal ?

Wanneer je ooit een kist hebt ontdekt

Die in de branding leit

Blijf dan toch af van die XXX (stamp met de voet)

Je raakt hem nooit meer kwijt.

Blijf dan toch af van die XXX (stamp met de voet)

Je raakt hem nooit meer kwijt.

 

Terug naar overzicht

Het Dorp

(tekst: Friso Wiegersma/miziek: Jean Ferrat/uitvoering: Wim Sonneveld)

Thuis heb ik nog een ansichtkaart,

Waarop een kerk een kar met paard,

Een slagerij J. van der Ven,

Een kroeg, een juffrouw op de fiets,

Het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets,

Maar het is waar ik geboren ben.

Dit dorp, ik weet nog hoe het was,

De boerenkind'ren in de klas,

Een kar die ratelt op de keien.

Het raadhuis met een pomp ervoor,

Een zandweg tussen koren door,

Het vee, de boerderijen.

 

Refrein:

En langs het tuinpad van m'n vader,

Zag ik de hoge bomen staan.

Ik was een kind en wist niet beter,

Dan dat 't nooit voorbij zou gaan.

 

Wat leefden ze eenvoudig toen,

In simp'le huizen tussen groen,

Met boerenbloemen en een heg.

Maar blijkbaar leefden ze verkeerd,

Het dorp is gemoderniseerd,

En nou zijn ze op de goeie weg.

Want ziet, hoe rijk het leven is,

Ze zien de televisiequiz,

En wonen in betonnen dozen.

Met flink veel glas, dan kun je zien,

Hoe of het bankstel staat bijMien,

En d'r dressoir met plastic rozen.

 

Refrein

 

De dorpsjeugd klit wat bij elkaar,

In minirok en beatle-haar,

En joelt wat mee met beat-muziek.

Ik weet wel het is hun goeie recht,

De nieuwe tijd, net wat u zegt,

Maar het maakt me wat melancholiek.

Ik heb hun vaders nog gekend,

Ze kochten zoethout voor een cent,

Ik zag hun moeders touwtjespringen.

Dat dorp van toen, het is voorbij,

Dit is al wat er bleef voor mij,

Een ansicht en herinneringen.

 

En langs het tuinpad van m'n vader,

Zag ik de hoge bomen staan.

Ik was een kind, hoe kon ik weten,

Dat dat voorgoed voorbij zou gaan.

 

Terug naar overzicht

Het dorpje van St. Bernadette (uitvoering Mieke Telkamp)

Lang was ik op reis, hier heel ver vandaan

Ik ben op die reis ook naar Lourdes gegaan

Waar deed ik ooit zo een innig gebed

Als daar in het dorpje van St. Bernadette

 

Refrein:

Ave, ave, ave Maria

Ave, ave, ave Maria

 

Daar bij de grot was ik niet alleen

Duizenden pelgrims zag ik om mij heen

Hetzij rijk, hetzij arm, zij allen tesaam

Gezonden en zieken zij loofden haar naam

 

't Was als een droom, mijn blik was gericht

Op 't beeld van Maria door kaarsen verlicht

Zij zag mij aan, toen knielde ik neer

Ik vouwde mijn handen voor haar die 'k vereer

 

Refrein

 

Steeds blijft me bij die wondere sfeer

Daar bij de moeder van ons' lieve Heer

Daar waar ik deed mijn innig gebed

In Lourdes, het dorpje van St. Bernadette

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het droeve visschersbruidje (Pruis/Joh. Davids)

Met dank aan Inez voor de tekst

Hun harten, zij hadden elkander gevonden,

Zij keken het leven zoo lachende in,

Hij was een eenvoudige visschersjongen,

Zij kwam uit een eerlijk, arm visschersgezin.

Nog twee reizen maar en dan zouden zij trouwen,

Toen 't paar die belofte elkander deed,

Zag men slechts den zonnigen kant van het leven

En dacht geen van beiden aan 's werelds leed.

En toen hij naar zee ging met tranen in d'oogen,

Zijn bruid voor de onwisse baren verliet,

Stond zij aan het strand en zij fluisterde zachtkens:

"Ik heb je zoo lief, ach vergeet mij toch niet!"

 

Na korten tijd kwam hij terug bij z'n bruidje,

De vangst was zoo rijk en zoo prachtig geweest,

Zij wachtte aan 't strand om hem welkom te heeten,

Het zalige weerzien was voor hen een feest.

Nog slechts ééne reis, en dan was zij zijn vrouwtje,

Dan deeld' hij zijn klein eigen huisje met haar.

Dan zou hij zijn brood aan den wal wel verdienen,

Dan was ie meer thuis en in minder gevaar.

"Vaarwel dus" naar zee, in het zalige weten

Dat hij haar voor 't laatst als verloofde verliet,

De golven, zij droegen de woorden naar 't scheepje:

"Ik heb je zoo lief, ach vergeet mij toch niet!"

 

In droevige angst zat de visschersbevolking,

De storm loeid' op zee met ontzettende kracht,

Wanhopige smeekbeden stegen ten hemel

Van vrouwen en moeders in donkeren nacht.

Slechts enkelen kwamen terug in het dorpje

En brachten ontzettende tijdingen mee.

Het dorp was gedompeld in rouw en ellende,

Zoovelen van hen vonden 't graf in de zee.

Vernietigd door smart gaat aan 't strand nu een meisje,

En 't is of de golven haar zingen een lied

Vol droevigen weemoed, en 't is of zijn stem zegt:

"Ik had je zoo lief, ach vergeet mij toch niet!"

 

Terug naar overzicht

Het fiere schooiershart

(tekst: Otto Zeegers/muziek en uitvoering: Willy Deby, 1919)

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Ik loop als 'n schooier door weer en door wind
Bij dag en tot diep in de nacht,
Er is haast geen mensch me wat vriend'lijk gezind,
Ik word door eenieder veracht.
De dames en heeren die gaan me voorbij,
Er zijn er die ik goed heb gekend,
Ze houden vol afschuw hun kleeren opzij
Uit angst voor zoo'n schunnige vent.


Refrein:
Maar onder m'n lompen

Daar draag ik nog iets
Waarmee ik de wereld tart !
Daar klopt en daar leeft,
Daar lijdt en daar beeft ..
M'n fiere schooiershart !

 

Er was eens een tijd - het is jaren geleên -
Dat 'k niet zoo'n verschoppeling was !
Toen sneed me de wind door m'n kleeren niet heen !
Toen drong er geen kou door m'n jas !
Toen had ik een woning, toen kende ik geluk !
Toen had ik een vrouw en een kind !
Opeens greep het Noodlot me weg - met één ruk -
O God ! wat 'k zoo teer had bemind !

Refrein


Een krach op de beurs en m'n zaken failliet !
Aan flarden m'n heele bestaan !
Een vriend die me hielp? Ach dien vond ik toen niet;
Ze lieten het Noodlot begaan !
En drie maanden later, toen greep het m'n vrouw
En gaf haar een kerel met geld;
't Was uit met haar liefde! 't Was uit met haar trouw !
Ze was zoo op weelde gesteld !

 

Refrein

 

Ik weet niet hoe alles juist is gebeurd ..
Ik was zoo krankzinnig van smart !
't Was of m'n kop me vaneen werd gescheurd !
M'n vuist werd als ijzer zo hard !
Ik wist het niet eerder dan toen ik m'n hand
Zoo gruwelijk rood zag van bloed ..
Ik heb .. voor zijn dood .. naar de wetten van 't land,
Vijf jaar van mijn leven geboet .. !

 

Refrein

En toen ik weer loskwam, toen was ik 'n man
Die niets op de wereld meer had !
Zoo'n schooier als ik ben, daar gruwen ze van !
Zoo'n schooier die vijf jaar lang zat !
Maar straks toen ik in het portiek van 'n bar
Wat schuilde voor regen en wind ..
Toen hoorde ik opeens bij de vroolijkheid daar ..
De stem en den lach van m'n kind !

 

Refrein


Ze was als een deerne in zij en in kant,
Ze liep met een sjieken meneer !
O God ! en toen lei ze een gulden in m'n hand,
Ze keek met een lachje op me neer !
Ze had me in m'n lompen goddank niet herkend !
Ze wist niet m'n smart en m'n leed !
Ze zag niet den traan van den sjofelen vent
Die 't geldstuk het water in smeet !

 

Refrein

Terug naar overzicht

Het gemarteld knaapje

(met dank aan Staaf Baetens voor het sturen van de tekst)

Hoe droevig klinkt het niet op aard,

Een knaapje zo jong en zo klein

Was thuis van geen tel en geen waarde.

Vroeg niet om gemarteld te zijn,

Door vader en moeder verstoten,

Zij beulden er mee als een dier

 

Refrein:

Ach ach moedertje teer,

Klonken de woorden van 't kind.

'k Smeek u slaat mij niet meer,

'k Heb u toch altijd bemind.

Breng mij wat eten in 't donker gewerf,

Dat ik van honger niet sterf.

'k Wordt hier gemarteld lijk God aan zijn kruis,

Laat mij bij u toch in huis.

 

 

Zij vloekte soms ruw tot de kleinen,

Geen woord of ik maak u van kant

En dierf het soms wenen van pijnen.

Zij bond hem aan voeten en hand,

Vergiffenis moeder en vader.

Ik zit hier bij dag en bij nacht,

Ik heb nog geen bed om te slapen,

Zulk leven is boven mijn kracht

 

Refrein

 

Op zekere dag vroeg het: moeder

Hoe kunt ge voor mij zo bestaan ?

Laat mij bij mijn zusjes en broeder,

Ik heb u toch zoveel niet misdaan.

Maar zij als een vrouw zonder herte,

Die sloeg op haar kind als een hond.

Gedenk nu het knaapje zijn smarten,

Door stampen zijn lichaam gewond

 

Refrein

 

Daar zat hij reeds dagen en weken,

Geburen die 't hadden gezien,

Begonnen er over te spreken

En hebben 't gerecht doen ontbien.

Zij kwamen het huis onderzoeken

En vonden het kwaad van de vrouw.

Zij dierf nog haar knaapje vervloeken

En voelde geen zieltje berouw.

 

Refrein:

Wacht wacht maar op uw lot

En gij die er ouders van zijt,

Was er maar een schavot,

Het stond voor u bereid.

Gij wordt aanzien als de beul van uw kind,

Het gerecht is niet blind.

De grootste straffe voor u is te klein,

Dat zal er voor u een zedenles zijn.

 

Terug naar overzicht

Het gouden brilletje

(tekst en muziek Manna de Wijs Mouton)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Oud heertje leest couranten als oude heertjes doen

Hij voelt het leven veilig verzekerd door pensioen

Hij toetst precies elk dingetje aan zijn besloten kringetje

Hij draait steeds om zijn spilletje, kijkt over ’t gouden brilletje

En zegt met Pausigheid: “ ’t Was anders in mijn tijd.”

 

Oud heertje kijkt naar buiten, loert in de stille straat

Ziet daar een heel jong paartje, dat giechelend verder gaat

Hij schudt zijn sneeuwwit bolletje, lacht heim'lijk om dat lolletje

Kijkt guitig over’t brilletje, denk bij dat jeugd idylletje

Toch met wat spijtigheid: “ ’t Was anders in mijn tijd.”

 

Oud heertje glundert knusjes; daar aan de overkant

Loopt kittig, fris en blozend, een dienstmeid heel parmant.

Hij knikt naar’t aardig dingetje, zij staakt haar wandelingetje

Giert ’t uit om dat paskwilletje: het heertje met zijn brilletje

Hij denkt gerieft volspijt: “ ’t Was anders in mijn tijd.”

 

Zijn kleinkind komt naar binnen, ziet zonder groeten rond

Gooit hoed en tasch op tafel, gaat spelen met de hond

En opa ziet dat kereltje, dat hoort niet in zijn wereldje

Zoo’n bruut respectloos willetje en over ’t gouden brilletje

Kijkt hij met streng verwijt: “ ’t Was anders in mijn tijd.”

 

Oud heertje gaat wat rusten, dut suffend even in;

Oud heertje schijnt te dromen, een traan drupt langs zijn kin.

Een zenuwschok, een rilletje en op zijn schoot valt ’t brilletje

Het fonkelt daar in ’t zonnelicht, oud heertje heeft een droomgezicht

‘n Visioen dat stil verglijdt… Hij leeft weer in zijn tijd…

 

Terug naar overzicht

Het groene woud

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Lijden en strijden,

Maar wil het toch gelooven,

Broeders en zusters, 't is arbeiders loon.

Daar zal het lijden des harten eens zwichten,

Daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan,

Daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan.

 

Boven de starren,

Daar zal het eens lichten,

Daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan.

Daar zal het lijden des harten eens zwichten,

Daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan,

Daar zal de vreugde voor eeuwig bestaan.

 

Boven de starren,

Daar waaien de palmen

Hemelsche glorie de lijdende aan.

Engelen begroeten met blijde psalmen,

Daar ontmoeten de pelgrims de lijdende aan,

Daar ontmoeten de pelgrims de lijdende aan.

 

Terug naar overzicht

Het hondje van de rijken (Kees Pruis)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

In een salon bij 't warme haardvuur

Ligt Fifi in zijn zijden mand

Hij laat zich lekk're hapjes voeren

En strelen door een dameshand

En om de hoek in 't nauwe steegje

Zit in een krot een weduwvrouw

Bij d'harde strozak van haar kind'ren

Schreiend ontwakend van de kou

Het hondje van de rijken

Dat leeft in overvloed

Terwijl het kind der armen

Zoveel ontberen moet

Het hondje van de rijken

Krijgt alles even fijn

En menig kind der armen

Zou graag zo'n hondje zijn

Als Fifi 't vlees niet mals genoeg vindt

Haalt hij de neus op en bromt kwaad

Dan komt de dienstmeid die het eten

Achter een boom werpt op de straat

En is de dienstmeid weer naar binnen

Komt 'n kindje, haveloos gekleed

Dat smult ervan en Fifi ziet het

En gromt voor 't raam foei, wat 'n proleet

Als Fifi dood is, liggen bloemen

En mooie rozen op zijn mand

Hij krijgt een eigen graf met 'n grafsteen

Daar heeft hij recht op door zijn stand

Als 't kind der armen wordt begraven

Daalt 't ruwe kistj' in 't grote graf

En snikkend zegt de moeder: 'Liev'ling

Een bloempje? Heus, 't kon er niet van af!'

 

Terug naar overzicht

Het huikske

(muziek/tekst: P. Schon/J. Tekstra, uitvoering: Frits Rademacher)

Wie ik nog een jungske war, zo van een jaar of zes

Ging ik gere van alles aan, en lei ik niks met rust

Zat mich aan het trommelke, en pakte mich een kuikske

Dan zei de mam: du deugeniet, dich zet ik in het huikske

 

Tralalala, tralalalala

 

Wie ik alweg groter wor, de schooltied war veurbie

Toen hou ik gere wie jedereen een meike an mien zie

Een knap gezichtje, een aardig kind, met om d'r kop een duikske

Ik sprook dan met zo'n meiken af op 1 of ander huikske

 

Tralalala, tralalalala

 

Wie ik later vriee gong, ik was vol goede moed

We namen afschied in de gang, ik weet het nog zo goed

Opeens verscheen de schoonpapa en zag mich met dat vruikske

Wat moet dat met mien dochter daar, daar in dat duuster huikske

 

Tralalala, tralalalala

 

Wen ik eens bie petrus kom en klop daar an de deur

Dan zeit er: jong, kom du maar in, du steet er heel goed veur

Du hefst doch niemes kwaad gedaan, d'r steet niks in mien buikske

Dan zeg ik: Petrus, zet mich maar met een engelke in een huikske

 

Tralalala, tralalalala

 

Terug naar overzicht

Het huisje bij de zee

(tekst: Jan Koopmans en Doeke Stuurop / muziek: André de Raaf en Jacques Schutte)

(uitvoering: Max van Praag met Accordeola olv Jan Gorissen)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wat gaat de tijd toch razend snel,

Hoe lang geleden is het wel,

Dat ik jou voor 't allerlaatst heb gezien ?

Ja, 't is al een jaar of tien,

Het was toen op m'n huw'lijksdag,

Dat ik sinds lange tijd jou zag.

Maar ik kende jou haast niet meer terug.

Koel deed je en stug !

 

Refrein:

Denk je nog wel aan het huisje,

Het huisje dicht bij de zee.

Waar wij als kleine kinderen speelden

Wij beiden, gelukkig, tevree.

Denk je nog wel aan het huisje,

Zo proper, zo vriend'lijk en klein.

Waar ons moedertje zorgde voor ons,

Om gelukkig te zijn.

 

 

Je kwam omdat 't niet anders kon,

Maar 't liefst ging je meteen weerom,

Ook al had je wat vriend'lijks gezegd,

Daarvan geen één woord echt.

Je praatte wat voor het fatsoen,

Je kon toch moeilijk anders doen.

Oude vrienden, nee, jij kende ze niet,

Dat deed mij verdriet.

 

Refrein

 

Sindsdien schreef ik een enk'le keer,

Maar kreeg van jou geen antwoord meer.

Dat vond jij de moeite schijnbaar niet waard.

Daarmee is het wel verklaard,

Hoe heb je alles weggevaagd,

Heb ik me dikwijls afgevraagd

Die herinneringen uit onze jeugd,

Onze kindervreugd.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het huisje bij den toren

(uitvoering: Bob Scholte 1936)

In 't huisje daar vlak bij den toren,
Zoo lief echt Oud-Hollandsch van bouw;
Woont zij, die mij eens zal behooren,
Die ik heb gevraagd wordt mijn vrouw.
Zij heeft mij het jawoord gegeven,
Ik werd rood en wit tegelijk;
Ik kan zonder haar toch niet leven,
Nu ben ik den Koning te rijk.

Refrein:
Bij den ouwen toren,
Staat een huisje klein;
Daar woont een mooi meisje,
Een meisje lief en rein.
Bij dien ouwen toren
Staat een huisje klein,
Als de klok gaat luiden,
Zal 't daar bruiloft zijn.

Als gids ging zij mij vergezellen,
Toen ik daar den toren bekeek;
Zij kon spookhistories vertellen,
Ik raakte wat men noemt van streek.
Als ridder uit het grijs verleden,
Zag ik haar als jonkvrouwe staan;
Ik heb met de draken gestreden,
En zij nam mij liefdevol aan.

 

Refrein

Die ouwe, die statige toren,
Houd ik heel mijn leven in eer;
Ik heb daar mijn hart wel verloren,
Maar kreeg daarvoor haar hartje weer.
Wij hebben elkander gevonden,
De toren heeft ons saam gebracht;
En wij gaan voor altijd verbonden,
Naar 't huisje dat daar op ons wacht.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het hutje op de prairie

Dwaal ik door wouden en door steden
Met mijn door jou gebroken hart
Dan kan ik onze liefde niet vergeten
Heel mijn leven wordt droevig van smart

Refrein:
Rijd ik 's avonds alleen op mijn merrie
En de nacht breekt in stilte weer aan
Denk ik steeds aan het hutje op de prairie
Waar we stonden in 't helder licht der maan
Teder hield ik je daar toen in mijn armen
En je vleide tegen mij aan
Tot een andere kwam in je leven
Daarom ben ik van jou heen gegaan

Steeds als de zon daalt in het westen
Aan 't firmament haar kleuren geeft
Staat je beeld in het avondrood getekend
En het is of het oude herleeft

Refrein

Terug naar overzicht

Het huwelijkskontrakt

(gezongen door drie personen)

(met dank aan Staaf Baetens voor het sturen van de tekst)

Ik stond op trouwen met de dochter van nen rijken boer,

Haar vader kwam bij mij en sprak, dat was nen toer.

Pier Pier gij trouwt met een kontrakt

En als g'er somstijds  kwaad in ziet,

Gij krijgt mijn dochter niet.

Maar zie hij was zo rijk

En daarom was 't mij gelijk.

 

Refrein:

Stond mij aan, stond mij aan

En wij moesten naar 't stadhuis gaan.

Den burgemeester die sprak zeer gauw:

Pierke Versluis gij komt voor den trouw.

Ja menheer, ja menheer.

Luistert thans naar mij ne keer,

'k Geef hier de lezing van uw kontrakt,

Zet u op uw gemak

 

 

Ge zult eerbiedig zijn en doen al wat uw vrouwken zegt,

Daarbij ge moogt haar nooit of nooit bedriegen in den echt.

En 's morgens altijd eerst opstaan,

Met 't eten naar haar bedde gaan.

En heeft ze op den pot gekakt,

Gij draagt hem naar 't gemak.

Doe haar een groot plezier,

Drinkt nooit een pintje bier

 

Refrein:

Luister goed en luister goed,

Naar hetgeen ik u zeggen moet.

Dat is 't bijzonderste nog van 't raport,

Ze mag niet klagen ik heb tekort.

Gij als man trekt uw plan,

Moet haar al geven nu wat hij kan.

Werken voor haar en er nooit mee scheien,

Dat is artikel één

 

 

En verder nog staat hier beschreven met een puntje bij,

Gij moogt uw drinkgeld niet verteren, geef het maar aan mij.

Ik zal het sparen zeker waar

En kopen ons er ieder jaar

Een kleintje waar ik zot van ben

Tot wij er twintig hebben.

En als 't alzo niet gaat,

Pierken gij vliegt op straat.

 

Refrein:

Goed verstaan, goed verstaan,

Dat gij nooit op uw vrouw moogt slaan.

Komt zij wat later naar huis bij nacht,

Ziet dat gij goed op de kinders past.

En tot slot van 't kovent,

Springen op haar kommandement.

Tekent die stukken, zij neemt u als man,

Pierken wat zegt ge ervan.

 

 

Mijnheer den burgemeester sprak zachtjes op 't gemak,

'k Heb me haast doodgeluistert op het huwelijkskontrakt.

Fie de dochter met dat boerken bij

En is zoveel niet weert voor mij.

'k Zou moeten leven lijk nen hond,

In koe en peerdenstront.

Daar staan wel puntjes in,

't Is tegen mijnen zin.

 

Refrein:

't Is gedaan en 't is gedaan,

'k Zou nog liever naar 't helleken gaan,

Dan aan die dochter van dienen boer

Mijn jawoord te geven en mijn amoer.

Veur ne stier en wa geld,

Hebben ze mij voor een kalf geteld.

Dat er da boerken zijn dochter da ding,

Vast legge met een string.

 

Terug naar overzicht

Het IJzerlied

(tekst: Boekhout/Wijze: Lakenbrug)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wij Belgen vergeten nooit ons land,

Al is het nog zoo klein.

Zoolang ons braven Koning strijdt,

Met de wapens in zijn hand.

Dat is een vorst, die vergeten wij nooit,

Zoolang ons adem gâ.

Het is een man met een groot verstand,

Die de vijand gade slâe.

 

Refrein:

Belgen, houd goeden moed,

Eens wreekt gij toch Uw bloed.

Bezwijken zal hij toch die wrede Pruis,

Hij wordt gevangen gelijk een muis.

Geen bang voor een Zeppelin,

Hij wordt vernietigd door 't vliegmachien.

De verbonden gaan toch vooruit,

De vijand moet Belgen uit.

 

Het is nu toch een wreden tijd,

Als men van den oorlog hoort.

Zij hebben alles onverwijld,

Gebrand en uitgemoord.

Maar toch het zal den Duitsch niet gaan,

Italië komt ook al aan.

Hij wordt een groote twijfelaar,

Europa maakt zich klaar.

 

Refrein

 

O! Duitsch waar was toch uw verstand,

Toen gij zoo onverwachts,

Een blaam deed aan ons Vaderland,

Die elk mensch veracht.

En ons verjaagt uit huis en kluis,

O ! wat een vreeslijk kruis.

Maar gij zult weten wat gedaan,

Aan de IJzer blijft gij staan.

 

Refrein

 

De Keizer had dat niet verwacht,

Zoo min als Napoleon,

Hoogmoed welke hem tegen lacht,

Het hun zou gaan voor de zon.

Maar houdt het vol zoolang het kan,

Terug dat kan niet zijn,

Vooruit dan maar, met muziek en trom,

Wie komt van dien doodmarsch weerom ?

 

Refrein

 

Wij Belgen wachten het geduldig af,

Op Neerlandsch dierbaar grond.

Want om te klagen dag en nacht,

Dat verveelt in onze mond.

Leest men de courant of een gazet,

Men wordt toch al niet wijzer.

De troepen hebben het er op gezet,

Zij blijven steeds aan den IJzer.

 

Refrein

 

De Duitschers die vervelen het ook,

Om nog naar de IJzer te gaan.

Vijfhonderd kwamen Holland in,

Zij kleeden twee beelden aan.

In Hoboken is dat gebeurd,

Dat was toch om te lachen,

Zij wilden niet aan de IJzer staan,

Zoo kwamne zij op de gedachte.

 

Refrein

 

De wacht die kwam den toren op,

Maar helaas wat zagen zij staan,

Zij hadden de pinhelm op de kop,

Mantel en sabel aan.

Zij presenteerden het geweer,

De commandant die stond verstomd,

Laat die twee toch hier maar staan,

Die kunnen toch niet naar het front.

 

Refrein

 

Vrienden zoo aks u ziet,

Gaan die soldaten niet.

Zij waren gevlucht al van haar post,

Voor dat zij waren afgelost,

Zoo zullen er duizend gaan,

Die niet aan den IJzer gaan staan.

Zoo moet het gaan, dan krijgen zij verstand,

Dan trekken wij spoedig naar 't Belgenland.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het is voorbij (uitvoering Annie de Reuver)

Helaas, 't is voorbij,
Die mooie tijd voor jou en mij.
Maar ach, wie weet zien wij elkaar eenmaal weer.
Misschien komt eens de dag,
Dat ik jou weer ontmoeten mag,
En dan verlaten wij elkaar nimmer meer. 

Dan brengt ons 't weerzien opnieuw zonneschijn,
Al is het dan winter, zal 't zomer toch zijn.

Helaas, 't is voorbij,
Die mooie tijd voor jou en mij.
Maar ach, wie weet zien wij elkaar eenmaal weer.

Dan brengt ons 't weerzien opnieuw zonneschijn,
Al is het dan winter, zal 't zomer toch zijn. 

Helaas, 't is voorbij,
Die mooie tijd voor jou en mij.
Maar ach, wie weet zien wij elkaar eenmaal weer.

 

Terug naar overzicht

Het is weer feest (tekst: René Berg/muziek: P. Guntermann)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Tante Da die won een prijs,

In de loterij,

"Jongens”, sprak ze:

"Ik geef feest en hou jullie vrij !”

Heel de buurt die was present

En deed goed z'n best.

Opa had het grootste woord,

En zong met de rest:

"Jongens, wat een gein!

Weg met de sjagerijn!”

 

Refrein:

Het is weer feest,

Dus zet de bloemen buiten.

Schuif alles aan de kant,

Toe jongens, zet 'm op !

Al kost het ook vanavond ,

Een paar duiten,

We zetten alles op z'n kop !

Al kost het ook vanavond,

Een paar duiten,

We zetten alles op z'n kop !

 

Toen de klok drie uren sloeg,

Was het feest gedaan.

Iedereen die had de hik

En wou naar huis toegaan.

Opa zei: "Mij niet gezien,

't Is maar één keer feest.

Jongens, wat ben ik toch blij,

Dat ik ben geweest.

Ik heb nog geen zin,

Kom, schenk nog 's in !”

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het is zo fijn, zo fijn, zo fijn (Willy Derby)

(met dank aan Marc Blokland (†) en aan Carola voor het sturen van de tekst)

Als de zwaluw weer zweeft en weer zwiert

En de bloesem de bomen dan siert

Is de lente weer daar, net zoals ieder jaar

Dat wordt door de natuur zo bestierd

Als de koekoek de leeuw'rik begroet

En de liefde ons leven verzoet

Gaan hij en zij, vrolijk en blij

's Avonds d'r op uit met z'n bei

 

Refrein:

Het is zo fijn, zo fijn, zo fijn

Bij maneschijn, neschijn, neschijn

Zo saâm te zijn, te zijn, te zijn

Wat wil je meer.

Eerst krijg je 'n lach, 'n lach, 'n lach

Dan volgt 'n hand, 'n hand, 'n hand

En dan 'n zoen, 'n zoen, 'n zoen

Voor d' eerste keer.

En als j' haar dan vraagt waar zij het meeste van zou houwen

Dan zegt die schat als ik maar gauw met jou zou trouwen.

Het is zo fijn, zo fijn, zo fijn

Bij maneschijn, neschijn, neschijn

Zo saâm te zijn, te zijn, te zijn

Wat wil je meer

 

Door de bosjes, of zo langs de zee

O, daar dwaal je zo knus met z'n twee

Dat 's bekend hoor die pret, elke bank is bezet

Lenteliefde, dat is a,b,c

Hij spreekt eerst over 't weer en zo meer

En dan kijkt zij hem aan zo een keer

En 't lieve kind – zegt: domme vrind

Weet je wat ik reuze vind ?

 

Refrein

 

En denk niet dat 's alleen voor de jeugd

Wie zegt dat U daar ook niet voor deugt

Al ben je zestig jaar reeds getrouwd met elkaar

Op zo'n bank vind je weer lentevreugd

't Gaat alleen niet zo 't eens is geweest

Want zijn arm werd te kort voor haar leest

'r taille is slank, vult heel de bank  

En zij zingt quasi bedeesd

 

Refrein 

 

Terug naar overzicht

Het kanarielied

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Wij willen u thans een vreemde historie verhalen.

Die waarlijk gebeurd is bij Gerrit en Jans, ik zou er anders niet zo om malen.

Ja Gerrit en Jans waren zeer kort getrouwd, 't was nog in de wittebroodsweken.

Een splinternieuw woninkje voor hen gebouwd, niets mocht er bij hen aan ontbreken.

Een zwart-glanzende kachel, ja alles zeer mooi, een Saksich kanarie zong blij in zijn kooi.

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hoort hoe hij fluit!

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hij giert het uit!

In zijn nopje zwelt zijn kropje, fluit hij voort !

O, wat is het heerlijk, als men zulk 'n fluiten hoort.

 

Hij had zijn Jansje een zeer goede vrouw, zij babbelde nooit met een ander.

Zij maakten zijn eten niet zout of niet flauw, zij vonden het goed met elkander.

Maar laatst op een keer, daar gebeurde de grap, zij zouden al bijna gaan eten.

De soep was haast gaar, toen bemerkte ze o schrik, dat zij nog de rijst was vergeten.

Geen rijst meer in huis, wat een angst en verdriet, juist op dat moment fluit de vogel zijn lied.

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hoort hoe hij fluit!

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hij giert het uit!

In zijn nopje zwelt zijn kropje, fluit hij voort!

O, wat is het angstig als men zulk 'n fluiten hoort.

 

Zij scheldt op de vogel, zij weet nu geen raad, o hemel, wat moet ze beginnen ?

Daar valt uit de kooi juist wat vogeltjeszaad, en plots schiet haar "uitkomst" te binnen.

In plaats nu van rijst, doet zij zaad in de soep, haar man hoeft hier niets van te weten.

Haar Gerrit, haar man is steeds dankbaar en goed, en die proeft toch niets bij het eten.

Het is twaalf uren, de soep is nu gaar, de vogel fluit lustig, nu helder en klaar.

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hoort hoe hij fluit!

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hij giert het uit!

In zijn nopje zwelt zijn kropje, fluit hij voort!

O, wat is het aardig, als men zulk 'n fluiten hoort.

 

Zij zaten te eten, Jans beefde zo zeer, beangst dat hij iets zal bespeuren.

Doch eensklaps legt Gerrit zijn lepel nu neer, o hemel, wat gaat er gebeuren?

Och manlief, wat deert je, mankeert er iets aan, waarom staak je nu al met 't eten?

De soep is zo heerlijk, ik smul er zo van, en jij hebt nog haast niets gegeten.

Zeg Gerrit, geef antwoord, waarom spreek je niet, maar Gerrit blijft zwijgen en floot van verdriet.

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hoort hoe hij fluit!

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hij giert het uit!

In zijn nopje zwelt zijn kropje, fluit hij voort!

O, wat is het treurig, als men zulk 'n fluiten hoort.

 

Hij floot maar, hij floot maar, hij floot maar steeds door, de buren die hoorden hem buiten.

Zij liep als een gekke van achter naar voor, maar Gerrit hield vol steeds met fluiten.

Zij haalde de dokter, dat duurde maar kort, en die vraagt verbaasd naar de reden.

Maar Gerrit die knipoogt en wijst naar zijn bord, en floot steeds maar door, heel tevreden.

De dokter begrijpt al wat hier is geschied, kijk lachend de vrouw aan en Gerrit floot zijn lied.

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hoort hoe hij fluit!

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hij giert het uit!

In zijn nopje zwelt zijn kropje, fluit hij voort!

O, wat is het naar, als men zulk 'n fluiten hoort.

 

Zeg vrouw, sprak de dokter, wat is hier gebeurd, wat geeft u uw man wel te eten?

Bij 't maag-onderzoek heb ik dadelijk bespeurd, dat hij iets heel vreemds heeft gegeten.

O dokter, snikt Jansje, zo bang als een muis, misschien is 't daarvan gekomen.

Ik kookte de soep, had geen rijst meer in huis, en heb toen wat zangzaad genomen.

De dokter lacht guitig en schud van plezier, kijkt knipogend Gerrit aan, die floot als een lier.

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hoort hoe hij fluit!

Tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju-tju hij giert het uit!

In zijn nopje zwelt zijn kropje, fluit hij voort!

O, wat is het hopeloos, als men zulk 'n fluiten hoort.

 

Voorzichtig dus vrouwtje, u zal nu voortaan, uw man nooit geen zangzaad meer geven.

Je helpt hem, geloof me, gerust naar de maan, hij fluit zich bepaald uit het leven.

Maar dokter, zegt Jansje, vertel mij eerst nog, want ik heb er ook van genoten.

Vergis ik me niet, wel een bordje of vier, maar ik heb er niet van gefloten.

Maar Jansje, sprak dokter, hoe kom je daarop, hoe zou dit nu kunnen, jij ben immers de 'POP'.

 

En hiermee is ons liedje uit, en natuurlijk eindigt nu ook ons gefluit.

Eet dus nooit geen soep met zangzaad, want dan loopt ge kans,

Dat gij ook zoiets zou ondervinden, als onze Gerrit en Jans !!

 

Terug naar overzicht

Het kind van den dronkaard

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

't Is koud, de sneeuw daalt neder,

Alles is zoo doodsch in dit uur.

En bedekt met blanke vederen,

Alle schoonheid en pracht der natuur.

Daar ginds, woest en levend,

In de kroeg hoort men briesend gevloek,

Daar gaat een knaapje bevend

Naar zijn Vader weer op zoek.

Hoe benauwd hij de kroegdeur ontvouwt,

Hoort hij zijn Vaders gekout.

En hij smeekt met de handjes saâm:

"In Godsnaam ga mee, Vader,

Naar huis, want gij kent niet ons verdriet in 't verschiet.

Ga toch mee, wil niet meer drinken,

O, luister naar mijn beê, drink niet meer Vader, nee !"

 

Spoedig komt een man berichten

Met een stem vol leven en kracht:

"De kroeg hij moet hier dichten.

't Is twaalf uur, 't is middernacht."

En de Vader, gram van zinnen,

Gaat nu voort met zijn kind aan zijn zij.

Hij treedt de woning binnen,

Waar niets is dan ramp en bitter lij.

Geen vuur en 't weder zoo guur.

"Waar zijt gij vrouw ?" riep hij stuur,

En stervend riep de vrouw:

"Ik zweer, trouw, alles te vergeven,

Ach, wil mij toch niet slaan,

Ik heb voortaan niets misdaan."

"Ach neen", riep het kind "Vader braaf,

Ze is een slaaf, moet zij nog weenen,

De dood, wat een verdriet,

Slaat toch mijn moeder niet."

 

En de Vader, woest en razend,

Verbrijzelde huisraad terstond,

En viel als dood verbazend,

Smoordronken, in slaap op den grond.

Toen ontgleed haar borst een kreet,

Die den stille nacht doorsneed,

En met haar kind aan haar hart,

Steeds vol smart, zoo stierf de vrouwe.

En het kind vol bange schrik,

Zag ontsteld de laatste snik.

Zijn lieve moeder dood !

Zij verschoof en viel ten gronde,

Voor het kind was geen gena,

Het stierf ook weldra.

 

Terug naar overzicht

Het kleedje van Mietje

Met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst

Het kleedje van Mietje

Was helder en wit

Het viel in de modder

Nu is het als git

Ach hemel zucht Mietje

Nu is het als roet

Bleekpoeder van WENNEX

Maakt alles weer goed

 

Een reclameliedjes van de Sunlightzeep fabriek uit de jaren 1925/1930. Het gaat over  WENNEX bleekpoeder. Ze kwamen dan met een auto bij de deur van een winkelier staan om gelijk te bevoorraden en gebruikten een megafoon om ons een liedje te leren. En wij zeuren bij onze moeders dat ze een pakje WENNEX kocht. Daar zat dan een bonnetje op en kreeg je gelijk bij diezelfde auto daar een lolly voor van 1 cent. Daar profiteerde dan ook het snoepwinkeltje van want b.v. mijn moeder had 5 kinderen dus die vier moesten ook een lolly bij de snoepvrouw kopen want ja het was niet anders. Maar ook de andere moeders hadden dit probleem, maar we waren met een lolly wel tevreden.

Terug naar overzicht

Het klokje van zeven

Refrein:
Kom kleine man, je moet slapen gaan
Laat nu je speelgoed tot morgen staan
Straks brengt Klaas Vaak je naar een sprookjesland
Waar de kaboutertjes, hand in hand
Dansen en zingen, ze maken pret
Kom lieve schat, ga nu gauw naar bed
Gauw naar dat feest waar een elfje op je wacht
Sluit nu je oogjes, goedenacht

Als het klokje zeven heeft geslagen
Is 't tijd voor de kleine held
Wordt hij door mams naar bedje gedragen
Nadat eerst een sprookje is verteld

Refrein

Terug naar overzicht