SeniorPlaza

Uit (groot)moeders tijd

Echo spreek

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Op den Alpen klinkt het lied,

Van den Tiroler zoo schoon

Snelt natuur met zijne zangen,

In harmonische toon.

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied.

 

Daalt de avond, kleurt het hemelboog

Strak zoo schoon den hemelboog,

Ruischt een koeltje valt de schaduw

Voor den nacht in ons oog.

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied.

 

Hevige stormen rollen neder

Klieven bliksem door den lucht,

Jagen wolken door het luchtruim

In pijlsnellen vlucht.

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied.

 

Kniel dan neder, eik en ceder

Bergen buigt u in 't stof,

Breng o dalen, den natuur,

En hun den schepper uwen lof.

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied,

Antwoord de echo niet

Tot zijn lied.

 

Nietig sterv'ling sla uw blikken

Diep ootmoedig hierbij neer,

Stamel beden, zend een danklied

Voor de schepper uwen Heer.

Antwoord de echo weer

Tot zijn Heer,

Antwoord de echo weer

Tot zijn Heer,

Antwoord de echo weer

Tot zijn Heer,

Antwoord de echo weer

Tot zijn Heer.

 

Terug naar overzicht

Eduard en Helena

In 't lommer van 't prieeltje zaten samen hand in hand,
Daar zat Eduard met z'n Lena, sloten daar 'n huwlijksband,

Daar zat Eduard met z'n Lena, sloten daar 'n huwlijksband.

 

Toen sprak Eduard tegen Lena: "Neem geen ander aan Uw zij,
Eer die rozen tweemaal bloeien, zal ik weder bij U zijn,

Eer die rozen tweemaal bloeien, zal ik weder bij U zijn."


En die twee jaar zijn vervlogen, eer de roos haar knoppen brak,
Toen ging Eduard naar 't prieeltje, waar hij vaak met Lena zat,

Toen ging Eduard naar 't prieeltje, waar hij vaak met Lena zat.


Maar wie vindt hij daar begraven, ach, wat stond er op die steen ?
In 't marmer stond geschreven: hier rust Lena heel alleen,

In 't marmer stond geschreven: hier rust Lena heel alleen.


Toen trad Eduard in 't klooster, deed z'n hoed en mantel af,
En hij treurde om z'n Lena tot hij rust bij haar in 't graf,

En hij treurde om z'n Lena tot hij rust bij haar in 't graf.

 

Terug naar overzicht

Een arm beed'laarskind

Eens op een avond, door weer en wind,
Liep langs de straten, een arm beed'laarskind

Liep langs de straten, een arm beed'laarskind

't Vroeg om een aalmoes, aan iedereen,
Maar aan die arme, gaf er niet één

Maar aan die arme, gaf er niet één

Toen ging zij henen, naar 't stille woud,
Schreiend van honger, bibb'rend van kou

Schreiend van honger, bibb'rend van kou

Achter een sneeuwhoop, knielde zij neer,
Vouwde haar handen, bad tot de Heer

Vouwde haar handen, bad tot de Heer

 

Treurig was haar einde, droevig was haar lot

Nu rust zij zalig boven bij God

Nu rust zij zalig boven bij God

 

Terug naar overzicht

Een avond aan 't Lido

(tekst: Jack Bess / muziek: Willy Berking)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

In de jaren mij gegeven

Mocht ik veel aan schoons beleven,

Maar wat me kon bekoren,

Ging door de tijd verloren.

Er gebeuren telkens dingen

Die het oude weer verdringen.

Toch is er, naar ik weet

Iets, dat ik niét vergeet

 

Refrein:

Eén avond aan 't Lido,

Met golvengefluister,

Blijft door zijn luister

Mij steeds bekoren.

Die avond aan 't Lido

Kwam jij in mijn leven,

Toen lachte even 't Grote geluk !

't Zilveren water

Bracht me illusies;

Zij dreven later

Weg met de stroom !

Die avond aan 't Lido

Schonk mij tot op heden

Uit het verleden

Mijn mooiste droom !

 

Leunend op de balustrade

Van een eeuwenoude kade,

Stonden we wat te dromen;

Scheen ons geluk volkomen,

'k Wist niet, bij het gaan der uren

Dat het maar zo kort zou duren.

Toch is in dromerij

d' Avond nog niet doorbij.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een avontuur in de tram in Rotterdan

(tekst/muziek: Maurice Dumas)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

'k Zat in de tram, in Rotterdam,

Toen er een dame binnenstapte,

Die mij op m'n eksterogen trapte,

Met d'r hakken van d'r schoen,

"O, pardon", zei ze toen.

 

Vlak neven mij, ging zitten zij.

Ze zat te kriebelen aan m'n tenen,

"Schei maar uit", zei ik halfluid,

"Want de kriebel is er uit."

 

Ze zei: "O, vent, 'k weet wie je bent.

Jij bent Dumas, die liedjeszanger,

En als je lust hebt met me uit te gaan,

Dan moet je om acht uur in de Passage gaan staan."

 

Ik zei: "Da's goed, dag leuke toet,

Ik wacht tot acht uur maar niet langer.

Kom op tijd, dan gaan wij aan den rol,

M'n vrouw is juist op reis, ik heb zo'n lol."

Die lieve meid, die was op tijd,

Precies zoals ze had gezeid.

 

We gingen hier, we gingen daar,

Bezochten vele bioscopen.

De ene uit, de ander ingelopen,

En zo werd het op de duur,

Ongeveer twaalf uur.

 

Ik zei: "Juffrouw, wat denkt u nou,

Vindt u de tijd nou niet gekomen,

Om elkaar wat beter te verstaan."

En ik riep een bakkie aan.

 

Ik zei: "Koetsier, doe me een plezier,

Je moet bijzonder langzaam rijen,

Want die juffrouw is een beetje zwak,

En ze kan niet tegen het schudden van jouw bak."

 

Hij zei: "Kedin, stap er maar in,

Als het maar een goeie fooi kan leien."

En we zaten knusjes met z'n twee,

Ik deed de gordijntjes naar benee.

Ze zei: "Da's goed, wat jij daar doet,

Want je hebt zo'n populaire snoet."

 

Ik was verbluft, en half versuft,

Toen ik in een hotel ontwaakte,

En de juffrouw, waar ik kennis mee maakte,

In de kamer niet meer vond.

'k Riep de kelner terstond.

 

Die zei: "Meneer, het spijt me zeer,

De juffrouw heeft niet eens ontbeten."

En voordat ik wist wat er passeerd'

Had zij hem allang gesmeerd.

 

De vent ging heen, liet mij alleen,

M'n portefeuille was verdwenen.

Maar ook alles, ja, alles was naar de maan,

En ik dorst niet naar de politie te gaan.

 

Ik wist geen raad, ik was zo kwaad.

Ik stond te sidderen op m'n benen,

Ik ga nooit meer met zo'n meid op sjouw,

Voortaan slaap ik bij m'n eigen vrouw.

Dat is secuur, en niet zo duur,

Als m'n jongste avontuur.

 

Terug naar overzicht

Een boeketje rode rozen

(tekst: R.Swing en Johnny Hoes / muziek: Steve Nelson en Bob Hilliard)
(uitvoering: Eddy Christiani)

Ik stuur je dit boeketje rode rozen

Eén voor elke kus die jij me gaf

Waarom heb jij die ander toch gekozen

Keerde jij voorgoed je van mij af

Ik hoor je nog steeds zeggen

Lieveling, ik hou van jou

Maar woorden zijn slechts woorden

Je bleef me toch niet trouw

Ik stuur je dit boeketje rode rozen

Eén voor elke kus die jij me gaf

 

Ik heb zoveel in stilte reeds geleden

Je was steeds voor mij het liefst op aard

Wat heb ik veel in stilte toch gebeden

Jouw geluk was voor mij alles waard

Al heb je mij bedrogen

Mij nooit voor iets gespaard

Blijft toch altijd jouw beelt nis

Heel diep in mijn hart bewaard

Ik stuur je dit boeketje rode rozen

Eén voor elke kus die jij me gaf

 

 

Terug naar overzicht

Een bos rozen voor een lief meisje

(Red roses for a blue lady)

(tekst: Bart Ekkers / muziek: S. Tepper en R. Brodsky)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Er kwam laatst in een bloemenzaak 'n vlotte jongeman,

Hij keek eerst een ogenblikje rond

En zei toen, met zijn vinger wijzend naar een stenen kan

Waarin een aantal rode rozen stond:

 

Refrein:

Mag ik een bos rozen voor een lief meisje

'k Had met haar een ruzietje om niets.

Ze is een beetje koppig en boos op mij,

Zoiets leg je 't beste met wat bloemen bij.

Vandaar die bos rozen voor een lief meisje,

Waarop ik m'n zinnen heb gezet.

Ik hou 't nog even stil, maar als 't een beetje wil,

Volgt op die rozen gauw een bruidsbouquet.

 

Terug naar overzicht

Een brug te ver

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

We leefden in duistere jaren

De oorlog die duurde zo lang

Wanneer zou het einde eens komen

Die vraag maakte ons toen zo bang

Toen kwamen de parachutisten

We dachten: we worden bevrijd.

Het bleek dat ze zich 'n brug vergisten

Er kwam nog geen eind aan de strijd

 

Refrein:

Ze gingen een brug te ver, een brug te ver

En werden door de vijand opgewacht

Ze gingen een brug te ver, een brug te ver

En werden daar als beesten afgeslacht

Ze gingen een brug te ver,een brug te ver

En werden door de vijand opgewacht

Ze gingen een brug te ver, een brug te ver

En werden daar als beesten afgeslacht

 

Ze kwamen in grote getale

En zweefden daar hoog in de lucht

De Duitsers en vele verraders

Die sloegen gehaast op de vlucht

We noemden die dag : Dolle Dinsdag

We huilden en waren zo blij

Maar toen kwam die vreeslijke mare

't Ging fout, onze hoop ging voorbij

 Refrein

We zijn 't al bijna vergeten

De honger, de angst en 't verdriet

Maar zij, die daar hebben gestreden

De Tommies vergeten we niet

Ze liggen bij Arnhem begraven

Ze kwamen van her en van ver

Die toen hier hun leven eens gaven

Alleen maar door een brug te ver !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een cent

(tekst en muziek: Jean Senn / uitvoering o.a. Wim Sonneveld)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Een cent, een cent, een cent, een cent,

Wat waren we rijk met een cent.

Met die cent in je hand bleef je urenlang lopen,

Je kon maar niet kiezen, wat of je zou kopen:

Een spekkie of een polkabrok,

Een toverbal of veterdrop.

Je voelde je een hele vent met een cent,

Met een cent, met een cent.

 

Ik zou willen gaan achter kinderen aan

Door een nauwe bochtige straat,

Waar een winkeltje kwijnt en de lamp zuinig schijnt

En de snoep onder glasplaten staat.

Ik zou willen staan met mijn neus tegen 't raam

En een warme cent in mijn hand,

Om te zien of vooraan nog de gomballen staan

En de wijnballen-fles aan de kant.

Zoiets kun je niet doen voor je goeie fatsoen

En wat doet je zoethout ?

Je zou als vreemde in 't winkeltje staan,

Die teleurgesteld alles herkent.

 

Een cent, een cent, een cent, een cent,

Ik ben wat je noemt nu een vent.

En geluk kan ik nu voor een cent niet meer kopen,

Voor mij is de snoepwinkel toch niet meer open;

En heb je zoals ik geen cent,

Omdat je niet zo uitgekookt bent,

Dan zeggen ze : 'Die stomme vent heeft geen cent,

Heeft geen cent, heeft geen cent.'

 

Terug naar overzicht

Een dansliedje deint

(tekst: Jacques van Tol/muziek: Joop de Leur/uitvoering: Jan Corduwener en ook Two Cavelli's)

De band speelt een liedje, een zoet melodietje

Daarginds, waar men danst in een bar

Dat zweeft door de ruiten en dartelt naar buiten

En speelt op de strandboulevard

 

Refrein:

Een dansliedje deint langs het strand van de zee

En al die het hoort, die neuriet het voort

Het danst op de golven, de wind neemt het mee

Tot ver waar nog badgasten dromen

't Zweeft naar de maan en niemand weet

Waar het vandaan is gekomen

Een dansliedje deint langs het strand van de zee

En ieder die neuriet het mee

 

De mensen die 't horen, die spitsen hun oren

En glimlachen plotseling blij

Zo'n lief melodietje, zo'n grappig klein liedje

Een vleugje geluk zweeft voorbij

 

Het barmuzikantje speelt met een slap handje

Zijn tango's en traag kruipt de tijd

Hij peinst aan zijn biertje en 't raakt hem geen ziertje

Hoe 't wijsje de mensen verblijdt

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een donkerrode roos
(tekst: J. v. Wijk / muziek: Robert Swing / uitvoering: Bob Scholte)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het leven brengt ons veel illusies,

Die steunen op een vast vertrouwen,

Maar meestal blijkt dat wat we bouwen,

Alleen maar luchtkastelen zijn.

 

Refrein:

Een donkerrode roos, wist mijn hart te bekoren.

Een donkerrode roos, doet me denken aan jou !

Zij vormde met haar schoonheid zachter dan fluweel

Op onze trouwdag een verrukkelijk geheel.

Een donkerrode roos, als symbool van je liefde

Een donkerrode roos, vol beloften en trouw

Maar de roos heeft gelogen,

Want je hebt mij bedrogen,

En haar pracht ging voorbij

Als jouw liefde voor mij !

 

 

Het is het noodlot van het leven,

Dat valse schijn ons kan verblinden,

Totdat we plots'ling ondervinden,

Dat alles zo heel anders is.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een gezellig reisje naar de Wandelpier

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Waar men zich keert, waar men ook komt,

't Zij hier of overal,

Dan ziet men dat de vooruitgang steeds,

Het doel is bovenal.

't Is alles grootsch, 't is alles fijn,

Ja zelfs Pyramidaal !

Men bouwt in onze goede tijd,

Zeer veel op groote schaal.

 

Refrein:

Zoo zagen wij aan 't strand van Scheveningen

Een alleraardigst, leuk gezellig ding,

't Zij groot of klein, ieder weet het hier,

't Is wat we hier bedoelen de Wandelpier.

Zoo zagen wij aan 't strand van Scheveningen

Een alleraardigst, leuk gezellig ding,

't Zij groot of klein, ieder weet het hier,

't Is wat we hier bedoelen de Wandelpier.

 

'k Ging met mijn vrouw, mijn zus en broer,

Mijn pa en ook mama;

Mijn oom en tante neef en nicht,

En mijn lieve schoonmama,

Gezellig op een Zondag uit,

We waren aan de zwier

En voor dat men het zelf wist,

Zaten wij op de pier.

 

Refrein:

't Orkest dat speelde ons een aangename wijs

Bij u wel bekend van een reisje naar Parijs,

Wij hadden schik en pret voor vier,

En allen werden wij dronken op de Wandelpier.

't Orkest dat speelde ons een aangename wijs

Bij u wel bekend van een reisje naar Parijs,

Wij hadden schik en pret voor vier,

En allen werden wij dronken op de Wandelpier.

 

Mijn schoonmama, een dikke vrouw,

Zij kreeg 't vreeselijk warm,

En gaf in haar onnoozelheid,

De kellner flink een arm.

De man beladen en belast,

Met een blad vol bier en wijn,

Liet het vallen op een dame,

Haar japon van wit satijn.

 

Refrein:

De pret was toen voor ons op eens gedaan

De kellner wilde klappen deelen gaan,

Dat viel niet mee want in 'n tel of vier

Was 't 'n formeele kloppartij op de Wandelpier

De pret was toen voor ons op eens gedaan

De kellner wilde klappen deelen gaan,

Dat viel niet mee want in 'n tel of vier

Was 't 'n formeele kloppartij op de Wandelpier

 

Politie was dra bij de hand,

En raadde ons kalm aan,

Om uit te scheiden met dien twist,

En stil naar huis te gaan.

Maar toen die kalme tempratuur

Wat was naar onze zin,

Pikten zij ons op het bureau

In de Keizerstraat fijn in.

 

Refrein:

De Commissaris maakte van allemaal

Voor dat standje zeer snel proces-verbaal,

Wij kond' weer gaan en zongen met veel zwier

Wat hebben wij een een lol gehad op de Wandelpier.

De Commissaris maakte van allemaal

Voor dat standje zeer snel proces-verbaal,

Wij kond' weer gaan en zongen met veel zwier

Wat hebben wij een een lol gehad op de Wandelpier.

 

Wij gingen hier van het bureau,

En dra in vol galop,

Door Keizerstraat naar Promenade,

Bestelden daar een prop.

Ik was royaal, ik zei: ,,Drink een leeg,

't Is niemand die verbied."

Doch toen ik 't rondje betalen moest

Had ik de centen niet.

 

Refrein:

Ik zocht, ik voelde, weg was mij portemonaie

En allen klaagden zijn geld is weg, o wee,

't was ruzie, twist geen vreugde noch pleisier,

Kwam alles door ons reisje naar de Wandelpier.

Ik zocht, ik voelde, weg was mij portemonaie

En allen klaagden zijn geld is weg, o wee,

't was ruzie, twist geen vreugde noch pleisier,

Kwam alles door ons reisje naar de Wandelpier.

 

Terug naar overzicht

Een heel klein huisje met een tuintje

(uitvoering: Marcel Thielemans en The Ramblers)

Refrein:

Een heel klein huisje met een tuintje

En een bloempje voor het raam

Een aardig meisje in de kamer

En dat meisje heeft jouw naam

Bij het haardvuur staan twee stoelen

Een voor jou en een voor mij

En misschien komt er dan later nog een heel klein stoeltje bij

Dat is alles waarvan ik dromen kan

Iets dat zeker komen kan, het ligt alleen aan jou

Een heel klein huisje met een tuintje

In dat huisje wonen wij

Een aardig huisje met een tuintje ergens midden op de hei

 

'k Zoek elke avond in de krant of er een huisje is te huren

En met het dagblad in de hand zit ik minuten lang te turen

Maar ik heb nog niets gevonden dat aan jouw idee voldoet

En toch weet ik zeker dat ik 't vinden moet

 

Refrein

 

Ons huisje hoeft niet groot te zijn, we zoeken heus geen soort paleisje

Al zijn de kamers ook wat klein, het wordt beslist een paradijsje

Onze meubels staan te wachten, onze uitzet ligt al klaar

En we vinden heus een huisje binnen 't jaar

 

Refrein

 

Luister, klik hier

 

Variant

(met dank aan Inka Logister voor het sturen van de tekst)

 

Ik zoek elke avond in de krant

Of er een huisje is te huren

En met het dagblad in de hand

Zit ik minutenlang te turen

Maar ik heb nog niets gevonden

Dat aan jouw idee voldoet

En toch weet ik zeker dat ik 't vinden moet

 

Ik zoek een huisje met een tuintje

en een bloempje voor het raam

Een aardig meisje in de kamer

En dat meisje heeft jouw naam

Bij het haardvuur staan twee stoelen

een voor jou en een voor mij

en misschien komt daar later nog een heel klein stoeltje bij…

dat is alles waarvan ik dromen kan

iets dat zeker komen kan

het ligt alleen aan jou

 

Ik zoek een huisje met een tuintje

In dat huisje wonen wij

Een aardig huisje met een tuintje

Ergens in en op de hei

 

Het huisje hoeft niet groot te zijn

we zoeken heus geen soort paleisje

al zijn de kamers nog wat klein

het wordt beslist een paradijsje

onze meubels staan te wachten

en de uitzet staat al klaar

we vinden heus het huisje binnen een jaar

aan dat huisje zit een tuintje

en een bloempje voor het raam

en een meisje in de kamer

en dat meisje heeft haar naam

Voor het haardvuur staan twee stoelen

een voor jou en een voor mij

en misschien komt er dan later nog een heel klein stoeltje bij

dat is alles waarvan ik dromen kan (vannacht)

iets dat zeker komen kan

het ligt alleen aan jou

(en een beetje aan mij)

en dat huisje en een tuintje

in dat huisje wonen wij

een aardig huisje met een tuintje

ergens midden op de hei

 

dat is alles (alles) waarvan ik dromen kan (vannacht)

iets dat zeker komen kan

het ligt alleen aan jou

(en een beetje aan mij)

ik heb een huisje met een tuintje

in dat huisje wonen wij

een aardig huisje met een tuintje

ergens midden op de hei

een aardig huisje met een tuintje

ergens midden op de hei

een aardig huisje met een tuintje

ergens midden op de hei

 

Luister, klik hier

 

Terug naar overzicht

Een jongeman van achttien jaren

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een jongeman van achttien jaren,

Die aan een meisje zijn liefde kwam verklaren.

Maar toen hij had haar van haar eer ontrukt,

Liet hij haar achter onder diepe druk.

 

De and're dag kwam hij haar tegen,

Toen blonk een traan van droefenis hem tegen.

Zij sprak: "Jongmens, bedenk toch wat gij doet !

Hetgeen ik draag is van uw vlees en bloed."

 

Hij nam haar daad'lijk mee naar buiten,

Al naar dat bos waar die vogels fluiten.

Hij nam haar mede toen naar een rivier

En sprak: "Mijn lief uw rustplaats die is hier !"

 

Hij heeft haar daarop vastgegrepen

En met zijn mes gaf hij haar zeven steken.

Ja zeven steken, zij viel aan zijn voet,

En lag te baden in haar jeugdig bloed.

 

Adieu mijn Vader, Adieu mijn Moeder,

Adieu mijn Zuster, adieu mijn Broeder !

Moet ik zo jong van deez' wereld af,

 Moet ik hier rusten in dit kille graf ?

 

Aanschouwt die moordenaar, ziet hem daar lopen,

Hij, die geen rust of duur meer mag verhopen !

Ziet hem daar gaan, die ogen vól van traan;

Hij moet nu levenslang in de gevangenis gaan !

 

Terug naar overzicht

Een jongen van Jan Boezeroen

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Hij liep langs de straat als een branie

Hij ging voor geen mens uit de weg

Hij raasde en danste en zwierde

En maalde om geen dalles of pech

De straat was zijn lust of zijn leven

Daar voelt die zich thuis en de baas

Daar was ie de prins van de meiden

Daar vocht ie met Jan, Piet en Klaas.

 

Refrein:

Hij was maar 'n jongen van Jan Boezeroen

Maar had in z'n body een hart

Een hart dat niet kwaad was

Een hart dat kordaat was

Ja, een hart dat van trouw wist en smart

 

Eens werd in een striemende regen

Een vrouwtje uit haar woning gezet

De stakker stond bevend te schreien

't Gebeurde in naam van de wet

Toen kwam daar die schrik van de vlakte

En ging met zijn pet in het rond

En ruste niet eer die voor 't vrouwtje

Een dak en een boterham vond.

 

Refrein

 

En plotseling klonk op een avond

De vrees'lijke noodkreet van brand

Een huis stond daar eensklaps in vlammen

Een kind was nog boven in 't pand

Toen vloog daar die branie de trap op

't Werd stil want de angst maakte stom

Het kind was gered door de buren

Maar hem zag men niet meer weerom.

 

Refrein

 

Er daalde op een triestige morgen

Een kist in het gapende graf

Een traan blonk in honderden ogen

Van het volk wat de grafkuil omgaf

Toen trad uit de rijen een moeder

En legde met bevende hand

Een krans op het graf van de branie

En sprak toen door smart overmand.

 

Refrein

Terug naar overzicht

Een Jordaan in de hemel

(met dank aan Cor de Boer voor het sturen van de tekst)

Zou er ook een Jordaan in de hemel bestaan,

                net zoals in m’n oud Amsterdam.           

Zou er hoog in de lucht ook een torenklok slaan

als de Wester in Amsterdam.

Ik zal het nooit weten, al wil ik het graag,

het blijft op de aarde een vraag.

Zou er ook een Jordaan in de hemel bestaan,

net zoals in m’n Amsterdam.

 

De buurt waar ik geboren ben

en ik als kind heb gespeeld.

Waar ik alle straten en pleinen ken,

waarmee ‘k lief en leed heb gedeeld.

Die eens te verlaten, doet me nu al pijn.

‘t Idee dat dit afscheid voor eeuwig moet zijn,

al is het rechtvaardig en voor ieder gelijk.

Vaak denk ik als ik naar de sterren kijk:

 

Zou er ook een Jordaan in de hemel bestaan,

net zoals in m’n oud Amsterdam.

Zou er hoog in de lucht ook een torenklok slaan,

als de Wester in Amsterdam

Ik zal het nooit weten, al wil ik het graag

het blijft op de aarde een vraag

Zou er ook een Jordaan in de hemel bestaan

net zoals in m’n Amsterdam...

 

Terug naar overzicht

Een kamer vol rozen

(tekst: Eddy Christiani en R. Swing / muziek: Tim Spencer ? uitvoering: Max van Praag)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

'k Heb twee rozen meegebracht,

Misschien had jij er tien verwacht,

Dan had je 'n kamer vol rozen,

Maar dan vergeet je mij te vlug,

Je denkt niet meer aan mij terug,

Daar in je kamer vol rozen.

Maar vindt je 't niet veel beter

Om te doen wat ik steeds zei:

Draag toch één roos in je haren,

Geef die and're maar aan mij.

'k Hoop dat je mij nu verstaat

En ons levenspad steeds samengaat

Al is het maar bezaaid met twee rozen,

Want die rozen toch: dat zijn wij.

 

Terug naar overzicht

Een kleine harmonicaspeler

(Ein kleine Akkordeon-spieler)

(tekst: Jack Bess / muziek: Gerhard Winkler / uitvoering: Annie de Reuver)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Een kleine harmonicaspeler

Speelde lustig en lachend zijn lied.

Maar als het met spelen gedaan was,

Dan was hij zo vrolijk niet !

Die kleine harmonicaspeler

Had een leeg en eentonig bestaan;

Want al zong hij toujours

Van geluk en amour,

Hij geloofde er zelf niet meer aan.........

Tot een meisje hem zei:

„Kom, mijn hart is nog vrij,

Tracht met mij het geluk te verstaan.

Kleine harmonicaspeler,

Speel nog een lied voor mij !

Kleine harmonicaspeler,

Speel een lied voor ons allebei !"

 

 

Liefde vond een weg naar beider harten,

En een tijd van echt geluk brak aan.

Telkens als het lot hen wilde tarten,

Wist hun liefde alle zorgen te verslaan.

En nog mooier dan voorheen

Fluistert zijn harmonica nu 's avonds

Dat er liefde is voor iedereen:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een lekker zonnetje maakt alles even fleurig

(tekst/muziek:Dick Kerdy)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Pas uit de veeren, zóó in de kleeren,

Kijken we naar de lucht,

Wat of 't me nu zal zijn,

Regen of zonneschijn.

En wij slaken een zucht.

Als daar zoo pralend, feestelijk stralend,

't Zonnetje vroolijk schijnt.

En al je narigheid en zwarigheid,

Als vanzelf verdwijnt.

 

Refrein:

Een lekker sonnetje maakt alles even fleurig,

Maakt zelfs de grootste pessimist wat minder treurig.

Wanneer een zonnestraaltje over 't verfloos raamkozijntje zweeft ,

Is 't of de huisbaas onverwacht de boel wat opgeschidert heeft.

Een lekker zonnetje maakt alles even fleurig,

Maakt zelfs de grootste pessimist wat minder treurig,

Wanneer de zon de oude gevels opsiert met een licht vernis ,

Is 't of de heele wereld op zijn Zondagsch is.

.

Als in de kranten van alle kanten,

Nattigheid wordt bericht,

Dan klaagt men overluid:

,,'k Hou het hier niet uit."

Land van regen en jicht.

Maar als de boomen bloesems vertoonen,

Geurend in lentetooi,

Dan zingt men overal: „Holland bovenal,

Wat is 't hier toch mooi !"

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een lief en aardig meisje

(met dank aan Bei Cok voor het sturen van de tekst)

Een lief en aardig meisje

Lag op haar ziekbed neer

Zij wou zo gaarne spelen,

Maar ach zij kon ’t niet meer

Zij werd al daag’lijks zwakker

Leed telkens meerder pijn

En somtijds vroeg zij klagend

Zou ‘k ooit nog beter zijn

 

De dokter kwam gedurig

En deed al wat hij kon

Maar moest het vaak bekennen

Dat hij maar weinig won

Soms als zij veel moest lijden

Dan zong zij zacht een lied

En zei: Als ik kan zingen

Voel ik de pijn zo niet

 

Eens had zij weer gezongen

Toen juist de dokter kwam

Die van haar kinderzang nu

De laatste toon vernam

Kom, zei hij, zing dat versje

Nu ook nog eens voor mij

Dan maak ik met wat lekkers

Je recht verheugd en blij

 

Het kind begon te zingen

Het o zo schone lied

Van: Daar ruist langs de wolken

Welk meisje kent dat niet

Nu is zij bij die Heiland

Die zij hier heeft bemind

En in des hemels zalen

Zingt thans het lieve kind

 

Terug naar overzicht

Een man blijft een man

(A guy is a guy van Doris Day)

(tekst: Willy Pol / muziek: Oscar Brand)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

M'n moeder zei: „M'n kind, spreek nooit met vreemden op straat."

En van die wijze lessen ondervond ik altijd baat.

Maar mensen zijn maar mensen, zij verliezen vaak hun stuur.

Het is een harde strijd tegen de roepstem der natuur.

 

Refrein:

Ik liep langs de straat, blakend van fatsoen;

Daar kwam ie me achterna, 'k wist dat hij 't zou doen,

Want elke man blijft 'n man, dat ligt zo in z'n aard;

Een vos behoudt z'n streken, al verliest ie soms z'n staart.

Ik liep toen naar huis, net zo als 't betaamt;

Daar kwam ie me achterna, 'k vond het onbeschaamd;

Maar elke man blijft 'n man, dat ligt zo in z'n aard;

Al is ie 'n adonis, of al is ie hoogbejaard.

 

Interlude:

Ik had die man nog nooit ontmoet,

Hij was niet aan mij voorgesteld,

Doch wat ik zag, beviel mij goed,

Toch ben ik maar heel gauw ,doorgesneld !

 

Refrein:

Ik beklom onze stoep van een tree of acht;

Hij kwam mij weer achterna, net zo als ik dacht,

Want elke man blijft 'n man, dat is nu eenmaal zo,

Die malle streken krijgt een vrouw bij ied're man cadeau.

Ik stond bij de deur zonder om te zien;

Ook hij stopte bij de deur, dat had ik voorzien,

Want elke man blijft 'n man: zo zijn ze allemaal.

Dus ga ik maar verder met dit wonderschoon verhaal.

 

Interlude:

Hij vroeg mij om een enk'le zoen,

Maar ik zei: „Dat gaat zomaar niet,

Nog nooit gaf ik een man een zoen."

(Dat zei ik net voor ik me  zoenen liet.)

 

Refrein:

Toen' sprak ik met mama, net zoals 't behoort,

En daarna heeft pa 't verhaal van mama gehoord,

En allen waren het eens: We zouden trouwen gaan.

Dus werd nu die man mijn man, 't was zo gezeid en zo gedaan.

En we werden per koets naar de kerk gebracht,

Gedwee ging hij met me mee, net zoals ik dacht.

Want elke man blijft 'n man, veel kwaad zit er niet bij ......

Hij 's nu mijn eigen man, zo eindigt dit verhaaltje blij.

 

Terug naar overzicht

Een meisje lief

(tekst: W. Pietersma/wijs: Baby Rose)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik ben bijna heel de wereld rond geweest

Om te zoeken naar een meisje,

Dat stond in mijne geest.

Ach waar vind ik toch haar,

Waar zal ik haar vinden

Ik zoek me half lam.

'k Wou dat ik toch maar

Zoo'n aardig kindje tegen kam.

Waar ik dag en nacht van droom,

Dat is een meisje schoon.

 

Refrein:

Een meisje lief, een meisje klein

Met goudblond haar,

En een oogenpaar van 't heerlijkst hemelblauw,

Een meisjelief, met een figuurtje fijn,

Haar handen als karmijn een lippen als robijn,

Ja, zoo moet ze zijn.

 

Toen ik nog een van twintig jaren was,

Stond ik bij de meisjes

Zoo reusachtig in den pas.

Maar ik zag er niet één,

Men lachte en lonkte naar mij

Toen al om het meest.

Niet één van die engeltjes

Die vielen in mijn geest.

Waar ik kijkt, waar ik vraagt,

Niet één die mijn behaagt.

 

Lieve menschen als ge soms een meisje voor mij  weet,

't Liefst heb ik er een die niet te dun is of te breed.

Ach verzacht toch als 't u blieft mijn leed.

't Moet er eentje wezen, die mij op haar handen draagt,

Die nimmer mijn zakken voelt, of mij om centen vraagt.

Voor zoo'n schatje, klopt mijn hartje,

Zoo een wil ik graag.

 

Refrein

 

Nu ben ik verschillende jaren

Al met een getrouwd,

Ik heb een vrouw gevonden

Die hartstochtelijk van mij houdt.

Maar ik krijg het nu toch wat benauwd.

Alle jaren schenkt ze me zoo'n aardig souverein,

Ik heb er nu warempel

Al ver over het dozijn.

'k Stort mijn klachten,

Vaak bij nachten,

'k Zing dan dit refrein:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een meisje van slechts zeven jaren

(met dank aan Jantje Scheepstra voor het sturen van de tekst)

Zij was haar ouders enigst geliefde kind,

Een meisje van pas zeven jaren

Ook werd zij door haar ouders teer bemind,

Met hare fijn gekrulde haren.

Ook werd ze dartelend van het spelen moe,

Dan kon ze haar moeder wel eens dreigen

Dan sprak zij boos, maar het harte zong ( 2 keer)

O lieve kleine

 

Op een zekere dag toen speelde ze aan de vliet,

Maar plotseling viel ze in het water.

Haar vader droog haar dikwijls dra bespied

En sprong, haar na slechts even later,

Hij zwom wat hij kon en greep het meisje beet,

Juist toen zijn lieveling wilde verdwijnen.

Je bent te schoon om heen te gaan (2 keer)

O lieve kleine

 

De vader was na zulk een moedige daad,

Toen plotseling ongesteld geworden.

De dokter sprak met een bezorgd gelaat,

Je bent voorwaar nog niet in orde.

En in zijn koorts greep hij het meisje aan

Wil nu altijd goed voor moeder blijven.

De woorden stierven in zijn mond (2 keer)

O lieve kleine

 

De lentezon scheen weer op stralen neer,

Op velden bossen en seringen.

Maar in dat ouderlijk huisje van weleer,

Hoort men geen kinderstem meer zingen.

En op het grafje weent haar moeder luid,

Die zal ik nooit meer zien verschijnen.

De merel zong met een zacht gefluit(2 keer)

O lieve kleine

 

De moeder ging gebukt door al het leed,

Zij kon dat fluiten niet aanhoren.

Maar eenmaal breekt de dag van het sterven aan,

Verlost van alle smart en pijnen,

Verenigt zich met de man en haar (2 keer)

O lieve kleine

 

O lieve kleine

 

O

 

Terug naar overzicht

Een mijnheer

(uitvoering Jetty Pearl)

Luistert naar de droevige avonturen
Naar de vele zorgen, de angst en pijn
Die een kleine man steeds maar moest verduren
Omdat hij zo graag beroemd wou zijn

Refrein:
Hij was zomaar een mijnheer
Z'n pa was een mijnheer
Z'n broer was een mijnheer
Hijzelf was een mijnheer, niets meer

Om zijn naam vermeld te zien in de kranten
Sprong hij op een dag, bevend als een riet
Midden in de Seine, ver van de kanten
Maar de journalisten zagen 't niet
'n Brave burger bracht hem weer op het droge
En verwarmde hem met een glas cognac
Zo bracht dus zijn ferm en manmoedig pogen
Hem in plaats van roem slechts een druipnat pak

Refrein

Nooit zag men zijn foto op aanplakborden
Nooit verscheen zijn beeltenis in de krant
En om, hoe dan ook, toch befaamd te worden
Stak hij het gebouw van de krant in brand
Toen hij daarna riep: "Ik heb 't aangestoken !"
Hoonde men: "Daarvoor ben jij veel te bang"
Toen heeft men 'n andere sukkel opgedoken
Die heel vlot bekende, na zachte dwang

Refrein

Toch kwam de beroemdheid nog in z'n leven
Dat geluk kwam sluipend en onverwacht
Voor een misdaad die hij niet had bedreven
Werd hij opgepikt en ter dood gebracht
En de roem viel over hem als 'n lawine
Zijn wat bleke kop kwam in elke krant
Toen hij sneefde onder de guillotine
Was hij 'n beroemdheid in 't hele land

Hij werd meer dan een mijnheer
Z'n pa bleef een mijnheer
Z'n broer bleef een mijnheer
Maar hij verwierf zich roem en eer

Maar een drukfout kwam zijn geluk bederven
Z'n naam werd in de kranten verkeerd gespeld
Zo bleef hij dus, ondanks zijn moedig streven
Zomaar een mijnheer, geen befaamde held

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een moeder moet veel verdragen

(Tekst/muziek: Van Broekhoven/Verhoeven)

Refrein:

Een moeder moet veel verdragen

Van zorgen, van onrust, leed en pijn

Een moeder die hoor je nooit klagen

Als ze weet dat jij, haar kind, gelukkig zult zijn

Al heb je geld en veel juwelen

En alles wat je ooit zo hebt begeerd

Een moeder is met goud niet te betalen

Dus zorg dat jij je moeder toch steeds eert

 

Zolang je geluk hebt in het leven

Dan heb je trouwe vrienden bij de vleet

Maar als het minder wordt, al is het maar even

Dan is er steeds die ene vrouw, die jou nee nooit vergeet

 

Refrein

 

En soms dan heeft ze tranen in haar ogen

Dan huilt ze maar ze zegt je niet waarom

Jij weet dat je je moeder hebt bedrogen

Dan heb je spijt, je vraagt je af, waarom deed ik zo dom

 

Al heb je geld en veel juwelen

En alles wat je ooit zo hebt begeerd

Een moeder is met goud niet te betalen

Dus zorg dat jij je moeder toch steeds eert

Dus zorg dat jij je moeder toch steeds eert

 

 

Terug naar overzicht

Een oude cowboy

(Eddy Christiani)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Refrein:
Een koude nacht, een lege blokhut
En op de kale grond een cowboy oud en grijs
Hier wachten hem de laatste uren
Die hem nog scheiden van zijn allerlaatste reis
Geen vrouw of vriend om hem te troosten
Alleen zijn merrie die niet van zijn zijde wijkt
Een laatste zucht, hij sluit zijn ogen
Het eindpunt van zijn grote zwerftocht is bereikt
Een eenzaam mens ging heen
Zijn paard blijft nu alleen

De oude cowboy had een moeilijk leven
En vond in al die jaren nergens rust
Geen vrouw die hem haar liefde heeft gegeven
En geen kindermond heeft ooit zijn wang gekust
Geen sterveling zal bij zijn heengaan treuren
Alleen zijn oude merrie in de stal
Yip-ayee, yip-ayo
Er is niemand die zijn graf bezoeken zal

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een oude zeeman

(uitvoering Eddy Christiani)

Een oude zeeman kan 's nachts niet slapen
Een groot verlangen drijft hem naar de haven
Daar staat hij urenlang en tuurt dan naar de zee
Zijn mooie dagen, lang vervlogen, voeren hem mee
Een laatste maal nog wil hij 't beleven
In storm en regen, daar op die wijde zee
Dan kan hij rusten, de grote reis aanvaarden
En zet voor 't laatst dan koers naar 't oord van rust en vree

Men vond hem op een morgen, daar aan de havenkant
Hij was heel stil vertrokken naar 't onbekende land
Een zeeman was geboren, een zeeman was gegaan
Zijn levensvreugde was de grote oceaan

Een oude zeeman kan 's nachts niet slapen
Een groot verlangen drijft hem naar de haven
Daar staat hij urenlang en tuurt dan naar de zee
Zijn mooie dagen, lang vervlogen, voeren hem mee
Een laatste maal nog wil hij 't beleven
In storm en regen, daar op die wijde zee
Dan kan hij rusten, de grote reis aanvaarden
En zet voor 't laatst dan koers naar 't oord van rust en vree
En zet voor 't laatst dan koers naar 't oord van rust en vree

 

Terug naar overzicht

Een plezierreisje van Amsterdam naar Parijs

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Wij waren eens van plan om naar Parijs toe te gaan

En ons daar eens flink te vermaken.

Wij spoorden daartoe onze vrienden eens aan,

Die daarover niet te lang spraken.

Lange Jan met scheele Piet,

Mottige Toon en lange Griet,

Allen gingen we op reis, ja tot zelfs dikke Gijs.

En wij roepen luid hoezée !

Ja wie gaat er met ons mee ?

En wij waren toen verblijd,

En elke jongen had een meid.

 

Refrein:

En zoo gingen we allen rustig en tevreê

Wij riepen luid hoezée !

Wie gaat er met ons mee ?

En allen hadden wij hem half staan,

Het komt er niet op aan,

Om naar Parijs te gaan.

En zoo gingen we allen rustig en tevreê

Wij riepen luid hoezée !

Wie gaat er met ons mee ?

En allen hadden wij hem half staan,

Het komt er niet op aan,

Om naar Parijs te gaan.

 

 

Wij gingen toen heel netjes gekleed er vandoor,

Een elk droeg een flesch met met oude klare,

Zo kwamen wij er aan met de Hollandsche spoor,

Wat waren wij blij dat wij er waren.

Een mand met eieren droeg mijn vrouw,

Maar ze waren allen half rauw

En toe viel ze herejé, al de eieren rolden mee.

En een heer zat op zijn gemak,

Kreeg alles over zijn zwarte pak.

Hij begon te schelden o zoo luid,

Och wat zag die vent er uit.

 

Refrein

 

Eindelijk stonden wij midden in Parijs,

Natuurlijk hadden wij hem allen flink te pakken,

Maar o wee, daar werd opeens dikke Gijs,

Gearresteerd door twee Fransche klabakken.

Hij protesteerde, maar niet zacht,

Maar de diender riep uit alle macht:

,,Jij zal met me medegaan." Hij zag hem voor een Esterhazy aan.

Wij riepen woedend: ,,Vuile vent,

Ik geloof dat jij het zelve bent."

En toen stopte hij ons met gemak,

Allemaal netjes in de bak.

 

Refrein

 

Des morgens werden wij weer naar het station gebracht,

En wij moesten weer naar Amsterdam vertrekken.

Dat gebeurde ons zoo onverwacht,

Door die Parijsche gekken.

Mottige Toon die schreeuwde luid:

,,Ik ben mijn portemonné ook kwijt."

Lange Jan die riep: ,,O jé !

Mijn horloge en mijn portemonné."

Maar wij moesten weer op reis,

Behalve de dikke Gijs,

Die bleef op zijn gemak,

Netjes zitten in de bak.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een recht en een averecht

(Tekst/muziek: Van Hemert/Schallies)

Op de grote stille heide

Dwaalde de herder eenzaam rond

Hij breit aan zijn wollen sokken

Op zijn schapen past de hond

Niemand die de rust verstoort

En de herder breit maar voort

 

Een recht en een averecht

Een recht en een averecht

Een averecht

 

In het dorpje bij de heide

Woont een meisje, jong en blond

Die de herder al een tijdje

Echt een leuke lieverd vond

Maar de herder merkte het maar niet

Hij breit voort en neuriet zijn lied

 

Een recht en een averecht

Een recht en een averecht

Een averecht

 

Het is al een oude waarheid

Maar de liefde zoekt steeds list

Het meisje ging toen naar de herder

En ze vroeg hem zeer beslist

Of zij dat patroontje hebben mocht

Het was precies waar ze al zo lang naar zocht

 

Een recht en een averecht

Een recht en een averecht

Een averecht

 

En hij zag haar roze wangen

En hij zag haar rode mond

Zei dat hij voor dat patroontje

Heus een kusje billijk vond

Bij de ondergaande zon

Goed dat de hond op de schapen passen kon

 

Een recht en een averecht

Een recht en een averecht

Een averecht

 

In het dorpje bij de heide

Heeft de kerkklok lang geluid

Want de herder was de bruidegom

En het meisje was de bruid

En nu breit hij heel tevree

Aan de babyuitzet mee

 

Een recht en een averecht

Een recht en een averecht

Een averecht

 

Een averecht

Terug naar overzicht

Een stroozak is de beste kameraad

(tekst en muziek: Henri Theunisse)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Als je uit het burgerleven,

Plotseling moet dienen als soldaat:

Nou, dan schrik je toch wel even,

Als je weer naar de kazerne gaat.

Na een poosje gaat het wennen,

Want je gaat je schikken in je lot.

En leer je je stroozak kennen,

Dan slaap je zo vast als een marmot.

 

Refrein:

Een stroozak is de beste kameraad van een goed soldaat.

Al kraakt ook in 't begin de ruggegraat van een goed soldaat.

Toch zegt hij na een week vol pret,

Ik ruil jou voor geen veren bed.

Een stroozak is de beste kameraad van een goed soldaat.

 

 

Als je d' eerste nacht moet slapen

Op je stroozak als een worst zo rond,

Lig je heel de nacht te gapen,

Zeg j' elkander troostend: ,,'t Is gezond."

Maar gaat zich een kuiltje vormen,

Lig je als een koningskind zo fijn,

Dan wordt eerst de zaak enorm en

Stem je daad'lijk in met dit refrein:

 

Refrein

 

Trouwe stroozak, ouwe jongen,

Ik weet dat je stilletjes geniet,

Van de vreemde bokkepsrongen,

Die ik als soldaat doe, waar of niet ?

Niets heb ik van jou te vrezen,

Want ik weet het, jij zwijgt als het graf.

Altijd zal 'k je dankbaar wezen,

Voor de rust en warmte die jij gaf.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een tuin vol met geurende bloemen

(met dank aan mevr. M. Tukstra voor het sturen van de tekst)

Een tuin vol met geurende bloemen

En mooi romantisch struweel,

Die zagen het leed van een meisje,

Dat woonde op het oude kasteel.

 

Zij was mooi en jong lang geleden

En minde de tuinman zo zeer.

Hij kweekte voor haar mooie rozen,

In kleuren zo zacht en zo teer.

 

Als 's avonds de zon was verdwenen,

Sloop zij stilletjes uit huis.

Om dan de man te ontmoeten,

Die zij niet mocht trouwen van thuis.

 

Maar wreed kwam een einde aan het sprookje,

Haar vader dreef hen uiteen.

De tuinman werd dadelijk ontslagen,

Zo ging het geluk van het heen.

 

De tuin ziet nu iedere morgen,

Een oude en eenzame vrouw.

De tranen als dauw in haar ogen,

Die zijn het symbool van haar trouw.

 

Terug naar overzicht

Een visioen van 'n soldaat

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een visioen is mij verschenen,

Ik zag een zestal kribben staan,

Waarin een Rus, een Fransch, een Duitscher,

Een Belg, een Engelsman, een Italiaan,

Hun laatste woorden voor zij sterven

Tot Hollandsche Zuster van 't ,,Roode Kruis"

Waren zoo wreed, zoo diep ontroerend

Van vrouw en kinderen van moeder thuis.

 

De Rus die sprak al tot de Zuster:

,,Het land waarvoor ik mijn leven laat,

Ben ik geen dankbaarheid verschuldigd

Land van vervolging, land van haat.

Mijn leven eindigt hier zoo somber

Hier is zoo'n groot, zoo'n tristich huis,

En nu zoo ver te moeten sterven

Van vrouw en kinderen van moeder thuis."

 

En dan de Franschman die zei snikkend:

,,Mijn laatste uur dat is nabij

Dat ik, ik leefde zoo gelukkig,

Met wat ik lief had aan mijn zij.

Een laatste wensch wil ik U vragen,

Dit pak met mijn Soldaten Kruis,

Te zenden aan die ik nooit mee zien zal,

Aan vrouw aan kind aan moeder thuis."

 

Toen kwam de zoon uit het land der Belgen

Die gillend op zijn sterfbed zong:

,,Mijn land, mijn Koning, zijn niet schuldig,

Daarom zing ik de Brabaçon."

En dan zacht fluisterend als een knaap nog

Maakte hij voor de laatste maal een kruis

En zegende onder diepe stilte,

Zijn vrouw zijn kind zijn moeder thuis.

 

De Italiaan dat was de vijfde,

Hij met zijn vurige natuur,

Heeft tot het laatst gestreden

Tot nu, toen in zijn stervensuur,

Ook hij, hij leefde zoo gelukkig,

Muziek zijn ideaal in huis

En nu zoo ver te moeten sterven,

Van vrouw van kind van moeder thuis.

 

En dan de laatst was een Duitscher,

Onrustig in zijn stervensuur,

Krankzinnig riep hij tot de Zuster,

Land van beschaving, van cultuur.

En als dan de goede brave Zuster

Vol eerbied wijst op zijn IJzeren Kruis,

Dan zeg hij met zijn lach, zijn doodslach,

Zijn vrouw zijn kind zijn moeder thuis.

 

Mijn visioen is nu verdwenen,

Goddank in dezen zware tijd,

Heeft Holland tot op den dag van heden

Zijn schat bewaard, zijn neutraliteit.

Moge de wreede oorlogswoede

Voorbij gaan ons in deze tijd,

Doch wij bewaren het schoonst op aarde,

Ons vrouw ons kind ons moeder thuis.

 

Terug naar overzicht

Een wapenbroeder

(zie voor andere versie "De trouwe kameraad")

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik had een wapenbroeder 
Maar nu heb ik hem niet meer 
Hij is in de strijd gebleven 
Hij liet voor ‘t land zijn leven 
Ach wat minde hij mij teer

Ach wat minde hij mij teer

Ik had een wapenbroeder 
Een zoon van werkersras 
Die reeds van kindsaf wende 
Aan honger en ellende 
Waar rondom welvaart was

Waar rondom welvaart was 

Ik had een wapenbroeder 
Goedhartig van natuur 
Toch liet hij d’ zijnen achter 
En ging als mensenslachter 
Gedwongen in het vuur

Gedwongen in het vuur

Ik had een wapenbroeder 
Een zeer godsdienstig mens 
Toch ging hij om te moorden 
In strijd met Christus’ woorden 
Gewapend naar de grens

Gewapend naar de grens

Er vielen duizendtallen 
Op het bloedig veld van eer 
Omdat zij als soldaten 
Hun broederplicht vergaten 
Die zegt de wapens neer

Die zegt de wapens neer

Ik had een wapenbroeder 
Geen dapperder dan hij 
De oorlog riep ons samen 
De roffel sloeg... wij kwamen 
En gingen zij aan zij

En gingen zij aan zij

Ach broeder, ‘k zie u weder 
Dat lenigt mijn verdriet 
Daar waar geen angst of vrezen 
Geen oorlog meer zal wezen 
Daar kent men scheiden niet

Daar kent men scheiden niet

Dit is een Duits liedje dat in 1809 geschreven is door Ludwig Uhland (1787-1862).
Het werd veel gespeeld op begrafenissen van militairen en oud-strijders 

Terug naar overzicht

Een Wiener-koetsier

(tekst: Jack Bess / muziek: Gustav Pick)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

Er staat bij ons op 't pleintje

Een koetsje met een paard,

Als beeld uit het verleden

voor ondergang bewaard.

En vooraan - op het bankje,

met ogen vol plezier,

zich van zijn waardigheid bewust

zit stralend: de koetsier !

Hij is door alle jaren de vriend van het publiek,

want velen heeft hij door de tijd

wat vreugde en geluk bereid.

Hij lacht om luxe auto's met radiomuziek,

die missen wat zijn koetsje heeft: een beetje romantiek !

En daarom vragen velen blij: „Zeg, koetsier, ben jij een uurtje vrij ?'

 

Refrein:

Een Wiener-koetsier heeft het steeds naar zijn- zin,

Hij tikt aan zijn hoed en zegt: ,;Stapt u maar in !"

En waar je ook zijn moet, hoe ver ook van hier.........

Hij brengt je er heen - met plezier !

 

Als hij in sukkeldrafje

zo door de straten rijdt,

Dan zegt-ie tot zijn paardje:

„Kalm aan, ik heb de tijd !"

Waarom zou hij zich haasten

als men het niet gebiedt ?

Hij doet dus heel voorzichtig aan,

dan breekt het lijntje niet.

De rit mag kort of lang zijn, dat maakt heus geen verschil,

Hij kijkt bescheiden voor zich uit

en luistert naar het hoefgeluid,

Tot plotseling zijn „vrachtje'.' de rit besluiten wil,

dan roept-ie rustig- één keer „Hu !" en staat zijn paardje stil !

En valt de fooi een beetje mee,

zegt-ie: „Dank u wel !" en lacht tevree.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Een zwoele zotte zomer (Net als vroeger)

(uitvoering: Tony Vos)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Het wordt een zwoele zotte zomer, net als vroeger
We waren jong nog en dol op elkaar
Dit wordt een zwoele zotte zomer, net als vroeger
Zo was het vroeger, weet je nog, haast ieder jaar
We gaan weer zeilen en kamperen in de velden
Met alle vrienden weer daarbij
Precies als vroeger toen de uren nog niet telden
We gaan weer wandelen en zwemmen, ik en jij
Weet je nog, Rini in bikini in het zwembad
Ik weet het zeker, de zomer komt gauw
En dan die Loesje in dat bloesje wat ze aan had
Dit wordt een zomer als vroeger met jou

 

Het wordt een zwoele zotte zomer, net als vroeger
We waren jong nog en dol op elkaar
Dit wordt een zwoele zotte zomer, net als vroeger
Zo was het vroeger, weet je nog, haast ieder jaar
We gaan weer zeilen en kamperen in de velden
Met alle vrienden weer daarbij
Precies als vroeger toen de uren nog niet telden
We gaan weer wandelen en zwemmen, ik en jij
Weet je nog, Rini in bikini in het zwembad
Ik weet het zeker, de zomer komt gauw
En dan die Loesje in dat bloesje wat ze aan had
Dit wordt een zomer als vroeger met jou
Dit wordt een zomer als vroeger met jou
Dit wordt een zomer als vroeger met jou

 

Terug naar overzicht

Eenmaal

(tekst: Andre Meurs/muziek: Tom Erich/ uitvoering: Renee van Sladen en The Swinging Nightingales)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Eenmaal zal ik je weer ontmoeten

Eenmaal kom je bij mij terug

Eenmaal zal ik je weer ontmoeten

Lang kan 't niet duren, want de tijd gaat zo vlug

 

Jij hebt mij verlaten, jij ging van me heen

Zonder iets te zeggen liet je mij alleen

Heus, je zult me missen, daar en overal

Maar weet dat ik altijd op je wachten zal

 

Refrein

 

Als je gaat betreuren wat je hebt gedaan

Kom dan, zonder schromen, dad'lijk bij me aan

Niemand zal iets zeggen, maar ons hart viert feest

Het zal zijn alsof jij nooit bent weggeweest

 

Eenmaal zal ik je weer ontmoeten

Lang kan 't niet duren, want de tijd gaat zo vlug

 

Terug naar overzicht

Eenmaal komt het in je leven

(met dank aan Jeannette Kuijer voor het sturen van de tekst)

Eenmaal komt het in je leven,

Dan trouw je netjes voor de burgerlijke stand.

Dan denk je dat je krijgt de hemel,

Maar je merkt al gauw dat je in de hel bent aangeland.

In je scharrelperiode,

Dan denk je nou ik krijg een schatje van een vrouw.

Na een jaartje van je trouwen,

Heb je voor je hele leven weer berouw.

 

Refrein:

Nu ik getrouwd ben heb ik niets meer te vertellen,

Ja vroeger kon ik doen en laten wat ik wou,

'k Ben zo jalours op alle vrijgezellen,

Nu doe ik alles op commando van mijn vrouw.

 

 

Als ik 's morgens uit bed kom,

Dan roept mijn vrouw zeg breng een lekker kopje thee.

En als je dan vanmiddag thuis komt,

Breng dan zes kilo goeie eigenheimers mee.

Vent rook niet zo veel sigaren,

Je hebt toch al zo'n schijntje in je kersenpit.

Na een jaartje van je trouwen,

Dan merk je dat je onder de pantoffel zit.

 

Refrein

 

Als ik vroeger van kantoor kwam,

Dan deed ik met m'n centen steeds mijn eigen zin.

Nu moet ik ze wel bewaren,

Want als ik thuis kom pikt m'n vrouw ze in.

Geef het kind een schone luier,

Loop niet te fluiten want daar wordt ik akelig van.

Ik moet op de baby passen,

Want 's avonds gaat madam naar een soiree-dansant.      

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Eenmaal met jou

(Einmal am Rhein)

(met dank aan Cor de Boer voor het sturen van de tekst)

Wat er met mij is, weet ik niet

maar toen ‘k je zag

raakt’ ik van streek,

m’n hart is nu totaal van slag.

Boven m’n bed, hangt jouw portret.

Jij bent mijn ideaal, Oh, kleine Jeanett’

 

Refrein:

Een maal met jou, gezellig samen uit te gaan

Een maal met jou

eens vrolijk aan het zingen slaan

Een maal met jou

als dat nog ééns gebeuren zou.

Wat zou ik dan gelukkig zijn.

Dan werd weer alles zonneschijn

En de hemel was blauw, een maal met jou.

 

Als ik ga slapen,

dan verschijnt opnieuw jouw beeld.

’t Is of je met m’n hart een beetje tennis speelt.

Wees niet van steen,  zeg toch niet neen.

Maak mij gelukkig kind, ik ben zo alleen.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Eenmaal moet je gaan varen

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Als je jong bent dan zoek je het strand,
Of je zit op de duinrand te dromen.
Als je jong bent dan graaf je in 't zand,
Of je tuurt naar de schepen die komen.
Als je jong bent verlang je er naar,
Dat je ook eens het roer mag hanteren
En je kruipt al heel vroeg
Op de brug of de boeg,
Om het stuurboord of bakboord te leren.

Refrein:

Eenmaal dan moet je gaan varen
Trek je voorgoed over zee
Denk je niet meer aan gevaren
Dan sleept die zeeroes je mee
Eenmaal dan moet je gaan varen
Slenter je niet meer langs zee
Voel je je thuis op de baren
Hou je alleen van de zee

 

Refrein

Ben je later wat groter van stuk
Mag je monsteren op een van die schepen
Heb je dan een klein beetje geluk
Nou dan mag je misschien mee naar buiten
Mens dan voel je, je 'n grote piet
Ook al was je maar vaten en borden
En op je eerste reis
Och dan maak je je wijs
Dat je later 'ns zeeheld zal worden

 

Refrein


Als je oud word is alles voorbij,
Zijn verdwenen je jeugdige jaren.
Want dan voel je je al donders blij,
Als je al een pensioentje mag halen.
En je enigste troost die is dan,
Op de kade de boot naar te staren.
Maar toch heb je geen spijt,
Van je vroegere tijd,
Die je gaf aan die heerlijke baren.

Refrein

 

Terug naar overzicht

Eenmaal nog wil ik je wederzien

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

'k Zie nog immer alle nachten in gedachten

Jou voor mijne geest.

'k Min je nog altijd, nog gelijk voorheen,

Waarom liet je me alleen ?

Bracht het uur van scheiden

Dan geen medelijden

Met mijn bitt're smart ?

'k Heb nog een laatste bede:

Schenkt vrede aan mijn troost'loos hart.

 

Refrein:

Eenmaal nog slechts wil ik met je wezen,

Jij kent niet mijn leed.

eenmaal nog zal j' in m'n ogen lezen

Dat ik je toch nooit vergeet,

Slechts nog 'n keer, wil ik dan gelijk weleer

Vergeten alles om mij heen.

En met m'n hart, vervuld van liefde, smart,

Klinkt dan mijn droef vaarwel:

'k Min jou alleen.

 

De eerste liefde in je leven heb ik gegeven,

Tot die ander kwam,

Droomend van 't geluk dat was geweest,

Bleef je beeld'nis voor mijn geest.

'k Kan je nooit vergeten,

'k Wil het heusch wel weten,

'k Heb naar troost gezocht,

'k Vond het nergens, maar wat geeft het,

't Noodlot heeft het eenmaal zoo gewrocht.

 

Refrein

 

Ben 'k straks weg te lange leste,

Is 't beste dat je mij vergeet,

Vindt dan het geluk waarnaar je zocht.

Dat ik jou niet geven mocht

'k Ga naar verre landen,

'k Druk nog eens je handen,

En ga nu met mijn leed.

Wil voor 't laatst mijn smarte

Sussen met jou kussen

Zoo je vroeger deed.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Eens  komt die heerlijke tijd

(tekst en muziek: Jan van Laar jr.)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Bij ieder mens bestaat de wens, in 't jonge leven,

Dat er een hart eens klopt voor hem vol liefd' en trouw;

Een mond die je antwoord zal geven,

En tot je zegt: "Mijn lieveling, ik hou van jou !"

 

Refrein:

Eens zal in 't hart de liefde ontwaken,

Eens komt die heerlijke tijd,

Die ons het leven mooier zal maken,

Eens wordt het werkelijkheid;

't Leven wordt anders, je bent niet alleen,

Twee harten, die smelten te samen tot één:

Eens zal in 't hart de liefde ontwaken,

Eens komt die heerlijke tijd !

 

De tijd gaat snel, bedenk dat wel, kan men vaak horen,

Maar op bevel vind je de liefde niet bereid,

Zij wordt in de harten geboren,

Bij d' ene vroeg, bij d' ander laat, maar steeds op tijd.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Eens zal de Betuwe in bloei weer staan

(tekst/muziek: Han Dunk)

't Alom bekende Nederland
Waar menigeen van hield
Is door de grote wereldbrand
Helaas ook deels vernield
De Betuwe, die sprookjestuin
Is nu geen sprookje meer
Maar bloeit, al ligt ze thans in puin
Weldra weer als weleer

Refrein:
Eens zal de Betuwe in bloei weer staan
Nog mooier en voller dan voorheen
Eens groeit op Walcheren weer goudgeel graan
We zullen herbouwen steen voor steen
We malen weer droog 't land dat onder water staat
Traditie zegt dat Neerlands glorie nooit ten onder gaat
Eens zal de Betuwe in bloei weer staan
En groeit op Walch'ren goudgeel graan

Door d'eeuwen heen hielden wij stand
Bedwongen zelfs de zee
Getrouw 't devies van 't vaderland
Dat luidt 'je maintiendrai'
Eendrachtig gaan wij aan de slag
Tevreden zijn wij pas
Wanneer ons land weer worden mag
Zo mooi als 't immer was

Terug naar overzicht

Eenzaam zonder jou

(tekst/muziek: Clerc/Plamandon/Byl/uitvoering:Wil Tura)

Ik ben zo eenzaam zonder jou

Niets kan mij binden bij mijn vrienden

Bij hen kan ik het niet meer vinden

Het liefste ben ik dicht bij jou

 

Ik ben zo eenzaam zonder jou

Och als het dansorkest gaat spelen

Want dansen gaat mij gauw vervelen

Als ik jou niet in m'n armen hou

 

Ik ben zo eenzaam zonder jou

Jij weet dat ik op jou zou wachten

Maar leef ik ook nog in jouw gedachten

En ben je mij nog altijd trouw

 

Ik kan niet verder zonder jou

Mijn leven zou ik voor jou geven

In al mijn brieven staat geschreven

Ik ben zo eenzaam zonder jou

 

Ik ben zo eenzaam zonder jou

Terug naar overzicht

Eet nooit rooie kool op maandag

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Papper uit de Willemstraat, die dronk zijn borrel graag .

Laatst kwam die 's maandags bij zij vrouw, een flink stuk in zijn kraag.

"Wat hebben we te bikken ?", vroeg Jan Papper maar werd bleek,

Hij zag een pot met rooie kool toen hij op tafel keek.

Hij schreewde als bezeten, neem die rooie rommel weg,

'k Eet 's maandags vast geen rooie kool, hoor goed wat ik zeg:

 

Refrein:

Eet nooit rooie kool op maandag,

Daar komt ruzie van.

Rooie kool daar zit de bliksem in,

Neem mijn raad toch an,

Wie op maandag rooie kolen stooft,

Krijgt de potten en de pannen naar zijn hoofd .

Eet nooit rooie kool op maandag,

Daar komt ruzie van.

Zijn vrouw wilde hem sussen, maar daar was geen sprake van:

"Toe eet nou maar een beetje kool, dan wor je nuchter man."

Maar dat was olie op het vuur, "ik ben niet dronken wijf,

Maar jij krijgt vast geen rooie kool op maandag in mijn lijf,

Je ken me geef me rijst met krenten, uien, peen met spruit,

Doch rooie kool op maandag mot ik niet en daarmee uit."

 

Refrein

Vrouw Papper werd het zat en haar huzarenmond zei fiks:

"Die kool zal je vreten vent en anders krijg je niks !"

Jan Papper sloeg zijn vuist op tafel, brulde: "loederkop,

Ik mot geen rooie kool, hou nou je bek of ik sla d'r op."

Maar voor ie wat kon doen, nam zij de pan en doodbedaard,

Keerde 'z em om op Jan z'n kop, het sap liep langs zijn baard !

 

Refrein

De ruzie werd volmaakt, de buren die kwamen er aan te pas.

Jan Papper sloeg aan puin, al wat nog breekbaar was.

Vrouw Papper hielp hem dapper en zei: "Dat ken ik ook !"

Ze sloeg nog zeven gaatjes in zijn hersens met een pook.

En toen de ruzie was gedaan, vroeg Jan broodnuchter: "nou ?

't Is tijd voor het diner, zeg, wat selle me bikke vrouw???"

Refrein

 

Terug naar overzicht

Eeuwig

(vertaling van het filmthema uit de film -Limelichts-van Charles Chaplin)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Eeuwig blijf ik trouw aan jou alleen

Nooit gaat een geluk als het onze heen

Sinds de dag dat ik je zag scheen plots de zon voor mij

Dat ogenblik besefte ik mijn droom was jij

In de sterren zie ik geschreven staan

Samen zullen wij door het leven gaan

Juichend roept mijn hart naar wijd en zijd

Ik heb je lief in alle eeuwigheid

 

(De meeste mensen kennen Chaplin als komiek, maar weten niet dat hij ook een heel goede toondichter was, hij deed tekst en muziek).

 

Terug naar overzicht

Eiland in de zon

(tekst: Henny Blonk/muziek: Harry Belafonte/uitvoering: Marcel Thielemans)

Refrein:

O eiland in de zon

Waar ik liep aan vader's hand

Niets bindt mij met zo'n sterke band

Als jouw wouden, beken en palmenstrand

 

Geef mij m'n eiland in de zon

Waar ik vroeger zo zorg'loos spelen kon

'k Zwerf soms duizend mijlen van huis

Maar ik voel me alleen op m'n eiland thuis

 

Refrein

 

Ik hoor tam-tams; ze dreunen door 't woud

Waar een der stammen een dansfeest houdt

Ik zie vrouwen en hoor hun lied

Bij het snijden van 't suikerriet

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

El Paso

(Ned. tekst: H. Jacobs/uitvoering: John de Mol Sr.)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ergens in Texas in 't stadje El Paso

Werd ik verliefd op Maria mijn schat

Ze was aan 't dansen in 't duistere kroegje

De enige kroeg die El Paso bezat

Diep als de nacht was haar blik als ze danste

Blank als de maan was haar prachtige huid

Ik was in één keer El Paso vergeten

'k Wilde alleen nog Maria tot bruid

Maar op een avond kreeg ik een rivaal

'n Cowboy zo woest en zo wild......

Hij vloekte en danste en dronk met Maria

Maria 't meisje dat ik had gewild

Ik stond op en verblind door de whisky en blind door de liefde

Gaf ik de cowboy een klap op z'n mond

Hij trok z'n revolver, Maria die gilde

'k Schoot en daarna viel hij dood op de grond

Een ogenblik bleef ik geschrokken staan kijken

Naar het lichaam van hem, die ik net had gedood

M'n hersens die werkten zo snel als ze konden

Er was nog maar één kans die het leven me bood

'k Vluchtte in 't duister de achterdeur uit

En kwam terecht in de stal......

'k Zocht daar een paard en sprong in het zadel

Gaf hem de sporen en ontvluchtte het dal

Ik reed snel en verliet zo de buurt van 't stadje El Paso

Verliet zo de streken van Nieuw-Mexico

Was ik maar terug in het stadje El Paso

Waar 'k om Maria m'n medemens schoot

't Is heel gevaarlijk, maar kan me niets schelen

Liefde is sterker dan angst voor de dood

'k Zadel mijn paard en ik ga er naar toe

De donkere nacht is m'n vriend......

Misschien dat ik morgen een schot in mijn rug krijg

Dat is mijn loon en dat heb ik verdiend

En tenslotte bereik ik de heuvel en zie ik El Paso

Ligt in het donker verspreid in het dal

'k Ben zo verliefd en ik zie er het kroegje

'k Moet naar Maria toe voor dat ik val

Maar dan bespeur ik een cowboy in donker

't Zijn er opeens wel zo'n twintig of meer

Ze willen me lynchen, ze schreeuwen en schieten

Vlucht naar benee, want ze knallen me neer

Ik heb geen schijn van een kans en hoe 't was

Brandende pijn in mijn zij......

'k Val uit het zadel maar bijt op m'n tanden

Want daar benee wacht Maria op mij

En m'n liefde voor haar is onblusbaar

Ik sleep me zelf verder

Gun me geen ogenblik langer meer rust

'k Zie al een dak en de schoorsteen die rookt 'r

Terwijl langzaam m'n levenskaars uit wordt geblust

Bons op de deur en ik zak door m'n knieën

Maria doet open en schrikt van het bloed

'k Sterf in haar armen terwijl ze me liefkoost

Nog een laatste kus en 'k verlaat haar......voorgoed ! 

 

Terug naar overzicht

Elke dag denk ik aan zondag

(tekst: Bart Ekkers/muziek: Riz Ortolani/uitvoering Willeke Alberti)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Ik denk elke dag aan zondag,

Ik denk elke dag aan zondag,

Ik denk elke dag aan zondag,

Want zondag, dan kom jij.

Ik denk elke dag aan zondag,

Ik denk elke dag aan zondag,

Ik denk elke dag aan zondag,

Dan ben je weer bij mij.

 

Zondag zijn wij weer samen,

Dan zal je voor een héle dag weer bij me komen.

Dan wordt het als in m'n dromen,

Dan zullen wij een héle dag gelukkig zijn.

Ik vlas op zondag, was het maar zondag.

Want ik ben zonder jou, zo eenzaam en alleen,

Die lange dagen voor het zondag is,

Voel ik pas goed, hoe ik je mis.

Weet ik pas goed, hoeveel ik van je hou.

Ik denk maar steeds als ik de dagen tel:

"Oh, ging die tijd maar ééns zo snel,

Want ik verlang met heel m'n hart naar jou.”

 

Refrein

 

Ja, zondag zijn wij weer samen,

Dan zullen wij een héle dag gelukkig zijn.

Ik denk maar steeds als ik de dagen tel:

"Oh, ging die tijd maar ééns zo snel.

Want ik verlang met heel m'n hart naar jou.”

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Emmanuel

(met dank aan Carola en Theo Lintmeijer voor het sturen van de tekst)

Er woonde eens te 's-Gravenhage

een rijke heer met vrouw en kind.

Ze leefden daar in welbehagen,

een ieder was hun welgezind.

Emmanuel, zo heette het kind,

werd door zijn ouders teer bemind.

 

De torenklok had acht geslagen;

de dienstmeid bracht het kind naar school.

Het leren was zijn lust en leven,

het leren was voor hem slechts jool.

Och, arm klein knaapje, wist je het maar:

straks komt voor jou een moordenaar !

 

De torenklok had elf geslagen,

toen een rijtuig voor de school bleef staan.

Een heer liet aan de meester vragen

of het knaapje met hem mee mocht gaan.

Ze stapten saam het rijtuig in,

en reden zo de duinen in...

 

De torenklok had één geslagen,

de ouders werden ongerust.

De meid moest aan de meester vragen

of hij iets van het knaapje wist.

Men zocht de hele stad in het rond,

maar niemand die het knaapje vond.

 

Diezelfde heer had een brief geschreven.

Dit was de inhoud van de brief:

Stuur mij een geldsom voor zijn leven,

een grote geldsom alstublieft!

En is die som u soms té groot,

dan breng ik uw enigst kind ter dood.

 

Zie, hoe de kleine tegenspartelt,

zie hoe hij om genade smeekt.

Zie hoe de wrede beul hem martelt,

en een dolkmes in zijn hartje steekt.

Owee, gij wrede moordenaar,

er ligt voor jou een vonnis klaar !

 

Emmanuel, je beide ouders,

ze treuren om hun dierbaar kind.

Jouw moordenaar zal ondervinden

dat hij ook eens zijn noodlot vindt.

Op aard zien wij elkaar nooit weer...

Tot weerziens bij de Heer !

 

Terug naar overzicht

 

En altijd komen er schepen (Blonde Arie)

(Frans van Schaik 1948)

(met dank aan Betsy voor het sturen van de tekst)

't Was op een dag in januari,
In Rotterdam op Katendrecht,
Toen heeft haar knul, de Blonde Arie,
Haar voor het laatst gedag gezegd.
Hij had gemonsterd op "De Vrede",
Voor zeven weken uit en thuis
Nou is het zeven jaar geleden,
En nog kwam Arie niet naar huis.

Refrein:
En altijd komen er schepen,
Aan Katendrecht voorbij,
Maar de schuit van Blonde Arie,
Die is er nog steeds niet bij.

Moet zij een boodschap voor de heren,
Smeert ze 'm naar het Willemsplein,
Om daar vol angst te informeren,
Wie d'r weer bij gekomen zijn.
En altijd schepen, vreemde vrouwen,
Ze ziet matrozen blond en blij,
Daar dan hun plunjezakken sjouwen,
Maar die ze zoek, is er niet bij.

Refrein (als hiervoor)

Vaak word ze 's avonds aangeslagen,
Als ze daar aan de kade staat,
Soms durft zo'n kerel haar te vragen,
Of ze met hem eens dansen gaat.
Bij zoiets jeuken dan haar handen,
Maar als 't zeeman is, die vent,
Dan vraagt ze hunk'rend van verlangen,
Of tie d'r Arie heeft gekend.



Refrein:

En altijd komen er schepen,
Aan Katendrecht voorbij,
Maar de schuit van Blonde Arie,
Die komt daar nooit meer voorbij.

 

(kan door een vrouw ook in de ik-vorm gezongen worden)

 

Terug naar overzicht

En dan zegt de foerier

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

En dan zegt de foerier geef je rommeltje maar hier

En dan zegt de Kapitein geef je rommel maar aan mijn

En dan zal 'k 't wel voor je bewaren

Tot je weer op herhaling komt.

En dan zal 'k 't wel voor je bewaren

Tot je weer op herhaling komt.

 

En dan zal 'k 't wel voor je bewaren

Tot je weer op herhaling komt.

En dan zal 'k 't wel voor je bewaren

Tot je weer op herhaling komt.

 

Terug naar overzicht

En dattewe toffe jongens zijn

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

En dattewe toffe jongens zijn

Dat willewe wete, dat willewe wete

En daarom komen wij, en daarom komen wij

En dattewe toffe jongens zijn

Dat willewe wete

Daarom komen wij

Overal !

 

Overal, overal !

Waar de meisjes zijn, waar de meisjes zijn

Overal, overal !

Waar de meisjes zijn, 

Daar is het bal !

 

En toch zou ik van niemand anders kunnen houden (uitvoering: Max van Praag)

Als je een maand of wat getrouwd bent, word je zoetjesaan al wijs.
Dan begin je te beseffen: 't Huwelijk is geen paradijs.
Vroeger deed je wat je wilde, kwam en ging je als je wou.
Ben je nu eens laat voor 't eten, vind je een boze vrouw.
En dan zwijg je, maar dan krijg je dikwijls toch berouw.

 

Refrein:
En toch zou ik van niemand anders kunnen houwen.
En toch zou ik met niemand anders willen trouwen.
Want iedere vrouw heeft toch haar nukken en haar vlagen,
En die verdragen, moet iedere man.
Je moet 't geluk toch altijd met z'n tweeën maken,
En bij een ander vind je 't ook niet opgeschept.
Je zou misschien nog van de wal in 't slootje raken,
Je kunt maar beter houden wat je hebt.

 

Als je rustig zit te werken, hoor je opeens je vrouw's geluid:
"Man, wil je even kolen scheppen, laat je 't hondje even uit."
Vroeger had je zes paar schoenen, hoeden, boorden zonder hemd.
Nou krijg je eens per jaar een dasje als je jarig bent.
En al sjouw je, vindt je vrouw je toch een schriele vent.

 

Refrein 

 

Soms ga ik tegen schemerdonker, even stil naar boven toe.
Dan zie ik haar bij 't wiegje, dekt ze onze jongen toe.
'k Hoor de kleine vrolijk kraaien, met z'n armpjes om haar heen,
En ik sluip, met dwazige ogen, even stil weer heen.
'k Zit tevreden dan beneden, en ik denk alleen:

Daarom zou ik van niemand anders kunnen houwen,
Daarom zou ik met niemand anders willen trouwen.
Want iedere vrouw heeft toch haar nukken en haar vlagen,
En die verdragen, moet iedere man.
Je moet 't geluk toch altijd met z'n tweeën maken,
En bij een ander vind je 't ook niet opgeschept.
'k Zou voor geen goud dat tweetal kwijt ooit willen raken,
Ik ben gelukkig dat 'k ze bei'en heb.

 

Terug naar overzicht

En waarom zullen we treuren (Amsterdams Volkstoneel)

Als je het betalen soms vergeet, in de bajes, in de bajes

Ze zeggen dan dat zoiets stelen heet, in de bajes, in de bajes

Denkt een smeris dat je dronken bent, in de bajes, in de bajes

Roep je dan heel vriendelijk: "barst agent", in de bajes, in de bajes

 

Refrein:

En waarom zullen we treuren, want de bajes is zo groot

Van voren met twee deuren en van achter met een sloot

En waarom zullen we treuren, want de bajes is zo groot

Daar kan je niets gebeuren, daar kniest geen mens zich dood

 

Als je soms een dansje maakt op straat, in de bajes, in de bajes

Of te hard op iemands schouder slaat, in de bajes, in de bajes

Geef je soms een boom wat nattigheid, in de bajes, in de bajes

Want daarmee schend je dan de eerbaarheid, in de bajes, in de bajes

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Er hangt een paardenhoofdstel aan de muur

(tekst: Jo de Gast/muziek: Carson J. Robison/ uitvoering: Bill Kilima en The Singing Cowboys)

Er hangt een paardenhoofdstel aan de muur

En een zadel in een lege schuur

Je vraagt waarom 'k zo droevig tuur

't Is dat paardenhoofdstel aan de muur

 

'k Zie ook het ijzer wat ik daar op sloeg

't Is het ijzer wat mijn pony droeg

Een vale deken in de schuur

En een paardenhoofdstel aan de muur

 

Hij was mijn trouwe vriend en gids

We waren steeds bij elkaar

Vaak in de stille nacht

Ik sprak hem mijn vreugd en smart

Hij hief begrijpend zijn kop

Er is nu een lege plek in m'n hart

 

En zijn hoofdstel hangt nu aan de muur

En z'n zadel doelloos in de schuur

Ach vriend ik ben wat overstuur

't Is dat paardenhoofdstel aan de muur

 

Tekst:

Ik weet dat jullie denkt dat ik gek ben, maar ik schaam me niet voor m'n tranen. Als jullie ooit een vriend hadden gehad zoals ik, dan zou je weten waarom ik nu zo droef ben. Een vriend, luister maar eens: Hij maakte me eens wakker toen hij een lawaai op de prairie hoorde, hij wist heel goed wat dat betekende, een kudde dieren rende recht op ons af maar hij kwam snel naar me toe en redde m'n leven. Dat noem ik een vriend of niet?

 

En zijn hoofdstel hangt nu aan de muur

En zijn zadel doelloos in de schuur

Ach vriend ik ben wat overstuur

't Is dat paardenhoofdstel aan de muur

 

Terug naar overzicht

Er is een Amsterdammer dood gegaan

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Er is een Amsterdammer doodgegaan,
Hij zat gewoon in z’n café te kaarten.
Hij kreeg ’n glaasje bier van tante Sjaan
En hupsakee, hij gaf de pijp aan Maarten.
De dokter was gebeld, stond met de deurknop in z’n hand,
En tante Sjaan, die lag voor pampus in d’r ledikant.
De GGD, kent dat wel, wat was dat vlug gegaan,
En allemaal zo rond het zevenhonderd jaar bestaan.

 

Er is een Amsterdammer doodgegaan,
Hij stond gewoon z’n pierement te draaien,
Hij zong ’t lied ‘Bij ons in de Jordaan’,
En even later was hij naar de haaien.
De tram stond even stil, en iedereen die liep te hoop.
Heel even maar, ze moesten gauw weer naar de bioscoop.
Maar in ’t oog van ’t orgelvrouwtje blonk ’n dikke traan,
En allemaal zo rond het zevenhonderd jaar bestaan. 

 

Er is een Amsterdammer doodgegaan.
Hij liet z’n hondje plassen op de wallen.
Z’n rikketik was even blijven staan,
En kijk, hij was al uit de koets gevallen.
Daar lag ie in de regen, modder op z’n goeie pak,
Twee kaartjes voor Toon Hermans, had ie ook nog in z’n zak.
Hij was toch nog zo graag ’n avond naar Carré gegaan,
En allemaal zo rond het zevenhonderd jaar bestaan. 

 

Er is een Amsterdammer doodgegaan.
Die hoek is leeg daar in ’t stamcafeetje.
Wie soms nog aan ‘m denkt, is tante Sjaan,
Die mist ‘m ied’re dag nog wel ’n beetje.
Het pierement gaat door de straat, één is er niet meer bij,
En in Carré, bij Hermans, daar is ook ’n stoeltje vrij.
Je kunt er niet om heen, je moet er even stil bij staan,
En allemaal zo rond het zevenhonderd jaar bestaan.

 

Terug naar overzicht

Er is geen trouwer hart

(uitvoering:Joop de Knegt)

(met dank aan Jannie van 't Ende voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Er is geen trouwer hart

Dan een soldatenhart

En mijn soldatenhart

Behoort aan jou

Al ben ik ver van huis

Toch denk ik steeds aan thuis

Jij weet waarom

Omdat ik zoveel van je hou

Al ben ik ver van huis

Toch denk ik steeds aan thuis

Jij weet waarom

Omdat ik zoveel van je hou

 

 

Meisje er zijn van die tijden

Dat ik van jou ben gescheiden

Scheiden doet zeer maar ied're keer

Zien wij elkaar immers weer

 

Refrein

 

Straks zal het weerzien weer komen

En dan vervul ik jou dromen 

Dan kleine vrouw, trouw ik met jou

Droog dus je tranen maar gauw

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Er staat in mijn tuin
(gezongen door de broer van Jerry Bey)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Er staat in mijn tuin een graf met een steen

En daar rust een vriend, zo had ik er geen

Hij redde een kind, maar zelf ging hij heen

Er staat in mijn tuin een graf met een steen

 

't Was in een bange nacht

En buiten woei de wind

M'n huis stond fel in brand

En binnen lag mijn kind

Ik vocht, men hield mij vast

'k Werd gek van razernij

Geen mens kon hier meer redden

Maar toen goddank kwam hij

 

Refrein

 

Hij vloog de vuurzee in

Sleepte mijn kind er uit

Dat kind was ongedeerd

Maar hij gaf geen geluid

De vlammen hadden hem

Tot stervens toe verwond

'k Zie nog die laatste blik

Van m'n lieve trouwe hond

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Er waren twee aardige mensen

Versie 1

(met dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)

 

Er waren twee aardige mensen, nog zonder verstand maar gezond.

Die hielden zoveel van elkander, alsof er geen wetboek bestond.

Er waren twee aardige mensen, nog zonder verstand maar gezond.

Die hielden zoveel van elkander, alsof er geen wetboek bestond.

 

De een die studeerde voor dokter, pappa had de centen ervoor.

De ander verdiende haar broodje, als schrijfstertje op een kantoor.

De een die zat rijk in zijn kleren, droeg hemden en dassen van zij.

De ander had nauwelijks een hemd aan, maar toch was ze vrolijk en blij.

 

Hij wachtte haar 's avonds na achten, dan kwam ze van haar kantoor.

Dan vielen ze elkaar in de armen en gingen er zingend vandoor.

Dan kocht hij een ruikertje rozen, een doosje met zeep of wat reuk.

En eens gaf hij haar een verrassing, een olijke hoed met een deuk.

 

Toen werd het hoe langer hoe mooier, voor werken hadden ze geen tijd.

Hij was zijn schoolboeken verloren en zij was haar penhouder kwijt.

Toen huurden ze samen een kamer, omdat er geen uitkomst meer was.

Toen kregen ze samen een kindje en dat kwam nou net niet van pas.

 

Pappa die sprak: "Aap van een jongen, kom gauw bij dat schepsel vandaan

En geef haar een bankje van honderd, dan is er de zaak afgedaan."

Toen bleef zij alleen met haar kindje, geen mens die haar hielp in de nood.

Ze beefde van angst en van schande en maakte haar kindje toen dood.

 

Er waren twee aardige mensen, nog zonder verstand maar gezond.

Die hielden zo veel van elkander, alsof er geen wetboek bestond.

De een is gevestigd als dokter, en leidt nu een deftig bestaan.

De ander die zucht in een spinhuis, maar daar denkt nu niemand meer aan.

 

Versie 2

(J.H.Speenhoff - 1869-1945)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het waren twee aardige mensen die dachten van niemendal kwaad

Ze dachten alleen aan zichzelve, zoals dat gewoonlijk dan gaat

Het waren twee aardige mensen, nog zonder verstand en gezond

Die hielden zo veel van elkander alsof er geen wetboek bestond

 

De ene die leerde voor dokter, zijn vader had duiten ervoor

De andere zat voor haar broertje als schrijfstertje op een kantoor

De een zat rijk in zijn kleren, droeg vesten en kousen van zij

De ander had bijna geen hemd aan en toch was ze dapper en blij

 

Hij wachtte haar op tegen achten, dan had ze gedaan op kantoor

Ze sprongen elkaar in de armen en gingen er zingend vandoor

Dan kreeg ze een ruikertje rozen, een doosje met zeep of met reuk

En eens gaf hij haar als verrassing een grappige hoed met een deuk

 

Zo werd het hoe langer hoe mooier, ze hadden voor werken geen tijd

Haar penhouder had ze vergeten en hij was zijn leerboeken kwijt

Toen huurden ze ergens een kamer, omdat er geen uitkomst meer was

Daar kregen ze samen een kindje en dat kwam volstrekt niet van pas

 

De vader riep aap van een jongen, ga gauw bij deat schepsel vandaan

En geef een bankje van honderd, dan is er de zaak mee gedaan

Toen bleef ze alleen met haar kindje, geen mens die haar hielp in de nood

Ze beefde van angst en van schande en maakte haar kindje toen dood

 

Het waren twee aardige mensen, nog zonder verstand en gezond

Die hielden zo veel van elkander alsof er geen schande bestond

De een is gevestigd als dokter en werkt voor een deftig bestaan

De andere zucht in het spinhuis en daar denkt nou niemand meer aan...

 

Terug naar overzicht