SeniorPlaza

Uit (groot)moeders tijd

De schele

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

O, meisjes, luister wat ik zeg

En neemt geen schele man

Je hebt je heele leven niks

Dan narigheid er van

Al is ie nog zoo'n goeie sul,

Je bent altijd genept

Hij blijft een rebus-mensch

Je weet nooit wat je aan hem hebt.

 

Refrein:

Begint me te vervelen,

We hebben altijd ruzie met elkander.

Die schele,

Begint me te vervelen.

't Is altijd kibbelarij

Want kijkt die vent naar mij

Dan denk ik altijd, hij kijkt naar een ander.

 

Een schele is een raar product

Dat is geen echte man.

Een schele kijkt altijd alsof

Het hem niks schelen kan,

Wanneer die schele met me praat

Wor'k akelig en stug.

Met een oog kijkt die in je snuit

Met 't ander in je rug.

 

Refrein: 

Een man met rechte oogen is

Met recht een paradijs,

Maar uit zijn schele toet wordt je

Je leven lang niet wijs.

Zoo'n schele kijkt altijd heel

Anders dan een mensch verwacht.

Mijn kop er af ik weet nooit,

Of ie huilt of dat ie lacht.

 

Terug naar overzicht

De schildwacht

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ver van huis en ver van vrouw en kinderen
Sta ik hier op voorpost aan de grens
In gedachten toef ik in mijn woning
Thuis te zijn dat is mijn liefste wensch
Ach mocht de vrede spoedig komen
Kwam er een einde aan al 't geweld
God weet hoe 't in mijn kleine woning
Op dit oogenblik wel is gesteld

Refrein:
Vrede, o lieve vrede, keer spoedig tot ons weer
Heerlijke tijd van welvaart verlaat ons dan niet meer
't Denken aan vrouw en kinderen doet mij 't hart zoo zeer
Vrede, o lieve vrede, keer spoedig tot ons weer

In de avond komen de gedachten
Doemt de herinnering op aan eigen haard
En ik bid met angstig kloppend harte
Dat God ons voor oorlogsramp bewaart
Denkt aan hoeveel jonge mannen
Uit hun werk gerukt zijn door den strijd
Denkt eens hoe menig arme moeder
Door den oorlog om haar jongen lijdt

Refrein

Heel Europa staat in vuur en vlammen
Heel Europa zucht in diepe rouw
Heel Europa ziet zijn kinderen strijden
Alsof strijd verlossing brengen zou
Als ik hier op post sta aan de grenzen
Denk ik aan mijn vrouw en aan mijn kind
't Zou toch mij ook kunnen overkomen
Dat ik mijn schatten nimmer wedervindt

Refrein

Terug naar overzicht

De schoentjes van kleine Johan

(met dank aan Carola voor het sturen van de tekst)

Johan was een echt proletariërs kind

Zoo ziekjes, zoo zwakjes, zoo teertjes

Met oogjes zoo droevig, zoo flets en zoo flauw

Aan lijfje meer vodden dan kleertjes

Zijn vader moest elken dag naar de fabriek

Z'n moe ging uit werken bij menschen

Maar al leefde hij ook in armoe en ellend'

Toch had kleine Jantje zijn wenschen

 

Hij liep steeds op klompjes, de Zondags zou hij

Op schoentjes zoo graag willen loopen

En vader die 't wist, spaarde maandenlang geld

Om schoentjes voor Jantje te koopen

Toen Jantje verjaarde, gaf pa hem de som

Jan was z'n ellende vergeten

Hij snelt naar den winkel en laat zich 'n geluk

'n Paar keurige schoentjes aanmeten

 

Zoo huppelt Jan huiswaarts, z'n schoentjes omklemd

Hij hoort niets, hij ziet niets, wat wonder

Hij loopt in de tramrails, daar nadert de tram

Een gil ! Kleine Jan ligt er onder

Een ongeluk gebeurt, ziet een ieder snelt toe

Een kind onder de tram gekomen

Daar ligt kleine Jantje bebloed en daarnaast

Zijn schoentjes, het ideaal zijner droomen

 

In het Gasthuis staan vader en moeder bij 't bed

Ze komen naar Jan informeeren

Ze hooren: ,,Uw jongen, hij betert nog wel

Maar zijn voetjes moesten wij amputeeren !"

,,O God" kreunt de moeder en liefkoost het kind

Zoo teertjes - zoo liefjes - zoo zoetjes

,,Je schoenen mijn jongen - ja die heb je nu

Maar lieveling, nu heb je geen voetjes."

 

Terug naar overzicht

 

De schooiertjes

(met dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst)

Koude, gure wintervlagen,

Regen, sneeuw en hagelbui.

Zus en broertje kijken samen,

Naar 't gedoe der rijke lui.

 

Dame stapt er uit haar rijtuig,

Veel parfum en heel dik bont.

In haar arm, heel warm gekoesterd,

Kleine aangeklede hond.

 

Zijden dekje op zijn rugje,

Lekker in een wollen doek.

"Kijk", zegt zus en trekt haar broertje,

Rillend aan zijn dunne broek.

 

Winkeljuffrouw houdt een koekje

Vleiend voor de lieve hond.

Eerst wordt het weifelend aangenomen,

Dan valt het kruimelend op de grond.

 

"Hé", zegt zus, "ik wou dat ik was zo'n dame,

Zo rijk, zo chique, zo fijn."

"Ja", sprak broer bibberend van de koude,

Mag ik dan je hondje zijn ?"

 

Terug naar overzicht

De slapende schildwacht

(Wijs: Behüt dich Gott)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

't Is nacht - daar is het heldere stergeflonker.

Staat hij op post, de jeugdige soldaat,

Zijn oog doorvorst het onheilspellend donker,

Zijn brein is vol van list en van verraad.

Hij denkt aan huis, want nog zo kort geleden,

Tevreê, gelukkig bij zijn ouderenpaar;

En nu, helaas, ligt alles in 't verleden.

Hij moest ten krijg; wat viel het scheiden zwaar.

En nu, helaas, ligt alles in 't verleden.

Hij moest ten krijg; wat viel het scheiden zwaar.

 

 

Ontmoedigd zet hij op 't gras zich neder,

Vermoeid sluit hij het natbetraande oog;

Een zoete droom herhaalt hem alles weder,

Een dankbare beê stijgt uit zijn hart omhoog.

Zijn moeder blikt hem o, zo lieflijk tegen,

En roept hem toe: "Mijn zoon, doe steeds je plicht !"

En flink soldaat is 't Vaderland ten zegen,

Hij ziet zijn bruid, het engelreine wicht.

En flink soldaat is 't Vaderland ten zegen,

Hij ziet zijn bruid, het engelreine wicht.

 

 

 

Maar eensklaps wordt hij uit het zalig dromen

Gewekt, toen men op post hem slapend vond;

Geboeid, door eigen makkers meegenomen,

En voor den krijgsraad bracht men hem terstond.

"De kogel !" 't klonk zo pijnlijk hem in d' oren,

"Uw slapen bracht ons allen in gevaar;

De dood ! geen ander lot is u beschoren,

Kom voert hem weg, hij krijgt zijn loon, voorwaar.

De dood ! geen ander lot is u beschoren,

Kom voert hem weg, hij krijgt zijn loon, voorwaar."

 

 

De tijd is daar - de handen saamgebonden,

Geblinddoekt, plaats men hem nu voor 't front;

De kogels vliegen uit een tiental monden,

Doorschoten valt hij neder op de grond.

Zijn laatste woord is: "Leef gelukkig, moeder,

Uw zoon ziet gij op aarde nimmermeer !

Lief bruidje, boven bij de Albehoeder,

Ontmoeten wij elkander eenmaal weer !

Lief bruidje, boven bij de Albehoeder,

Ontmoeten wij elkander eenmaal weer !"

 

Terug naar overzicht

De smokkelaar

(tekst: Jaap Valkhof/muziek: J.Hoes/uitvoering: Twee Jantejs en ook Het Holland Duo)

Refrein:

Hij was 'n smokkelaar

Die diep in de nacht

Steeds weer z'n smokkelwaar

De grens over bracht

Klein was 't smokkelloon

En groot 't gevaar

Zo is het leven van 'n smokkelaar

 

Een jonge, blonde grenskommies deed trouw z'n plicht als mens

Straks trouwde hij met Annelies, de liefste van de grens

Toch was er nog 'n groot gevaar, hij heeft 't nooit ontkend

Haar vader stond al jarenlang als smokkelaar bekend

 

Refrein

 

En op 'n bange winternacht is 't opeens geschied

Hij zag 'n bende smokkelaars en riep: "Halt, of ik schiet!"

'n Smokkelaar sloeg op de vlucht, hij schoot en wat was dat

Zwaargewond lag op de grond de vader van z'n schat

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De sneeuwwitte boezem

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

En haar sneeuwwitte boezem was nauwelijks bedekt

En haar sneeuwwitte boezem was nauwelijks bedekt

 

Een papa en ’n ma zaten Alie achterna,

Maar ze konden hun dochter niet vinden.

Die zocht krokusjes voor haar beminde.

Het werd laat, pa werd kwaad

En mamaatje wist geen raad.

In de nacht kwam ze thuis met een blos,

Oh, ’t was toch zo mooi in het bos.

 

En haar sneeuwwitte boezem was nauwelijks bedekt

En haar sneeuwwitte boezem was nauwelijks bedekt

 

Blonde Sjaan had een baan,

De familie stond haar aan.

Als mevrouw was verzonken in dromen,

Kwam meneer steeds met haar nog wat bomen.

Maar al snel, kwam een rel,

Ma ging kijken bij het stel.

Pa werd witter nog dan zijn manchet.

Sjaan zat op de rand van zijn bed.

 

Instrumentaal

 

Carolien, tweemaal tien,

Heus een schatje om te zien,

Had haar ouders en dorpje verlaten,

Voor de stad met z’n prachtige straten.

Toen dacht ma, kom ik ga,

Haar bezoeken met papa.

Oh, wat woonde hun dochter voornaam,

Ze zat als prinses voor ’t raam.

 

En haar sneeuwwitte boezem was nauwelijks bedekt

En haar sneeuwwitte boezem was nauwelijks bedekt

 

Terug naar overzicht

De spiegelkast

(met dank aan Staaf Baetens voor het sturen van de tekst)

En de paster van ons prochie heeft een spiegelkast gekocht

Om zijn kleren in te hangen werd ze rap naar huis gebrocht.

Onze goede trouwe herder was daar zo van aangedaan

Dat hij 't seffens ging vertellen aan zijn vriend de kapelaan.

 

Refrein:

Tsjoelaliere, tsjoelaliere, tsjoelaliere. tsjoelala,

Tsjoelaliere, tsjoelaliere, tsjoelaliere. tsjoelala.

 

Ook gelijk elk andere paster had hij ene frisse meid

Om zijn kandelaars te schuren voor zijn zielezaligheid

En 't kapelleken 't onderhouden met het heilig watervat,

Maar ze had een grote zwere op de kaka van haar gat

 

Na 't vertrek van hare meester was zij gans alleen in huis,

Spoedig sloop zij dan naar boven, ja zo stil als ene muis.

z' Heeft haar kleren afgeschoten tot haar hemd lag op de grond,

Om eens spoedig te gaan kijken hoe het met de zwere stond.

 

Binst dat zij daar was aan 't kijken in de spiegel van de kast,

Om eens goed te visenteren hoe het met de zwere stond.

Maar plots hoorde zij twee mannen en daar op dezelfde stond,

Hoorde stappen op de trappen en ze stond in haar blote kont.

 

Spoedig heeft zij iets gevonden om haar 't helpen uit de nood,

Zij is in de kast gesprongen en daar stond z'als Eva bloot

En daar kwam de goede herder met zijn vriend de kapelaan,

Die daar toch zo wreed nieuwsgierig voor de spiegelkast bleef staan.

 

Ja da meub'l is schoon en prachtig en de kop is echt massief

En ik zeg het u waarachtig 't is voorwaar een schoon gerief.

Ja ik zou wel willen wedden dat het duizend franken kost,

Ofwel hebt gij een zieleken uit het vagevuur verlost.

 

Ja da meub'l is schoon en prachtig dat is iets wat ik wel wist,

Maar ik zou toch willen weten wat zit in die klerenkist.

Doe maar open sprak de herder tot zijn vriend de kapelaan,

't Zijn mijn dagelijkse gebruiken voor da'k 's avonds slapen ga.

 

Krik krak krik krak deed het deurtje en och god wie stond er daar,

Hola lachte 't kapelaantje da's een schoon gebruik voorwaar.

En in gramschap riep de herder, wel Marianne wat is dat ?

Wel mijnhere kwam eens kijken naar de zwere op mijn gat.

 

De moraal van dees historie, paster koopt zo nooit een kast,

Want uw meisen kleed heur uit op 't moment dat 't u niet past.

En laat nooit geen vreemden kijken wat op uw slaapkamer staat,

Laat ze raden in hoeverre gij gelooft in 't celibaat.

 

Terug naar overzicht

De spoorwegramp

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Ziet ge aan het huisje der spoorwegbaan

Daar die wisselwachter staan

Hij is een man die vol vlijt

Hart en ziel aan den arbeid wijdt

Neen zijn taak is niet zwaar

Maar ontzaglijk vol gevaar

Ene kleine onoplettendheid

Kost veel mensenlevens welk een spijt

 

Daar klinkt nu juist een signaal

Twee sneltreinen die komen aan

En daar klinkt de tweede bel

Van zijn toestel

Twee treinen die in aantocht zijn

Hij schikt ze elk op hun lijn

Zo heeft hij met een vast gedacht

Zijne plicht volbracht

 

Ginds in de verte ontwaarde hij

't Monster dat komt naderbij

Hij hoort het gegrol en gezucht

Ziet de rookzuil in de lucht

Maar op dienzelfden stond

Zeeg hij schier van schrik ten grond

Zijn kindje een vijfjarige klein

Speelde op de spoorweglijn

 

Hij uitte een pijnlijke kreet

Die door merg en beenderen sneed

Zijn kind ter redding in de daad

Was het te laat

Hij dacht aan zijn plicht niet meer

En rukte den hefboom neer

En zuchtend rolde de trein

Op een andere lijn

 

Dan snelde hij gans ontzind

Naar zijn niets beseffend kind

Dat rustig en ongestoord

Op de spoorbaan speelde voort

Lachend en wenend tegelijk

Bibberend bleek als een lijk

Vluchtte hij met zijn kindje teer

Naar zijn spoorweghuisje weer

 

Plots klonk er een gekraak

Een huilend mensengeslaak

De spoorwegramp was nu volbracht

Met ijzingwekkende kracht

En hij tuurde met een droevig gevoel

Naar den vuurpoel

 

Kort nadien was het tribunaal

In een ruime rechterszaal

Sprak de vader ter verdediging

Ik deed het voor mijn lieveling

Maar sprak de rechter gij moet

Zelfs uw eigen vlees en bloed

Opofferen voor uwe plicht

Gij zijt schuldig en strafbaar daarbij

 

Twintig jaren tuchthuisstraf

Kreeg die vader zo braaf

Twee rijkaards werden gedood

De ramp was groot

Nu knalt het oorlogsvuur

Mensenlevens uur na uur

Niemand die daar ooit gewis

Strafbaar voor is

 

Terug naar overzicht

De spoorwegstaking

(Albert Bol)

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Reeds lang had ik mijn vrouw beloofd naar Amsterdam te gaan

Zo'n belofte die maakt schuld en dient eindelijk vervuld

Zoo brak dan na lang wachten toch de blijde morgen aan

En omdat ik er nu niet meer buiten kon

Ging ik in 's hemelsnaam op weg naar het station

En heel rustig en tevrêe, zoo liepen de kindertjes ook mee

Jantje, Keesje, Aal en Nel (net zo'n landverhuizersstel)

Boven op mijn arme nek, daar hing onze kleine lieveling

Achteraan mijn vrouw, mijn Liesje, met het kanabiesje

 

Zoo kwamen wij dan aan 't station, ik daad'lijk naar 't loket

"Derde Amsterdam, meneer! Zes retours voor heen en weer"

De kaartjesman zei: Beste vriend, ga jij maar weer naar bed!

Zie maar dat je een volgend keer het reisje maakt

Want vandaag heeft overal de spoor gestaakt."

Ik zei: "Potverdrie, da's lam! Voor éénmaal wil ik naar Amsterdam

Ik sta met al mijn kindjes hier, zelfs het kleinste mormeldier

Ik heb mijn gansche lieve leven door, nooit gezeten in het spoor

En nu ik een reisje wil gaan maken, gaan ze staken."

 

Ze leenden ons geen lookmotief, en ik riep den inspecteur

D' inspecteur zei: "Hm, hm, hm" en de chef zei: "Hm, hm, hm! O zoo!"

Ik denk nou ga 'k het maar 's vragen op 't bureau.

Toen ik op het bureau aankwam en vroeg: "Kan ik nog naar Amsterdam?"

Zeiden ze allen: "Hm, hm, hm!" Toen zei ik: "Hm, hm, hm!"

't Heele personeel was stom, ik zei: "Ik kom later wel weerom

dan ga ik het reisje maken, als ze niet meer staken."

 

Terug naar overzicht

De stad waar ik eens ben geboren

(tekst/muziek: Aad Klaris)

Al is er ook heel wat veranderd
De mensen bleven gelijk
Al heb ik nog een laatste stuiver
Ik voel me hier elke dag rijk
Waar vind je in hetzelfde kroegie
Een Noor, een Chinees en een Griek
Waar zit Frans van Schaik in de jukebox
Waar hoor je de mooiste muziek

Refrein:
Rotterdam, Rotterdam
De stad waar ik eens ben geboren
Rotterdam, Rotterdam
Jij blijft me nog altijd bekoren
Rotterdam, Rotterdam
Voor jou zal mijn hart altijd slaan
Rotterdam, Rotterdam
Bij jou ga ik nooit meer vandaan

Je vindt op de markt voor twee knaken
Een jas of een jofele plaat
Je eet in De Pijp voor een geeltje
Maar humor ligt gratis op straat
Waar drink je, als in Tropicana
Je borreltje bloot aan de Maas
Wie een keertje vaart door de havens
Die gaat heel z'n leven voor gaas

Refrein

Terug naar overzicht

De "Stengun walk"

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Oorlogstijd, narigheid,

Stil verzet, opgelet !

Vliegend over stad en dorpen,

Wapen uitgeworpen.

"Dropping ploeg", kreeg genoeg,

Holland vrij ! Ieder blij;

En heel het Nederlandse volk,

Danst nu de "Sten Gun Walk".

 

Refrein:

Hold your sten! Pas op je tellen !

Hold your sten ! Tred niet versnellen !

Als je een beweging ziet......

Vinger aan de trekker: "Sta of ik schiet !"

Kijk goed uit, wees op je hoede,

Kijk goed uit, moet je vermoeden;

Dat je een beweging ziet..........

Vinger aan de trekker: "Sta of ik schiet !"

Er is geen vijand in de buurt,

Kom waag dus gauw een kans.

Heden wordt er niet gevuurd,

Dans nu de "Sten Gun"-dans;

STOP

Hold your sten ! Pas op je tellen !

Hold your sten ! Tred niet versnellen !

Als je een beweging ziet......

Vinger aan de trekker: "Sta of ik schiet !"

 

Terug naar overzicht

De stiefmoeder

(die haar 18 jarige stiefzoom 10 jaar heeft opgesloten op de 3e verdieping Over Amstelstraat 10 te Amsterdam)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Het wreedste op aarde, wat een moeder vermag,

Wordt ons hier zoo droevig bewezen.

Zoo een tiran, welk ooit het leven aanzag,

Heeft ons weer in kranten doen lezen.

Hoe dat er een beestwijf zoo wreed kan bestaan.,

Door al haar gruwelen ontspringt U een traan.

Want onmenschelijker vindt men er niet één,

Dan deze Stiefmoeder, Stiefmoeder alleen.

 

Een jongen van ruim 18 jaren oud,

Werdt door haar steeds opgesloten;

In een alcoof zonder licht en benauwd,

En door 't vuil als 't ware overgoten;

En vuil en in drek, een hok voor een zwijn,

Zijn haren tot de schouders in 't volste onrein,

Toen de agenten hen vonden spraken zij metéén,

"Neen vuiler en viezer vindt men er niet een".

 

Toen de arme jongen in het volle daglicht kwam,

Viel hij machteloos ter neder.

Zoodat men hem toen in een brancard opnam,

Zijne krachten kwamen niet weder.

Zijn oogen loerden steeds in het rond,

Uit vrees voor zijn moeder of zij daar ook stond.

Want groter tiran was er niet één,

Dan die ontaarde Stiefmoeder alleen.

 

En toen dan dat monster op straat verscheen,

Om voor de Rechters te verklaren,

Toen vocht als 't ware 't volk om haar heen,

Om na 't lynschen eerst te bedaren.

Want ieder, die daar het geval vernam,

Die verwenschte dat wijf, of werd er zeer gram,

Want nergens op aarde vindt men er niet één,

Ja zoo een Stiefmoeder is er maar één.

 

Terug naar overzicht

De stoel met de bloemen van blauw

(Clinge Doorenbos)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Pa had het de kleintjes verteld al,

Ze zeiden 't elkander zacht na,

Nu moedertje nooit bij hen terug kwam,

Nu kregen ze een andere ma.

 

Dat moedertje nu was gestorven,

Begrepen die drie niet zo gauw,

Haar stoel stond precies op zijn plaats nog,

Die stoel met die bloemen van blauw.

 

Op zekere dag kwam die moeder,

De kindertjes keken haar aan,

Ze gaven haar netjes een handje,

In vader zijn oog blonk een traan.

 

Men zette zich rondom de tafel,

En Jantje van vier zei: "mevrouw,

Die stoel daar is van ons moeke,

Die stoel met die bloemen van blauw."

 

Begrijpend dat teer kinderzieltje,

Liet zij moeders stoel ledig staan,

Zo zijn er eerst dagen toen weken,

Toen maanden voorbij nog gegaan.

 

Op zekere dag kwam de kleinste,

Die pakte haar mee aan haar mouw,

En 's avonds zag vader er vier in,

In die stoel met die bloemen van blauw.

 

Terug naar overzicht

De stommeling

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Heeft men het heden goed, volgt somtijds tegenspoed.

Heeft men dikwijls verdriet, glorie vreugde in 't verschiet.

Daarom ik blijf er bij, beschaving maakt ons vrij.

Hij die het beste scherpt zijn brein, reist met de eerste trein,

Want menig domme strop, die niets heeft in zijn kop,

En zich heel wat verbeelen die noemt men onverheelen,

O wat een stommeling.

 

Een lieve aardige meid die met een werkman vrijd,

Maar in het huis waar zij dient, komt een luitenant tot vriend,

Zij denkt jong wat een eer de vrouw van zoo'n mijnheer,

En schrijft de jongeling af, die zij het jawoord gaf.

Maar 't regiment gaat heen, haar vreugde verandert in geween,

Want zij krijgt van de officier een aardig souvenir,

O wat een stommeling.

 

Een oude rentenier, hij woonde laatst nog hier,

Zond zonder aarzelen zijn vrouw naar Scheveningen.

Opdat zijn jonge vrouw niets overkomen zou,

Zend hij een huisarts mee, die voelt zich zeer tevree.

De rentenier, hoe dom, telt zich de vingers krom,

Aan 't geld wat hij ook naar 't Scheveningen zenden kan,

O wat een stommeling.

 

Een zeer reumatieke heer, trouwt voor de derde keer,

Een ieder zegt hoe gou, die vrouw is te jong voor jou.

Hij zegt och praat maar toe, ik weet wel wat ik doe.

En zie nog binnen 't jaar vermeerdert het oud'ren paar.

De baker zegt dan licht, dat kind is uw gezicht,

En hij o ja, o ja, ik ben wel de papa.

O wat een stommeling.

 

Hoe men in de oude tijd een jongeling heeft gevleid,

Door Potifar zijn vrouw die Jozef hebben wou,

Zij sprak mijn beste vriend ik wil dat gij mij dient,

Breng mij iederen morgen thee, ik ben steeds in mijn neglicé.

De thee werd haar gebracht en eer hij er aan dacht,

Schoot haar neglicétje af, hij vluchtte op een draf.

O wat een stommeling.

 

Laatst zocht een jongeling op 't bal een aardig ding,

Een meisje lief en rein, met oogjes blauw en klein,

Als hij zich stelt voor, fluistert zij hem in 't oor:

"Ach lieve beste mijnheer, ik wou dat je mij tracteer",

Die jongeling zegt "hoe lief, is toch die hartedief.

Hoe braaf is zij en trouw, die neem ik tot mijn vrouw."

O wat een stommeling.

 

Terug naar overzicht

De stoute ooievaar

(1926 Duo Hofmann)

(met dank aan Inez voor het sturen van de teksts

De natuur is streng rechtvaardig

Al zijn tijd komt eigenaardig

Ieder plantje mens en diertje heeft een taak

Honden laten zich dresseren

Katten moeten muizen weren

En de beren plagen ons maar al te vaak

En wijzelf zijn marionetten

Buigen  ons voor hoog’re wetten

De een heeft armoe de ander leeft in praal en pracht

Mensen helpt geen lamenteren  

Of je ook gaat reclameren

Bij hem die ons op aarde heeft gebracht

 

Dat is dus tante ooievaar die kent toch iedereen

Die brengt de baby’s en hij bijt de meisjes in hun been

Vaak brengt die tante ooievaar ons in verlegenheid

Als hij zo’n kleine hummes brengt een beetje voor zijn tijd

Papaaaa mamaaaa zet de beschuit met muisjes klaar

Papaaaa mamaaaa daar komt de ooievaar

 

Jonge meisjes zijn als bloemen

Waarom mannen bijtjes zoemen

Om de honing van een lentefris gevoel

Jonge bloempjes zijn volmondig

En een kus is zoet maar zondig

Maar de jeugd is meestal blind voor het fatsoen

Anders zou ’t zo’n plicht  niet wezen

Als ’t gevaar niet was te vrezen

Als het maar niet verder dan een kusje ging

Laat het meisje rustig gonzen  

Met verliefde hartje bonzen

Maar een kind nee wacht er is een lelijk ding

 

Dat is dus tante ooievaar die kent toch iedereen

Die brengt de baby’s en hij bijt de meisjes in hun been

Vaak brengt die tante ooievaar ons in verlegenheid

Als hij zo’n kleine hummes brengt een beetje voor zijn tijd

Papaaaa mamaaaa zet de beschuit met muisjes klaar

Papaaaa mamaaaa daar komt de ooievaar

 

Terug naar overzicht

De sukkelaar

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Van smart ben ik nog reeds geboren

En ongeluk trof mijn bestaan.

Het noodlot had mij meegenomen,

Verwoest was mij levensbaan.

Ik was met twee armen geboren,

Ik zeg het vrij aan het publiek,

Maar nu heb ik een arm verloren,

Aan het machien op het fabriek.

 

Referin:

Wie kan deez' dan wedergeven,

Niemand heeft daarvoor de macht.

En treurig is mijn armzalig leven,

Ik ben er voor eeuwig bekracht.

Als bedelaar moet ik nu zwerven,

Als sukkelaar sterven.

 

Ik had den ouderdom van dertien jaren,

Als ik ging werken op het fabriek.

Het was voor mijn moeder om haar te sparen,

En ik ging staan aan het mechaniek.

En toen had 'k nog mijn twee armen,

Gelijk den beste ambachtsman

En smeek het nu met mijn erbarmen,

Ik ben een arme sukkelaar.

 

Refrein

 

Op zekeren dag werd ik genomen,

Werd ik gepakt een meegesleurd.

Toen men de noodschreeuw had vernomen,

Het was te laat, het was gebeurt.

Mijn moeder hoord' het spoedig zeggen,

Zij viel ter aarde en verdriet was groot,

Zij kwam haar hoofd neer te leggen,

En drie weken later was zij dood.

 

Refrein

 

Toen heb ik het hospitaal verlaten,

En gansch mijn licham was verminkt.

En nu moet ik van de aalmoezen leven

En dat doet mij een groote pijn,

Het beste die mij nog kan geven,

Is gauw bij mijne moeder zijn.

 

Refrein

 

Nu zal ik niet langer meer leven,

Gedaan is mijn pijn en smart.

Hoe ellendig is mijn treurig leven,

Ik ben nu voor eeuwig verkracht.

Als bedelaar moet ik nu zwerven,

En als sukkel sterven.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De tamboer

(tekst en muziek: J. Barts)

(Succes van Wim Poppink en gespeeld door The Ramblers

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Bij onze compagnie is een tamboer gekomen:

We dachten allemaal: "Wat is dat voor een slome",

Maar toen hij op een morgen een beetje was gaan slaan,

Keek ieder die er langs kwam hem stomverwonderd aan:

 

Refrein:

De tamboer van onze compagnie

Is de drummer van een dansorkest.

De tamboer van onze compagnie,

Maakt de stemming bij ons opperbest.

Op mars slaat hij de blaren op de vlucht,

Z'n vrolijk lied is nimmer van de lucht.

't Is in 't hele leger al bekend:

Onze tamboer is de drummer van een band.

 

 

De hoornblazer had een harde noot te kraken,

Hij was vaak uit de maat en wilde eerst gaan staken.

Maar steeds ging het wat beter en ieder is het eens

Hij blaast nu de reveille, precies als Harry James:

 

Refrein

 

Het spel van de tamboer die goochelt met zijn stokken,

Bracht heel de compagnie, in geen tijd van de sokken.

En het soldatenleven zoals dat vroeger ging,

Is plotseling veranderd, we doen het nu in swing.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De Titanic

Het allergrootste schip van deze aard,

Zou de Oceaan oversteken,

De Titanic, zoveel miljoenen waard,

Was onzinkbaar, kon niet breken.

Men ging aan boord, maakte zich niet bang,

Want niemand dacht aan zijn ondergang.

De Titanic, dit drijvende paleis,

Die zou vergaan al op zijn eerste reis.

 

De Zondag was voorbij, 't was middernacht,

Men was voldaan gaan slapen,

De uitkijk op zijn post, hij hield de wacht,

Hij denkt aan vrouw en knapen.

Opeens een schok, door een berg van ijs,

Het schip is nu der golven spijs.

De Titanic, zo onzinkbaar als zij was,

Zinkt spoedig weg in die grote waterplas.

 

De reddingsboten dalen spoedig neer,

Men ziet het schip verdwijnen,

En vol ontzetting loopt men heen en weer,

De telegrafist geeft seinen.

Achthonderd zijn er slechts gered,

De rest rust in der golven bed.

De heldenmoed die hier nu is vertoond,

Vergeten nooit, die 't hebben bijgewoond.

 

Een spreekwoord zegt: als 't kalf verdronken is,

Gaat men de put pas dempen,

Zo gaat men hier, dat is zeker en gewis,

Op de directie schempen.

Ik roep hier toe aan groot en klein,

De waarheid ligt in het refrein:

Men had van zoveel doden niet gehoord,

Als er veertig sloepen waren geweest aan boord.

 

Terug naar overzicht

De Transvaalsche boeren

(oorlogslijden)

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

In 't verre Transvaal, in Zuid-Afrika's land

Was een hevige strijd voor de vrijheid ontbrand,

Voor 't vaderland streed men, voor vrijheid en recht,

Liever dood was de leuze, dan slaaf of knecht.

 

Zelfs jeugdige knapen, zij melden zich aan,

Om mee met de dapperen te strijden te gaan,

Het zijn er de jongens van 't boerenbloed,

Het heldere oog vol lustigen moed.

 

Mijn Pieter, je bent nog pas dertien jaar,

Uwe moeder vreest wis voor haar lieveling gevaar,

En wie toch beschermt haar als ze thuis blijft alleen,

Uwe broeders zijn allen naar 't legerkamp heen.

 

Maar vader, niet meegaan, dat is toch een kruis,

Zuster Leentje blijft immers bij moeder tehuis.

Gij weet hoe zij raakt, zoo dikwijls zij schiet,

Als zij hier blijft, dan roeren de kaffers zich niet.

 

Terug naar overzicht

De trein

(Ernest Groeneveld)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Op 't perron van 't station

Gaan de mensen heen en weer

Een gesjouw, alles gauw

Smijt die pakjes daar maar neer

Komt ie an zwarte Jan

Is geen houden haast meer an

Stuift ie door over 't spoor

Of ie niet meer stoppen kan

Met een sis en een kris

Kraken remmen ruw doorheen

Met een puf staat ie paf

Nu te hijgen als niet een

Het portier als op kier

Hoor je open slaan en dicht

Een gedrang van belang

Jongens wat een mal gezicht

En de chef roept met lef

Ben je klaar daar achteraan

Dan een fluit schel geluid

Kijk ie nou bedaardjes gaan

Met een zucht zo beducht

Maakt ie langzaam een begin

Maar alras zet ie spat

Komt de gang er alweer in

Met zijn damp en gestamp

Gaat ie almaar almaar vort

En vertelt met geweld

Hoe ie snuivend verder snort

Heg en steg op de weg

Schieten schichtig heen en weer

Lijk een draad dat daar gaat

In een zig zag op en neer

Kijk nou vlug bij die brug

Neen kom hier aan deze zij

Woont ome Piet zie je 't niet

Rrrrits nou is ie er al voorbij

En zo voort en zo voort

Dat is alles wat je hoort

En ie raast en ie daast

Of ie zich aan niemand stoort

Maar gewis met een sis

Staat ie toch weer eenmaal stil

En gered ben je net

Tijdig waar je wezen wil

 

(het vreemde aan dit liedje is dat, als volgens de tekst de trein trager gaat rijden, ook het zangtempo vertraagt en als hij weer vertrekt en sneller en sneller gaat rijden gaat ook het zangtempo weer mee omhoog)

 

Terug naar overzicht

De trooster

(Eduard Jacobs 1868-1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

'n Ziekentrooster was gestorven
Zoals dat met elk mens geschiedt
Hij had 't beste deel verworven
Maar d'arme weeuw zat in 't verdriet !
Ze vond zich eenzaam en verlaten
Geen troost van vreemden kon haar baten
De ware trooster was er niet !

Wel poogden vrienden en vriendinnen
Haar hart weer voor de vreugd' te winnen
Wel sprak men steeds: "Vergeet je lot
Je man was van omhoog gegeven
'n Hoger macht nam weer z'n leven
Berust dus in de wil van God !"

"Nee", sprak ze, "ik kan hem niet vergeten
Onmoog'lijk, alles wat m'omringt
En telkens me weer in d'ogen springt
Doet mij 't verlies te smart'lijk weten !
Daar ligt nu z'n beste zwarte rok
Daar staat z'n bruine wandelstok
(Och, 't hart wordt me vaneen gereten)
Die 'k hem gaf, toen 'k was zijn bruid !
Daar hangt", en haar gemoed schoot volder
"Daar hangt z'n broek nog van de zolder
Maar ach ! de trooster is d'r uit"

 

Terug naar overzicht

De Uitspraak van het gerecht

Lionel Bauwens Eklo - 1929

(Wijze: Les bateliers de la Volga)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

1.
Hoerah ! dat is de vlaamsche kreet.
Beernem met al zijn leed
Is nu gered.
De moordenaars der wreede daad
Heeft men voor al hun kwaad
Terecht gezet.

      Refrein :
Wie zal er nu nog vreezen,
Het is toch klaar bewezen
Dat zij als wreede barbaren bij nacht
Hebben Hector van het leven gebracht.
Gedaan met al uw liegen,
't Gerecht willen bedriegen;
Al waart gij nog op de wereld zoo rijk,
De wet is voor alle Belgen gelijk.

2.
Wij hebben binst het onderzoek
Gezocht langs kant en hoek
Naar zin en woord.
Maar zie, de ware plichtigheid
Bleef toch bij u altijd.
Hebt gij geen spijt ?

3.
Een vreugdekreet in moeders woon
Die haren braven zoon
Zag henen gaan.
Al was hun straffe nog zoo klein,
De waarheid moet in schijn
Toch eerlijk zijn.

4.
En in de cel van het gevang
Dien tijd duurt toch zoo lang;
Maar 't is te laat !
Gij hebt gemoord en dat is klaar,
Gij kende geen bezwaar
Voor de martelaar.

5.
Een kruis staat in uw hart geplant,
Gevloekt door gansch het land
Als moordenaars.
En komt gij vroeg of laat daarbij
Nog in de maatschappij
Dan denken wij:

6.
Daarmee die sluit de wreede moord.
Een dank en huldewoord
Aan de jury,
Die vast besloten in 't gedrang
En zond de moordenaars
Naar het gevang.

Terug naar overzicht

De Uiver

(Wijze: Aan de muur van het oude kerkhof)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Treuren moet iedereen, nu men dat weer verneem

De fiere Uiver o spijt, is Neerland voor goed kwijt.

Want op zijn Kerstmisvlucht, daar boven door de lucht,

Zou het naar Indië volbrengen zijn vlucht.

 

Refrein:

En zoo vlogen toen onze mannen,

Vol met moed en energie,

Weer naar Indië te zamen,

In de hoop hen weer terug zie.

Moedig vloog het over velden,

Bosch en heide steeds maar voort,

Tot dat men van al die helden

Eensklaps niet het minste hoort.

 

Zware storm op hun reis, door mist zoo dik en grijs,

Ja onweer hen ook trof, door bliksemstralen grof.

Wie weet wat nog al meer, werd d´oorzaak hoe te zeer

Omdat van hem geen tijding kwam meer.

 

Refrein:

Aan den haard op Neerlands bodem,

Zaten duizenden droevig neer.

Dachten aan het trotsche vliegtuig,

Uren reeds was geen verbinding,

Met hun radio aan boord,

t Voorteeken van een verslinding

Kon even goed al worden gehoord.

Ten einde raad op zoek, vliegen naar elke hoek,

Van elk werelddeel, en in getal zeer veel,

Deden hun uiterste best, te zoeken naar elk gewest,

Uit d´hoogte toen vonden de Uivers rest.

 

Refrein:

Ach daar ligt nu Neerlands glorie,

Haar moedige mannen zijn niet meer,

Nog omkranst met een victorie,

Vond men hen verbrand daar neer.

Heel Nederland rouwt om Uw allen,

Uw familie nog het meest,

Droever kan hen niets ontvallen,

Dit voelen wij in onze geest.

 

Op 20 december 1934 was de Uiver voor de tweede keer op weg naar Batavia. Het was een extra vlucht vanwege de kerst en er was 350 kg post aan boord. Na een tussenstop in Caïro wilde gezagvoerder Wim Beekman niet vertrekken wegens de slechte weersomstandigheden, maar KLM-directeur Albert Plesman dreigde hem te ontslaan. Dus vertrok de Uiver, maar hij zou nooit in Bagdad aankomen. Door slecht weer verongelukte hij bij Rutbah Wells in het Irakese deel van de Syridche woestijn. Alle inzittenden, vier bemanningsleden en drie passagiers, kwamen om.

 

Terug naar overzicht

De veldkapel

(tekst: Lambrecht Lambrechts/muziek: Remi Ghesquierre).

(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het sturen van de tekst)

Het wemelt in de Mei van blonde kleinen, nabij de veldkapel;

 De takken van de grote linde deinen

 Rondom de veldkapel;

 Maria hoort de zoete litanieën

 Der boerenkind’ren en der honingbieën.

 Ave Maria, Ave Maria !

 

Een paradijs van bloemen ziet men spruiten, nabij de veldkapel;

 Terwijl de vogels in de takken fluiten, rondom de veldkapel.

 Maria hoort in ’t heilig avondzwijgen

 Een jubelpsalm van nachtegalen stijgen.

 Ave Maria, Ave Maria !

 

Het koele dorpke ademt niets dan vrede, nabij de veldkapel;

 Zijn sluimer is ’n enk’le reine bede,

 Rondom de veldkapel.

 Maria hoort, terwijl de sterren glanzen,

 De naklank van de laatste rozenkransen.

 Ave Maria, Ave Maria !

 

Terug naar overzicht

De Veleta

(Uitvoering: Jan Corduwener & His Ballroom Orchestra)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ken je de Veleta niet,

Mooier dans bestaat er niet.
Op een grote rasse tree,

Doen we samen heerlijk mee.

Ken je de Veleta niet,

Mooier dans bestaat er niet.
'k Zie ons zwieren, heerlijk, fijn,

Tot we in een rondje zijn

Heb je zin om te dansen,

Om de Veleta te dansen,
Dan moet je rondjes draaien,

En ook zwieren, zwaaien.

 

Terug naar overzicht

De verlaten vrouw

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een bedelares zat lang het strand van de zee,

Haar kleederen verscheurd door baren en door wee.

Een kindje bevallig zoo bleek als de dood,

Zat bibberend van koude en van honger op de schoot.

 

Ach moeder ik bibber van koude zoo zeer,

Iksterf van honger, ik verdraag zulks nimmer meer.

Ach kindlief jou honger mijn zorg en verdriet,

Sinds dat uw trouwloozen vader ons verliet.

 

Ach als ik denk aan die valsche vleierij,

Dat ik met mijn geliede minnar liep aan mijn zij.

Maar 't was tegen mijn ouders gebiedt,

En daarom lijden wij armoed en verdriet.

 

Mijn ouders hebben mij getroost in mijn verdriet,

Ik was in hun oog hun vreugde in 't verschiet.

Ras vllog mijn verleider, mijn ouders zijn reeds dood,

Dus weent niet mijn kindje al sterven wij dan ook.

 

Wat zag men door de baren van de zee,

Men zag wel het knaapje maar moeder niet meer.

Gered zij haar ziel en ook haar kind,

Dat hij moog gered zijn door een kindervrind.

 

Nu zucht het knaapje en had geen moeder meer,

Maar op een korte afdstand bemerkt hij een heer.

Die sprak mijn arm knaapje kom maar mee met mij,

'k Wil u verkwikken en zal uw vader zijn.

 

Terug naar overzicht

De verlatenen

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik ben door mijn ouders verlaten,

Misschien zijn ze beiden wel dood,

Alleen dwaal ik nu door de straten

En leeft slechts op water en brood.

Mijn bed, waar 'k 's nachts op moet slapen,

Werd nooit door mijn moeder gespreid,

Voor 't ongeluk ben ik geschapen,

Ik heb niets dan mijn leven geschreid.

 

Refrein:

Geef mij wat !

Want ik heb zoolang geloopen.

Moe en mat,

Dwaal ik door de stad.

Heb medelij !

Ik wou dat ik centen had,

Om wat brood te gaan koopen.

 

Mijn vriend waar ik mee liep te dwalen,

Was vroeger markies of baron,

Ik hielp hem 't water uithalen,

Juist toen hij aan 't zinken begon.

Van honger kon hij niet meer leven,

Daarom zocht hij troost in den dood.

Door mij is hij levend gebleven

En nu verdienen wij samen ons brood.

 

Refrein

 

Misschien gaat zij veel van mij houden,

Misschien wordt zij mijn minnares,

Maar liever gaan ik met haar trouwen,

Dan wordt zij nog eens barones.

Dan gaat zij een manteltje dragen,

Wat proper en zindelijk is,

Dan huren wij samen een wagen,

En gaan dan venten met groenten en visch.

 

Refrein:

 

En zijn wij dan rijk van 't venten,

Dan komt er zoo'n kleine baron,

Dan sparen wij al onze centen

En koopt zij een zijden japon.

De kleine baron leert dan gitaar,

Wij brengen hem zingende groot

En komen er dan slechte jaren,

Verdienen wij met zingen ons brood.

 

Refrein

 

En gaat onze jongen dan trouwen,

Dan doet hij dat met een prinses.

Dan laat hij een huis voor mij bouwen

En ik rijd in een open cales.

Dan laat ik mij grootpapa noemen

En wieg dan een prins op mijn schoot.

Ik word dan begraven onder bloemen,

En gaat dan als Koningen dood.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De verloren schat

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Arie was geheelonthouder,

Pierewaaien liet hem flauw,

Hij dronk veel meer koude koffie,

Dan je aan hem zeggen zou.

Hij was altijd even nuchter,

Zoenen noemt hij ongepast,

Alle lieve jonge meiden,

Noemde hij een groote last.

Maar toen hij zelf een meisje had,

Met haar in een melkinrichting zat,

Ging zij met een stucadoor,

En al zijn duiten er van door.

 

Refrein:

Ik heb mijn schat verloren,

Ik ben mijn liefste kwijt,

Ik sta er van bevroren,

't Was toch zoo'n aardige meid.

Als ik haar niet krijg aan mijn zij,

Spring ik in het IJ.

 

Arie ging toen aan het zoeken,

Maar ze was hem veel te vlug,

Zelfs bij de Heilsoldaten,

Vond hij haar niet eens terug.

Hij ging naar de Commissaris,

Van politie achter de Hal,

En die zei: "Ga even zitten,

Vertel me nu maar je geval."

"O, Commissaris ik bezwijk,

Geef 'n diender mee om te dreggen naar 't lijk.

Ik houd het voor zeker en gewis,

Dat ze bij de Nes verdronken is."

 

Refrein

 

De Commissaris zei toen: "Hoor is,

Maak hier toch niet zoo'n kabaal,

Als jou schatje er van door is,

Vindt je haar niet in de Waal."

Zoek ze liever op de Zeedijk,

Of op 't Oude Kerksplein,

In het een of ander danshuis,

Zal jou engeltje wel zijn."

"O Heere neen", zei Arie toen,

"Zij is een meisje van fatsoen,

Zij is in haar dienst aan 't werk,

Of ze zit te bidden in de kerk."

 

Refrein

 

Toen ging Arie vurig bidden,

Maar het hielp hem geen bal,

Want zijn goddelooze meubel,

Gaf om bidden niemendal.

Dag en nacht liep hij te zoeken,

Iedereen vrieg hij om raad,

In alle gangen en in hoeken,

Hij viel bijna van de graat.

Och was mijn lieveling maar hier,

Dan gingen wij uit met heel veel sier,

Ik wou dat ik ze bij me had,

Ze zwerft langs het verkeerde pad.

 

Refrein

 

Maar na zeven lange dagen,

Vond hij haar toch weer terug,

Met verpierewaaide wangen,

En zoo mager als een mug.

Arie dankte toen den Hemel,

Want nu was zij uit de klem,

De stucadoor die liet haar zitten

En het restje was voor hem.

Arie was daarmee tevree,

Als zij het maar niet weer dee,

En een korten tijd daarna,

Werd hij bovendien nog Papa.

 

Refrein:

Ik hem mijn schat weer bij mij,

't Werd toch ook wel tijd,

Ik heb mij laten lijmen,

Het is ook zoo'n aardige meid.

Zonder haar kan ik niet bestaan,

Ga ik naar de maan.

 

Terug naar overzicht

De verloren zoon

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Vader ik wil reizen,

Geef mijn geld en goed.

'k Wil naar verre landen,

En vertrek met spoed.

'k Kan niet langer wachten,

'k Wil de wereld in,

Handel zal ik drijven,

Tot een groot gewin.

Handel zal ik drijven,

Tot een groot gewin.

 

En de zoon ging henen,

Rijk voorzien van geld.

Was hij maar bedachtzaam.

Had prijs er op gesteld.

Want na weinig weken,

Zat hij in de nood,

Moest hij schapen hoeden,

Voor zijn stukje brood.

Moest hij schapen hoeden,

Voor zijn stukje brood.

 

En de zoon keert weder,

Naar zijn vader toe.

Valt hem in zijn armen,

Kust hem blij te moe.

Vader 'k heb gezondigd,

 Neem mij als kind weer aan . . .

Kinderen van één Vader,

Neemt ook God weer aan.

Kinderen van één Vader,

Neemt ook God weer aan.

 

Terug naar overzicht

De verschoppeling

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een toonbeeld der ellende in lompen gehuld,
Een paria onzer maatschappij,
Wiens uiterlijk door velen met afschuw vervuld,
En walging vervangt 't medelij.
Zoo dwaal ik langs pleinen, langs straten, langs gras,
Soms bibberend van kou en ellend'.
En schoon menigeen thans de schooier veracht,
Heb ik betere dagen gekend

Reeds lang is het geleen maar er was eens een tijd,
Dat ik niet zoo'n verschoppeling was.
Door velen geacht, ja door meer nog gevleid,
Ik deed wel indien het mij slechts kwam te pas.
Toen heerschte er vreugde in huis en 't geluk
Bestond voor mij in vrouw en in kind.
Maar plots kwam het noodlot en eens met een ruk,
Nam het weg wat ik zoo teer had bemind.

Een vriend zat in nood en hij smeekte en bad:
"Ach help me en red mijn bestaan."
Ik deed het ik gaf hem bijna al wat ik bezat,
Hij vluchtte toen, ging ver hier vandaan.
En weer kwam het noodlot en greep toen mijn vrouw,
En wijl ik werd door zorgen gekweld,
Ontnam men mij haar liefde,
Ontnam men mij haar trouw,
Alleen door die demon, het geld.

Krankzinnig van woedde zocht ik toen de field(?)
En razend van smart schier verblind,
Had ik slechts een gedachte, door wraakzucht bezield,
Ik vergat in m'n drift zelfs mijn kind.
En eerst toen mijn hand met zijn bloed was besmeurd,
Hij stervende mij nog zag aan.
Ik door de gerechtsdienaar werd weggesleurd,
Toen pas dacht ik wat heb ik gedaan.

En eindelijk gingen tien jaren voorbij,
Sinds dat men mij levend begroef.
Toen kwam ik weer terug in de maatschappij,
Voor 't leven geteekend als een boef.
Toen ontmoette ik m'n vrouw op een zekeren keer,
En nimmer viel mij ooit iets zoo zwaar.
Alleen omdat ik volgens de begrippen van eer,
Als boef nog te hoog stond voor haar.

Terug naar overzicht

De vier kussen

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Op een mooie dag in Mei

Reden Jan en Keetje,

Met getuigen naar 't stadhuis

In een mooi coupeetje.

De ambtenaar die sprak zoo mooi

Over Huwelijksplichten,

Tranen rolden Kee en Jan

Over hun gezichten.

's Avonds na het bruiloftsfeest

Zoenden zij elkander,

Als de een er moe van was

Dan begon de ander.

Keetje vroeg toen heel naïef

Blijf je altijd zoo lief ?

't Was in de Lentetijd

't Was in de Mei,

Ze waren pas getrouwd

Zoo jong en blij.

En zoals je dan zoent,

Zoo innig teer,

Zoo stevig en zoo hard

Zoen je nooit meer.

 

Twaalf en een half jaar zaten zij

In het huw'lijksschuitje,

Jan was koop'ren bruidegom

En Kee koop'ren bruidje.

Vader, moeder, zusters, broers

Oomes, nichten, neven,

Hadden 't bruidspaar allemaal

Een cadeau gegeven.

's Avonds keken zij ernaar

En heel zacht zei Keetje

Jan zeg hou je nou van mij

Nog zoo'n heel klein beetje ?

Zoen me dan nog eens als toen

Weetje nog die zoen ?

't Was in de Lentetijd

't Was in de Mei,

We waren pas getrouwd

Zoo jong en blij.

Ja, zei Jan, toen was toen,

Toen heeft het gekraakt,

Maar ik vind dat nou je zoen

Naar koper smaakt.

 

En zij deelden lief en leed,

Vijf en twintig jaren,

Jan kreeg al een kale kop

En Keetje grijze haren.

Toen het zilv'ren bruilof was,

Kwamen felicitaties

En het jongste kleinkind bracht

't Bruidspaar al ovaties.

't Bruidje plaagde Bruidegom

Dat hij al zoo oud was,

Dat hij 't zoenen had verleerd

En als ijs zoo koud was.

Denk je dat ik het niet meer kan

Kom maar op riep Jan.

't Was in de Lentetijd

't Was in de Mei,

We waren pas getrouwd

Zoo jong en blij.

Al ben jij zilv'ren Kee

Ik zilv'ren Jan,

Ik bewijs je dadelijk dat

Ik nog zoenen kan.

 

Op het gouden Bruiloftsfeest

Moede en gebogen,

Keken zij verliefd elkaar

In de oude oogen.

Jan zei: Kee ik zoende ook

Anderen wel een beetje,

Maar geen mensch die kon 't zoo goed

Als mijn ouwe Keetje.

Keetje zei: Ja beste Jan

Jij was een schuinsmarcheerder,

Dat j' ook and'ren hebt gekust,

Wist ik al veel eerder.

Maar dat zoentje van weleer,

Bracht je tot me weer.

Die kus in de Lentetijd

Die kus in de Mei,

We waren pas getrouwd,

Zoo jong en blij.

Toen waren wij met glans

Van de jeugd getooid,

Die eerste huw'lijkskus

Vergeet je nooit

 

Herhaling van het vierde couplet en dan:

 

Wie kust in de Lentetijd,

Wie kust in Mei,

Vergeet het niet al gaat

De tijd voorbij.

Nu zijn wij oud en grijs,

De tijd verging.

Toch blijft ons van die kus,

De herinnering.

 

Terug naar overzicht

De vieze deviezen

(tekst: Marius Mac, Phail/muziek: Lou Woudstra)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Van nu af is het modewoord,

Luidt het devies deviezen;

Dat wordt nu overal gehoord

Heel Holland gaat aan 't kniezen.

 „Wij raken hier Deviezen kwijt"

Zei men toen ik het vroeg

Maar volgens mij is V in deez' tijd

,,De-viezigheid" genoeg.

 

Refrein:

 Deviezen-Deviezen.

Je hoort niet anders meer.

Deviezen-Deviezen,

Zo klaagt men keer op keer.

Deviezen hier — Deviezen daar,

Ik vind dat vreemd en raar,

Men vraagt in deze tijd,

Steeds om de-viezigheid,

 

Wij kopen in het buitenland,

Nu allerhande dingen;

Men stopt ons waren in de hand,

Te slecht om te bezingen.

De rijks-inkopers zeggen ,,Fijn

't Is prima kwaliteit",

Het buitenland zegt blij „Wij zijn

De vieze boel weer kwijt.

 

Refrein

 

De goeie piepers gaan nu weg,

Die gaat men exporteeren,

De kleine man vindt dat een pech,

't Komt door die grote heren".

Zo roept hij luid en heeft veel praats,

Dat helpt ons toch geen zier.

Men krijgt „deviezen" in de plaats,

En houdt „de viezen" hier.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De visscherman

(Willy Derby)

Mijn hart verlangt steeds naar het eiland

Waar 'k eens als knaap mijn liefste vond

Toen ik aan 't wand'len langs de zeekant

Voor 't eerst haar kuste op haar mond

Sindsdien vind ik bij 't huiswaarts varen

Mijn vrouwtje wachtend aan den disch

Zij bidt dan dat God moge sparen

Haar man, die weer behouden is

Die weer behouden is

 

Naar rijkdom zal ik nimmer haken

Slechts daag'lijks brood voor vrouw en kroost

Wil mij daarom voor hen bewaken

Zij vinden steeds bij U hun troost

Wanneer de storm de zee doet koken

En krakend steunt de oude schuit

De golven 't vaartuig wild bestoken

En woest de wind door 't touwwerk fluit

De wind door 't touwwerk fluit.

 

O, God, verhoor toch mijn gebeden

Geef Uwen zegen op de vangst

Ach, thuis, daar wachten mij de leden

Van mijn gezin vol smart en angst

Want hunne nood is hoog gestegen

Het laatste brood is reeds verteerd

Ja, voor hen smeek ik om Uw zegen

Die bitt're nood in vreugd verkeert

Die nood in vreugd' verkeert

 

Terug naar overzicht

De visschersvloot

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Aan 't zeestrand wuiven de vrouwen,
De visschersvloot zeilt uit.
De visschers namen hun afscheid,
Van kind en van vrouw en kind.
Het zonlicht speelt over 't water,
Dan nog een laatste groet
Terwijl een klokje in de duinen,
Z'n klanken hooren doet.

Refrein:
Bim bam bim bam,
Klinken de toonen zoo licht.
Bim bam bim bam,
Visschers vaarwel doe je plicht,
Bim bam bim bam,
Klinken de toonen vol moed.
Bim bam bim bam,
'n Afscheidsgroet

Een maand is nadien verloopen,
Woest en wild buldert de zee.
In 't dorpje bidden de vrouwen,
Breng hun behouden aan ree.
Opeens daar treft hen de mare,
Ginds is een schip in nood,
Daar vechten zij hun die wachten,
In den nacht met den dood.

Refrein:
Bim bam bim bam,
Klinkt dan die klok door de nacht
Bim bam bim bam,
Zwaar als een angstige klacht.
Bim bam bim bam,
Boven het windgehuil uit.
Bim bam donderend,
d' Noodklok luidt.

Daar door de duinen een lijkstoet ,
Stil in de morgen koelt.
Niets dan wat vormlooze lijken,
Zijn slechts aan land gespoeld.
Niets breekt de plechtige stilte,
Dan 't ruisschen van de wind.
Tot plots de klok van de duinkerk,
Droevig zijn lied begint.

Refrein:
Bim bam bim bam,
Klinkt dan die klok door de nacht.
Bim bam bim bam,
Visschers rust zacht en in vree.
Bim bam bim bam,
Tonen zoo zwaar en zoo lang.
Bim bam beiert de klok,
'n Doodenzang.

Terug naar overzicht

De vliegmachine

(Op de wijs van de Diabolowals)

(tekst: J.H. van Beunen)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Vliegen is thans een nieuwe sport,

Waar menigeen verzot op wordt.

Alles moet steeds sneller gaan,

En niet zoo langzaam aan.

Daarom hebben Wright en Zeppelin,

Uitgevonden de vliegmachien.

Als concurrent van Boot en Spoor,

Reist men de wereld door.

 

Refrein:

Ga je mee met de vliegmachien ?

Vliegmachien, vliegmachien !

Met zoo 'n Wright of Zeppelin,

Zeppelin.

Zweef je dan door het luchtruim heen,

Luchtruim heen, luchtruim heen,

Dat is eerst een leven, dat vreugde zal geven

Aan iedereen.

 

In elke groote of kleine staat,

Neemt men vliegmachines ten baat.

De bedoeling daarvan is,

Ik heb het heusch niet mis,

Oorlogvoeren in de lucht,

Zal het zijn met veel gerucht.

Het is de allernieuwste wijs,

En zeer goedkoop in prijs.

 

Refrein:

Bommen werpen naar beneên,

Naar beneên, naar beneên.

't Menschdom vliegt sneller dan uiteen,

Dan uiteen.

Alles is voor de oorlog klaar,

Oorlog klaar, oorlog klaar.

Het "Vrede op aarde" heeft heel weinig waarde,

Ja dat is waar.

 

Alphonse van Spanje, 't is gewis,

Hij de populairste Koning is.

Hij interesseert zich ook voor sport,

En doet er niets aan te kort.

Laatst, in Pau, kon men hem zien,

Naast Wilbur Wright in de machien.

Hij was er zeer van aangedaan,

Maar kon niet medegaan.

 

Refrein:

"Sire" zei Wright toen heel gedwee,

Zeer gedwee, zeer gedwee.

"Maakt u een reisje nu met me mee ?

Met me mee ?"

Alphonse sprak: "Vriend het spijt me zeer,

't Spijt mij zeer, 't Spijt mij zeer.

Het kan mij niet baten, ik moet het thans laten,

Tot een and're keer."

 

Het zal een ware uitkomst zijn,

Als elk kan vliegen, groot en klein.

Men zweeft dan prettig heen en weer,

Zoo over Land en Meer.

Al hebt ge ook geen geld op zak,

Je reist toch altijd met gemak.

En vliegt waarheen ge wilt, zeer vlug

Zijt ge ook weer terug.

 

Refrein:

Vlieg dus vroolijk allemaal,

Allemaal, allemaal.

Dat is waarlijk kolossaal, kolossaal.

Is het hier dan niets meer gedaan,

Meer gedaan, meer gedaan,

Dan vliegen wij allen, of 't ons zal bevallen,

Maar naar de Maan.

 

Terug naar overzicht

De vliegtuigramp in Apeldoorn 1946

(op de wijs van: Aan het strand stil en verlaten)

(met dank aan Mariska voor het sturen van de tekst)

Heel ons land is diep bewogen, door het vliegtuigongeluk.

Door dat roekeloze vliegen, sloegen heel wat levens stuk.

Vliegenier wou daar eens tonen, wat hij zoal had geleerd.

Jammer dat zoals we hoorden, zo’n duikeling is toch verkeerd.

Voor de ogen van zijn moeder, brak de vleugel van ’t machien.

Moeder schrok, viel dood ter aarde. Ze zullen elkander nooit meer zien.

 

Door het breken van die vleugel, stortte het vliegmachien omlaag.

Brandend kwam het naar beneden, op een school met jongens af.

Niemand kon die vuurgloed wijken, alles brandde in ’t gebouw.

Weg zijn nu die jonge levens, heel de stad is nu in rouw.

Vier en twintig jonge levens, vonden in dat uur de dood.

Door de schuld van zo een vlieger, wijl die ons zijn kunstje bood.

 

Hij die vliegt die moet steeds denken, wie onder hem beneden zijn.

Op de school de ziekenhuizen, zitten mensen groot en klein.

Speel toch niet met eigen leven, want je leven is soms kort.

Maar denk ook dat ’t kan gebeuren, ook aan de rug getroffen word.

Moge deze ramp voor vliegers, toch een voorbeeld wezen zal.

Denk aan wat er kan gebeuren. Dat duikelen wordt, een tranendal.

 

Vier en twintig jonge levens, gaan tezamen in een graf.

’n Ogenblik van roekeloosheid, brak hun hele leven af.

Moge God genade schenken, ook aan hem die ’t heeft gedaan.

Want ook hij en ook z’n moeder, zijn in hetzelfde graf gegaan.

Rust in vrede gij daar allen, ja, allen die de dood daar vond.

Wie van u had kunnen denken dat zo’n ramp nog ooit bestond. 

 

Terug naar overzicht

De vogelverschrikker

(Duo Hofmann)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Klein Jaapje was een leuke kleuter

Een jongen uit de boerenstand

En ied're dag mocht hij zijn vader

Bij de arbeid helpen op het land

Vooral den zaaitijd vond ie heerlijk

Dan kwamen vogels allerlei

En op den duur kwamen die beestjes

In lief vertrouwen dichterbij

En in zijn kinderfantasie

Hoorde hij zacht deez' melodie

 

Dag Jaapje, dag jongen

Wat ben jij toch goed

Dat jij ons zo heerlijk

Met graankorrels voed

‘t Was lekker hoor ventje

Wij aten ons zat

Nu gaan we weer vliegen

Tot morgen hoor schat

 

Klein Jaapje hoestte al een poosje

De dokter kwam en zei tot moe

Hij is zo ziek en o zo zwakjes

Breng ’t ventje naar z’n bedje toe

Die droge hoest werd steeds maar erger

’t Was zielig hoe die schat daar lag

Voor ’t open raam waar hij z’n vriendjes

De vogels op den akker zag

En ’t was als zochten zij een vrind

En in gedachte hoorde het kind

 

Dag Jaapje, dag jongen

Wat ben jij toch goed

Dat jij ons zo heerlijk

Met graankorrels voed

‘t Was lekker hoor ventje

Wij aten ons zat

Nu gaan we weer vliegen

Tot morgen hoor schat

 

En toen het ventje was gestorven

Kwam in het veld een houten kruis

Waarop het mutsje van klein Jaapje

En eromheen het kind z’n buis

De vogels kwamen weer gevlogen

En ’t was als floten zij zo teer

Een liefelijk liedje bij z’n terugkomst

Dag brave vent ben jij daar weer

Ze zaten zingend heel vertrouwd

Op die twee armen van ruw hout

 

Dag Jaapje, dag jongen

Wat ben jij toch goed

Dat jij ons zo heerlijk

Met graankorrels voed

Toen kwam Jaapjes moeder

En heeft met een traan

Die buis en die muts

Van het kruishout gedaan

 

Terug naar overzicht

De vondeling

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Al ben ik geslaagd in 't leven

En word ik door velen benijd,

Het heeft me nooit vreugde gegeven,

Het heeft me nooit verblijd.

Want steeds is 't weer 'n beproeving,

Wanneer men mij vraagt: „Hoe ik heet,”

Want wat ik dan zeg is 'n leugen,

Omdat ik m'n naam niet weet.

 

Refrein:

Al heb ik geen vader en moeder gekend,

Toch ben ik 'n mens met 'n hart.

Ik heb idealen en ik heb m'n trots,

Waarmee ik de wereld tart.

 

'n Vader had ik willen hebben,

Ik had graag m'n moeder gekend.

Ik werd net als andere kind'ren,

Ook graag eens echt verwend.

Waarom hebben zij me verstoten,

En trokken zich niets van me aan ?

Waarom moet ik toch door 't leven,

Als vondeling zonder naam?

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De vreugde-polka

(Ned. tekst: Willy Pol  / muziek: Sonny Burke)

(gespeeld door Orkest Zonder Naam olv Theo Uden Marsman)

(gezongen door Jenny Roda en Marcel Thielemans)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

De Polka was geen mode meer.

Geen mode meer, geen mode meer.

Maar rees nu uit den dode weer

In Londen en Parijs

En zelfs ook in Amerika,

Amerika, Amerika !

Zingt men bij de harmonica

De nieuwste polkawijs.

De hele wereld, danst de Polka,

Men danst de Polka zo eensgezind.

Je zou haast zeggen, dat de Polka,

Alle volk'ren samenbindt.

 

Refrein:

Wij dansen eensgezind de vreugdepolka;

De hele wereld voelt zich weer blij.

Wij kunnen lachen en zingen

Van alle goeie dingen;

De tijden van zorgen zijn voorbij.

Wij dansen eensgezind de vreugdepolka;

Er schijnt voor iedereen een stukje zon !

De Polka kwam met al z'n vreugde,

Men zag al z'n deugden:

De vreugdepolka overwon !

 

Terug naar overzicht

De vuile hond

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Toen Reneetje buiten speelde

Zag hij plots een vuile hond

En z'n kinderhandjes streelden

't Haveloze dier terstond

Het beest keek met z'n hondenogen

Dankbaar naar 't lieve kind

't Was alsof hij zeggen wilde

Eindelijk heb ik een vrind

 

Samen gingen ze toen huiswaarts

't Vuile hondje en Renee

Maar z'n vader zei: die straathond

Gaat m'n huis uit, weg ermee

Na veel bidden en veel smeken

Gaf papa toch z'n fiat

Dolgelukkige Renee heeft

Nooit een trouwer vriend gehad

 

Op een middag werd de kleuter

Ziek uit school naar huis gebracht

Voor 't bedje van de peuter

Lag de straathond dag en nacht

En Reneetje's kleine handjes

't Was of hij daar troost bij vond

Streelde dikwijls als hij pijn leed

Urenlang die vuile hond

 

Op een nacht is hij gestorven

Tot z'n ouders groot verdriet

Toen Reneetje werd begraven

Zagen zij 't hondje niet

Maar toen zij het graf bezochten

Op dat kleine plekje grond

Waar hun liev'ling lag begraven

Vond men daar die vuile hond

 

Terug naar overzicht

De waarzegster

(tekst/muziek/uitvoering: Eddy Christiani)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Op een kleine kermis, ergens in ons land
Keek een donker meisje somber in m'n hand
Zij zag in de lijnen wat te wachten stond
'k Kan niet zeggen dat ik het opwekkend vond
Laat eens even kijken in je rechterhand
Want daar kan ze lezen waar je nog belandt
't Leven wordt zo simpel na zo'n kort bezoek
't Is zo doodeenvoudig als een open boek
"Luister, meneer, ik vertel u nog veel meer"

Zij sprak: "Luister even, u wordt heus niet oud
Ik kan niet ontdekken dat u nog eens trouwt
Ik zie een grote schipbreuk met een felle brand
Na vele weken zwemmen spoelt u weer aan land"
Laat eens even kijken in je rechterhand
Want daar kan ze lezen waar je nog belandt
't Leven wordt zo simpel na zo'n kort bezoek
't Is zo doodeenvoudig als een open boek
"Luister, meneer, ik vertel u nog iets meer"

"Ik zie u eenzaam dwalen in de wildernis
Plots een leeuw ontmoeten die op roof uit is
Nu wordt alles duister, zo, dat kost een riks
Maar geeft u een tientje, dan gebeurt er niks"
Laat eens even kijken in je rechterhand
Want daar kan ze lezen waar je nog belandt
't Leven wordt zo simpel na zo'n kort bezoek
't Is zo doodeenvoudig als een open boek
"Luister, meneer, ik vertel u heus niets meer"

 

Terug naar overzicht

De ware liefde

(met dank aan Hanneke Peters voor het sturen van de tekst)

Ik was nog maar achttien jaar oud,
Van vrijen was ik niet benauwd.
Ik vrijde al met een kapoen,
Hij wandelde met mij in 't groen.
We waren een schoon jeugdig paar,
Als mijn ouders dat werden gewaar,
Dat was tegen mijn vader zijn zin,
Dat de liefde mij dwong en bemin.
Maar dat weet ik niet, of dat liet ik niet,
Waarom mijn vader mij dat toch verbiedt,

Waarom mijn vader mij dat toch verbiedt,
 


En ik sprak er mijn vader eens aan,
En ik wil er de trouw mee in gaan.
En omdat er de liefde mij dwong,
Sprak hij: ,,Och ge zijt nog zo jong !"
En hij sprak: ,,En gij wordt al gevrijd,
Zo vroeg in uwen jonkheid verleid."
En hij kreeg het gedacht in zijn kop,
En hij sloot er mij seffens op.
O ! Wat droef getraan werd mij aangedaan,
Moest ik alleen op mijn slaapkamer gaan,

Moest ik alleen op mijn slaapkamer gaan.
 


Maar twee, drie dagen daarna,
Mijne minnaar dit werd gewaar.
En hij kreeg er een goed gedacht,
Hij kwam in de duistere nacht.
En hij sprak er: ,,Mijn liefste zoet,
Wij zullen vluchten met spoed !"
En hij haalde zijn liefste bruid,
Langs het venster de slaapkamer uit.
Hij sprak geducht: ,,En maak geen gerucht,
Wij zullen samen gaan al op de vlucht,

Wij zullen samen gaan al op de vlucht.
 


Maar als er de dag brak aan,
Als vader de lere zag staan;
Dan sprak hij met droevig getraan:
,,Mijn dochter is weggegaan."
Hij schreef er dan spoedig een brief,
Bij haar met haar zoete lief.
Zij die waren al lang op de reis,
In 't Frans, naar de stad van Parijs.
Ja met geld en goed, vol van overvloed,
Ziet toch wat dat er de liefde toch doet,

Ziet toch wat dat er de liefde toch doet
 


Hunne ouders die maakten droefheid,
Omdat ze hun kinderen zijn kwijt.
Maar na twee, drie jaren daarna,
Dan keerden zij weer met malkaar.
Ze trouwden voor de kerk en voor de wet,
De trouw was hen vroeger belet.
En ach ouders en denk er ook aan,
Dat gij dat vroeger ook hebt gedaan.
En wees altijd in uw hart verblijd,
Eer dat ge uw kinderen zijt kwijt,

Eer dat ge uw kinderen zijt kwijt.

 

Terug naar overzicht

De watermolen

(tekst/muziek: Johnny Hoes/uitvoering: Annie de Reuver)

Refrein:

Ik wil met jou weer naar die watermolen gaan

Het plekje waar ik jou de eerste keer zag staan

Daar in dat kleine dorpje tussen 't groen verscholen

Je ziet alleen de wieken van de watermolen

Ik wil met jou weer naar die watermolen gaan

Al is dat ogenblik ook nog zo lang voorbij

't Is als herinnering het allermooist voor mij

 

Je stond bij de molen met haren zo blond

Zo blond als korenschoven

Ik vroeg of je mee ging, je deed 't terstond

't Was haast niet te geloven

Toen liepen we uren en dachten die tijd

Alleen maar aan elkaar

Dat was voor mij de mooiste tijd

Daarom zeg ik een keer per jaar

 

Refrein

 

Al zijn we nu jaren getrouwd met elkaar

Ik heb het steeds geweten

Die ruisende molen en jou blonde haar

Dat zal ik nooit vergeten

De molen die staat er nog steeds aan de Vliet

Maar jij, jij bent van mij

Toch wil ik weer 'n keertje terug

Met jou, als m'n vrouw aan m'n zij

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De watersnood (1926 Duo Hofmann)

(met dank aan Inez voor de tekst)

De storm jaagt door de lage landen

En 't woelend water der rivier

Bespringt de sidderende dijken

En brult als een bloedgierig dier

En als dan zwart de nacht gaat vallen

En 't alom kreunt en kraakt en gromt

Weerklinkt opeens een rauwe angstkreet

Het water komt - het water komt

 

Als het water op komt zetten

Kruipend als een kille dood

Langs je voeten, langs je benen

Langzaam door je kleren henen

Dan beseffen klein en groot

Wat het is: een watersnood

 

De landman hoort zijn hoeve kraken

Het water wast met woest geraas

Het vee breekt los, en stormt naar buiten

En 't loeit wanhopig om de baas

Maar hij moet vrouw en kinderen redden

Zij vluchten gek van schrik en smart

De laatste doodskreet van hun beesten

Die snijdt hen als een mes door 't hart

 

Als het water op komt zetten

Kruipend als een kille dood

Langs je voeten, langs je benen

Langzaam door je kleren henen

Dan beseffen klein en groot

Wat het is: een watersnood

 

Terwijl men angstig klaagt en jammert

Houdt daar opeens een auto stand

't Is onze Landsvrouw, die komt troosten

Haar kinderen van 't verdronken land

Zij brengt weer glans in veler ogen

Haar woord van troost maakt zoveel goed

Maar Gij, die zijt bespaard gebleven

Tast in Uw beurs - het moet - het moet

 

Als het water op komt zetten

Kruipend als een kille dood

Langs je voeten, langs je benen

Langzaam door je kleren henen

Dan beseffen klein en groot

Wat het is: een watersnood

 

Terug naar overzicht

De wereld der blinden

(Claudy/Willy Derby)

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Ik zie rondom mij enkel ziende ogen,

Genietend van het kost'lijk levenslicht.

Er zijn er reine die nog nooit bedrogen,

En kijkers stralend uit een lief gezicht.

Als al die oogen zich een wijle richten

Naar 't rijk der blinden, naar die donk're nacht,

Zal er bij elk een glans van meelij lichten,

Want daarbij wordt de hardste blik toch zacht.

 

Refrein:

Er is nog een rijk van de eeuwige nacht,

Waar tastend zijn weg men moet vinden;

Waar men tevergeefs naar wat zonnelicht smacht,

Dat is de wereld der blinden.

 

Denkt u eens in, die hel van blindgeboren,

Die duist're wereld, zwarter nog dan inkt !

Men voelt zich in die ruimte gansch verloren,

Geen leidsman is er, dan het fijn instinct.

Geen zonlicht ziet men, nooit het stergeflonker;

Van schoone bloemen is er slechts de geur,

Voor d'arme blinde is het eeuwig donker,

Kent geen gelaat, geen glans, geen enk'le kleur.

 

Refrein:

Hij leeft in het rijk van de eeuwige nacht,

Waar tastend zijn weg men moet vinden;

Waar men tevergeefsch naar het zonnelicht smacht,

Daar in de wereld der blinden.

 

Wanneer een moeder met haar lieve oogen,

Vol deernis neerziet op haar blinde pop;

Dan ziet hij't niet, maar wordt zoo vreemd bewogen,

Hij voelt het wel aan Moeders harte klop.

En als het blinde kindje moet gaan slapen,

Ze zacht hem nederlegt in 't kleine bed,

Dan hoort hij ook veel eer dan broer of zuster,

't Bekende geluidje van z'n vaders tred.

 

Refrein:

Hij hoort in het rijk van de eeuwige nacht,

Waar tastend zijn weg men moet vinden;

Elk zuchtje van liefde dat men hem daar bracht,

Dat is het voorrecht der blinden.

 

Ze leven enkel in het rijk der klanken,

Als zonlicht is voor hen een symphonie,

Voor deze gave mag men God nog danken;

Hun kleur is klank, hun licht is melodie.

En hoog daarboven ziet de Goede Vader,

Vol zachtheid neer met godd'lijk medelij;

Hij voelt zich tot de blinde menschen nader,

De doode oogen zijn Hem 't meest nabij.

 

Hij waakt in 't rijk van de eeuwige nacht,

Waar tastend zijn weg men moet vinden;

Waar men zoo geduldig op 't hemellicht wacht,

God is beschermer der blinden.

Terug naar overzicht

De werkeloze

(met dank aan Mieke Cuppen voor het sturen van de tekst)

In schamele kleertjes, zijn schoentjes kapot

Stond hij op een hoek van de steeg,

Zijn oogjes staan hol, zijn gezichtje is bleek

Het eten was slecht wat hij kreeg.

Zijn vader stond naast hem en zei: “kleine vent,

Wat word jij in het leven miskend.

 

Refrein:

Wanneer vader werk heeft dan komt alles weer goed,

Dan krijg jij mijn lieve jongen wat je  missen moet.

Maar jij kende slechts armoe, bid daarom iedere dag,

Dat jij later mijn kind, nooit die zorg ondervind

Maar steeds werk vinden mag.

 

 

Dagen verliepen, de toekomst bleef zwak,

Hij kon van de steun niet bestaan,

Toen is hij op een avond met een zak op zijn rug,

Naar het land van de grens opgegaan.

Zijn jongen die vroeg,”waar gaat gij naar toe",

"Het is voor jou lieve jongen al wat ik doe".

 

Refrein

 

In het nachtelijk donker klonk eensklaps een ,”halt",

Hij keek als verbaasd in het rond,

Liep wat hij kon, maar eensklaps klonk er een schot,

Hij viel met een smak op de grond.

En toen men hem zwaar gewond een huis binnenbracht,

Klonk over zijn lippen nog eenmaal die klacht.

 

Refrein:

Wanneer vader werk had dan kwam alles weer goed,

Ik heb voor jou mijn kleine jongen met mijn leven geboet.

Maar jij kende steeds armoe, bid daarom iedere dag,

Dat jij mijn kind, nooit die zorg ondervind

Maar steeds werk vinden mag.

 

Terug naar overzicht

De werkman

(wijs: De jonge speelman of de blauwe kiel)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

O, gij die nooit gebrek of armoe kende,

Van jongs af aan, aan weelde en vreugd gewoon,

Nooit leefdet gij in rampspoed en ellende,

Gij roept vaak uit: ,,Wat is het leven schoon !"

Maar ak'lig lot is mij op aard beschoren,

Ik word gekweld door kommer en verdriet,

Ik ben een mensch wil mijne klacht aanhooren,

Vergeet, o neen, vergeet den werkman niet.

 

O treedt met mij die gindsche woning binnen,

Daar treft u armoe, droefheid en naar geween,

Wat moeten die arme lieden gaan beginnen,

Beschouw die man, hij is geen dronkaard neen.

Hij heeft geen werk, er is gebrek aan eten,

En gij die dit tooneel van lijden ziet,

O luistert naar de stem van uw geweten,

Vergeet, o neen, vergeet den werkman niet.

 

Een stukje brood, ik sterf bijna van honger,

Zoo smeekt een kind van pas acht jaren oud,

De andere nog van twee of drie jaren jonger,

Riep: ,,Vaderlief 't is hier zoo bitter koud."

Geen brood geen vuur om hen iets te verwarmen,

Geen daag'lijks brood en 't lijden in 't verschiet,

O groote God Gij Trooster van de armen,

Vergeet, o neen, vergeet den werkman niet.

 

Verzacht het lot van hen die moeten zwoegen,

Tot nut en welzijn van de maatschappij,

Een goede daad schenkt hen het meest genoegen,

Dan zijn we dankbaar en ook tevens blij.

Een weinig hulp schenkt hun nieuwe krachten,

Gij die het zoetst genot in hunne boezem giet,

Om hun gebrek en lijden te verzachten,

Vergeet, o neen, vergeet den werkman niet.

 

Wat baat het geld, het nietig slijk der aarde,

Voor hem die het in overvloed bezit,

Geen vreugd of heil de arme hier vergaarde,

Maar op zijn hoed of op zijn geldkist zit.

Daarom doet wel, gedenkt steeds aan de armen,

Want ook uw loon ligt later in 't verschiet,

Schenk hen ook brood, wil hen bij kou verwarmen,

Vergeet, o neen, vergeet den werkman niet.

 

Terug naar overzicht

De werkmanszoon

(uit Vrolijke Brabanders/uitvoering Jerry Bey)

(met dank aan Mariska voor het sturen van de tekst)

De dochter van de hereboer zat heel stil voor het raam.

Ze staarde in de donk're nacht, in ieder oog een traan.

Haar vader wilde dat haar man een rijke graaf zou zijn.

Daarom kon zij niet slapen gaan en deed haar hart zo’n pijn.

 

Refrein:

Zij hield alleen maar van die werkmanszoon.

Haar vader gaf aan hem zijn brood en loon.

Zij hield alleen maar van die werkmanszoon.

Haar vader gaf aan hem zijn brood en loon.

 

Des 's morgens zei de hereboer: "M’n kind wat scheelt eraan ?

Je bent vandaag zo bleek en stil. Wat heb ik jou misdaan ?"

Toen vloog ze om haar vaders hals en snikte vol verdriet:

"Ik hou zo van die werkmanszoon, een ander wil ik niet."

 

Refrein

 

Toen sprak de rijke hereboer: "M’n lieve kind houd moed.

Hij zal niet langer knecht meer zijn. Ik geef hem geld en goed.

Hij deed al jarenlang zijn plicht en diende mij steeds trouw.

Daarom geef ik hem nu heel graag mijn dochterje tot vrouw."

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De wiegende mijnwerker

(Emiel Hullebroeck)

(met dank aan Brigitte van Gerven voor het sturen van de tekst)

Uw vader, lief kindje, zong zelden of nooit.
Hij vond op zijn wegen geen bloemen gestrooid.
Ellende was alles wat de aarde hem bood !
Het leven, een worst'len voor 't karige brood.

Maar gij doet hem zingen gelijk hij 't vermag:
tra la la la ! tra la la la !
Voor u zou ik zingen den Godganschen dag:
tra la la la ! tra la la la !

Veel beter voor u zal het leven niet zijn.
Geen zonneken lacht in die donkere mijn.
U wacht er het zelfde worst'len voor het brood.
Van achter de klompen beloert u de dood.

Toch zinge mijn jongen gelijk hij 't vermag:
tra la la la ! tra la la la !
Hij zinge, kan 't wezen, den Godganschen dag:
tra la la la ! tra la la la !

 

Terug naar overzicht

De wrede ontploffing te Merksem

(H. Borremans)

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

't Was nacht, iedereen was te ruste

Na 't volbrengen van zijne taak

Doch plots voelde men d' aarde beven

Door ene ontploffing aldaar

't Volk verontrust door al die slagen

Ontvluchtte zijn have en goed

't Verspreidde zich door de straten

In angstig gegil en geroep

 

Refrein:

Aan een fabriek aldaar

Stroomde het volk tegaar

O wat een wrede ramp

Riep men alom t' allen Kant

Men moet bedanken die mannen aldaar

Die ondanks alle gevaar

Ten beste gaven hun leven en bloed

En streden voor andermans goed

 

Een tijd na dit wrede gebeuren

Men zag met deernis op 't gezicht

Een man uit de puinen wegdragen

Zijn lijk nog door vlammen verlicht

Op de plaats van 't onheil gebleven

Om ook te bestrijden die ramp

Werd hij daar de dood ingedreven

Als offer in dien wreden kamp

 

Slotrefrein:

Hulde aan hen die kloek

Ondanks het felle gevaar

Streden in dien vuurgloed

Dat vonden zij geen bezwaar

Laten wij hopen voortaan in 't verschiet

Dat het niet weder gebeurt

Het brengt niets mee dan veel wee en verdriet

En word door eenieder betreurd

 

(Dit is een liedje uit de tijd toen er nog zogenaamde marktzangers waren. Zij maakten een liedje op elke gebeurtenis dat zij dan op een of andere markt zongen en te tekst ervan verkochten aan de toehoorders. Meestal hadden zij er ook een aantal tekeningen van gemaakt die onder het zingen met een lange stok werden aangewezen. Ik weet niet wanneer die ontploffing plaatsvond, maar het moet lang geleden zijn.)

 

Terug naar overzicht

De wrede zee

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Drie kleine kinderen die aan 't spelen waren dicht bij het strand

Kwamen eensklaps een bootje t' ontwaarden aan den zeekant

Kom sprak één luid 'k zal u bevelen, 'k ben kapitein

Laten wij vlug matroosje gaan spelen, 't zal kermis zijn

De kabels los gemaakt en ons in schoot vergaard

De zeilen in de wind en naast elkaar gezeten

Zo riepen ze gezwind ons moedertje zal het niet weten

Hoe zee, hoe zee

Maar ginderver gaat de wind aan het huilen

En menige visserssloep die zich nog gaat verschuilen

 

Refrein:

Kinderen lief pas op voor het gevaar

En let toch op die grauwe wolken daar

De wijde zee brengt steeds zo veel verdriet

Kinderen lief speel nooit aan het water niet

 

De kleine boot is weldra verdwenen in woeste vaart

In gindse hut zit een moeder te wenen dicht bij den haard

De kleintjes zijn niet thuisgekomen, wat scheelt er hen ?

Daarbuiten valt de regen aan stromen, 't is storm op zee

Moeder moeder, maar 't is te laat

De wind slaat het bootje aan puinen

En 's anderendaags bij dageraad

Liggen hun lijkjes in de duinen

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De zeemeermin

(tekst: Louis Daalhuyzen /  muziek: Willy Benardi / uitvoering: Eddy Christiani)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

Ik vis op snoek, op baars, op schol, ik ben een hengelaar.

En waar ik zit, 't is altijd raak, het is waarachtig waar.

En eens in Zandvoort op de pier, ik geef mijn woord van eer.

Zat aan mijn haak een zeemeermin, die riep: „Laat ons, mijnheer !"

Maar ik was met mijn vangst tevree

En nam haar in een taxi mee:

 

Refrein:

Die zeemeermin, die zeemeermin; die leuke zeemeermin,

Het is geen vlees, het is geen vis, maar nèt daar tussenin.

Van boven Goldwave permanent, van onderen een staart

Zo zwom ze in mijn badkuip rond, het was de moeite waard.

Die zeemeermin, die zeemeermin, die leuke zeemeermin,

Die zeemeermin, die zeemeermin, die leuke zeemeermin.

 

 

En onderweg begon het al, ze at m'n visnet leeg.

En vroeg m'n oude regenjas, omdat ze 't huiv'rig kreeg.

Ik droeg haar snel de trappen op, mijn vrouw viel daad'lijk flauw,

M'n poesje beet eens in d'r staart en riep maar steeds: „Miauw" !

Toen zeurde ze: „Ik wil in 't nat",

Ten einde raad, deed 'k 'r in 't bad.

 

Refrein (als boven)

 

De hele buurt kwam op bezoek, portaal en huis stond vol:

De film, de pers, de radio, toen zakte toch mijn lol.

De zeemeermin had nu make-up en rookte gans de dag

Ze had een nylon zwempak aan en een gemaakte lach.

Terwille van de lieve vree,

Gaf ik haar aan een visboer mee.

 

Refrein:

Die zeemeermin, die zeemeermin; die larme zeemeermin,

Het is geen vlees, het is geen vis, maar nèt daar tussenin.

Van boven Goldwave permanent, van onderen een staart

Zo zwom ze in mijn badkuip rond, het was de moeite waard.

Die zeemeermin, die zeemeermin, die arme zeemeermin,

Die zeemeermin, die zeemeermin, die arme zeemeermin.

 

Terug naar overzicht

De zigeunerknaap in 't noorden

(Geibel M. Leopold)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Ver in 't zuiden ligt mijn Spanje,

Spanje in mijn vaderland,

Waar de bloeiende kastanje

Prijkt aan Ebro's lachend strand,

Waar de zoete amandels groeien,

Waar de druif u tegenlonkt,

Waar de rozen schoner bloeien

En de maan in goudgloed pronkt.

 

En nu zwerf ik, arme jongen,

Met mijn speeltuig treurig rond;

Moe gespeeld en moe gezongen,

Slaap ik op den harden grond,

Kleine graven, koude blikken

Werpt men d'armen zwerver toe:

Ach, mijn schreien en mijn snikken

Is men, als mijn zingen, moe.

 

Waar zó koude nevels hangen,

Schiet de zon heur stralen niet, -

Uit zó weggezonken wangen

Klinkt geen lustig knapenlied !

Bij mijn zingen en mijn kwelen

Wil één klank steeds de eerste zijn:

Breng mij, waar de zefiers spelen,

In het land van zonneschijn !

 

Gist'ren was 't een feest voor allen,

Ieder danste naar mijn luit,

Vreugdetonen deed ik schallen,

'k Zocht de schoonste lied'ren uit;

Maar bij dans en jubelzangen

Zag de zon mij kwijnend aan,

En langs mijn gebruinde wangen

Rolde menig bitt're traan.

 

Neen ! ik wil niet langer zwerven,

Waar de zon door neev'len ziet:

Alles, alles kan ik derven,

U, mijn vaderland, u niet !

Op, naar 't zuiden ! op, naar Spanje !

Naar het land vol zonneschijn !

Onder palmboom of kastanje,

Daar wil ik begraven zijn.

 

Terug naar overzicht

De Zilveren Bruiloft van Manke Nelis

(met dank aan Cor de Boer voor het sturen van de tekst)

De hele Goudbloemdwarsstraat die stond op z’n kop Manke Nelis vierde zijn zilvere feest

Het was nadat ie feestelijk begraven werd  en weer levend werd, niet zo’n lol geweest

De feestcommissie was om zes uur ’s-morgens al in touw

Om zeven uur zag Rooie Hein al van de Katsies blauw

A l  l e  vrienden en bewoners uit de buurt

Hadden voor dat doel een Pierement gehuurd

Heel de straat die  was met slingers en met lampions versierd

Want zo’n feestdag die moest toch in alle plechtigheid gevierd

Lange Toon zal draaien als een virtuoos

Polka’s en quadrilla’s uit een ouwe doos

En zo brak het uur dan aan

Dat de cafeestcommissie kwam   In een kroegie op de stoep van het huis ging staan

Het hele zwikkie wachtte op het sein van Hein   Die tot Feestvoorzitter gekozen was

Hij was voor die gelegenheid in groot tenue    Een Hoge Dop en een geleende Pandjes Jas

Hij riep “zeg Ouwe Manke Nelis” duurt het nou nog lang

Kom schuif het raam op en vertoon je met die ouwe tang

E n  waar achtig kijk daar schoof het raam al op

En het Bruidje met der haren bij der kop

Skreeuwde maak toch niet zo’n heibel,  want we doen vandaag niet mee

Manke Nelis komt direct, hij is effetjes naar de WC

Skele Daan die riep dan komt ie der maar af

We stane toch zeker hier niet voor onze straf

Maar de Bruid zei  hou je bek je staat te klesse uit je nek

Hij kan ’t toch niet in z’n broek doen,    Ouwe Gek

En eindelijk verscheen dan ook de Bruidegom,  in de haast z’n broek nog half dicht

Toen riep kleine To van Tante Naatje luid   kijk ’s moeder daar hei je een schoon gezicht

Maar nadat schreeuwde Rooie Hein Koppe dicht en koest

Ik ben de President en der wordt alleen door mij gesmoesd

M a n k e Nelis op je zilvere Builoftsdag 

als ik het dan zo ereis ‘s zegge mag

Is vergete dat je mekaar Rooie Bart al vaak genoeg

In een kleine lieve ruzie naar het Binnen Gasthuis sloeg

Namens de Feestcommissie geef ik je cadeau

Deze ongebruikte stene waterpo

En ik uit daarbij de wens

Gebruik ‘m als een gelukkig mens

En sla ze niet aan skerreffe op mekanders pens

Bij Manke Nelis boven werd toen feest gevierd  en de stemming kwam er dadelijk in

Maar Dolle Dries die kreeg direct een kwaaie dronk   die gaf Daan   een linkse op z’n kin

Toen Rooie Hein dat zag toen riep die wacht ’s effe stop

En keerde me van de gerumes om ,  pardoes op Dries z’n kop

Manke Nelis trok alvast z’n jassie uit

Met de koleschop gewapend stond de Bruid

Na  die skreeuwde “met je pote van me kerel” ouwe tang

Of ik trap je met je tarrebernakel zo door ‘t behang

Lange Toon die raasde maak nou toch geen mot

Over honderd jaar zijnne me allemaal kapot

Zuip nou liever eentje mee op Manke Nelis zijn Sante

Lang zal die leve   in een harington hoezee

Een paar uur later was ’t hele soepie fit    Rooie Hein lag onderaan de trap

En Bleke Dirk die had ‘m stiekempjes gesmeerd   en die ging met Mottige Kees zo op stap

De Bruid lag onder tafel met een moot gebakken bot

De Bruidegom die leurkte Katsies uit de Waterpot

Lange Toon was na het draaien van een deun

in de goot gegleje   met de stoep al steun

Tante Na die riep maar steeds  wie heit er nou in mij nog zin

Want ik ben lekker vet van je hela hola hou er de moed maar in

Niemand kon meer op z’n eigen benen staan

Iedereen was alcoholisch aangedaan

Manke Nelis z’n feest  was wel een beetje nat van geest

Maar het is toch een reuze Bruiloftsdag geweest

 

Terug naar overzicht

De zingende muis

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wij hebben sinds een dag of tien een aardige logé,

Al hebben wij hem nooit gezien toch eet hij met ons mee.

Maar 's avonds laat verrast hij ons op schitterend gezang,

Een prachtig mooie aria klinkt achter het behang.

 

Refrein:

Het muisje zingt een aria,

Het lijkt wel een kanaria.

Maar 't beestje laat zich nimmer zien,

Het is een beetje bang misschien.

Het fluit maar steeds zijn aria ...

 

Als vader laat naar huis toe komt en ma met borden gooit,

Dan fluit de muis op luiden toon het liedje "Trouw maar nooit".

Maar komt neef Pieter op bezoek, die houdt zo van muziek,

Dan zingt hij zacht en lieflijk de sonate pathétique.

 

Refrein

 

En wordt het 's avonds soms wat laat, dan zing meneer de muis,

Dwars door het ergste feestnummer "We gaan nog niet naar huis".

En klinkt er van een dansorkest een foxtrot door 't vertrek,

Dan zingt het beestje dadelijk "O swing de Tiger Rag".

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De zon mag aan de hemel staan

(Ned.tekst: Em. v.d. Brande / muziek: Jupp Schmitz / uitvoering: Eddy Christiani)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Eeuwenlang draait er de wereld in 't rond,

Zonder maar even te staken.

't Is dus geen wonder dat ieder begon

Daaraan gewend te raken:

 

Refrein:

De zon mag aan de hemel staan,

Eenmaal, eenmaal, eenmaal moet ze ondergaan,

Moet ze ondergaan,

Omdat het steeds zo is gegaan.

Heus het is waar, geloof het maar,

Trek ik m' er dan ook niets van aan

Heus het is waar, reken maar !

De zon mag aan de hemel staan,

Eenmaal, eenmaal, eenmaal moet ze ondergaan,

Moet ze ondergaan !

 

Eeuwenlang draait er de wereld in 't rond,

En als je 't niet wil geloven,

Volg dan m'n raad en dan weet je 't terstond,

Kijk naar het zonnetje boven !

 

Refrein

 

Als je je meisje een zoen geven wil,

En ze durft niet om de buren,

Omdat het dag is, kom, hou je maar stil,

Daglicht kan niet eeuwig duren !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De Zuidenwind waait

(Ned. tekst: Jan Remo - van Oledo/ uitvoering: Winnie Dobber, Bert Visser en Accordelola)

(met dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)

Een hart is gevangen

Het droomt van de tijd van weleer.

Het klopt van verlangen,

Doch wat is geweest komt, nooit weer.

De Zuidenwind waait

En een chaucho die staat op de Sierra

Zijn hart is gevangen

Het klopt van verlangen

Hoe groen is het dal,

Bloemengeur overal op de Sierra

Doch geen van z'n dromen

Zijn ooit uit gekomen

Van ver klinkt er een lied uit oude tijden

Hoe mooi het leven eens was

De Zuidenwind waait

En een chaucho die staat op de Sierra

Zijn hart is gevangen,

Het klopt van verlangen.

 

Terug naar overzicht

De zwarte fabriek

(met dank aan Frans Pennings voor het sturen van de tekst)

Hij had er jaren zo moedig gezwoegd.

De tijd heeft zijn voorhoofd in groeve geploegd,

maar jong bleef zijn hart vol werklust zijn lijf

en wat hij verdiende dat was voor zijn wijf.

Hij stookte ’t vuur het gloeiende vuur,

het vuur van de zwarte fabriek.

 

Hij had er een jongen, daar hield hij zo van,

daar zou hij van maken een pracht van een man.

Zijn wijf en zijn jongen, zijn jongen, zijn wijf.

Voor hen klopte zijn hart en zwoegde zijn lijf.

 

Nu stond hij daar voor zijn oven zoo heet.

Daar heeft hij vaak prachtige plannen gesmeed.

Dan vond hij het leven zoo wonderlijk schoon

en werkte met lust voor zijn wijf en zijn zoon.

 

Zijn vrouw is gestorven, zijn opperbest wijf.

Het stralende harte het pralende lijf.

Toen is er een schok door zijn leven gegaan,

toen heeft hij met smart voor zijn oven gestaan.

 

De tijd heeft wel langzaam de wonde geheeld,

een enkel geluk hield zijn harte omstreelt.

Zijn zoon groeide op tot een pracht van een man.

Zijn jongen zijn alles, daar hield hij zo van.

 

De oorlog brak uit oh wat smartelijk en wee.

Zijn jongen zijn alles zijn enigst moest mee.

Nu was hij zo angstig hij beefde er van,

nu duurde de tijd voor zijn oven zo lang.

 

Eens stond hij daar bij zijn oven op wacht.

Dan heeft hij zoo vaak aan zijn jongen gedacht.

Hij was steeds zoo bang dat ’t kwam, dat ’t kwam.

Toen is gekomen het doods telegram

Hij kreunde voor ’t grijzende vuur.

Het vuur van de zwarte fabriek

 

Terug naar overzicht

De zwerver

(wijs: Moeder ik kan je niet missen)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Als een zwerver loopt hij langs de straat,

Door regen en door wind.

Als dat zijn lieve Moeder zag,

Van haar zoo'n innig kind.

Zijn moeder was reeds jaren dood,

Gestorven van ellend',

Omdat haar man haar achterliet,

En met een ander is weggesneld.

 

Refrein:

Moeder ik kan je niet missen,

Ik zwerf eenzaam langs de straat.

Daarom zing ik deze coupletten,

Voordat ik ten gronde gaat.

Werk is er nu niet te vinden,

Wel toen ik u nog bezat.

Wist ik maar wat het einde was,

Of dat ik u nog bezat.

 

Ik herinner mij nog goed den tijd,

Toen u leefde op d' aard

En ik het bij u gezellig vond,

Met ons tweeën bij de haard.

Mijn vader, die beminde ik niet,

U weet toch wel waarom ?

Omdat hij ons in eens verliet,

En u ten gronde gong.

 

Refrein:

Moeder kon u dat maar hooren,

Ik zing het hier op u graf

En waar mij geen mensch kan storen,

En ik dat zingen mag.

Het liefste van mijn verlangen

Was, dat u nog bestond,

Klemde me vast aan u teeder hart,

En ik leed dan niet dezen smart.

 

De tranen loopen langs mijn wang,

Terwijl ik dat liedje zing,

De nachten maken mij steeds bang,

Als ik denk, dat u verging.

Ik schreeuw mijn leed aan ieder toe,

Aan die het hooren wil,

Dan zijn mijn smarten wat verlicht,

Dat is mijn laatste wil.

 

Refrein:

Moeder ik ga u nu groeten,

Ik ga nu weer van u heen,

Vader zal er ook wel voor boeten,

Aan het geen hij u misdeen.

Maar iederen Zondagmorgen,

Loop ik naar u op een draf

En zing ik deze coupletten,

Op uw zoo'n eenzaam graf.

 

Terug naar overzicht

De zwerver

(met dank aan Frans Pennings voor het sturen van de tekst)

Reizen en trekken langs berg en dal

Zwerven, ach zwerven haast overal

Immer  maar voortgaan het land door alleen

Nergens lang toeven gekend iedereen

Geen standplaats, geen vrouwtje wat mijn hartje bekoort

Het is altijd maar zwerven rusteloos voort

Ik blijf zonder zorgen bij spel en gezang

Gevoel ik mijn grimweg  of duurt dat niet lang

Ik ben zonder zorgen

Ik ben maar en zwerver door niemand gekend

Een reizende zanger geen rust gewend

 

Speel ik mijn wijsje zing ik mijn lied

Ik wordt door menig jong meisje van verre bespied

Ik drukte zo gaarne een aan het gemoed

En kuste haar kersrode lippen zo zoet

Voor menigeen klopte het harte zoo warm

Of wil zij ontvlieden mij in mijn arm

Dan zeg ik heel zachtjes ach wees maar niet bang

Hoor naar mijn bede, spel en gezang

De eenzame zwerver geleid door een hand

De zangers zij komen uit verre land

 

Eindigt mijn loopbaan straks hier beneên

Verlangen met vreugde de weg hier naar heen

En vraagt nu den zwerver naar zijn bestaan

Zoo vangen wij met vreugde de laatste reis aan

De hemelsche poorten zij worden naar genâ

Zij werden met vreugde open gedaan

Dan vraagt men de zwerver wat is uwe wensch

Dan antwoord ik zuchtend een rustzoekend mensch

Ik ben maar een zwerver door niemand gekend

Een reizende zanger geen rust gewend

 

Terug naar overzicht

Den dag dat ik geboren ben

(met dank aan Marlie voor het sturen van de tekst)

Den dag dat ik geboren werd
Toen ik ter wereld kwam

En toen papaatje mij alzo
In zijne armen nam
Eerst gaf hij mij een zoen
En toen smeet hij mij op bed
Omdat ik draaide op zijn jas
'Ne bruinen omelet

 

Refrein:

En vinde gè dat kadee
En vinde gè dat kado
En vinde gè dat niet aardig
En die dag vergeet ik nooit
Nee nooit

 

Den dag dat ik gedoopt werd
Vergeet ik ook niet licht
Toen heerom zei: wat heeft dat kind
Toch voor een raar gezicht
Geen ogen en geen neus
En ik staoi ervan gebommerdeerd
'k Riep: ach pastoortje doop me niet
Want ze hebben me glad verkeerd

 

Refrein

 

Dat ik moest leren lopen
Dat ging niet al te glad
'k Viel dikwijls van m'n sokken
En altoos op m'n gat
En ze raopte me dan weer op
En ik brulde als 'ne beer
En dan zoende mijn moeder mij zo gauw
En dat doet ze me nou niet meer

 

Refrein

 

Den dag dat ik de broek aankreeg
Vergeet ik ook niet licht
Van voren was ze open
Van achteren was ze dicht
En ik trok ze verkeerd al aan
En 't was zo'n lastig ding
En ik wist niet of ik binnen kwam
Ofwel de deur uitging

 

Refrein

 

Den dag dat ik naar school toe moest
Vergeet ik ook niet licht
Ik dee er niks as blètere
En daarvan kreeg ik een scheef gezicht
En moeder zei: zo'nen deugeniet
Heb ik ook nog nooit gehad
En ze maokte m'n broekske los
En toen kreeg ik voor me gat

 

Refrein

 

Den dag dat ik mijn kommunie dee
Die vergeet ik nooit
En ik kreg een hoedje op
En dat stond me toch zo mooi
En ook een lange broek aon
En 'ne slip in mijne jes
En een takske op mijn borst
En zo was ik ........

 

Refrein

 

En den dag dat ik gekeurd werd
Vergeet ik ook niet licht
Ik werd er afgekeurd
Al voor me lelijk gezicht
En voor m'n kromme benen
Ja vrienden ge weet het wel
'k Ben niet om soldaot te worre
Maar om te trouwen wel

 

Refrein

 

En den dag dat ik getrouwd ben
Vergeet ik ook niet licht
Ik trouwde mee 'n mèske
Mee 'nen bochel èn 'n scheef gezicht
En z'had nogal wat centen
Maar trouwen is bedrog
De centen zijn verzopen
En de bochel is er nog

 

Refrein

 

Den dag dat ik begraven ben
Toen was er grote feest
Mijn vrienden en mijn kennissen
Zijn nog nooit zo zat geweest
Ik daalde in de put
Zij zongen saam in koor:
Onze Flip was wel 'ne goeie
Maar nu is hij er vandoor

 

Terug naar overzicht

Denk je nog aan mij

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

In een slop van zonde en schande

In een hel van wroeging en smart

Denk ik aan jou die me hier deed belanden

Jij die de doornen dreef in mijn hart

Denk je nog aan mij in je weelde

Denk je nog aan mij in mijn slop

Mij waar je eenmaal een poosje mee speelde

Als een kind met haar lievelingspop

Maar toen al mijn zoenen jou verveelde

Nam je weer een nieuwe mooie pop

Denk je nog aan mij in je weelde

Denk je nog aan mij in mijn slop

 

Als een wrak, een schim uit 't verleden

Loop ik nu door een donkere straat

Wordt door mijn eigen zusters gemeden

Wordt door mijn eigen broeder gehaat

Denk je nog aan mij in je weelde

Denk je nog aan mij in mijn slop

Mij waar je eenmaal een poosje mee speelde

Als een kind met haar lievelingspop

Maar toen al mijn zoenen jou verveelde

Nam je weer een nieuwe mooie pop

Denk je nog aan mij in je weelde

Denk je nog aan mij in mijn slop

 

Terug naar overzicht

Derby marsch

(tekst: Hans de Regt/muziek: Willy Derby)

't Is een pan, man zwijg d'r van

Hier op de wereldbol

D'een klaagt zich naar,  die doet weer naar

Of wordt van liefde dol

D'een, wat verdriet, die gaat failliet

Wordt mager van chagerijn

Maar ik weet voor al die zwarigheden hier een medicijn

 

Willy Derby is het beste medicijn

Al zingt ie even maar een mop, dan kikker je al op

Willy Derby maakt je beter zonder pijn,

Want als je eens goed lachen wil dan moet je bij hem zijn

 

Want hij weet toch altijd er het leven in te houwen

En hij waarschuwt wie vrijt voor de meisjes en de vrouwen

Dan weer gaat ie op stap met een meisje in een laantje

En verklapt in zijn lied wat gebeurde bij het maantje

Maar pas op, zoo'n aardigheid daarvan krijg je later spijt

't Was alleen, wat gemeen, een motief voor een nieuw liedje, beste meid

 

Willy, zing maar je lied

Nog voor ons hier menig jaartje

En vertel ons nog veel van het looze ooievaartje

Help ons allen maar goed om de zorgen te verdrijven

Want in Holland zal jij de geliefde zanger blijven

 

Terug naar overzicht

Deserteur

(Eerste Wereldoorlog 1914-1918, Duitse soldaat deserteert)

(met dank aan Wim van Rijn voor het sturen van de tekst)

Hij had aan 't Westelijk front gestaan,

De wrede vuurdoop ondergaan, bedekt met wonden.

Hij had gestreden als een held,

En werd des avonds op het veld,

Halfdood gevonden.

 

Soldaten van het Rode Kruis,

Brachten hem naar een ziekenhuis, om te genezen.

Daar lag hij maanden in 't verband,

En kon hij 's avonds in de krant,

Van de oorlog lezen.

 

Toen hij weer wat was opgeknapt,

Zijn wonden weer wat opgelapt, hij weer kon lopen.

Toen vroeg men niet of hij wel wou,

Naar Rusland in de felle kou,

Zijn leven slopen.

 

Was 't wonder toen de tijding kwam:

"Naar 't front", dat hij 't besluit maar nam, te deserteren.

't Is Keizers zijn belang naar ik gis,

Geef Keizer wat des Keizers is,

Ik groet de heren.

 

Toen hij dicht bij de grenzen was,

Nam hij de kruisen van zijn jas, als loon gekregen.

Hij sprak: "Wat heb ik daar nou aan,"

En heeft, waar hij 't geweer liet staan,

Ze neergelegen.

Hij nam zijn bundeltje ter hand,

Keek nog heel lang naar 't vaderland, toen hij zich wendde.

Blonk er een traan in 't droevig oog,

Toen ging hij fier het hoofd omhoog,

Naar 't onbekende.

 

Terug naar overzicht

Deuren dicht

(tekst: Bart Ekkers / muziek: Freb Ebb en Paul Klein)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

'k Zat rustig voor mijn venster, ineens gaf ik een gil,

Want dáár zag ik ze komen, mijn hart stond bijna stil.

Het waren er wel duizend, ik brulde: "dat's niet pluis !

Dáár komen ze, dáár komen ze ! Pas op, blijf binnenshuis !"

 

Refrein:

Deuren dicht ! Ze komen door het venster.

Deuren dicht ! Ze zijn al in de hal.

Deuren dicht ! Daar gaan ze al de trap op !

Die brrrrrrr zijn overal !

 

Ik rende  naar de gangkast en greep een eindje hout,

En als er eentje langs kwam, dan tikte 'k hem knock-out.

Ik sloeg er per seconde gemiddeld twintig neer.

Ik gaf ze flink van Jetje, maar er kwamen er steeds meer.

 

Refrein

 

Ze kwamen in de keuken, ze kropen in mijn bed.

Ze drongen in de kelder, ik staakte mijn verzet.

Ze waren niet te stuiten, mijn weerstand had geen zin,

Ik zat er in een ommezien tot aan m'n knieën in.

 

Refrein

 

Ze zetten 't huis op stelten en gingen bar tekeer.

Toen zijn ze weer verdwenen, 'k vergeet het nimmer meer.

Ik hoop, dat die-je-weet-wel voorgoed zijn weggegaan.

(Wat hoor ik daar ? Wat hoor ik daar ?) Dáár komen ze weer aan !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Die dag vergeet ik nooit

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

De dag dat ik werd geboren,

En ik ter wereld kwam,

En toen papa mij zoo zijn armen nam

Eerst gaf hij mij een zoen,

Toen smeet hij me weer op bed,

Omdat ik draaide op zijn jas

Een bruine omelet.

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet aardig ?

Die dag vergeet ik nooit, neen nooit.

 

De dag dat ik gedoopt werd,

Vergeet ik ook niet licht,

Heeroom die sprak : ,,Wat heeft dat kind

Toch voor een raar gezicht !

Geen oogen en geen neus,

Ik sta verbouwereerd",

Maar ik riep : ,,Ach heertje doop mij niet

Want je heb me glad verkeerd."

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet aardig ?

Die dag vergeet ik nooit, neen nooit.

 

En toen men mij omdraaide,

Toen klonk er luid gelach,

Toen men inplaats mijn botjes,

Mijn aardig snoetje zag.

Toen werd ik gauw gedoopt,

't Gebeurde in een wip,

Een emmer water op mijn kop,

En de mooie naam van Flip.

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet aardig ?

Die dag vergeet ik nooit, neen nooit.

 

Tien moest ik leeren loopen,

Dat ging me vast niet glad,

'k Viel altijd van de sokken,

Maar dikwijls op mijn gat.

Mijn moeder nam me op,

Ik brulde als een beer.

Dan zoende ze me op een plaats,

Daar doet ze 't nu niet meer.

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet aardig ?

Die dag vergeet ik nooit, neen nooit.

 

Den dag dat ik de broek aankreeg,

Vergeet ik ook niet licht,

Van achter was die open,

Maar van voren was ie dicht.

Ik trok verkeerd hem aan,

Dat was een lastig ding,

Dan wist ik niet of ik thuis kwam

Of wel de deur uitging.

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet kedin ?

En vindt je dat niet aardig ?

Die dag vergeet ik nooit, neen nooit.

 

Terug naar overzicht

Die vieze hond

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Toen Marietje uit de school kwam

Hupplend vol van dartelheid

Zaten pa en ma te wachten

Op hun lieve kleine meid

Toen Marietje uit de school kwam

Zag ze opeens een vieze hond

Die ze met haar handjes streelden

Vrienden waren zij terstond

 

Toen Marietje toen naar huis ging

Liep de hond vanzelf mee

Vader joeg hem gauw de deur uit

Omdat hij op de grond iets dee

Op het huilen van Marietje

Mocht de hond er in terstond

Vader knorde op Marietje

Wat heb je aan zo'n vieze hond

 

Op een koude winteravond

Werd moeders lieve kleine schat

Bewusteloos naar huis gedragen

En al haar kleertjes waren nat

Wie moet ik daar voor bedanken

Vroeg het ouderpaar terstond

En de mensen wezen allen

Op die vuile vieze hond.

 

Marietje kon niet meer genezen

Moeders lieve schat ging dood

Spoorloos was de hond verdwenen

Toen Marietjes leven vlood

Komen nu de ouders 's zondags

Bij het oude plekje grond

Waar Marietje ligt begraven

Dan zit daar steeds die vieze hond

 

Terug naar overzicht

Diep in mijn hart

(tekst: Joop van de Marel/muziek: J. Valkhof/uitvoering: Jan de Vries en Dick Willebrandts Band)

Diep in mijn hart

Kan ik niet boos zijn op jou

Blijf ik je toch altijd trouw

Dat mag je heus wel weten

Diep in mijn hart

Is er maar een, dat ben jij

Jij bent toch alles voor mij

Zul jij dat nooit vergeten

Want jij bent heus niet slecht

Wat ook een ander van je zegt

Lieveling denk toch eens aan

Samen door het leven te gaan

Draag dan je liefde voortaan

Diep in mijn hart

 

Wat een ander van jou zegt

Kan mij niet schelen

Laat ze maar praten

Ik trek mij er niets van aan

Want een misstap, dat weet ik

Maken zo velen

Haast ieder mens heeft eens

Een fout begaan

 

Want jij bent heus niet slecht

Wat ook een ander van je zegt

Lieveling denk toch eens aan

Samen door het leven te gaan

Draag dan je liefde voortaan

Diep in mijn hart

Diep in mijn hart

 

Terug naar overzicht

Dixieland

(teks: Pierre Wijnobel/muziek: Edw Kid Org/uitvoering o.a.: The Butterflies)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Op zaterdagmiddags zijn we allemaal blij

Want dan is weer een week van blokken voorbij

Twee uur precies komen mijn vrienden bij mij

En dan gaan we flink eens repeteren.

Wij hebben namelijk een jongensorkest

En wij doen allemaal geweldig ons best

Het is een orkest van een man of zes

Wij spelen enkel dixieland-jazz.

 

Refrein:

Want wij zijn stapelgek op dixieland

Spelen wij een goede dixieland

Dan zijn wij pas in ons element

En voor ons geen bop of cool

Alleen maar dixieland

Alle andere muziek is goed

Wanneer je tachtig bent

Maar nu alleen maar dixieland.

 

Het beste van allen is de klarinettist

Steengoed in spellen, onze saxofonist

Nimmer heeft hij een enkel nootje gemist

En de pianist dat is een keizer

Als de trompet een solo improviseert

Gaat het af en toe wel eens een beetje verkeerd

Meesterlijk spel van de drummerman

Maar dat geen mens het horen kan

 

Refrein

 

Maar nu alleen maar dixieland.

 

Terug naar overzicht

Doctor IJzerbaard

(19-de eeuwse vertaling Ich bin Doktor IJsenbart, beroemde Duitse kwakzalver)

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Ik ben de doctor IJzerbaard

Genees elke ziekte naar zijn aard

Ik maak de blinden 't lopen licht

En geef aan lammen het gezicht

Tratlalalala

 

Te Potsdam temporeerde ik

De kok van grote Frederik (1)

Eerst schroefde ik hem naar mijn zin

En drukte hem toen de hersens in

Tralalalala

 

Te Ulm genas ik ook een man

Dat 't bloed hem uit zijn tenen kwam

Ik vaccineerde hem met een spit

Dat hem nog in zijn ribben zit

Tralalalala

 

Er had een man in Langerfals

Een kropgezwel aan zijne hals

Ik trok het met een hooitouw dicht

Probatum wierd zijn pijn verlicht

Tralalalala

 

De kosterszoon uit Didelum

Gaf ik wel tien pond opium

Hij sliep wel zes jaar achtereen

En nog verroert hij zelf geen been

Tralalalala

 

Te Jena haalde ik een wijf

Zes molenstenen uit haar lijf

Toen zat er nog één ruim zo groot

Maar deze steen was juist haar dood

Tralalalala

 

Mijn kunst gaat zeker en gewis

Ik weet toch dat er niemand is

Voor wie mijn hersens stonden pal

Of die 't ooit navertellen zal

Tralalalala

 

Ik zweer U bij mijn doctorshoed

Smaakt U het leven niet te zoet

Een pil van mijne IJzerbaard

Verhuist U dadelijk van deez' aard'

Tralalalala.

 

(1) = de neus van Frederik de grote

 

Terug naar overzicht

Doe mee aan de opbouw

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een veerkrachtig volk denkt aan de toekomst,

Zit niet met zijn handen in zijn schoot.

Het gezond verstand doet het beseffen,

Dat slechts daden lenigen den nood.

Laten wij daarom door stoeren arbeid,

Toonen wat ons kleine land vermag.

Dan eerst kan de toekomst hoopvol wezen,

Zien wij in 't verschiet een nieuwen dag.

 

Refrein:

Doe aan den opbouw mee,

Praat niet, maar werk voor twee,

Help met vereende kracht,

Aan den opbouw van Nederland,

Eendracht maakt Macht.

 Doe aan den opbouw mee,

Praat niet, maar werk voor twee,

 Doe het met een blij gezicht,

Zooveel je kan, het is je plicht.

 

Allen nu voor één en één voor allen,

Geen geschillen moeten er meer zijn.

Laten we voortaan in goed vertrouwen,

Samen werken in de groote lijn.

Al dat krenterig  ge-piete-peuter,

Remde reeds te lang ons volksbestaan.

Vlugger hand'len dat zij onze leuze,

Snelle hulp is dubb'le, denk daaraan.

 

Refrein

 

't Leed van velen onzer, te verzachten,

Is de eerste plicht die dient vervuld.

Allen moeten wij een offer brengen,

Achterblijvers worden niet geduld.

Dus met inzet van ons heele wezen,

Stellen wij aan laksheid paal en perk.

Als uit puin de steden zijn herrezen,

Roepen wij vol trots: „Dat is ons werk" !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Doe 't maar in een emmertje

(uitvoering: The Lighttown skiffle group)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Wij spelen en we zingen veel
Dat zit ons in het bloed
En als wij eerst wat drinken
Dan gaat het team zo goed
Maar drinken uit een glaasje
Dat vinden wij niet fijn
En daarom is ons lijflied steeds
Het volgende refrein:

 

Refrein:
Heej
Doe 't maar in een emmertje
Doe 't maar in een teil
Wij spelen dan een ritme
En zingen onderwijl
Wij drinken nooit uit glaasjes
Dat is beneden peil
Doe 't maar in een emmertje
Doe 't maar in een teil

 

 

Wij speelden voor de meisjesschool
En hadden reuze lol
We werden op en top verwend
En kregen vruchtenbowl
Maar na een uurtje skiffelen
Zong heel het internaat
Uit volle borst ons lijflied mee
En luister hoe dat gaat:

 

Refrein

 

De juffrouw uit de hoogste klas
Die viel ons reuze mee
Zij vroeg ons later heus 't is waar
Apart nog op de thee
Maar na een uurtje babbelen
In haar chambre separee
Zong zij toen zachtjes voor zich heen
het lijflied met ons mee:

 

Refrein

 

Jaaaa

Kom op, jongens
Yeayeayeayeayeah

 

Refrein

 

Nououououou

 

Refrein

 

 

Terug naar overzicht

Dokter Grijzenbaard

(Uit: De Vlaamsche Zanger 3e deel)

(met dank aan Kees Veltman voor het sturen van de tekst)

Ik ben dokter Grijzenbaard,

Wize, wize wis bom bom.

‘k Genees de ziekten alleraard.

Wize wize wis bom bom.

‘k Kan maken dat de doove gaat
En dat de lamme mij verstaat.

 

Refrein:

Lirom larom lepelsteel,

Wize, wize wis bom bom.

Victoria! Victoria !

Wize, wize wis bom bom fallera.

Victoria ! Victoria !

Wize, wize wis bom bom.

 

Den Hannenuit van Daedeldom,

Wize, wize wis bom bom.

Gaf ik een heel pond opium.

Wize, wize wis bom bom.

Hij is daarvan in slaap geraakt,
En tot nu toe nog niet ontwaakt.

 

Refrein

 

Den goeden hoofdman van der Vorst,

Wize, wize wis bom bom.

Nam ik drie bommen uit zijn borst.

Wize, wize wis bom bom.

Hij stierf ervan op korten tijd,

Maar ook, hij was de schelmen kwijt.

 

Refrein

 

Te Brussel had ik een kalant,

Wize, wize wis bom bom.

Die klaagde van een hollen tand,

Wize, wize wis bom bom.

Ik schoot hem uit met mijn geweer:

Nu klaagt hij van geen tandpijn meer.

 

Refrein

 

Ik geef zelfs brillen voor ’t gehoor,

Wize, wize wis bom bom.

Echt glas, ik sta daar borge voor.

Wize, wize wis bom bom.

Dat mijne kunst effecten doet,

Dit zweer ik bij mijn dokterhoed

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Dominees preek

(Eduard Jacobs 1868-1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

De dominee had mooi gesproken
Zo had men hem nog nooit gehoord
De vrome schaar zat neergedoken
Te luist'ren naar zijn zalvend woord
Hij sprak van armoe en ontbering
Die in de winter wordt geleen
En gaf ten slotte deze lering
Ter overpeinzing aan elkeen

"Als gij bezoek krijgt van een arme
Ach, weiger hem geen stukje brood
Toon hem uw meelij en erbarmen
En lenig toch zijn bitt're nood
Hebt gij twee warme overjassen
Die draagt ge allebei toch niet
Laat hem er dus maar een van passen
Als gij hem huiv'rend lopen ziet"


De preek was uit, de vrome schare
Verliet gesticht het kerkgebouw
Bij dominees gehoor ook waren
Zijn schoonmama en ook z'n vrouw
"Och, och, wat kan hij prachtig spreken"
Zei schoonmama, "die beste man
Hij zou het hart je bijna breken
Zo hij de armoe schild'ren kan"

 

Zo keuvelden de vrouwen samen
En kwamen blijgemoed weer thuis
Maar toen zij aan haar woning kwamen
Stond juist een beed'laar voor het huis
Hij rilde over al zijn leden
Want hij had haast geen kleren aan
Mevrouw zei: "Vrind, wacht hier beneden

Ik zal eens voor je kijken gaan"

 

 

Zij kwam terug en hield op d' armen
Een dikgevoerde winterjas
"Hier", zei ze, "die zal u verwarmen
Hij komt met zulke kou van pas"
De beed'laar dankte duizend keren
En scheen er heus verlegen mee
Ze zei: "Je moet je niet generen
Want dominee die heeft er twee"


Toen dominee was thuisgekomen
Zag hij bij schoonmama en vrouw
De tranen in de ogen komen
Hij vroeg wat dat beteek'nen zou
Zijn vrouwtje kon bijna niet spreken
Maar eind'lijk zei ze: "Beste man
Je kunt toch ook zo prachtig preken
Dat treft me meer dan 'k zeggen kan


En om je een bewijs te geven
Dat je bepaald niet had ver
wacht
Je predikatie van zoëven
Heb ik al in praktijk gebracht"
Toen zij hem daarop uit ging leggen
Wat zij deed voor die arme man
Wist dominee niet wat te zeggen
Hij stond eenvoudig paf ervan


Hij liep de trappen op naar boven
Hij wilde zien of 't waarheid was
Maar toen moest hij 't wel geloven
Het was zijn beste winterjas
Hij trilde over al zijn vezels
En woedend riep hij tot zijn vrouw
"Ik preek wel voor die boeren-ezels
Maar om de bliksem niet voor jou !"

 

Terug naar overzicht

Domino

(uitvoering: Winny Dobber m. Accordeola olv. Jan Gorissen)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Domino, Domino,

Met jou beeltenis in mijn gedachten

Domino, Domino,

Zal ik altijd op jouw blijven wachten.

Ik hou steeds van jou,

Blijf je altijd trouw,

Ach mijn hart klopt toch zo,

Ik  verlang zo naar jou Domino.

 

Jij sprak honderden malen van spijt en berouw

En ik dacht altijd nog dat het goed komen zou.

Maar je kuren bleven duren

En m’n hartje deed dan pijn.

Dan vertelde je dat je het nooit meer zou doen

En je troostte me dan met een lach en een zoen.

Heel m’n leven wil ik geven,

Altijd samen met je zijn.

 

Refrein

 

Refrein: instrumentaal

 

Refrein

 

Domino, ben je zo

Oh mijn Domino.

 

Terug naar overzicht

Donkere wolken, die verdwijnen

(Willy Derby)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

't Oude spreekwoord zegt: Volmaakt is niets op aarde

Toch heeft alles op aarde waarde

Tegenslagen zijn er om ze te overwinnen

Dus weet, voordat je met klagen gaat beginnen

 

Refrein:

Donkere wolken, die verdwijnen

Eenmaal zal de zon weer schijnen

Wie de moed verliest en kniest heeft later spijt

Blijf vol hoop naar 't betere streven

Wie geen moed heeft om te leven

Is maar laf en wordt hier oud, lang voor z'n tijd

Zie de bloemen met haar kleuren

Schitterend fleuren, zalig geuren en je leeft tot elke prijs

Leer de liefde eenmaal kennen

Je door kussen hier verwennen

D' aarde wordt een paradijs

Donkere wolken, die verdwijnen

Eenmaal zal de zon weer schijnen

't Oude lied, een blijde lach voor elke dag

 

Wat je zonder strijd bereikt, dat is een verzoening

Geeft geen mens naar z'n wens voldoening

Juist de zorgen en de strijd, om hier te leven

Geeft je energie om steeds te blijven streven

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Donna Ria

(Tekst/muziek: Frans Poptie/Eddy Christiani/Henri d'Albert/uitvoering: Eddy Christiani)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Op een van m'n reizen door het Spaanse land
Zag ik Donna Ria, donker en charmant
Ik sprak tot haar: "M'n schone, wil de mijne zijn
Ik dans met jou een Samba en drink Spaanse wijn"

Refrein:
Mooie signorita, Donna Ria mijn
Ik wil je caballero, je torero zijn
Zing voor mij een liedje, dans me nog wat voor
Dan word ik, geloof me, je trouwe picador
Ai ai ai, ai ai ai, ai ai ai, ai ai ai
Ai ai ai, ai ai ai, ai ai ai, ai ai ai

Toen sprak Donna Ria, vol gevoel en zacht:
"Leidsekaas torero, heb je moed en kracht
Nou, dood in de arena deze woeste stier
Ik schenk je dan mijn hartje en mijn liefde hier"

Refrein

Ik keek naar mijn Donna, vol van liefdevuur
Maar toen ik de stier zag, wist ik 't secuur
Ik pakte vlug mijn biezen, zei: "Donna Ria mijn
Die grote stier, caramba, moest een maat kleiner zijn"

Refrein

Donna Ria !

 

Terug naar overzicht

Dood water

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

De vloot van de vissers ligt stil, vaart niet uit,

't Is stil in 't dorpje aan zee.

Droef staart de vissersman naast zijn schuit,

Die telt nu niet meer mee.

 

Refrein:

Reeds sinds vele jaren, gaf de zee hun 't brood.

Trotseerden zij de gevaren, met 'n vaak wrakke boot.

Arme, stoere visser, op de zee gegroeid,

Hun goud der zee, wordt uitgeroeid.

Dat is visserswee.

 

In vroeger jaren stond heel Volendam,

Bij 't uitgaan der vissers aan zee.

Wisten zij als de vloot wederkwam,

Brachten zij 't zeebanket mee.

 

Refrein

De visser die vroeger zijn brood had op zee,

Loopt nu naar een stempellokaal,

Zijn botter ligt stil en verlaten aan zee,

Dat is een groot schandaal.

 

Refrein

 

't Is uit voor jou visser, gedaan beste maat,

Jou vak is nu ook aan de kant,

Jij bent overbodig.... dus ook maar op straat,

Dat is de dank van 't land !!!

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Door de nacht klinkt een lied

(tekst en muziek: Jack Bulterman/uitvoering: The Ramblers)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Door de nacht klinkt een lied,
het ruist door de bomen,
en ik sta te dromen van jou.
Door de nacht klinkt een lied,
het komt door het duister,
en zacht klinkt het gefluister,
ik hou van jou,

Slechts voor jou klinkt het lied,
mijzelf wil ik geven,
toe schakel ons leven aaneen.
Het lied in de nacht,
heeft wondere macht,
het lied klinkt voor jou alleen.

De bomen zingen zacht een lied
in de stille nacht.
Ze hebben deze melodie,
slechts voor jou bedacht.
En zachtjes zweeft het wijsje
langs je heen,
De woorden van het lied
ken jij alleen.

Door de nacht klinkt een lied,
het ruist door de bomen,
en ik sta te dromen van jou.
Door de nacht klinkt een lied,
het komt door het duister,
en zacht klinkt het gefluister,
ik hou van jou.

Slechts voor jou klinkt het lied,
mijzelf wil ik geven,
toe schakel ons leven aaneen.
Het lied in de nacht,
heeft wondere macht,
het lied klinkt voor jou alleen.

 

Terug naar overzicht

Draadloos telegrafeeren

(met dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst)

Het mooiste wat ik vind op aarde,

Waar ik ook om mij henen zie,

Dat is het idee van Marconi,

Draadlooze tel'grafie,

Men seint zonder draad,

Vanuit d' eene staat,

Met 't grootste gemak naar den ander,

Ja, zelfs over zee,

Welk pracht idee,

Daar telegrafeert men elkander,

O, Marconi, wat hebt ge ons gegeven,

Uwe kunst wordt ook toegepast,

In het dagelijks leven,

Iedereen, ja alle Dames en Heeren,

Doen in 't dagelijksch leven vast,

Aan 't dradeloos telegrafeeren.

 

Een jongeling zat aan een soupeetje,

En hij had tot zijn overbuur,

Een hemelsschoon meisje, natuurlijk,

Stond zijn hart dra in vuur,

Maar vlak naast de maagd,

Zat haar tante Aagt,

Doch dat kon de jongeling niet deren,

Hij zocht met zijn voet,

Haar teentjes heel zoet,

Om 't meisje te telegrafeeren,

En terwijl hij op haar voet meende te trappen,

Springt opeens Tante Aagt omhoog,

Schreeuwt, dat laat 'k me niet lappen,

Zestig jaar ben ik met God en met eere,

En die vent zit op mijn eksteroog,

Draadloos te telegrafeeren.

 

Twee vrienden geraakten aan 't twisten,

Want zij begrepen elkander niet recht,

En eer zij het zelve wisten,

Was de strijd reeds beslecht,

Ze gingen op straat,

En de eene vriend slaat,

De ander een paar blauwe oogen,

Maar deze dacht, ho,

Dat gaat maar niet zoo,

Dat kan ik van jou niet gedogen,

En voor dat nu de eerste wou gaan fietsen,

Kreeg hij eensklaps een watjekou,

Dat zijn neus op zijn wang kwam te zitten,

Uit was nu 't twisten, ze gingen elkander tracteeren,

Ach, je snapt toch elkaar zoo gouw,

Met dat draaloozen telegrafeeren.

 

Een heer loopt langs straat te wand'len,

En hij ziet aan de andere zij,

Een aardig jong meisje passeeren,

En denkt dat is iets voor mij,

Hij knijpt een oog dicht,

En denkt : zij snapt licht,

Mijn draadloos telegrafeeren,

Zij knikt dan van ja,

En even daarna,

Ziet men hen tezamen flaneeren,

Een jaar later gingen ze samen trouwen,

En thans ziet men den arme man,

Met een paar schreeuwertjes sjouwen,

Dertien kind'ren kregen die stakkers, ach Heere,

Dat zijn nu de gevolgen,

Van het draadloos telegrafeeren.

 

Terug naar overzicht

Drie nonnen zijne wij

(met dank aan Karel van de Pol voor het sturen van de tekst)

Drie zusjes zijne wij, en alle drie in 't klooster.

Eens was ons leven vrij, nu gaat het volgens rooster.

Wij zingen in het koor, en bidden rozenhoedjes,

En doen het kloosterwerk, met innig vrome snoetjes.

 

Refrein:

Ver zijn we vervlogen van dans en muziek.

Dat aardse gebeuzel dat maakte ons ziek.

En dan al die mannen, ze maken je dol.

Nu jaagt er niet een meer, ons hoofd op hol.

 

Geen Anny ben ik meer, ik heet nu Scharlegata,

Ik boen de reftervloer met Persil, Imi, Ata.

Ik open graag de deur, dat zal ik nooit verleren.

Maar ik schenk nog enkel thee, voor geestelijke heren.

 

Refrein

 

Greet is nu voorbij, ik heet nu Kusmadora.

Ik werk steeds in de tuin, verzorg de schone flora.

Ik denk wel eens o foei, aan al die mooie bloemen,

Die ik indertijd ontving, maar ik zal geen namen noemen.

 

Refrein

 

Alzoenda is mijn naam, voorheen toch was ik Thea.

Het zingen was mijn fort, en ik danste zonder weerga.

Dat nachtelijk gefuif, het kan me nog berouwen,

Had het langer nog geduurd, dan had ik moeten trouwen.

 

Refrein

 

Mijn broeder Jan dat wordt, een flinke missionaris.

't Is goed dat het met ons, nu voortaan geestelijk klaar is.

De pij bevalt ons best, het kapje staat ons netjes.

De kloosterlucht gaat ons, ver boven aardse pretjes.

 

Refrein

 

Daar gaat de kloosterbel, kom zusjes mee naar binnen.

De kloosterregel luidt, alla minuut beginnen.

We scharen ons en-queue, bij de andere zwarte zusjes.

Met heimwee in het hart, naar lang vervlogen kusjes.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Drinklied

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Ik heb met mijn vrienden een kroegje

Een huis van gemoedelijkheid

Daar komen we dikwijls tesamen

Da 's onze gezelligste tijd

De wereld stroomt over van zorgen

Wanneer men niet drinkt en niet zingt

't Is beter dat je in een glas pilsner

Je heel aardse zorgen verdrinkt

 

Refrein:

Drink, drink broederlijn drink

Schenk er de glazen maar vol

Drink, drink raak hem maar flink

Leve het bier en de lol

Zonder een biertje is 't leven zo zwaar

't Lijkt er zo donker op aard

Pikt er nog ééntje en dan nog een paar

Anders is 't leven niks waard

We drinken geen melk en geen fosco

Geen ranja limonade siroop

We zijn een strop voor de onthouders

We zijn liever blauw dan de knoop

De wereld stroomt over van zorgen

Wanneer men niet drinkt en niet zingt

't Is beter dat je in een glas pilsner

Je heel aardse zorgen verdrinkt

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Dronkaards kind

(uit de tijd van de drankbestrijding)

(met dank aan Dick Venema voor het sturen van de tekst)

Door een dronken vader mishandeld

Zat een bleek, aanvallig kind

Wenend in haar moeders armen

Door de moeder teer bemind

 

 

Moeder, sprak zij, moeder zouden

In der heem’len zonneschijn

Bij des Heren vriend’lijke eng’len

Ook jeneverhuizen zijn ?

 

 

Refrein:

Neen, o neen, mijn lief kind

In den hemel is geen verdriet

In den hemel zijn geen kroegen

En ook je dronken vader niet.

 

 

Moeder. sprak zij nogmaals weder

Is het zeker en gewis

Dat mijn vader daar niet mag komen

Omdat hij weer bezopen is ?

 

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Droomland

(uitvoering: Willy Derby 1934)

Heerlijk land van mijn dromen

Ergens hier ver vandaan

Waar ik zo graag wil komen

Daar waar geen zorgen bestaan

 

Droomland droomland

O ik verlang zo naar droomland

Daar heerst de vree

Ga met me mee

Samen naar 't heerlijke droomland

 

Zwerver gij vindt geen vrede

Zieke gij kent geen pijn

Daar word de strijd gestreden

Daar alle broeders toch zijn

 

Droomland droomland

O ik verlang zo naar droomland

Daar heerst steeds vree

Ga met mij mee

Samen naar 't heerlijke droomland

 

Terug naar overzicht

Droomwens (uitvoering De Selvera's)

Steeds als ik dit wijsje hoor,
Stel ik mij een meisje voor,
In een prachtig gewaad,
Van kant en brokaat,
Uit een tijd die niet meer bestaat.

Want ook ik zou, net als zij,
In een tijd reeds lang voorbij,
Willen wand'len op straat,
In kant en brokaat,
Niemand die zo'n droombeeld weerstaat.

Waar op aarde mensen zijn,
Zullen altijd wensen zijn,
Die met geduld pas worden vervuld.

Steeds als ik dit wijsje hoor,
Stel ik mij een meisje voor,
In een prachtig gewaad,
Van kant en brokaat,
Uit een tijd die niet meer bestaat.

Steeds als ik dit wijsje hoor,
Stel ik mij een meisje voor,
In een prachtig gewaad,
Van kant en brokaat,
Uit een tijd die niet meer bestaat.

 

Terug naar overzicht

Dubbele buitenbanden

(met dank aan Ally van Mourik voor het sturen van de tekst)

Ik heb een oude fiets met een dubbele band

En daar rijd ik mee door het ganse land .

Heb ik bandenpech nou dat hindert niet

Dubbele buitenbanden heb ik op mijn fiets

 

 Refrein:

Och ja, die buitenbanden zijn niet meer voor handen

Gebruik ze goed en houd ze uit de zon

Dubbele buitenbanden die zijn op de bon

Wilt u het ook proberen ‘k kan u garanderen

Dubbele buitenbanden ’t is een Duits patent

En een lijden zonder end.

 

Ik heb mijn fietsje laatst voor de deur laten staan

Zijn die dieven ermee vandoor gegaan.

Ik draai me eigen om en mijn fiets is weg

Dubbele buitenbanden wat een reuze pech.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht