Uit (groot)moeders tijd
De Hamburger kindermaker
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Of een grappig verhaal van een zekere
Jufvrouw, die geene Kinde van kon krijgen.
Een zeker heer die zijn vrouw bemind,
Maar noch zij had bij hem toch geen
kind.
Geen maal voorwaar die ging voorbij,
Had ik een kind, ja ik was zeer blij.
Wat raad genomen, hierop te komen,
Dacht eens deez' heer, hoor mijn
begeer.
Ach lieve vrouw ! sprak toen deez'
heer,
Ik zal u helpen tot u begeer.
Een heer, die men hier jaarlijks
vindt,
Die helpt de vrouw zeer gauw aan een
kind.
Ik zal hem bestellen, gij maar geld
tellen,
De vrouw schept moed, en zei dat is
goed.
De heer die ging naar zijn gezelschap,
En verhaalde daar ook deze grap.
Een heer die lag en keek zoo raar,
En dacht dat kansje dat neem ik gauw
waar.
Niet lang bezonnen, ik schep uit de
bronnen,
Toch geen gerucht, dit geeft een
klucht.
De andere morgen mijnheer die ging
uit,
Op schildwacht stond alreeds deez'
guit.
Hij schelde spoedig aan aan het huis,
Vroeg aan de meid is uw heer niet meer
thuis.
Zei zonder schroomen, ik moet hier
komen,
Maken gezwind, de juffrouw een kind.
Terug
naar overzicht
De
Heilsolddaat
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ze
kenden hem in alle kroegjes,
In ’t hartje van oud Amsterdam.
Ze noemden hem ‘hemel-dragonder’,
Waar hij nooit aanstoot aan nam.
En menige arreme donder
Die hij uit de goot heeft gehaald,
Een heilsoldaat met overuren,
Maar die hem nooit werden betaald.
Refrein:
Hij sjouwde van kroegie naar kroegie,
Al deden z’n voeten ook zeer.
En iedere klant, daaraan vroeg ie:
"Wilt u soms een Strijdkreet, meneer ?"
De meisjes bij vuurrode lampies,
Tot diep in de nacht voor het raam.
Hij heeft ze zien gaan en zien komen,
Hij kende de meeste bij naam.
En daar in die duistere kamer,
Waar eerst nog de prijs wordt bepaald,
Heeft hij ze verteld van de liefde,
Een liefde die niet wordt betaald.
Refrein
Maar
plots is hij niet meer verschenen,
Want onverwacht kreeg hij bevel.
Dat hij bij z’n baas zich moest melden,
Waar hij toen verscheen op appèl.
Daar hoefde hij niet meer te sjouwen,
Kroeg in en kroeg uit ’s avonds laat.
Daar heeft hij een lintje gekregen,
Het mooiste wat boven bestaat.
Refrein
Terug
naar overzicht
De hel
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Heel wat menschen zou ik wenschen
Naar een plaatsje in het vuur
Waar ze lekker kunnen braden
Lang nog na hun laatste uur
Wie schandalig en inhalig
Van de woeker winsten leeft
En geen hart meer voor het welzijn
Van zijn medemenschen heeft
Refrein:
Die komt in de hel in de hel in de hel
Die trekt aan de bel van de H.E.L.
Die komt in de hel in de hel in de hel
Die trekt aan de bel van de H.E.L.
Een minister niet van gister
Die straks voor een paar millioen
Voor z'n goeie beste vriendjes
In de olie wil gaan doen
Die maar kwanselt en verkanselt
Met een koninklijk gezicht
En de olie gaat verpatsen
Die er nog in Djambie ligt
Refrein
Die getrouwd is en zoo stout is
Om aan 't boemelen te gaan
Die de lieve blonde meisjes
Niet met rust kan laten gaan
Wie belasting laat betalen
Op sigaar en sigaret
Wie de katzier en de klaartjes
Op een kwartje heeft gezet
Refrein
Terug
naar overzicht
De
houten bank
(tekst: Wil Knipa/m uziek:
H. Seiffert/K. Haase)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
weet hier in ons mooie Limburgs landje,
Een
leuke, kleine, houten bank te staan.
Daar
zat ik menig uurtje handje in handje,
Daar
denk ik nu nog met vreugde aan.
Refrein:
Want
daar zat ik met het meisje van mijn dromen,
Stil
te vrijen in de maneschijn.
Als
we samen weer eens langs dat bankje komen,
Ach,
dan zou ik zo weer twintig willen zijn !
Ja,
ja,ja,ja,
Ach,
dan zou ik zo weer twintig willen zijn !
Met
haar heb ik er vaak en graag gezeten,
Stil
luist'rend naar een kleine nachtegaal.
Haar
kus deed mij de wereld soms vergeten,
Haar
lachen was gelijk een zonnestraal !
Refrein
Dat
meisje heb ik toen tot vrouw genomen,
Waarvoor
ik nu het toeval steeds nog dank.
Want
als ik naga hoe het is gekomen,
Dan
komt het door die kleine houten bank.
Refrein
Terug
naar overzicht
De IJsseldijk is een mooie
boot
(met
dank aan Moena de Koning voor het sturen van de tekst)
De IJsseldijk is een mooie boot
Palifoe
Van onderen blauw van boven rood
Palifoe
De kleur van de pijp is groen wit
groen
Je werkt je dood en je krijgt geen
poen
Inki pinki pali foe
Terug
naar overzicht
De jager en het herderinnetje
(met dank aan Staaf Baetens voor het sturen van de tekst)
'k Ging met een goed gedacht eens
spoedig op de jacht
'k Ging daar al in het groen een
wandelingsken doen
'k Liep daar al in het rond hoor wat
ik zingen vond
Een lieflijk gezang dat in mijn horen
klonk
Ja 't was een lieflijk herderinneken,
lag in de weide op hare zijde
Met hare schaapkens zeer verheugd van
zin zong zij het liedeke van zoete min (bis)
Daarop bleef ik stil staan, 'k hoorde
da liedeken aan
Toen de liefde mij overwon, van die
schone maagdeblom
Ik stak mij in het riet en dacht
ze ziet mij niet
Maar als ik vernam al tot haar groot
verdriet
Begaf ik mij langs de stille dreven 't
meisje verschrikte en was verlegen
Ik sprak haar aan toen de liefde mij
overwon ik ben de zoon van enen baron (bis)
Ik sprak: "Ach jonge meid als gij zo
triestig zijt
Hebt gij dan gene vriend die u oprecht
bemint ?
Als gij hem geerne ziet laat hem niet
in 't verdriet
O neen schoon herderinne ik geloof u
niet
Gij hoort eens naar mijn hert en
zinnen 'k zal u beminnen schoon herderinne
Gij zult bij mij meer vreugde vinden
als bij uw schaapjes al in de wei (bis)"
"Jongman als ik verkeer 't zal zijn
met genen heer
Want ik ben een boerin daar zit geen
zorgen in
En als ik ga naar 't bal is 't in de
koeiestal
't Is met nen boerenzoon dat ik
trouwen zal
Want ik blijf liever herderinne den
boerestiele zal ik beminnen
Ja enen heer zijn matras is veel te
zacht met boerepap ben ik groot gebracht (bis)"
Nu jager voor het lest schiet op en
doet uw best
Maar stoort geen herderin die zit op
hare nest
Als u de liefde kwelt in bossen en in
veld
En zonder achterdenken uwe jacht
verspeld
Want zo een jacht zal uw gauw
verdrieten tussen de schaapjes een haasje schieten
't Is zo verdrietig zo op jacht te
gaan en zonder wild naar huis te gaan (bis )
Terug
naar overzicht
De
Jan-Plezier
(tekst en muziek: Jaap Valkhoff)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Met een prijsje uit de loterij en nog
wat geld erbij,
Kochten wij een Jan-Plezier.
Ied're Zondag als de zon schijnt, gaan
we fijn d'r tussenuit.
Zijn we om de beurt koetsier.
Als de merrie loopt te dromen bij het
tingelen van de bel,
Dan zingt het hele stel:
Refrein:
Tingeling, daar gaan we weer.
Met onze Jan-Plezier
Tingeling, geen zorgen meer,
Alleen maar vreugde hier.
Zeg koetsier aan boord is alles wel,
Zwiep je zweep en klingel met je bel.
Tingeling, daar gaan we weer,
Met onze Jan-Plezier !
's Morgens gaan we naar de stal, dan
wordt de merrie eerst gevoerd,
Uit een volle haverzak.
Daarna gaat ze voor de wagen, rustig
met een sukkeldraf,
Loopt ze steeds op haar gemak.
Af en toe dan wordt ze wakker bij het
klingelen van de bel
Dan zingt het hele stel:
Refrein
Alle kind'ren uit de buurt die lopen
juichend met ons mee,
Zingen mee uit volle borst.
Ome Jan die deelt sigaren, met een
feestmuts op z'n hoofd
Tante Kee tracteert op worst.
De harmonica speelt lustig bij het
tingelen van de bel
Dan zingt het hele stel:
Refrein
Terug
naar overzicht
(tekst en muziek: Johnny Hoes)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Ik ben een arme cowboy
Maar och dat hindert niet !
Ik heb een zadel en een paard,
'n Gitaar, 'n jodellied.
Op de heuvel woont een meisje
Dat heel gauw m'n vrouw zal zijn.
Oh ! Ik voel me zo gelukkig !
En ik jodel dit refrein:
Refrein:
(Jodelen)
Klinkt m'n lied m'n kleine schat
alleen voor jou
(Jodelen)
Dat wil zeggen jou alleen wens ik tot
vrouw,
(Jodelen)
Lieveling, geloof me vrij, ik blijf te
trouw.
Paardje hop, hop, hop, rijdt maar in
galop,
Naar die blonde pop, op de heuveltop.
Waar m'n hart voor klopt,
En 'k desnoods voor knok.
Met m'n schoonma.
Paardje hop, hop, hop, rijdt maat in
galop,
Naar die blonde pop, op de heuveltop.
Waar m'n hart voor klopt,
En 'k desnoods voor knok.
Met m'n schoonmama.
Mannen weest verstandig,
Hecht niet aan geld of goed,
Maar zorg toch in de eerste plaats,
Voor een opgewekt gemoed.
Ga op zoek naar een lief meisje
Met 'n hart vol zonneschijn
En zing om haar te winnen,
Nu dit jodelend refrein:
Refrein
Terug
naar overzicht
De
Jolly Joker
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
De Jolly Joker...
De Jolly Joker...
Geeft je een blijde jeugd
Veel geluk en vreugd
Als hij wil...
Als hij wil...
De Jolly Joker...
De Jolly Joker...
Laat je veel zonlicht zien
Of wel mist misschien
Als hij wil...
Als hij wil...
Heden een lach
Morgen een traan
Wat weten wij nog van 't leven ?
Heden geluk
Morgen verdriet
Wat zal de toekomst ons nou geven ?
De Jolly Joker.
Terug
naar overzicht
De
jonge speelman
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Een
jonge speelman ging met rasse schreden,
De
bergen op van een donker dennenwoud.
Een
vreugdestraal blinkt in zijn oog want heden,
Heeft
men zijn vedel al betaald met goud.
Wat
zal mijn arme moeder zich verblijden,
Wanneer
ik haar het goudstuk overgeef.
Dat
geeft veel vreugd na zoveel bitter lijden,
Wanneer
zij hoort dat haren zoon nog leeft.
Daar
treedt opeens een wilde woeste rover
Met
't blanke staal op d' arme jongeling toe.
"Ha
!" buldert hij "sta dra en geef U over",
Hij
greep hem aan en sleepte hem door 't woud
Uw
geld alleen stelt ons nog niet tevreden,
Zo
sprak de hoofdman van de legerschaar.
Ik
wens dat gij in onzen bond zult treden,
Zoniet
't uur van uwen dood is daar.
Neen
rover neen dan wil ik liever sterven,
Van
God gescheiden worden kan ik niet.
Maar
voor ik sterf laat mij een gunst verwerven,
Ik
speelde nog zo graag mijn laatste lied.
De
hoofdman knikt en ziet met fiere ogen ,
De
jongeling aan, die kalm en onverijld,
Zijn
vedel grijpt en met het hoofd gebogen,
Nog
even peinst welk lied hij spelen zal.
Daar
klinkt opeens het ruisen zijner tonen,
Stil
als een windje door het dennenwoud.
Hij
wil zijn dood met 't schoonste lied bekronen.
Het
is een melodie van het moederlied.
.
De
rovers sidderen met het hoofd gebogen,
Ook
is de tijd aanmerkelijk gauw vergaan.
De
fiere hoofdman kan het niet gedogen,
En
in zijn oog daar welt een droevige traan.
Neen,
broeder neen, dat kan ik niet gedogen,
Gij
zijt mijn broeder en moeders dierbaar kind.
En
ook dit lied getuigt met weinige tonen,
Ik
hoop dat God mij maar vergeving schenkt.
De
hoofdman knikt en viel toen dood ter aarde,
Hij
heeft zijn broeder te veel leed gedaan.
Nu
rust hij in de zachte schoot der aarde,
Zijn
eigen eer heeft hem nu zelf voldaan.
Terug
naar overzicht
De
kapellenjacht
(uitvoering Jetty Pearl)
Een
charmante prins, in de bloem zijner jaren
Fier en sterk van bouw, vol van jonge kracht
Met een ferme knevel en zwarte haren
Ging er eens op de kapellenjacht
In
een oude hut, ergens op de heide
Vond hij Assepoes, zuiver, zoet en zacht
En hij zei tot haar: "Ik kom u bevrijden
Kom, ga met mij ter kapellenjacht !"
Vlug
ging Assepoester zich dus verkleden
Want ze had al lang naar een Prins gesmacht
Daarna gingen zij, blij en heel tevreden
Met z'n tweeën ter kapellenjacht
Maar
ze wisten niet dat in de natuur een
Trouw trawant van Amor de dag doorbracht
Die de opdracht had om een pijl te vuren
Op de jagers der kapellenjacht
Assepoes
zei zachtjes: "Maar Prins, ik vraag je
Wat je daar doet, is dat niet wat verdacht
Heus, mijn pettycoat en mijn kanten kraagje
Zijn geen plaatsen voor kapellenjacht !"
De
charmante Prins zweeg maar stil en kuste
Assepoesters mondje heel lang en zacht
Ach, hoe zoet en vrolijk zijn de lieve lusten
Als men gaat op kapellenjacht
In
het duister zag men hen huiswaarts keren
Zeggend tot elkaar: "Wel acht-duizend-acht
Acht-miljoen-miljard en nog veel meer keren
Gaan wij samen op kapellenjacht !"
Maar
zelfs als ze allebei sterk verlangen
Zelfs als het geluk hun steeds tegenlacht
Zullen zij toch nooit weer zo'n vlinder vangen
Als toen op die eerste kapellenjacht
Op die eerste vlinderjacht
Terug
naar overzicht
De kapitein der duikboten
(met dank aan Andreas Jaquet het sturen van de tekst)
De duikboot die nadert de haven
Waar hij op handgeklap word onthaald
De kapitein een dappere brave
Hij had weer een bijval gehaald
Een transportschip was aangevallen
Met drieduizend mannen belaân
Dat had hij doen vergaan
Daar op zee doen vergaan
Refrein:
De overheid kwam juist op tijd
Toen de duikboot kwam aangeland
Drukte men de kapitein de hand
Hulde betoon spande de kroon
Men schonk hem het kruis van eer
En dat trof hem zo zeer
De kapitein begon te dromen
Dat uit zijn erekruis vloeide bloed
Hij zag vrouwen en kinderen komen
En het bloed steeg zo hoog het maar
kon
De kinderen vroegen hun vader
De vrouwen eisten hun man
En het bloed steeg zo hoog zo hoog het
maar kon
Verdronken die offers te gader
Refrein:
Daar is ene vrouw gans gekleed in rouw
Het is zijne moeder hij ziet ze goed
En zij toonde hem het mensenbloed
Hij riep moeder teer ik heb het kruis
van eer
Maar de moeder riep wel verstoord
Het is het kruis van broedermoord
Ontwakend ziet hij om zich henen
Naar het wrede en ijselijke beeld
Hetgene in zijn droom is verschenen
En dat nu zijn ziel zo kwelt
't Visioen opent nu zijne ogen
En toonde hem zijn wrede daad
Hoe men voor zijn staat zulk een
misdaad begaat
En waar men zich voelt bedrogen
Slotrefrein:
En zeer gedwee wierp hij zijn kruis in
zee
En zijn duikboot bracht hij aan kant
Van een onzijdig land
Nu voelde hij zich verlicht en blij
Zijne moeder verscheen weer
En zij glimlachte teer
De
kat op 't plat
(George Hofmann)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Bij Jansen driehoog op 't plat
Daar zat een onbeheerde kat
En toen Jansen net naar bed wou gaan
Hief die kat opeens een hymne aan
Refrein:
En die kat zat op het plat en
musiceerde wat
Miauw, miauw, miauw wau wau, wat een
taaie kat was dat
En Jansen klom weer uit zijn bed
En schreeuwde woedend laat je het
Maar die kat zag er geen kwaad in zo
En vervolgde zelfs fortissimo
Refrein
En Jansen nam de kolenschop
En smeet die naar de kat z'n kop
Maar die viel vol deuken op de grond
En de kat bleef gaaf en kerngezond
Refrein
En Jansen nam een ijzeren stang
Tien duimen dik, drie meter lang
Sloeg de linker schoorsteen van het
pand
Maar die kat zat aan de and're kant
Refrein
En Jansen greep zijn dienstgeweer
En schoot onmiddellijk zeven keer
Maar de kat bleef heel, 't is geen mop
En hij vrat die zeven kogels op
Refrein
En Jansen nam de slang van 't gas
Zijn vrouw in bed bedwelmde ras
En toen die richtte op de kat z'n kop
Was het muntje in de meter op
Refrein
En Jansen woedend stond voor niets
En bracht de kat toen op de fiets
Naar een stille plek bij 't
Naardermeer
Toen die thuis kwam zat die kat daar
weer
Refrein
En Jansen die hem kwijt wou zijn
Die smeet hem voor de dieseltrein
En de dieseltrein was zwaar ontwricht
Maar de kat kwam thuis met een blij
gezicht
Refrein
En Jansen ging naar 't abbatoir
En huurde zeven slagers daar
En die stonden weldra voor zijn deur
Met een gastank en een mitrailleur
Refrein
Een dag daarna wat ik je zeg
Riep Jansen blij die kat is weg
Maar op 't plaatsje lag een leverworst
En miauwde toen uit volle borst
En die worst lag op het plat en
musiceerde wat
Miauw, miauw, miauw wau wau, wat een
taaie kat was dat.
Terug
naar overzicht
De
kat van Jansen
(met dank aan Henk Best voor het sturen van de tekst)
Jansen had een vreemde kat,
Die niet veel trek in muizen had,
Hij wroette altijd in de tuin,
En bakte het wel heel erg bruin.
Refrein:
De kat zat op het plat
En musiceerde wat,
Miauw miauw, miauw miauw,
Wat een rare kat was dat.
Jansen die hem kwijt wou zijn,
Die smeet hem voor de dieseltrein,
De dieseltrein werd zwaar ontwricht,
En de kat kwam terecht met een blij
gezicht.
Refrein
Jansen ging naar 't abattoir,
En huurde zeven slagers daar,
Die kwamen dadelijk voor z'n deur,
Met een gastank en een mitrailleur.
Refrein
Jansen nam een schietgeweer,
En schoot onmiddellijk zeven keer,
De kat bleef heel en wat een mop,
Hij vrat die zeven kogels op.
Refrein
Terug
naar overzicht
De
kermisklant
(met dank aan Marian Heeringa voor het sturen van de tekst)
Ik heb onlangs de krant gehad,
Daar heb ik in gelezen,
't Zou kermis worden in de stad,
Ik dacht daar moet ik wezen.
Ik haalde dra mijn spaarpot uit,
Dat kon nogal passeren
'k Was dadelijk in de kleren
En voorwaarts naar de schuit.
'k Was dadelijk in de kleren
En voorwaarts naar de schuit.
Ik sprong de malle molen in,
Dat was een cascanade.
In het logement De Gele Kip,
Drank ik een glaasje limonade;
Ik spoog de juffrouw in 't gelaat,
Haar vriend stond bij de balie,
En greep mij bij mijn valie
En smeet mij toen op straat.
En greep mij bij mijn valie
En smeet mij toen op straat.
Toen ben ik uit vervelendheid
Wat poffertjes gaan smullen.
Ergens in een donkere straat,
Daar hoorde ik een deuntje speulen
Een aardig meisje hield mij aan,
Zij zei: ,,wilt u niet generen,
Hier kunt u zich amuseren",
En toen ben ik met haar meegegaan.
Hier kunt u zich amuseren",
En toen ben ik met haar meegegaan.
En nu zeg ik u tot besluit
Voor jongen en voor ouden.
Die kermis wil gaan houden,
Moet op zijn hoede zijn.
Die kermis wil gaan houden,
Moet op zijn hoede zijn.
Terug
naar overzicht
De
kersenpit
(met
dank aan Anita Dortmans voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Hoe komt die kersenpit in de
frambozenjam
Frambozenjam, frambozenjam
Hoe komt die kersenpit, vraagt
iedereen met klem
Toch in die pot frambozenjam ('t is
een wondere pot)
'n Wonder boven wonder dat heden is
geschied
dat is wel zo bijzonder, vandaar dit
malle lied
Refrein
Ik kan niet stil meer zitten, maar ene
kersenpit
Geen uur kan ik meer pitten, 'k wil
weten hoe het zit
Refrein
Ik kan geen brok meer eten, maar toch
heb ik een plan
Ik wil en zal het weten, 'k vraag aan
de antwoordman
Refrein
Terug
naar overzicht
De
kettinghond
(Duo
Reek)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Twee
meter ketting aan een paal in de grond,
Aan
't eind van die ketting, een verwaarloosde hond.
Bedroefd
staan zijn ogen, verwaarloost is zijn huid,
Maar
bast bij ieder geluid.
Refrein:
Ik
ben een kettinghond,'k lig aan een keten,
Ik
heb een ruwe baas, slecht is mijn eten.
'k
Hoor nooit een vriend'lijk woord uit iemands mond,
Er
staat een bord bij mij, gevaarlijk denk om de hond.
Hij
ontving nooit veel liefde, werd nimmer verwend,
Een
hand die hem streelde, heeft hij ook nooit gekend.
Heel
vaak zag hij spelende honden in 't land,
En
zuchtte diep, 'k lag in de verkeerde mand.
Refrein
Een
paal met een ketting, maar de halsband is leeg,
Hij
verlangde naar rust die hij eindelijk kreeg.
Bij
de paal waar hij stond, rust nu in de grond,
Hij,
de kettinghond.
Refrein
'k
Was maar een kettinghond, 'k lag aan een keten,
Mijn
baas is mij allang vergeten.
Maar
eindelijk vond ik vrede en rust,
In
de kille, ja kille grond.
Er
groeien geen bloemen maar onkruid op mijn graf,
'k
Was maar een kettinghond.
Terug
naar overzicht
De
kinderen op de ziekenzaal
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
De kinderen op de ziekenzaal
Die liggen stil en wit
Te kijken naar het zusterke,
Dat bij de tafel zit…
Ze lachen niet, ze zingen niet,
Ze maken geen gedruisch
De kinderen op de ziekenzaal
Die denken aan hun huis….
Moesje, moesje waar ben je gebleven?
‘k Lig zoo te wachten, toe haal me nu gauw!
Was ik ondeugend, wil ‘t me dan vergeven
Moesje, ik hou nog het meeste van jou
De kinderen op de ziekenzaal
Zijn nog zoo bitter klein
En och, ze zouden toch zoo graag
Weer bij hun moeders zijn
Men troost hun met een mooie pop
En met een houten schaap;
De kinderen op de ziekenzaal
Die schreien zich in slaap…
Moesje, moesje waar ben je gebleven?
‘k Durf niet te huilen, maar ‘k heb toch zoo pijn
Als U mij even een zoentje kwam geven
‘k Denk dat ik dan wel beter zou zijn.
De kinderen op de ziekenzaal
Die liggen warm en zacht
En alles wat er noodig is,
Wordt voor hen aangebracht;
Maar…iets ontbreekt, dat niemand heeft,
Dat niemand hier kan doen,
De kinderen op de ziekenzaal
Gaan slapen zonder zoen….
Moesje, moesje waar ben je gebleven?
Ik heb toch vandaag weer zoo op U gewacht
Kom mij nu even een nachtzoentje geven.
Moesje ik ben toch zoo bang voor den nacht.
Terug
naar overzicht
De kleine diligence
(Bob Scholte)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk
voor het sturen van de tekst)
In een kleine diligence
Zat een jonge, blonde Franse
Aan haar linkerhand zat ma
Aan haar rechterhand papa
Tegenover haar een tante
En daarnaast haar gouvernante
Dus, dat kind werd goed bewaakt
En door niemand aangeraakt
Toen de koets bleef staan, keek ik er
‘ns aan
En ik was voldaan, want ze lachte
Haar papa zei iets, maar hij merkte
niets
En ik fluisterde toen iets.
In die kleine diligence
Zag ik voor ’t eerst Hortance
Dat is nu je grootmama
Jongen, doe mij dat eens na.
Grootpapa heeft mij een keer verteld
Wat hij vroeger heeft ervaren
’t Is een sprookje, vol romantiek
Uit die goeie, ouderwetse jaren
Want in die tijd, moest je ergens zijn
Er was geen auto en geen trein
Dan had je alleen nog maar een kans
Met de schuit of diligence
In die kleine diligence
Zat een jonge, blonde Franse
Aan haar linkerhand zat ma
Aan haar rechterhand papa
Tegenover haar een tante
En daarnaast haar gouvernante
Dus, dat kind werd goed bewaakt
En door niemand aangeraakt
Toen de koets bleef staan, keek ik er
‘ns aan
Ik was voldaan, want ze lachte
Haar papa zei iets, maar hij merkte
niets
En ik fluisterde toen iets
In die kleine diligence
Zag ik voor het eerst Hortance
Dat is nu je grootmama
Jongen, doe hem dat eens na.
Terug
naar overzicht
De kleine met de
mondharmonica
(tekst: Willy Pol / muziek: G.
Froboes en H. Bradke / uitvoering: The Ramblers)
(met dank aan Gerard Engelbertink
voor het sturen van de tekst)
In het speelkwartier zijn alle
kind'ren blij,
En ze hollen joelend door elkaar.
d' Ouwe schoolportier staat er
misprijzend bij,
Want die herrie vindt ie altijd naar.
Dan ontstaat opeens een kring,
In 't midden staat ons kleine ding,
En zingt voor ons een vrolijk lied:
Refrein:
De kleine met de mondharmonica,
(Ja, ja, ja) dat ben ik,
Want met m'n mooie mondharmonica,
(Ja, ja, ja,) ben ik in m'n schik.
Naar de hoogte, naar omlaag,
Alle mensen blijven staan, want ieder
hoort mij graag.
Naar benee en naar boven,
'k Speel zo prachtig, het is bijna
niet te g'loven !
En ieder nieuw refreintje speel ik na,
(Ja, ja, ja,) op m'n kleine
mondharmonica.
Als de schoolportier die blijde
klanken hoort,
Heeft-ie weer direct een goede bui,
Lachend kijkt hij toe, vlak bij de
groene poort,
Wacht nog even met z'n belgelui.
Onze kleine speelt, de kind'ren
zingen,
Ieder is tevree;
Ja zelfs de meesters zingen mee !
Refrein
Terug
naar overzicht
De
kleine postiljon
(tekst en muziek: G.Winkler/R.M.Siegel/W.Rex/Pi Veriss/uitvoering:
De Selvera's)
Refrein:
Tatatatata-tatatatata
Zo
klinkt er een vrolijk liedje
Een
dreumes huppelt in de zon
De
kleine postiljon
Tatatatata-tatatatata
Zo
blaast hij z'n melodietje
Waarmee
hij aller harten won
De
kleine postiljon
Z'n
fantasie voert hem langs berg en dal
Met
koets en paard, trompet en zweepgeknal
Tatatatata-tatatatata
Zo
klinkt tot de zon gaat dalen
Dan
gaat in zijn hansop, heel net
De
postiljon naar bed
Kleine
jongen, met je speelgoedinstrumentje
Speel
je lied nog een keer
Iedereen
vindt jou een leuk en vrolijk ventje
En
leeft mee, telkens weer
Voor
ons oog herleven dan de kinderjaren
En
de rijke fantasieen van de zorgeloze jeugd
En
we zien onszelf, zoals we eenmaal waren
Daarom
geven ons jou spelen en je mooie luchtkastelen zo'n gevoel van
vreugd
Refrein
Tatatatata-tatatatata
Zo
klinkt tot de zon gaat dalen
Dan
gaat in zijn hansop, heel net
De
postiljon naar bed
Tatatatata-tatatatata
Tatatatata-tata
Terug
naar overzicht
De
kleine vrouw
(Kees Pruis)
(met dank aan
Inez voor het sturen van de tekst
Louis
Davids zong terecht van zorgen van de kleine man
Maar
toch heeft ie volgens mij nog iets vergeten
Want
de vrouw dier kleine man is in het lied geen sprake van
En
die heeft het toch zwaarder, zal je weten
Want
't is de kleine man
Die
't huis uit lopen kan
Maar
wie blijft in haar huis met heel de zorgen rataplan
Dat
is de kleine vrouw, die hele kleine vrouw
Zij
krijgt van al de zorgen toch de allergrootste knauw
Zo'n
vrouw die voor haar kinderen d'r leven geven zou
Zo'n
kousenbreister, zenuwlijdster van een kleine vrouw
Als
er van haar pover weekgeld nog een deel belasting moet
Die
besteed wordt om er kruisers voor te kopen
Ziet
de man alleen de kosten en het smijten met het geld
Maar
voor 't vrouwtje staat er nog iets anders open
Het
dieper leed is haar
Want
zij denkt altijd maar:
Waar
kruisers en kanonnen zijn, daar is altijd gevaar
Het
is de kleine vrouw, die hele kleine vrouw
Zij
komt in tijd van oorlog nog het meeste in de knauw
Haar
man en zonen scheurt men weg en zij loopt in de rouw
De
grootste smart in 't moederhart van die kleine vrouw
Als
de kleine man een kwartje heeft, dan gaat ie naar de kroeg
Koopt
een biertje en vergeet een poos zijn zorgen
Maar
zijn vrouw, die zonder centen brood moet hebben voor haar kroost
Kent
het leed dat er verbonden is aan borgen
Des
kleinen mans verdriet
Is
wat de wereld ziet
Maar
slapeloze nachten aan een ziekbed ziet men niet
Het
is de kleine vrouw, die hele kleine vrouw
Die
aan het kind'ren ziekbed hele nachten is in touw
Nooit
eens een sprankje zonneschijn, 't is altijd droef en grauw
Zo'n
ziekbedsloofje in 't alkoofje is de kleine vrouw
Als
het vrouwtje van een rijke man wat kleding nodig heeft
Gaat
ze naar Parijs of koopt bij Hirsch toiletten
Maar
zo'n hongerlijdster, die haar kind'ren ook graag netjes ziet
Moet
op uitverkoop bij Brenninkmeier letten
Voor
'n jurkje met een scheur
Of
wat verbleekt van kleur
Ligt
z'als een hond te wachten, 's morgens zes uur voor de deur
Dat
is de kleine vrouw, die hele kleine vrouw
Die
ploetert als slavin voor haar gezin voor dag en dauw
Z'is
altijd moe en ziekelijk van honger en van kou
Zo'n
prullenkoopster, lommerdloopster van een kleine vrouw
Mooie
vrouwen die van grote heren vreugdobjecten zijn
Gaan
heel chic gekleed bij five-o'clock tea steppen
Maar
een eerlijk, arme zwoegster moet bij alles wat ze koopt
Zich,
omdat het zo goedkoop is, laten neppen
Dat
liefdevrouwenras
Koopt
alles eerste klas
Dat
slaapt in zij en d'and're hoogstens op een stromatras
Het
is de kleine vrouw, die hele kleine vrouw
Die
met doorvoede kind'ren al gelukkig wezen zou
De
vrouw die rust eerst vinden zal in maag're Hein zijn klauw
Zo'n
maximum lijdster, zenuwlijdster van een kleine vrouw
Terug
naar overzicht
De
koloniaal
(met
dank aan A. Kersten voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Ver van alles waarvan ik heb gehouwen,
Zwerf ik thans rond in alle
eenzaamheid.
Die ik heb lief gehad zal ik nooit
meer aanschouwen,
Vergeet mij niet, maar denk van tijd
tot tijd
Een ogenblik aan mij,
Die in de vreemde lei.
Hij liep maandenlang langs de keien
En de toekomst bood hem geen bestaan.
Zijn oudjes die hadden het amper,
Dus zo'n leegloper was niets gedaan.
Hij melde zich als koloniaal aan,
't Was uit wanhoop, hij zette zijn
poot.
Zij wuifde hem na op de kade
En hij neuriede droef op de boot:
Refrein
Zo deed hij zij plicht vele jaren,
Met zijn makkers in 't Indisch armee
En was tussen duizend gevaren,
Invalide geraakt in Athjee.
Met kerstmis in 't oud en in 't
nieuwe,
Voelde hij zich zo droevig alleen
En telkens op moeders verjaardag
Zong hij mijmerend en stil voor zich
heen:
Refrein
Hij was driekwart oud en versleten,
Toen men hem zijn pensioentje aan
bood.
Toen kwam hij terecht in de kampong,
Want zijn oudjes die waren lang dood.
Zijn meid was getrouwd met een ander,
Dus verbroken was iedere band.
Toch denkt hij nog bij de herinnering,
Aan zijn oudjes zijn meid en zijn
land.
Refrein
Terug
naar overzicht
De
krantenman
(Jan en Ria)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
We konden het niet geloven
Maar het stond met een mooie rand
Heel duidelijk te lezen in zijn eigen
krant
Hij bracht ons elke dag de krant die
trouwe krantenman
Door weer en wind, van klant tot klant
die trouwe krantenman
Zes dagen kwam hij elke week
Maar één keer liet hij ons in de steek
De dag toen hij van vreugde glom
Als trotse blijde bruidegom
We konden het niet geloven
Maar het stond met een mooie rand
Heel duidelijk te lezen in zijn eigen
krant.
Hij was in heel die wijk bekend die
trouwe krantenman
Bij sneeuw en ijs bleef hij present
die trouwe krantenman
Zes dagen kwam hij elke week
Maar één keer liet hij ons in de steek
Dat was de dag zo wonderschoon
Toen werd hij vader van een zoon
We konden het niet geloven
Maar het stond met een mooie rand
Heel duidelijk te lezen in zijn eigen
krant.
Hij was met weinig al tevree die
trouwe krantenman
Soms sprak hij van zijn wel en wee die
trouwe krantenman
Zes dagen kwam hij elke week
Maar plotseling liet hij ons in de
steek
Een grote wagen reed hem aan
En hij is niet meer opgestaan
We konden het niet geloven
Maar het stond met een zwarte rand
Heel duidelijk te lezen in zijn eigen
krant
Terug
naar overzicht
De
kroeg
(tekst: Tony Schmitz/uitvoering: Louiswe Freuron)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Acht
uur ! ... en nog niet thuis gekomen.
't
Is Zaterdag ... 't werk eindigt vroeg ...
Ach
. . . zeker is hij meegenomen
Door
kameraden naar de kroeg . . .
Ja,
daar zit hij... ja ... zou ik hem wenken .. .
Neen.
.'k durf het niet.-.licht wordt ie kwaad..
Ach
. . . nog een glas laat hij zich schenken ...
Toe
. . . kom naar huis ... 't is al zoo laat...
Refrein:
Een
enkel glas ... dat zal niet hind'ren, ...
O
ja ... ik weet 't... zoo is 't begin ...
O
denk aan mij ... aan onze kind'ren . . .
Ontsteel
niet 't brood aan je gezin.
Hoort
niet naar slechte kameraden,
Van
jouw geld drinken zij het meest.
Drink
een glas bier . . 't zal je niet schaden,
Maar
dronkenschap maakt mensch tot beest !
En
drink je meer dan j' kunt verdragen
Dan
weet je niet meer wat je doet,
Geeft
mij . . en ook de kind'ren slagen,
En
. . anders ben je toch zoo goed . .
Weest
man en laat je niet bepraten
Door
de een of and'ren slechten vrind.
Die
in de kroeg hun weekloon laten.
Ontstelen
't brood aan vrouw en kind.
En
wat, wanneer door 't stage drinken
Je
werk steeds meer te wenschen laat,
Je
levenskracht en moed ontzinken
Tot
je patroon je ten slot ontslaat . . .
Moet
je dan als beed'laar loopen . . .
Omdat
je nergens werk meer vindt . . .
En
. . moet ik dan mezelf verkoopen
Om
brood te hebben voor ons kind . . .
Als
't zoover kwam . . zou je dan vloeken
Het
noodlot, dat zoo wreed je sloeg,
Of
... in jezelf den schuld gaan zoeken,
En
momp'len: ... die vervloekte kroeg.
Als gij de glazen hebt geledigd
Denkt
g' u gelukkig — g' hebt het mis.
Toch
laat de drank u onbevredigd,
Ge
zoekt 't geluk . . . waar het niet is.
Drink
vrij een glas, drink zelfs een tweede
Zoo
gij daarin ontspanning vindt,
Doch
zoek dan thuis geluk en vrede.
Bedenkt...
gij werkt voor vrouw en kind.
Eén
enkel glas ... ge hoeft het niet te schuwen,
Doch
... 'k raad u ... maakt de kroeg niet rijk
Ten
koste van uzelf en d' uwen . . .
Publiek
zeg mij . . . heb ik gelijk ?
Terug
naar overzicht
De kroeg
(met
dank aan Andreas Jacquet voor het sturen van de tekst)
Kom zet u neder, wij gaan nog iets
drinken
Op de gezondheid van al onze vrienden
Hallo kastelein een rondje voor mij
Het werk is gedaan, nu zijn wij vrij
Voor mij niet meer, ik moet huiswaarts
keren
Zo sprak een man in half versleten
kleren
Een ander sprak: trek het u niet aan
Het werk is gedaan, wij mogen drinken
gaan
En thuis waar vrouw en kinderen op hem
wacht
Kwam hij bedronken aan rond
middernacht
Refrein:
Hij sprak: vrouw ik ben zat
O wat heb ik plezier gehad
Als men gans de week moet werken
Mag men zich zaterdags wel wat
versterken
Als ik drink heb ik u lief
Dan noem ik u mijn hartendief
De vrouw sprak: man ik wil het u
vergeven
Het is de eerste maal in uw leven
Wat de vrouw ook zei het kon niet meer
baten
Den drank helaas kon hij niet meer
laten
Van het werk ging hij naar de kroeg
Luisterde niet als zijn kindje kloeg
Vader kom naar huis wij zitten zonder
eten
Hij was door den drank vrouw en kind
vergeten
En door het drankmisbruik zoals het
dikwijls gaat
Liepen vrouw en kind bedelend langs de
straat
De man gans aan den drank verslaafd
Werd als een hond overal weggejaagd
Refrein:
Als hij dan vrouw en kind weerzag
En zij verweet hem zijn slecht gedrag
Sprak hij: vrouw wil het mij vergeven
Ik kan zonder alcohol niet meer leven
De vrouw smeekte hem dan zo teer
Keer toch tot uw vroegere leven weer
Gij laat mij en onze lieve kleine
Door honger en gebrek wegkwijnen
Hij zoekt tevergeefs nog werk te
vinden
Vroeg ondersteuning aan zijn vroegere
vrienden
Maar geen enkele die daar gehoor aan
gaf
Toen hij uitgeput op zekeren dag
Door het drankmisbruik men de man zag
neerploffen
Hij was door een beroerte getroffen
En toen men hem naar het gasthuis
bracht
Waar zijn vrouw en kind waakte gans de
nacht
Het knaapje smeekte aan den opperheer
Ach beste man, schenk mij mijn vader
weer
Slotrefrein:
Hij sprak kind ik heb misdaan
Genees ik dan is het ook gedaan
Ik zweer u trouw nooit meer te drinken
Ook is het gedaan met mijn vroegere
vrienden
Ik haat en vervloek de sterken drank
Hij bracht ons armoe en schand
Maar terwijl hij sprak van een nieuw
leven
Kwam hij zijn laatste snik te geven
Terug
naar overzicht
De
kuische Susanna
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Toen
Liesje nog klein was,
Heel
sierlijk en fijn was,
Toen
danste ze steeds maar alleen.
En
de dames en heeren
Die
haar zagen bezweerden
Dat
zij wel een zonnetje scheen.
Zij
zong ook heel vaardig,
Een
liedje zeer aardig,
Met
vioolbegeleiding zeer net.
Zij
zong het zoo vroolijk,
Zij
zon het zoo oolijk,
Tot
zelfs nog als zij ging naar bed.
Refrein:
Hup
mijn liefste spring hoog met mij,
Hup,
spring lustig met mij.
'k
Dans het leven door prettig en vrij.
'k
Kan nog meedoen en dat maakt me blij.
Hup
mijn liefste spring met mij,
Hup,
juicht vroolijk hoera.
Ik
zweef in zaligheid maar dat duurt niet altijd,
Hup
juicht vroolijk hoera.
Maar
Liesje werd ouder,
Haar
hart werd niet kouder,
Integendeel
een jonge man,
Ging
veel van haar houden
En
wou met haar trouwen
En
Liesje zij nam hem graag an.
Maar
toen zij de bruid was
En
later getrouwd was,
Toen
was er een feest kolossaal.
Door
vreugde gedrongen,
Hebben
zij toen gezongen,
Het
lied van voorheen nog eenmaal.
Refein
Ze
kregen grijze haren,
Bij
't vorderen der jaren,
Die
spelend waren doorgebracht.
Ook
kregen ze kind'ren,
Zoo
dart'lend als vlind'ren,
Een
tweetal dat steeds met hen lacht.
En
plotseling hoorden
Ze
buiten de accoorden,
Van
't lied zoo geliefd door hun twee.
En
vader en moeder en zuster en broeder,
Die
zonge ne sprongen toen mee.
Refrein
Terug
naar overzicht
De
kus in vier jaargetijden
(Tony Schmitz/uitvoering: Louise Fleuron)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Zij
vijftien, hij zestien, de jaartjes van dromen, onschuldig en rein
Twee
hartjes door amor tesamen gekomen, omdat het moest zijn
Kort
is nog het rokje, en kort is het broekje, van haar en van hem
Toch
zoeken ze samen een rustig stil hoekje
Dan
zegt hij met bevende stem
Toe
geef me een zoen, doch zij fluistert ontdaan
Foei
maar dat mag je niet doen, doch zij laat hem begaan
Kust
hij, de eerste keer, doet ze net of 't haar griefde
Doch
dra kust zij hem weer, da's de lente der liefde
En
vaak bleven zij, die zo jong reeds begonnen, hun liefde trouw
Dan
heeft hij na jaren geheel haar gewonnen, zij wordt zijn vrouw
Hun
liefde tot nu toe in banden gekluisterd, viert hoogtij
Hij
neemt zijn jong vrouwtje in d' armen en fluistert
Eerst
nu ben je werkelijk van mij
Zij
kussen elkaar met een vrolijke lach
Dat
doen ze zowat honderd malen per dag
't
Zij laat, 't zij vroeg, zoentjes moeten ze geven
En
nooit heeft men genoeg, in de zomer van 't leven.
Dan
komen de kleintjes en daarmee de zorgen voor het bestaan
Eén
kusje des 's avonds en één in de morgen, daarmee is 't gedaan
Wanneer
ze des avonds om elf uur gaan slapen, dan zijn ze moe
Hij
ligt met een mond als een hooischuur te gapen
En
dan draait hij zijn rug naar haar toe
Dan
zegt hij, nacht vrouw, en zij mompelt nacht man
Eén
nachtzoen, hij slaapt en weet nergens meer van
Dra
rust ook zijn vrouw, maar eerst zucht ze nog even
Vroeger
sliep je niet zo gauw,,, da's de herfst van het leven.
Ze
zijn in de winter van 't leven getreden, vergrijst is het haar
Dat
ze elkaar kusten is lang reeds geleden, voor 't gouden paar
Doch
op deze dag komt de herinnering weder, bij 't gouden feest
Zij
lacht wat verlegen en hij zegt heel teder
Ja
vrouw, wij zijn ook jong geweest
Dan
spits hij de mond met geen tand meer er in
En
zij drukt een kus op zijn stoppelige kin
Dan
zegt hij, och heer zo een zoentje gegeven
Hebben
w' in lang niet meer,,, da's de winter van het leven.
Terug
naar overzicht
De
kus van Meijer
(Kiss of Fire)
(tekst: Pierre Wynnobel en Ad Remy /
muziek: Lester Allen en Robert Hill)
(met
dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)
Heer ridder Jan, van 't slot in
Wemeldinge
Ging bij z'n buurman vragen hoe de zaken
stingen.
Die zei: „Ik klop 't af, maar ik heb
niet te klagen".
En toen zei Jan: „Ik wilde jou meteen
iets vragen.
Die dochter Mina van je wil ik gaarne
huwen".
„Bied op," zei buur, „Als 't me bevalt
is zij de Uwe".
Toen werd voor 'n koe, twee schapen en
een ouwe buldog
Diezelfde dag nog het huwelijksfeest
bepaald.
Doch Mina had reeds geruime tijd een
vrijer,
Dat was een zeek're Meijer en van beroep
vrachtrijer.
En toen ze hoorde dat pa d'r wou
verkopen,
Dacht ze niet lang maar nam meteen een
kloek besluit:
„Vannacht knijp ik er tussenuit".
Ze ging naar Meijer, die z'n handen
stond te wringen
Ze zongen vlug: „Adieu vaarwel, m'n
Wemeldinge."
En leefden lang en vrij gelukkig met
elkander.
Zoals geen ander,
Of je 't gelooft (of niet !).
Maar toen zij tien jaar mevrouw Meijer
had geheten
Kon ze nog altijd Wemeldinge niet
vergeten.
Ze zat voortdurend over 't oude slot te
tobben,
Inplaats de vloeren van het eigen huis
te schrobber.
Terwijl Meijer hele dagen zat te kiften,
Besloot ze eens naar Wemeldinge te
liften.
Ze dacht: ,,Heer Jan, die is mij zeker
niet vergeten,
'k Wil wel eens weten, hoe het nu met
hem staat,
Heer Jan zat al die tijd op haar te
wachten
En almaar te versmachten, bij dagen en
nachten.
En toen )hij hoorde dat Mina weer in
stad was,
Haar Meijer zat was; dacht hij:
,,Jongens, zij is vrij !
Wat ben ik blij ! Zij wordt van mij !
Maar ook al haperde er dan wat aan haar
Meijer,
Hij was tenslotte Mina's wettelijke
vrijer.
Daarom is Mina toen naar hem terug
gekomen
Het eind der dromen,
Is ook het eind' van 't lied.
Terug
naar overzicht
De
laatste vaderkus
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Kom
vader zit hier bij mij neder,
Geef
mij een hand en zie mij aan,
Zeg
vader wilt ge 't mij vergeven,
Als
ik u soms heb leed gedaan.
Voorzeker
'k zal niet lang meer leven,
Ik
ben zo ziek en zwak en moe.
Daar
vader, als ik nu moet sterven,
Ga
't immers naar mijn moeder toe.
Mijn
speelgoed vader, wil het bergen,
Och
berg het goed en veilig weg.
Dan
kunt gij later bij 't aanschouwen,
Steeds
aan uw zoontje denken zeg.
Ik
ga nu naar den hemel henen,
Daar
is geen zieke of gene pijn.
O
kus mij vader, ik ga sterven,
En
zal weldra 'bij moeder zijn.
En
vader als mijn makkers komen,
En
schreiend op het kerkhof staan.
Zeg
hen dan dat ik naar de hemel,
Waar
moeder is, ben heengegaan.
Ja
vader, als ik ben gestorven,
En
ruist in 't graf, verlost van pijn,
Mijn
geest zal altijd u omzweven,
Hij
zal gestadig bij u zijn.
Vergeef
mij vaderlief, vergeef mij !
Ween
toch niet, het doet mij pijn,
O
kus mij vader, ik ga sterven,
En
zal weldra bij moeder zijn.
Daar
hebben wij dan eeuwig vreugde,
Verwachten
dan ook U.
Druk
mij dan vader tot ons wederziens,
En
geef de laatste kus mij nu ...
Terug
naar overzicht
De laatste zeven dagen
(uitvoering Joe Lówes)
(met dank aan Marc Blokland (†) voor het
sturen van de tekst)
De eerste dag was de dag waarop hij zei:
"Geef terug,
Geef terug alle dieren en de zee,
Er is geen vrede onder alle mensen."
De Heer van het heelal, hij hoorde het
geklaag
En toch zij knielden niet, toen kwam de
andere dag.
De tweede dag was de dag waarop hij zei:
"Geef terug,
Geef terug alle bloemen van het veld,
Er is geen liefde onder alle mensen.
De Heer van het heelal, hij hoorde het
geklaag
En toch zij knielden niet, toen kwam de
andere dag.
De derde dag was de dag waarop hij zei:
"Geef terug
Geef terug de sterren en de maan,
Er is nog afgunst onder alle mensen.
De Heer van het heelal, hij hoorde het
geklaag
En toch zij knielden niet, toen kwam de
andere dag.
De vierde dag was de dag waarop hij zei:
"Geef terug,
Geef terug de vrienden van mijn volk,
Er is nog haat onder alle mensen.
De Heer van het heelal, hij hoorde het
geklaag
En toch zij knielden niet, toen kwam de
andere dag.
De vijfde dag was de dag waarop hij zei:
"Geef terug,
Geef terug de warmte van de zon,
Er wordt gemoord onder alle mensen.
De Heer van het heelal, hij hoorde het
geklaag
En toch zij knielden niet, toen kwam de
andere dag.
De zesde dag was de dag waarop hij zei:
"Ach mens,
Verdwijn van de aarde en verbrand,
Er is verderf onder alle mensen.
En toen de laatste dag,
Zijn werk was woest en ledig.
Hij ziet zijn werk en....huilt !
Terug
naar overzicht
De
lachende vagebond
(uitvoering Max van Praag)
Wat
ik beleefd heb,
Dat kon ik maar beleven.
Ik ben een vagebond,
Zelfs grote rijkdom,
Zou mij geen vrijheid geven.
Ik dool de wereld rond,
Ik dool de wereld rond.
Ha-ha-ha-ha-a !
Droom
ik van Capri,
Dan droom ik van Tina,
En van haar mooie paleis.
Maar zodra ze mij zag,
Die rijke señorita,
Ging ze mee op reis,
Ging ze mee op reis.
Ha-ha-ha-ha-a !
In
't verre Spanje,
Kon ik geen cent loskrijgen,
De mannen waren hard.
Maar de señora's die,
Konden mij niets weigeren,
Zij gaven mij hun hart,
Zij gaven mij hun hart.
Ha-ha-ha-ha-a !
Ik
vind de liefde,
Bij vele mooie vrouwen,
Ik zoek een rode mond.
Geen avontuur zal ik
Mij ooit vertrouwen,
Ik dool de wereld rond,
Ik ben een vagebond.
Ha-ha-ha-ha-a !
Terug
naar overzicht
De
Lange Wapper
(met
dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)
Lange Wap wap wap van de Wappersbrug
Was de schrik van ons oude stee
Klapper klap klap klap o hij liep zo
vlug
En hij liet geen mens met vree
Als hij wil dan werd hij o zo groot
Als een ordentelijk huis
En wipt daarna weer door de goot
Weer zo kleintjes gelijk een muis
Als het donker werd in ons oude stee
Kwam het Wapperke uit zijn hol
Somtijds ging mijnheer dan op staminee
At en dronk er zijn buiksken vol
En dan poetste hij opeens de plaat
Zodat niemand het zag
Maar buiten in de donkere straat
Daar weergalmde zijn spotgelach
Op een avond in 't Sint
Andrieskwartier
Was 't besteek bij een timmerman
't Bovenvenster stond er dus op een
kier
Voor de rook van de koekepan
Onverwacht stak wap zijn langen arm
Naar al die koeken uit
De burgers maakten groot alarm
Maar hij vluchtte met zijn buit
Vond de Wap soms kinderen aan het spel
Hij verkleedde zich als hun vrind
Vroeg om mee te doen, maar hij twistte
fel
En zo werden zij kwaadgezind
Dan op 't laatste maakte Lange Wap
Zich vreselijk groot en vet
Hij gaf de kinderen klap op klap
En joeg heel de ploeg naar bed
Lange Wap Wap Wap is misschien niet
dood
Dus mijn vriendekens opgepast
Ja 't kan zijn dat hij in een rui of
goot
Door het slijk en de modder plast
Daarom geef ik u een goeden raad
Sa luister naar mijn mond
Loop 's avonds niet te laat op straat
't Is gevaarlijk en ongezond
Terug
naar overzicht
De
lege schatkist
(Eduard Jacobs 1868-1914)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
De minister van financiën
Van het Hottentottenland
Wist niet meer aan geld te komen
Voor de schatkist van zijn land
't Volk was nu al ontevreden
Want de lasten drukten zwaar
Hij wist niet wat te beginnen
En de nood steeg ieder jaar
De belasting op jenever
Was een tijdlang goed gegaan
Maar toen deze weer verhoogd werd
Dronk men gerstebier voortaan
En toen ook het bier belast werd
Bracht dit niets in kas bijna
Want men dronk toen heel gezellig
Karnemelk en chocola
Op een morgen kon men lezen
In de kranten het bericht:
'Er komt spoedig een belasting
Op gas en elektrisch licht'
Maar het bleek nu dat de schatkist
Daaruit ook geen voordeel trok
Want men ging toen voor het donker
Met de kippetjes op stok
Toen kwam er weer een belasting
Op de varkens en het vee
Maar die viel, net als de and're
Ook al niet bijzonder mee
Want de mensen deden afstand
Van de koe en van het zwijn
En ze namen voor hun eten
Haring, stokvis en konijn
Op een regenachtige morgen
Riep de staatsman uit: "Wat nu ?
Als 'k eens een riks belasting
Hef van elke paraplu !"
Maar de burgers riepen lachend:
"Is zijne excellentie dol ?"
En ze liepen in de regen
Met hun vrouw haar parasol !
Toen hij eens in 'n Kamerzitting
Leden zag, zo kaal als hij
Dacht hij: als ik een belasting
Op de kale knikkers lei
Geen der leden stemde tegen
Maar hij had toch nog een strop
Want een gaf aan allen 't voorbeeld
En kwam met een pruikje op !
Toen hij eens mee ging begraven
Kwam dit denkbeeld bij hem op:
'k Leg voortaan op elke dooie
Een belasting van tien pop
Maar de mensen waren slimmer
Want het ging hier om hun lood
Niemand liep meer naar de dokter
En geen mens ging er meer dood !
Op een morgen zei de koning:
"Ik weet iets dat zeker treft
Ik wil dat je van de onzin
Voortaan een belasting heft"
Die belasting werd onmiddellijk
Op de onzin toegepast
En toen bleek dat de minister
't Zwaarst van allen was belast !
Terug
naar overzicht
De
leugen
(tekst en muziek: Manna de Wijs Mouton)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Lieve,
lieve lepe leugen zij eerbiediglijk gegroet,
Met
je vlijm geslepen degen en je bontgepluimde hoed.
Markies
van ’t fatsoen met je aad’lijk blasoen,
Cavalier
van ‘t banket, troubadour van ’t salet,
Gevreesde
lansier van het wereld tournooi,
Ik
buig mij voor U in mijn need’rige plooi.
Lieve,
lieve lepe leugen, jij bent mijn redder in de nood.
‘k
Bewonder al je kronkelwegen,
Je
bent een waarlijk sluw despoot.
Je
regeert de kritiek, commandeert het publiek,
’t
Gezag van de kerk geeft je handen vol werk.
Ik
zie waar de liefde haar intrede doet,
Je
schaduw die sluipend haar volgt op de voet.
O
jou goud gespoorde leugen, waarom rijdt je in zo’n vaart ?
Op
een ezel langs de wegen, waarom niet als held te paard ?
Je
schijnt zo gerust, zo zegen bewust.
Leugen
pas op, ‘k zie een paard in galop,
Een
dappere ridder met open vizier,
Zwaait
boven je hoofd reeds zijn vorst’lijk banier.
Arme,
arme dwaze leugen, dat ik jou zo vinden moest.
Met
je vlijmgeslepen degen, krom gebogen en verroest.
O
schitt’rende held, door de waarheid geveld,
Geknecht
vasal, zet je ezel op stal.
Een
ieder, wiens eig’lijke liev’ling bent,
Doet
plotseling, alsof hij je nooit heeft gekend !
Terug
naar overzicht
De
lichtjes van de Schelde
(Stevens/Schoepen/Beuving)
Doedoedoedoe...
De
tijd zit erop en we varen naar huis
Het
duurt nog maar enkele weken
Een
paar keer op wacht
En
dan kom ik weer thuis
Dan
zullen we elkander weer spreken
Dus
dit is de laatste brief die ik je schrijf
Kijk
's avonds maar goed in de krant
Dan
weet je precies waar ik ben en ik blijf
Voordat
ik terug ben in 't land
Zie
ik de lichtjes van de Schelde
Dan
gaat m'n hart wat sneller slaan
Ik
weet dat jij op mij zult wachten
En
dat je aan de kaai zult staan
Zie
ik de lichtjes van de Schelde
Is
't of ik in je ogen kijk
Die
zo heel veel liefs vertellen
Dan
ben ik als een prins zo rijk
Je
weet wel m'n schat dat ik veel van je hou
Ik
hoef je dat niet te verklaren
Een
zeeman is dol op z'n kroost en z'n vrouw
En
toch wil hij altijd weer varen
Maar
heeft soms de zee iets verkeerds met me voor
En
krijg ik voorgoed averij
Denk
aan de kinderen en sla je erdoor
Maar
spreek hen dan dikwijls van mij
Zie
ik de lichtjes van de Schelde
Lalalalalalalala
Ik
weet dat jij op mij zult wachten
Lalalalalalalala
Zie
ik de lichtjes van de Schelde
Is
't of ik in je ogen kijk
Die
zo heel veel liefs vertellen
Dan
ben ik als een prins zo rijk
Doedoedoedoe...
Terug
naar overzicht
De Liechtensteiner Polka
(Ned. tekst: Ferry/muziek: R. Lindt/uitvoering: Eddy Christiani)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Ja dat is de Liechtersteiner
Polka m'n schat,
Polka m'n schat,
Polka m'n schat.
Daar heeft elke Liechtersteiner
Pret van gehad,
Pret van gehad m'n schat.
Want bij het dansen, dansen, dansen
Kijk je elkander lachend aan,
En krijg je kansen, kansen, kansen,
Samen fijn op stap te gaan.
Oh ja alleen de Liechtersteiner
Polka m'n schat,
Zet ieder hart schaakmat.
De oude graaf van Liechterstein
Ja, ja, ja.
Die wilde niet alleen meer zijn
Neen, neen, neen,
Hij stuurde toen z'n knecht van huis
Ja, ja, ja,
Die keek naar muzikanten uit
En bracht ze bij hem thuis.
Toen de muziek begon,
Zong al wat dansen kon:
Refrein
Terug
naar overzicht
De
lindeboom
(met
dank aan Corry Verhoeven voor het sturen van de tekst)
Bij
gindse grijze toren, daar staat een lindeboom.
Ik
droomde in zijn schaduw zo menig zoete droom.
En
op z'n schors daar schreef ik zo menig dierbaar woord.
Ik
ging in vreugd' en lijden erheen steeds ongestoord.
Erheen
steeds ongestoord.
Toen
ik vandaag ging wand'len voorbij die oude boom.
En
sloot mijn beiden ogen kwam t'rug in mooie droom
En
alle twijgen riepen heel zacht mij welkom toe,
Kom
rusten in mijn schaduw, als jij je voelt heel moe.
Als
jij je voelt heel moe.
De
koude wind die blies toen mij recht in het gezicht.
Mijn
hoed en haren vlogen gelijk een veer zo licht.
Nu
ben ik verwijderd, toch roept een stem mij toe,
Kom
rusten in mijn schaduw, als jij je voelt heel moe.
Als
jij je voelt heel moe.
Terug
naar overzicht
De
lindeboom
(B.J. Kloosterman / F. Schubert )
(met dank aan Els Polak)
Bij d’ouderlijke woning
Daar prijkt een lindeboom
Hij staat daar als een koning
En spiegelt in de stroom
Die boom zag mij eens spelen
Als kindje aan zijn voet
Zijn lommer kon mij strelen bij felle zonnegloed
Zijn lommer kon mij strelen bij felle zonnegloed
Zijn schors vertolkt de vreugde
En weemoed van mijn hart
Ik grifte wat vervreugde
Ik grifte ook mijn smart
De vogels in zijn lover
Die zongen in mijn droom
Toef trouwe vriend, en rust hier bij deze lindeboom
Toef trouwe vriend, en rust hier bij deze lindeboom
Nu voel ‘k me moe gestreden
En wankelt reeds mijn voet
Hij troost mij als verleden
En ruist geheimvol zoet:
Kies hier uw laatste woning
Als God uw komst gebiedt
‘k Zal trouw uw wachter wezen en ‘k ruis voor u mijn lied !
‘k Zal trouw uw wachter wezen en ‘k ruis voor u mijn lied !
Terug
naar overzicht
De Lorelei van buurt YY
(Eduard Jacobs 1868-1914)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Ik weet niet wat het moet beduiden
Dat ik zo ben uit mijn humeur
Ik hoor daar de doodsklokken luiden
Een lijkkoets staat ginds voor de deur
En in de salon daar beneden
Zit snotterend een droevige rij
Verzonken in vurige gebeden
Voor de Lorelei van buurt YY
Hoe ijdel is 't mens'lijke leven
Daar ligt ze dood als 'n pier
Zij is op 't slachtveld gebleven
Van liefde, genot en plezier
Voor 't eerst, nu acht dagen geleden
Had ze in de salon gemankeerd
Toch had ze nog 's avonds beneden
Voor 't open raam gevigeleerd
Daar draagt men de lijkkist naar
buiten
Steeds luider klinkt 't snott'rend
geween
Madam gluurt bedroefd door de ruiten
Want daar gaat haar broodwinning heen
Eerst wilden de klanten niet komen
Wat zij en haar man ook bedacht
Toen heeft ze de blonde genomen
En die had haar zegen gebracht
Daar gaat ze nu henen, de blonde
De Lorelei van buurt YY
Madam kijkt bedroefd in het ronde
En monstert de snott'rende rij;
Graag had zij die allen gegeven
Voor haar, die men grafwaarts daar
rijdt !
Ach, waarom verliet zij het leven ?
En dat in het drukst van de tijd !
"Ik heb er een schat mee verloren
Nu zij uit mijn huis wordt gerukt
Had zij niet drie weken tevoren
'n Schatrijke vreemdeling geplukt
Wie wist, gelijk zij, te animeren
Als stromen doen vloeien de wijn ?
Geen enk'le die voor ouwe heren
Vooral zo aantrekk'lijk kon zijn !"
Zo klaagde Madam en ze schreide
Om 't blondje, zo innig bemind
Van wie ze met droefenis scheidde
Als waar' zij haar bloedeigen kind
Om de hoek ging de lijkkoets aan 't
draven
Er waren geen volgkoetsen bij...
Ze werd van armen begraven
De Lorelei van buurt YY ! ...
Terug
naar overzicht
De
maaier van de overwegen
(1928 Duo Hofmann/melodie Ramona)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Buiten
het dorp wacht de overweg
Rechts
daarvan een huis links een hoge heg
Moeder
zei kindje speel niet bij ’t spoor
Straks
komt er een trein ’t is gevaarlijk hoor
Marietje
denk er aan denk er aan dat ik je verbood
Marietje
bij de overweg daar loert de dood
Zo
vlijde de moeder toen ging een schim langs die zij niet zag
De
schim van de maaier die naar zijn prooi zocht voor deze dag
Marietje
voorzichtig riep de moeder nog
Marietje
was een kind en daarom ging zij toch
En
speelde op de spoorweg legers groen bemost
De
maaier stond stil op zijn post
Treinenrook
kwam in wolken aan ‘n verre kim
Onverbiddelijk
wachtte maaiers schim
Nog
speelde het meisje naar hartelust
Tussen
blinkend spoor geen gevaar bewust
Marietje
riep moeder eens klap vol van schrik
Marietje
moeders stem sloeg door in een schreeuw
Haar
kind speelde rustig het zwarte monster snelde reeds aan
Een
angstgil een doodskreet de trein ging door het was weer gedaan
Marietje
klonk weer moeders angstig gegil
Marietje
riep zij kermend maar het bleef stil
De
moeder vond haar kind verminkt in zand en bloed
De
maaier zijn oogst was weer goed
Terug
naar overzicht
De maan
(tekst: Dico van de Meer/muziek: Jaap
Meijer/uitvoering: Jaap Meijer en The Ramblers)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)
Nieuwe tijden nieuwe zeden,
Gold als wet de eeuwen door.
Want elke generatie trok
Op aard' een eigen spoor.
Maar het sprookje van de liefde
In de zilv'ren maneschijn,
Schoon eeuwen oud, is up to date,
Want nooit veroudert dit refrein:
Een 'hij', een 'zij', een stille laan,
Daarbij behoort een brokje maan
Want zonder zilv'ren maneschijn
Zou mijm'ren niet romantisch zijn.
De maan, de maan, de volle maan,
Moet aan de hemel staan
Maakt levensproza tot een lied
En Manus babbelt niet !
Terug
naar overzicht
De
macht van het kind
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
De
grootste rijkdom in een mensenleven,
Die
man en vrouw dicht aan elkaar verbindt,
Die
zelfs de zwakke energie kan geven,
Die
grote macht bezit alléén 't kind.
Want
faal je soms bij 't werkelijk ernstig pogen,
Mislukt
je vaak, hetgeen je innig tracht,
Dan
geeft een blik uit lieve kinderogen,
Voor
verder streven nieuwe levenskracht.
Refrein:
Een
kind is een troost in de donkere dagen,
't Verzacht
met een glimlach je zorgen en pijn.
Al
treft je 't noodlot met striemen en slagen,
Zelfs
dan kan een kind nog een troost voor je zijn.
Al
kan een kind je grote zorgen baren,
Al
treft 't soms het ouderlijk gevoel,
Diep
in 't hart zal je 't besef bewaren,
Alleen
een kind geeft aan 't leven doel.
Daarvoor
trotseer je alle moeilijkheden,
En
is geen macht ter wereld je te zwaar.
Voor
't kind wordt dikwijls diepe smart geleden,
De
grote macht van 't kind is wonderbaar !
Refrein
En
als de levensavond eens zal dalen,
Het
oog verdoft, het dunne haar vergrijsd,
Je
droef terugblikt op je idealen,
Als
alles op het naderend einde wijst.
Kust
dan 'n kind je oude moede ogen,
Waar
heel geheim 'n stille traan in beeft,
Zeg
je eerbiedig tot Hem in de hoge:
,,Ik
ben bereid, 'k heb niet voor niets geleefd."
Refrein:
Een
kind is een troost in je moeilijke dagen,
't Verzacht
met een glimlach je zorgen en pijn.
En
trof je het 't noodlot met striemen en slagen,
Tot aan je stefbed kan 't troost voor je zijn.
Terug
naar overzicht
De maharadja van Magador (orkest Jan Vogel)
(met dank aan Carola voor het
sturen van de tekst)
In 't oosten, heel dicht bij de
ecuador
Was een heer maharadja van Magador
Hij had paar'len en geld
Tien miljoen, welgeteld
En z'n radio speelde vrolijk de rumba
Hij zag die dans, die rumba dans
De maharadja stond op en zei:
Neem m'n paar'len en neem m'n goud
Neem m'n kamelen, 't laat me koud
Leer me rumba, je doet 't voor
De rijke maharadja van Magador
Een brunette kwam binnen, zei lief en
zacht:
"Maharadje, 'k leer u rumba, nog deze nacht"
Hij werd week, hij bezweek
En was danig van streek
En dacht helemaal niet meer aan de rumba
't Werd een schandaal, voor allemaal
Ze gingen weg en 't volk dat zei:
Ze nam z'n paarlen en al z'n goud
Ze is in stilte met hem getrouwd
Ging er op een kameel vandoor
Met de rijke maharadja van Magador
Ze nam z'n paarlen en al z'n goud
Ze is in stilte met hem getrouwd
Ging er op een kameel vandoor
Met de rijke maharadja van Magador
Terug
naar overzicht
De
Mannetjes-Schutters
(zie
ook De Schutterij bij Koos Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Daar
komt de schutterij
Met
Vaandels en met Pluimen
Zij
lopen in de rij
Zij
kauwen op hun pruimen
Wat
zijn ze in hun schik
Hun neuzen
die krullen
Zij
loopen in de pas
Als
zoete lieve knullen
Refrein:
Daar
komen de schutters, zij
lopen zich lam
De
mannetjesputters
van Amsterdam
O,
wat een geschitter, wat hebben ze een lef
Dat
komt van de bitter
en plichtsbesef
Daar
komt de Generaal
En
geeft die vent een lijpie
Dat
ie
op de vlakte komt
Met sigaar of
met pijpie
Maar
schutters zijn gaar
En
laten zich niet koejeneren
Ze
stoppen hun sigaar
In
de loop van hun geweren
Refrein
Een
schutter is een klant
Die
om niets kan brommen
Durft
gij, vraagt de Sergeant,
Hier
zonder schenen te komen
Dan
antwoord hij beleefd
Sergeant
ben jij bekrompen
Als
ik geen schoenen heb
Dan
schutter ik maar op klompen
Refrein
Wanneer
de Generaal
De
troep gebiedt te zwijgen
Dan
roept er een brutaal
Kijk
jij maar naar jou eigen
Jij
kan, wat mij aangaat
Wel
naar de donder loopen
Wanner
jij zoo'n hoogen toon aanslaat
Kom
ik geen kaas meer bij je koopen
Refrein
Een
schutter is het beeld
Der
Nederlandse Natie
Maar
dat het hun verveelt
Dat
merk je aan hun facie
Nooit
heeft hij bloed vermorst
Liefst
staat hij bij zijn wapen
Voor
Vaderland en Vorst
Een
uur of drie te gapen
Refrein
Als
eenmaal onze stad
De
schutters op gaat doeken
Dan
drinken zij zich zat
En
gaan dan ruzie zoeken
Als
dan op 't veld van eer
Een
schutter wordt gevonden
Dan
is hij voor de eerste keer
Een
lijk of een gewonde
Refrein
Terug
naar overzicht
De
matroosjes
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Er
was er eens een heel klein scheepje
Er
was er eens een heel klein scheepje
Dat
was nog nooit nooit nooit op zee geweest
Dat
was nog nooit nooit nooit op zee geweest
Owee
owee !
Het
ondernam een grote reize
Het
ondernam een grote reize
Al
naar de Mid-mid-middellandse zee
Al
naar de Mid-mid-middellandse zee
Owee
owee !
Maar
na de eerste zeven weken
Maar
na de eerste zeven weken
Toen
was er niets niets niets te eten meer
Toen
was er niets niets niets te eten meer
Owee
owee !
Toen
zou men door het lot beslissen
Toen
zou men door het lot beslissen
Wie
men van ons ons ons opeten zou
Wie
men van ons ons ons opeten zou
Owee
owee !
Het
lot viel op het jongst matroosje
Het
lot viel op het jongst matroosje
En
kokkie bracht bracht bracht de pan al aan
En
kokkie bracht bracht bracht de pan al aan
Owee
owee !
Het
arme kind viel op de knieën
Het
arme kind viel op de knieën.
En
bad zo schoon schoon schoon tot de heilige maagd
En
bad zo schoon schoon schoon tot de heilige maagd
Owee
owee !
En
daar gebeurde 't groot mirakel
En
daar gebeurde 't groot mirakel
De
visjes wip wip wipten gaar aan boord
De
visjes wip wip wipten gaar aan boord
Hoezee
hoezee !
Ze
vielen allen op de knieën
Ze
vielen allen op de knieën
En
dankten toen toen toen de heilige maagd
En
dankten toen toen toen de heilige maagd
Hoezee
hoezee !
Terug
naar overzicht
De
Mei
(tekst/muziek: Dirk Witte)
Daar
schoven de mensen, in drommen zo dicht
In
rijen van vier, in het voorjaarse licht
Daar
woeien de vaandels in kleuren, zo blij
Daar
schalde het koper het Lied van de Mei
De
zon scheen op hem, en de zon scheen op haar
Ze
hielden die dag eens zoveel van elkaar
Ze
liepen gearmd aan het eind van de stoet
Een
roos op de borst, en de ogen vol moed
Ze
snoven de lucht, en ze zongen zo blij
Het
Lied der Overwinning, het Lied van de Mei
Het
Lied van de Mei, de eerste Mei
Hij
keek in haar ogen, en drukte haar arm
Haar
bloesje was dun, en haar hartje was warm
Ze
stapten gewichtig, en zongen vol vuur
Zij
keek onderhand naar de bordjes "Te Huur"
Ze
zag in haar dromen een hij en een zij
Tezaam
in zo'n huisje, het volgend jaar Mei
Hij
dacht niet aan kiesrecht, aan Staatspensioen
Hij
dacht aan z'n meisje, hij dacht aan een zoen
En
diep in hun hart zong de Lente zo blij
Een
liedje van verlangen, een Lied van de Mei
Een
lied van de Mei, de blijde Mei
De
dag was voorbij, en de avond was koel
Heel
ver lag de stad met haar licht en gewoel
De
nachtwind ging speels over water en wei
Ze
neurieden zachtjes het Lied van de Mei
De
avond was eenzaam, en zacht was het gras
Ze
vlijden zich neer aan de kant van de plas
Ze
hoord' in haar oren z'n fluist'rende stem
Hij
las in haar ogen de zege voor hem
En
ver in een boom zong een vogel zo blij
Een
Liedje van de Liefde, een Lied van de Mei
Een
Lied van de Mei, de jonge Mei
Terug
naar overzicht
De meid van de slager
(met
dank aan Corry Verhoeven voor het sturen van de tekst)
De meid van de slager en Sientje was
haar naam,
Een engel van tweehonderd pond,
Had wangen als appels en ogen als
vuur,
Als kersen zo rood was haar mond.
Ze sloeg plots in vlam voor een Engels
soldaat,
Ze kon hem alleen niet verstaan.
Toen is ze uit liefde voor haar
Canadees,
Opnieuw naar de school toegegaan.
Refrein:
Eeeeeeeeen de meid van de slager , had
Engelse les.
Ze smoest al okay boy, good evening o
yes.
I love you my sweethart hay looking
toy you.
En dan neemt ze afscheid met how do
you do.
Word Sientje des s’avonds door Jhonny
afgehaald.
Dan roept ze: ,,Hallo bin you there."
Dan kijkt ze heel even haar lesboek
nog na
En roept Jhonny: ,,ik ben very klaar."
Dan lopen ze samen gearmd door de
straat,
Geen woord dat de stilte verstoort.
Ze vind hem een krent en Jhonny die
denkt:
,,In liefde behoeft men geen woord."
Refrein
Loopt Sientje des s’avonds met Jhonny
door het park,
Dan komt heel de buurt bij elkaar.
Al kijkt Sien wat hemels en is ze wat
scheel,
Ze lispelt: ,,I love you sweetheart."
Dan rookt ze heel zwierig een flayer
of sweet
Of likt aan een stukje chocola.
Als Sientje dan swingt en de
roddeltjes zingt,
Dan roept heel de buurt bij elkaar:
Refrein
Maar Jhonny ging naar huis en Sientje
bleef hier,
Het afscheid dat viel heus niet mee.
Haar hart werd gebroken , de liefde
verdween.
En huilend riep zij aan de ree:
,,O Jhonny I love you kom gauw weer
terug,
Ik wacht hier op jou lieve schat."
Maar Jhonny is gegaan en liet Sientje
hier staan,
En heel de stad riep zeg weet je dat:
Refrein
Terug
naar overzicht
De
meid van de straat (Lou Bandy)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Meisje,
als ik je des avonds zie gaan,
Gehuld
in een mantel van zij,
Dan
kan ik wel huilen om je droef bestaan,
Dan
voel ik zo'n diep medelij !
Je
bent maar een speelpop voor menige man,
Maar
ééns komt de tijd dan kijkt niemand je aan !
Refrein
:
Want
je bent maar een meid die men vergeet,
Speelgoed
slechts voor 't moment van plezier.
Denk
er om als een man eens trouwen gaat,
Dan
trouwt hij toch nooit met een meid van de straat !
En
je vraagt dan : "waarom was ik zo dom ?"
En
je huilt hete tranen van leed.
Als
je 'n bruidspaartje ziet gaan, en je blijft staan,
Als
'n meid die men vergeet.
Ja
meisje-lief, heus, je bent slechts een flirt,
Geschminkt
en opzichtig gekleed.
Je
bent nu nog mooi, doch dat duurt maar slechts kort,
Verlept
ben je voor dat je 't weet !
Want
laatst kwam je eenvoudige zuster voorbij,
Die
'n man heeft en kindertjes, maar zeg: "wat heb jij?"
Refrein
Terug
naar overzicht
De meisjes van hier
(oorspronkelijk Le gamin de Paris
van Yves Montand)
(tekst: Willy Ferdy / muziek André
Mares)
(met
dank aan Gerard Engelbertink voor het sturen van de tekst)
Refrein:
De meisjes van hier zijn netjes en
keurig,
Zo mooi als een bloem, heel fris en
heel fleurig,
Ze houden van pret, maar zijn in d'
liefde toch wel kieskeurig !
De meisjes van hier, daar kun je op
bouwen,
Ze houden van zon, zoals alle vrouwen.
En zeggen ze ja, dan kun je er vast op
vertrouwen.
Om een walsje te draaien, doen ze
daad'lijk mee,
Als de rokjes dan zwaaien zijn ze zo
blij en tevree !
De meisjes van hier zijn schattige
kinders,
Zo lief en koket en dartel als
vlinders,
Je kunt bij zo 'n snoes maar moeilijk
een zoentje verhinderen !
Waar ook ter wereld je gaat
Ov'ral zijn meisjes te vinden
Al zijn ze heus niet zo kwaad
Maar het mooiste wat er bestaat.
Refrein
Terug
naar overzicht
De
melksalon
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
zag onlangs een meisje,
In
de melksalon !
Het
was een aardig sijsje,
In
de melksalon !
Ze
was niet groot en ook niet klein,
Maar
juist zooals een vrouw moet zijn,
In
de melksalon, in de melksalon, in de melksalon !
Ze
knipoogde mij tegen,
In
de melksalon !
Ik
voelde mij verlegen,
In
de melksalon !
Zij
zat daar links en heel charmant,
En
ik zat aan den rechterkant,
In
de melksalon, in de melksalon, in de melksalon !
"Juffouw
hoe komt U zoo alleen",
In
de melksalon !
"Kom
drink wat voor me, zeg niet neen",
In
de melksalon !
Zij
antwoordde direct: "O ja !
Ik
neem een koppie sukkela !"
In
de melksalon, in de melksalon, in de melksalon !
Ik
vroeg: "Waar komt U wel vandaan ?"
In
de melksalon !
Ze
zei: "Ik woon in de Jordaan !"
In
de melksalon !
"U
wee mot nie soo ferfelene doen,
Ik
ben een mèssie fan fesoen !"
In
de melksalon, in de melksalon, in de melksalon !
"Ik
snap niet wat U van me wil !
In
de melksalon !
Sit
assieblief een beetje stil !"
In
de melksalon !
Ik
zei: "Staat het U hier niet aan,
Laat
ons dan ergens anders gaan !"
In
de melksalon, in de melksalon, in de melksalon !
"Meneer,
wat denkt U wel fan mijn",
In
de melksalon !
"Ik
ben nog als een maagd zoo rein !"
In
de melksalon !
"Maar
't hindert niet, zoo sprak ze zacht,
Kom
maar van avond hallef acht."
In
de melksalon, in de melksalon, in de melksalon !
Des
avonds was ze prompt op tijd,
In
de melksalon !
Het
was een zeer fidele meid,
In
de melksalon !
Ze
zei: "Wat ik voor jou gevoel,
Komt
enkel door je leuke smoel !"
In
de melksalon, in de melksalon, in de melksalon !
Toen
ben ik met haar mee gegaan,
In
de melksalon !
Dat
avontuurtje stond mij aan,
In
de melksalon !
De
liefde bracht mij heel van streek,
Nu
treffen wij ons elke week,
In
de melksalon, in de melksalon, in de melksalon !
Terug
naar overzicht
De
mijnwerker
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Daar gaat hij weer die flinke stoere werkman
Hij neemt afscheid van zijn jonge vrouw en kind
't Is onder de aarde dat hij dagelijks zwoegend
Het brood verdient voor die hij zoo dierbaar vindt
Ze zijn beangst wanneer hij gaat vertrekken
Maar hunne vreugde is oneindig groot
Telkens als zij vader zien wederkeren
Behouden uit der mijnenschoot
Refrein:
Daar luidt de klok verscheidene malen
't Is voor hem toch een bevel
Om in die diepte neer te dalen
Daar onder in die hel
Vader hoort gij 't klokje
Zoo roept een heel klein kind
Nog eens omhelst hij hen beiden
En snelt dan heen gezwind
Straks als de zon daalt aan de westerkimme
Dan is de taak voor allen weer gedaan
't Mijnwerkerskind staat vol verlangen
Of zij 't klokje niet hoort slaan
Hoort zij de klank het is voor haar een teken
Te ijlen zoo hard zij kan naar huis
Om moederlief van verre toe te roepen
Het klokje slaat nu komt paatje weer thuis
Refrein:
Daar luid de klok verscheidene malen
Moeder laat 't werk nu staan
Moeder gaat met mijn mede
Laten wij paatje tegen gaan
Hoort gij dan niet het klokje
De arme vrouw zinkt plots ineen
Op een baar dragen zijne makkers
Haar man thans huiswaarts heen
Ziet gij die stoet gehuld in diepe rouw
Zij schrijden langzaam naar 't kerkhof heen
Vervloekte mijn zoo mompelt menig vrouwen
Wat ramp bracht gij en geween
En in die stoet daar loopt een jonge weduwe
Leidt aan haar hand een kind onschuldig rein
Wat niet beseft dat 't thans is wees geworden
Haar vaderlief voor altijd kwijt te zijn
Refrein:
Daar luid de klok verscheidene malen
Ten grave daalt de werkman neer
Moeder zoo zegt het kindje
Komt vader nu niet meer
Hoort hij dan niet het klokje
Wil vaderlief niet meer bij ons zijn
Een wanhoopskreet is moeders antwoord
O gij vervloekte mijn
Terug
naar overzicht
De
modinettes (tekst/muziek:Han Koreneef/uitvoering: Rika Janse-Zwarte Riek)
Refrein:
Wij
zijn de meisjes van het confectie atelier
De
modinettes, de modinettes
Wij
zijn de meisjes van het confectie atelier
Wij
doen steeds aan de mode mee
De
mode is zo grillig
Het
veranderd ieder jaar
Wij
volgen maar gewillig
Met
naald en draad en schaar
Wat
ook de mode voorschrijft
De
modekoning doordrijft
Wij
maken het perfect
En
blijven opgewekt
Refrein
Wij
knippen en garneren
Wij
volgen elke lijn
Raderen
en plisseren
Naar
het model moet zijn
Een
jurk voor alle dagen
Of
nu en dan te dragen
Voor
warmte of voor kou
Wij
kleden elke vrouw
Refrein
Het
spreekwoord zegt de kleren
Die
maken pas een man
En
kleren fabriceren
Daar
kennen wij wat van
Wij
maken voor de mensen
Al
wat ze ook maar wensen
Wij
zijn met naald en draad
Die
hele dag paraat
Refrein
Wie
in haar jonge jaren
Dit
vak goed heeft geleerd
Kan
heel veel geld besparen
Ook
als hij emigreert
In
ieder land op aarde
Heeft
handigheid zijn waarde
Het
is een kapitaal
En
internationaal
Refrein
Terug
naar overzicht
De moeder weent in droef getraan
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
De moeder weent in droef getraan
Haar zoon wil naar den vreemde gaan
De wereld is zoo schoon en prachtig
Moeders tranen zijn onmachtig
Ach moeder weent toch niet zoo teer
Wij zien elkaar nog wel eens weer
Gedreven door de smart
Drukt zij hem stevig aan 't hart
Refrein:
Vogel vliet de wereld in
Luistert niet naar moeders min
Leeft in weelde wijl moeder lijd
Maar hij kent geen dankbaarheid
En in dat groote wijde veld
Verdient de zoon veel sommen geld
Maar ach hij kent geen zorgen
Leeft van heden maar tot morgen
Terwijl de moeder lijdt in nood
En werkt en zwoegt voor haar dagelijks brood
Maar als zij uit 't venster kijkt
Snikt zij weer in tranen uit
Refrein:
Vogel vliet de wereld in
Luistert niet naar moeders min
Leeft in weelde kent geen verdriet
Maar zijn moeder vergeet hij niet
Gevlogen is het geluk der zoon
Hij keert terug naar moeders woon
Nu dwaalt hij heel alleen en gansch verlaten
Zoo droevig door de straten
Hij slaat een blik op 't huisje neer
Maar die hij zoekt is er niet meer
Gelijk een snijdend koor
Drukt hem zoo denkend door
Refrein:
Vogel vliet naar 't kerkhof heen
zDaar rust moeders lijk hij gaat er heen
En weent voordat hij henen gaat
Maar zijn berouw komt veel te laat
Terug
naar overzicht
De
molen bij de vliet (uitvoering: Henk Dorel)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
Refrein:
Daar
bij die mooie molen,
Die
molen aan de vliet,
Gaan
wij ons nestje bouwen,
Daar
zingen wij ons lied.
Daar
gaan we samen dromen,
Als
't koele windje waait.
Daar
zal 't geluk wel komen,
Zolang
de molen draait.
Heerlijke
tijd, als wij verblijd,
Daar
in de echt zijn verbonden.
Als
na een jaar, dan de ooievaar,
De
weg naar ons huis heeft gevonden.
Ons
dorpje loopt vast uit,
Op
de molen met zijn bruid.
Refrein
Zo
met zijn twee, levend in vree,
Denken
wij nog aan die jaren.
En
aan die tijd, van haat en nijd,
Van
honger en oorlog bewaren.
Ook
zij denkt aan die stond,
Hoe
ik voor 't eerst mijn liefde vond.
Refrein
Terug
naar overzicht
De
moord te Raamsdonk
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Komt
vrienden luistert naar dit lied
al
wat te Raamsdonk is geschied,
Er
leefden daar een man en vrouw
in
eer en deugd en goede trouw.
Die
mensen hadden een beetje geld,
daar
waren de moordenaars op gesteld.
De
dieven kwamen zeer belaân
en
klopten 's avonds bij hun aan.
De
oude man, een aardige klant,
die
sprong al uit zijn ledikant.
Hij
sprong zijn bed recht uit den flank
en
schopte de waterpot al van de plank.
De
keukenmeid met haar rode kleur,
die
sloop al stiekum door de keukendeur.
De
oude does die waken moest,
die
was van angst de plaat gepoetst.
Hij
schoof het raam al op 'n kier
en
sprak wat is dat voor woest getier.
De
dieven in hun vak bekwaam,
die
klommen door het open raam.
De
oude man werd subiet vermoord,
de
vrouw werd in haar bed gesmoord.
De
jongste zoon wat een schandaal,
zwemt
in zijn bloed gelijk een aal.
Daarna
legden zij wat op den mat,
de dieven kozen 't hazenpad.
De
oudste zoon hij heette Frank,
dorst
niet te nad'ren van de stank.
De
politie kwam al met een deel
op
't verschrik'lijk moordtoneel.
De
commissaris nog al glad,
Zag
wat glinst'ren op de mat.
In
't onderzoeken was hij een baas,
de
dieven vluchten op de plaats.
Zij
kropen daar in 't kippenhok,
de
kippen kakten op hun kop.
De
rechter zeide: "Gij zal allegaar,
dwangarbeid
doen. voor 'n tachtig jaar."
De
advocaat sprak: "Dat is veel
en
greep de rechter bij de keel."
Wat
toen verder is geschied ) bedoeld
dat weet ik wel,
) als
maar
ik zeg het niet.
) coda.
Terug
naar overzicht
De muur
(met
dank aan Anita Dortmans voor het sturen van de tekst)
Ze stonden elke avond op een
afgesproken uur
Zij ieder aan een andere kant van de
gehate muur
Ze wuifden naar elkander zonder angst
voor het gevaar
Der Peter und die Greetl, want ze
hielden van elkaar
Refrein:
Bij die muur, bij die muur
Bij die muur, in Berlijn bij die muur
Hij zou zo graag eens zeggen:
"lieveling ik hou van jou"
En zij zou graag beloven: "schat ik
blijf je altijd trouw"
Maar wat de mond niet zeggen kon
vertelde elk gebaar
Von Peter und von Greetl, want ze
hielden van elkaar
Refrein:
En op een avond waagde hij de sprong
naar het geluk
Hij wist een plekje in de muur dat was
al dagen stuk
En als het lukte wist hij zich voor
altijd dicht bij haar
Der Peter und die Greetl, want ze
hielden van elkaar
Refrein
Maar eensklaps werd er bij de muur een
luide knal gehoord
Een kogel had de illusie van het
tweetal wreed verstoord
Dat was het eind van de romance van
het jonge paar
Von Peter und von Greetl, maar nu
nooit meer bij elkaar
Refrein
Terug
naar overzicht
De
nieuwjaarsbrief
(met dank aan Andreas Jacquet voor het sturen van de tekst)
Het was een klein blond meisje van pas
een jaar of acht
Zo vrolijk als een sijsje met oogjes
blauw en zacht
Naarstig zat zij te staren op haren
nieuwjaarsbrief
En schreef met vele gebaren aan haren
vader lief
Eindelijk is de dag nader waar ik zo
lang naar tracht
Dat ik mijnen vader mag schrijven mijn
gedacht
Vadertje braafste der mensen als ik u
eenmaal zag
Dat zijn mijn vurigste wensen op dezen
nieuwjaarsdag
En wat wij allen verlangen is dat de
vrede brak aan
En gij arme krijgsgevangen weer naar
huis mocht gaan
Om ons hulp te verlenen dan zijn wij
uit ons lij
Dan zal moeder nimmer wenen, dan wordt
zij weder blij
Vadertje lief ik moet u zeggen dat wij
aan 't verhuizen zijn
Wij gaan in een klein straatje wonen
in een huisje klein
Daar zal het zo koud niet wezen
wanneer wij hebben geen vuur
Dat komt dikwijls voor, de kolen zijn
raar en duur
Hoe rolt de tijd toch henen het is
reeds de vierde keer
Ik was nog een heel klein wezen nog
geen vijf jaren oud
Ik kon niet lezen of schrijven en nu
ben ik reeds groot
Alleen heb ik dit geschreven vadertje
is dat niet lief
Gans mijn spaarpot uitgegeven aan
dezen schonen brief
Vadertje Kent gij de bloemen
Die gij op mijn briefje ziet ?
Ik zal hunnen naam eens noemen, zij
heten -vergeet mij niet-
Voor het sluiten van mijn schrijven
vadertje beloof ik u
Van altijd braaf te blijven en mijn
best te doen zoals nu
En mocht er vrede komen zodat gij dan
komt weer
Zult gij verwonderd kijken hoeveel ik
heb geleerd
Uw lot is wel te beklagen vader ik
begrijp dat goed
Maar ik denk ook alle dagen aan dat
onschuldig bloed
Van alle vaders die gevallen zijn op
het veld van eer
Gij zijt nog de beste van allen,
eenmaal keert gij toch weer
Terug
naar overzicht
De onbewaakte overweg
(Gezongen op de wijs van
Overschotje lief klein popje, Willy Derby ca. 1925/1930)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)
In een vriendelijk boerenhuisje
Staat het avondeten klaar
De boerin en haar vier kinderen
Zitten wachtend bij elkaar
Waar zal vader toch wel blijven
Vraagt Marietje met een blik
Wachtend op het dampend eten
Jongens, wat een trek heb ik.
Moeder zegt het is zo mistig
Vaders paard kan weinig zien
Laten wij maar vast gaan eten
Vader komt wat laat misschien
Onder 't eten zegt Marietje
Ik wou dat vader nu maar kwam
Hij zou voor mij een pop meebrengen
Van de markt uit Amsterdam.
Moeder zegt, mijn lieve kindje
Ga maar slapen, jij bent moe
Ik roep je vast, en even later
Vallen kindjes ogen toe
Lang staat moeder aan de deurpost
Stil te wachten op haar man
Luist'rend of zij het geratel
Van zijn wagen horen kan.
In een polder waar de spoorbaan
Met de weg een kruispunt vormt
Is met donderend geratel
Juist een trein voorbij gestormd
Vaders wrakke boerenwagen
Is door 't monster beetgepakt
En als stukgebroken speelgoed
Langs de weg weer neer gesmakt.
Even ligt een paard te kreunen
Even klinkt een bang gegil
Langzaam sluipt de mist weer nader
En dan wordt het angstig stil
's Morgens ruimen ze twee lijken
Met wat wagenresten op
't Enigste wat was heel gebleven
Was Marietjes nieuwe pop.
Terug
naar overzicht
De
ongelukkige hoed
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Het
is nog niet lang geleden,
Ik
ontving een hoedendoos,
Maar
gelukkig kwam hij franco
Per
wagen van Van Gend & Loos.
Ik
ging hem vesiteeren,
Zooals
men gewoonlijk doet.
Wat
kwam eruit mijnheeren,
Deez'
mooie nieuwe hoed.
Refrein:
Wie
zijn hoed is dat, wie zijn hoed is dat,
Wie
zijn hoed mag dat wel zijn ?
Mijn
vader woont in Brussel,
Die
stuurd' dien hoed aan mijn.
De
dag daarna ging ik wandelen
Mijn
hoed op als mijnheer,
In
't eerst was het wat buiig,
Maar
toen werd het goed weer.
Mijn
hoed waait in 't water,
En
drijft op 't ruime sop.
Gelukkig
was er een visscher,
Die
vischte hem weer op.
Refrein:
Wie
zijn hoed is dat, wie zijn hoed is dat,
Wie
zijn hoed mag dat wel zijn ?
Ik
stond daarna te kijken,
Want
die hoed behoorde mijn.
Ik
ging laatst op audiëntie,
Want
ik had graag een post,
Ik
reed met de diligence,
Omdat
't mijn minder kost.
Ik
zat boven op de wagen,
Want
het was snikkend heet,
En
och daar waait mijn hoed af,
Hij
waait in een seceet.
Refrein:
Wie
zijn hoed is dat, wie zijn hoed is dat,
Wie
zijn hoed mag dat wel zijn ?
Een
nam hem op een stokje,
En
bracht hem zoo bij mijn.
Mijn
neef wou laatst gaan trouwen,
Maar
ach hij had geen hoed.
Hij
vroeg daarom de mijnen,
Die
paste hem zoo goed.
Ik
ging terstond naar boven,
Maar
och ik arme bloed,
Vier
jonge witte katjes,
Die
lagen in mijn hoed.
Refrein:
Wie
zijn hoed is dat, wie zijn hoed is dat,
Wie
zijn hoed mag dat wel zijn ?
Ik
werd razend op die poesjes
En
trapte ze allen fijn.
Ik
was laatst in de Komedie,
Een
dikke vette Heer,
Die
zet zich, o afgrijselijk,
Toen
op mijn hoedje neer.
Van
schrik moest ik klappertanden,
Maar
hij nam heel komiek,
Mijn
hoedje in zijn handen
En
vroeg toen aan 't publiek:
Refrein:
Wie
zijn hoed is dat, wie zijn hoed is dat,
Wie
zijn hoed mag dat wel zijn ?
Ik
schreeuwde als een varken,
Die
hoed die is van mijn.
Ik
heb dus maar besloten,
O
zeer geacht publiek,
Om
maar een pet te koopen,
Want
een hoed bevalt me niet.
Of
liever een warme slaapmuts,
Dan
leef ik gerust en stil,
Laat
dan maar hoeden dragen,
Wie
hoeden dragen wil.
Refrein:
Wie
zijn hoed is dat, wie zijn hoed is dat,
Wie
zijn hoed mag dat wel zijn ?
Ach
lieve papa in Brussel,
Stuur
geen hoed ooit meer aan mijn.
Terug
naar overzicht
De
ooievaar komt
(August de Laat)
In
een klas met kleine kleuters,
Kakelende door elkaar,
Want 't was nog geen negen uren,
Zeiden ze dra tot elkaar:
"Wat heb jij nu op je boot'ram?"
"Ik een eitje", "Ik heb worst"
"En ik heb beschuit met muisjes"
Zei de kleine Lies van Dorst.
De
juffrouw in de klas gekomen,
Zag toen Lies al peuz'lend staan,
"Lies wat ben je weer aan 't snoepen?
Wacht tot 12 uur voortaan !"
"Juf, de ooievaar moet komen,
'k Heb beschuit met muisjes nou.
Stien die zou mij komen halen,
Als de ooievaar komen zou"
Lies
lette niet op de lessen,
Van de maag're schooljuffrouw,
Zat met kleine Ans te kletsen,
Wat de ooievaar brengen zou.
Of een broertje, of een zusje,
't Was haar alles even wel.
Angstig zat ze maar te luist'ren,
Naar het kling'len van de bel .
"Lies,
krijg je hoedje en je mantel."
Zei juf, met tranen in haar oog.
"Je kunt naar huis, Stien staat te wachten."
Kleine Lies, ze sprong omhoog.
"Is 't een broertje, is 't een zusje?"
"Neen", zei toen de juf bedeesd,
"Maar hoe kan dat nu?" zei Liesje
"Dan is d' ooievaar niet geweest !"
Veertien
daag zijn nauw verlopen.
Toen zei Lies weer: "Dag juffrouw",
Kwam ze weer voor 't eerst naar school toe,
Kleine Lies, was in de rouw.
"Was d' ooievaar maar weggebleven"
Zo klonk huilende haar beê,
"Hij bracht geen broertje, ook geen zusje,
Maar hij nam Mamaatje mee !"
Variant
(met dank aan Marcel Louis voor het
sturen van de tekst)
In een klas met kleine kleuters
’t was een geratel door elkaar
Het was nog geen negen uren
En ze spraken tot elkaar
Lies wat heb jij op je boterham
Ik heb kaas en ik heb worst
En ik heb beschuit met muisjes
Sprak Liesje van der Horst
Liesje zit je weer te snoepen
Sprak de magere schooljuffrouw
‘k Heb het je zo vaak verboden
Leg het nu eens weg heel gauw
Juf de ooievaar moet komen
Beschuit met muisjes heb ik al
En de meid die komt me halen
Als de ooievaar komen zal
Liesje neem je hoed en mantel
Sprak de juf met traan in ’t oog
De meid die is je komen halen
Kleine Liesje sprong omhoog
Was ’t een broertje of een zusje
Beiden zijn ze ’t even wel
Kleine Lies die bleef maar luisteren
Naar het klingelen van de bel
Veertien dagen zijn verstreken
Kleine Lies zegt dag juffrouw
Zij was weer voor ’t eerst naar school
toe
Kleine Lies was in de rouw
Was de ooievaar maar weggebleven
Zo klonk huilend hare stem
Hij bracht geen broertje en geen zusje
Maar hij nam mijn mamaatje mee
Terug
naar overzicht
De
oorlogsheld (Jerry Bey)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor de tekst)
Je
had geen angst, om voor je land te strijden
Je
was nog jong, de oorlog trok je aan,
Je
wist nog niet, dat men ook jou kon treffen,
Dat
je nooit meer naar huis terug zou gaan.
Refrein:
Ver
in de vreemde, ver van je land,
Sloot
ik je ogen, drukte je hand.
Ver
in de vreemde, staat nu een kruis.
Jij
gaf je leven, ver van je huis.
M'n
beste vriend, ik heb je steeds bewonderd
Je
moed en trouw, heb ik zo vaak benijd.
Je
was een held, wanneer er werd gevochten,
Je
bleef een held, ook in je laatste strijd!
Refrein
Het
valt me zwaar je moedertje te schrijven
Dat
jij voorgoed van haar bent heengegaan.
Jij
zal altijd een voorbeeld voor ons blijven
Tot
in de dood, heb jij je plicht gedaan!
Refrein
Terug
naar overzicht
De
oprechte liefde (Wals)
(met dank aan Inez voor het sturen
van de tekst)
Ik was laatstmaal eens uitgegaan,
Ik dacht in mijn eigen ik wil nu
voorwaar
Ik wil nu gaan zoeken eene vriendin,
Ik vond er een naar mijnen zin.
Ik sprak dat meisje zeer zachtjes aan,
Mijn woorden wilde zij verstaan.
En ik vroeg om elkaar te beminnen
Mijn woorden nam zij aanstonds aan.
Refrein:
Zoo vurig vol van min
Was mijn hart en mijne zinnen.
Als ik dacht aan dat schoone kind,
Dat mij zoo tot de liefde dwingt.
Hoe schoon en rein is zij,
Madelijn mijn vriendinne,
Haar woorden klinken mij zoo zoet
Voor haar mijn vleesch en bloed.
Geen een op aarde was er niet meer
Die ik beminde toch zoo teer
Als Madelijn mijn vriendin
Die voor eeuwig staat in mijn zin.
Haar fijne glans op haar bruin haar
Drukt mij de liefde zeker voorwaar.
Daarom wil ik haar zeker beminnen
Gij die blijft in mijn gedacht.
Refrein
Dan gingen wij door bosschen en kant
Dat vonden wij toch zoo plesant,
Ik legde mijn hand op hare borst,
Een liefdekreet brak bij haar los.
Zij sprak mijn vriend ik geef u mijn
harte,
Al moest ik lijden veel pijn en smarten.
Want niemand die mij nog kan verblijden,
Als gij mijn ware minnaar.
Refrein
Ik sprak dan ook tot mijn vriendin
Als gij mij dan zoo teer bemint,
Krijg ik dan uw maagdebloom.
Wilt er toch eens mijn wil voldoen,
Dan blijft mijn hartje gansch voor u,
Denkt wij zijn samen in het geluk.
Madelijn kom wil mij verblijden,
Laat mij niet langer in 't lij.
Refrein
Zoo wonder schoon in hare fleur,
Gaf haar een zoen en sprak tot heur:
Meisje lief wij zullen samen trouwen,
Gij moogt mij op uw goed betrouwen.
Als uwen man voor God en wet,
Ik zweer u mijn liefste zoo schoon en
net,
Vader en moeder zal zijn kontent,
Als ge zijt uit d' ellende.
Refrein
Terug
naar overzicht
De
oude klok
Wat mij nog altijd spreekt uit vroeger dagen
Is d' oude klok die ik niet meer missen kan
Zij heeft het 't uur van lief en leed geslagen
Geluk en rouw was zij getuige van
Ze heeft jarenlang getrouw haar stem doen horen
Sloeg ook het uur dat ik ter wereld kwam
En toen ik jong m'n ouders had verloren
Was het de klok die ik met mij mede nam
Refrein:
Wanneer ik in de schemer zit te staren
Vertelt die klok mij vaak uit vroeger tijd
Toen wij als kind nog bij onz' ouders waren
En samen leefden zonder haat en nijd
Dan zie ik weer m'n moeder en m'n vader
En al m'n broers en zusters om den haard
Ja niets in 't leven is mij zoveel nader
Die oude klok zij is mij zoveel waard
Ben ik van huis voor dagen of voor weken
Is 't bij m'n thuis komst eenzaam om mij heen
Maar komt haar stem die stilte weer verbreken
Dan voel ik mij niet meer zo gans alleen
Van wat mij lief was is mij niets gebleven
'k Sta nu aan het einde van mijn levensbaan
En komt voor mij het afscheid van 't leven
Zal ook die klok m'n uur van scheiden slaan
Refrein
Terug
naar overzicht
De ouwe hap
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
De ouwe hap, gaat nooit verloren
De ouwe hap, de ouwe hap zal nooit
vergaan
De ouwe hap, gaat nooit verloren
De ouwe hap, de ouwe hap blijft
bovenaan.
De ouwe hap, gaat nooit verloren
De ouwe hap, de ouwe hap zal nooit
vergaan
De ouwe hap, gaat nooit verloren
De ouwe hap, de ouwe hap blijft
bovenaan.
De ouwe hap, de ouwe hap blijft
bovenaan.
De ouwe hap, de ouwe hap blijft bovenaan
!
Terug
naar overzicht
De papa en de student
(met dank aan Staaf Baetens voor het
sturen van de tekst)
PAPA
Ik ben er al naar deze stad eens
gekomen, al bij mijn sisken dat hier is student
'k Heb er van alles wat medegenomen als
hij mij ziet zal hij zijn zo content
STUDENT
Dag mijn goede papa dag mijn brave papa,
hebt ge wat meegebracht geef het maar
Om mijn studies te doen heb ik vele van
doen toe papa geef mij spoedig wa poen
PAPA
Wel wel wel wel wel mij sisken wat worde
gij fel (bis)
Zeg ne keer sisken zijt g' hier al
tevreden en zijn de meesters van u al content
Zijt gij uw makkers vooruit al getreden
zeg ne keer ventje wa leer ne student
STUDENT
Wel papa luister goed wat dat ik leren
moet is wat ieder student geerne doet
Ik zing hier lijk ne zot van kabaal en
kalot en ik smijt al de ruiten kapot
PAPA
Wa vreugd wa vreugd dat mij sisken toch
heeft in zijn jeugd (bis)
En als gij de zondag met al uwe vrienden
zo eens gaat wandelen voor uw plezier
Kunde gij dan uw vermaak hier wel vinden
't lijkt mij een aardig parochieken hier
STUDENT
Wel papa 't is hier 't lot en ik vind
hier genot 'k zit gedurig in een kiekenkot
Heb ik veel geld op zak wel dan pak ik
ne kwak en ik slaap gedurig in den bak
PAPA
Schavuit schavuit en wat steekt ne
student allemaal uit (bis)
Zeg ne keer sisken nu spreekt g'al veel
talen omdat te weten ben ik heel curieus
Dan zal ik weten waarvoor 'k moet
betalen spreekt ne keer Frans dat vind ik heel fameus
STUDENT
Avec vous avec moi dat wil zeggen ben
bloi confituur dat is ter geloi
Après non après nous dat is ne mettekoe
en ik kom met men centen niet toe
PAPA
Wa chance wa chance wel mij sisken wa
spreekte gij Frans (bis)
Die franse taal die kan mij zo bekoren
'k weet het zelf niet hoe het mogelijk kan zijn
Kunt ge nog meer sisken laat het eens
horen ja misschien spreekte gij ook al Latijn
STUDENT
Pattatie pattatoe da wilt zeggen veel
poen en dat heb ik juist veel van doen
Dominos van biscop dat wil zeggen 't is
op toe papa geef me spoedig nen dop
PAPA
Patuit patuit dat wil zeggen ge krijgt
gene kluit (bis)
STUDENT
Wel papa dat woord moet ge mij eens
uileggen
Dat is zo aardig ge krijgt gene kluit
PAPA
Wel sisken ik zal u dat seffens eens
zeggen al uw schoon leveken dat is hier uit
Ge gaat mee met mij is, weder naar de
prochies
En ge blijft gene zondag meer is
Ge gaat werken op 't landis met de schip
in d'handis
En ge melkt iedere dag de koeis
STDENT
Wa pijn wa pijn mijne pere spreekt ook
al Latijn (bis)
Terug
naar overzicht
De
parade is gedaan
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor
het sturen van de tekst)
De parade is gedaan
En bij 't naar huis toe gaan.
Speelt onze stafmuziek.
Omringd door veel publiek;
Een ieder marcheert mee,
Is opgeruimd tevree,
Zo'n buitenkansje ziet
Men dagelijks niet.
Flink in den pas loopt ieder mee
Magere Hein en kleine Kee,
En truitje, Hannes, manke Piet,
Buitenlui ontbreken niet,
En klein en groot, ieder marcheert,
Daar men zich gratis amuseert.
De muziek onzer Infanterie,
Stemt elk blij. Hoera !
En zie dat meisje daar,
Met heerlijk, prachtig haar,
Die kleine deugniet,
Vergeet haar Willem niet;
Pas achttien jaar geweest,
En slank van lijf en leest,
Hoort zij geen trommel slaan,
Of zij sluit zich aan.
Haar hartje klopt in hare borst,
Och als zij het maar wagen dorst.
Zij gaf dan elk soldaat een kus,
Doe het gerust maar lieve zus,
Ik waag er veertien pondjes aan,
Sluit je maar bij de troepen aan;
De muziek onze Infanterie,
Stemt elk blij, Hoera !
Zie daar die krullenbol,
Raakt helemaal op hol;
Als hij soldaten ziet,
Denkt hij aan leren niet.
Pas twaalf jaar geweest,
Ziet hij reeds in den geest
Op Atjeh zich vooraan,
Hij sluit zich bij ons aan.
Zijn hartje klopt in zijne borst:
Hij schreef dan aan de Koningin,
Deel mij bij 't Indisch Leger in.
Wacht maar geduldig, jonge man,
Voor jou breekt ook de tijd wel an;
De muziek onze Infanterie,
Stemt elk blij, Hoera !
En zie dien grijsaard daar,
Met prachtig zilver haar,
Die oude Invalied,
Vergeet de troepen niet;
Al tachtig jaar geweest
Nog fiks van hoofd en geest,
Hoort hij geen trommel slaan,
Of hij sluit zich aan.
De Willemsorde siert zijn borst,
Hij streed voor Vaderland en Vorst.
De waterlanders treden voor,
Treft militair muziek zijn oor,
Ofschoon hij slechts gebukt kan gaan,
Sluit hij zich bij de troepen aan;
De muziek onze Infanterie,
Stemt elk blij, Hoera !
Terug
naar overzicht
De
peren
(Dirk Witte)
Als
't bataljon ging uit marcheren
Marcheerde
Jopie mee
Ze
droeg een mandje vol met peren
Ze
droeg er soms wel twee
Zodra
de jongens rusten mochten
Was
Jopie al present
En
al de landweermannen kochten
Een
peertje voor een cent
Ze
sleet ze aan het luitenantje
En
aan de korporaal
De
ziekendrager, het sergeantje
Ze
kochten allemaal
Ze
bleef maar altijd mee marcheren
Al
brandde ook de zon
En
Jopie die verkocht haar peren
Aan
het hele bataljon
De
jongens mochten Jopie lijen
Want
Jopie mocht er zijn
De
meeste vroegen tussenbeien
"Zeg,
Jopie, ga met mijn!"
En
Jopie liet zich gauw bepraten
Ze
had een week gemoed
En
vaak kwam een van de soldaten
Haar
's avonds tegemoet
Dan
liep ze met het luitenantje
Dan
met de korporaal
De
ziekendrager, het sergeantje
Ze
liep met allemaal
Ze
mochten allen concurreren
En
niemand die het won
Want
ze sleet haar liefde als haar peren
Aan
het hele bataljon
Maar
toen vertrokken de soldaten
En
Jopie had verdriet
Met
een had zij nog iets te praten
Maar
wie... dat wist zij niet
Ze
zag de toekomst donker dreigen
Daar
floot, daar ging de trein
Ze
overlegde bij d'r eigen
Wie
of het toch kon zijn
Ze
dacht eens aan het luitenantje
De
knappe korporaal?
De
ziekendrager? Het sergeantje?
Ze
dacht aan allemaal!
Ze
stond nog lang te prakkizeren
Aan
't einde van 't perron
Maar
ze zat met de gebakken peren
Van
het hele bataljon
Terug
naar overzicht
De
Pieteroliekar
(Borker Trio, Drents dialect)
(met
dank aan Roland Derksen voor het sturen van de tekst)
Mien va die lop met de pieteroliekar
En mien moe die sjokt er achteran
Jao, vroeger zat er nog verdienste an
Tegenwoordig zit er niks meer an
En mien va die lop met de pieteroliekar
En mien moe die sjokt er achteran
En as mien va die rommel niet verkopen kan
Dan maakt mien moe de kachel er met an
En as mien vaoder 's aovonds uut wil gaon
Is het of hij tied en plaots verged
Dan drinkt hij zeumtien zeupies nao mekaar
En mien moeder zit er dan wier met
Want dan kan hij 's morgens niet uut bedde komm'n
En dan het hij weer gien zin an 't wark
Mien moeder zet um dan een bakkie leut
Zwart als roet en verschrikk'lijk stark
Terug
naar overzicht
De
pijpekop
(Een
heer nadert een oude man die op een bankje een pijp zit te roken)
(met
dank aan Wim van Rijn voor het sturen van de tekst)
"Zeg
oudje, smaakt je pijpje goed, wat rookt die kop mooi door,
't
Is echte meerschuim naar 't schijnt, zeg op wat vraagt ge ervoor."
"Meneer,
die kop is niet te koop, ik kreeg 'm eens cadeau,
Op
't slagveld, van mijn kapitein, die viel bij Waterloo.
't
Ging er daar geducht op los, van 's morgens twalef uur,
Tot
's avonds zonder nat of droog, toujours maar in 't vuur."
"Vertel
me dat een andere keer, toe geef me uw pijpekop,
Ik
bied er 'n gouden tientje voor... wat draalt ge, kom zeg top."
"Ik
ben maar een arme man meneer, en heb maar een klein pensioen,
Maar
al bood ge er duizend gulden voor, dan zou ik die ruil niet doen.
Ik
stond - gelijk ik zei - in 't vuur en naast mijn zij o God,
Kreeg
onze brave kapitein, vlak in zijn borst een schot.
Ik
ving hem in mijn armen op en droeg 't gedrang hem uit,
Ik
verbond zijn wond en zag met vreugd, zijn stromend bloed gestuit."
"Toen
gaf hij mij deez' pijpekop en ook een beurs met geld,
Hij
drukte mij voor 't laatst de hand en stierf gelijk een held.
De
beurs gaf ik aan een arm gezin, wiens huis was afgebrand,
Zo
dacht ik, maar de pijpekop komt in geen vreemde hand.
Sinds
jaren reeds bewaar ik hem, gelijk een relikwie,
Zo
dikwijls als 'k mijn pijpje rook, is 't of ik hem nog zie."
"Mooi
brave borst, hoe heette hij, die goede kapitein?"
"Wij
noemden hem steeds Bestevaer, zijn naam was Van der Klein.
Ziet
gij daar gindse gevelspits? dat huis, daar woonde hij!"
"Dat
was mijn vader beste vriend, dat huis behoort aan mij,
Hebt
gij mijn vader bijgestaan in 't uur van zijnen dood?
Kom
brave borst, ga mee met mij, en eet voortaan mijn brood."
"Is
't mogelijk heer, zijt gij zijn zoon en woont gij op zijn erf?
'k
Ga met u mee, de pijpekop, krijgt gij eens als ik sterf."
Terug
naar overzicht
De
pompierkens
(met dank aan Staaf Baetens voor het
sturen van de tekst)
Wij zijn pompiers van d'eerste klas, dat
kunt ge wel bemerken
Als 't ergens brandt dan zijn we rap en
spoedig aan het werken
Wij springen door de vlammen door al
zingend en al fluitend
Refrein:
Ja wij die zijn pompierkens van d'eerste
klas, altijd den eersten als 't ergens brandt
Wij hebben van spuiten zoveel verstand
altijd gereed en nooit bezweet
Wij werken zo goed met de speet
Onlangs op enen buitenkant de noodklok
was aan 't klippen
Wij moesten daar een meisje lief al uit
den brand gaan wippen
Maar ja dat deed niets uit er kwam geen
water meer uit ons spuit
Nu worden wij reeds oud en grijs wij
zijn aan het verslijten
Maar ja dat is toch niet ons fout
niemand kan 't ons verwijten
Ge ziet wij zijn gedekoreeerd wel
honderdduizend keren
refrein:
Ja wij die zijn pompierkens flink en
gelant altijd den eersten als 't ergens brandt
Wij hebben van spuiten zoveel verstand
Wij zijn voldaan wij laten ze staan ons
spuit heeft zoveel goedgedaan
Terug
naar overzicht
De pop
(met dank aan Cor Heuvelmans voor het
sturen van de tekst)
Er was eens een meisje, gekluisterd aan
bed,
Haar voetjes die konden niet lopen.
Ze vroeg alle dagen aan moederje lief
Of zij haar een pop wilde kopen.
Met blonde en krullende haren.
En moeder beloofde aan haar lieve kind,
Dat zij voor zo'n pop zou gaan sparen.
Refrein:
Moeke o moeke wat ben je toch lief,
Ik zal voor je bidden mijn hartedief.
Toen de pop thuis kwam, was het kindje
zo zwak,
Dat zij haast geen woord kon zeggen.
Maar dankbare traantjes kwamen omlaag,
Toen moe er de pop naast kwam leggen.
Ze liet de pop lopen en spreken voor
haar,
Terwijl ze het zag en nog hoorde.
En voordat ze heen ging, hoorde moeke
alleen,
Haar laatste gestamelde woorden:
Refrein
Terug
naar overzicht
De
Postkoets
(tekst/muziek: Jos Cleber/uitvoering:
De Selvera's)
Heel
veel jaren geleden op de diligence
Reed
trots en fier een knappe postiljon
Amor
lachte tevreden om zo'n keur van kansen
En
menig hartje dat hij overwon
Ver
over berg en dal klonk er 't hoorngeschal
Steeds
als een blij signaal voor allemaal
Meisjes
richtten hun blikken naar de diligence
Wie
van hen won die knappe postiljon
't
Lief blozend blondje, dat trok hem aan
Hij
dorst 't wagen, haar tot z'n vrouw te vragen
Braaf
gaf haar mondje toen te verstaan
Dat
zei met hem door 't leven wilde gaan
En
over berg en dal hoorde je overal
't
Leven zo klonkt 't luid, bruid'gom met bruid
En
zo vonden zij beiden de schat van rode rozen
't
Dorp had 't bruidspaar daarmee blij begroet
Met
de vrouw aan zijn zijde die hij had gekozen
Reed
hij een blijde toekomst tegemoet
En
over berg en dal klonk nog het hoorngeschal
Toen
als een feestsignaal voor allemaal
Terug
naar overzicht
(tekst: Bart Ekkers / muz.
bewerking: Maurice Vandair)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Hallo ! hallo ! Hallo ! ze dansen in
Tampico
Een nieuwe modedans, de raspa krijgt
thans z'n kans
Op onze wereldbol, is iedereen
raspadol
Want waar je komt of gaat, daar hoor
je de raspamaat:
Refrein:
Doe de raspa, de raspa, raspa
Doe maar ras ja de raspa na.
Ah de raspa doe je dra
Van de raspa-pas van de raspa
Ben je ras in je sas, ja ja.
Doe de raspa, de raspa raspa
Doe maar ras ja de raspa na !
Hallo ! hallo ! Hallo ! de woorden,
die ken je zo
Ze zijn echt Indiaans, gekruid met een
beetje Spaans,
Je luistert maar eens goed hoe of je
ze zingen moet
En als je 't weet, Oké dan zing je
natuurlijk mee:
Refrein
Hallo ! hallo ! hallo ! doe net als in
Tampico,
Beoefen dus maar ras, de simpele
raspa-pas,
De raspa is subiet, bij iedereen
favoriet,
En wáár je komen zal, ze kennen hem
overal:
Refrein
Terug
naar overzicht
De Raspa heet de dans
(uitvoering: Orkest Zonder Naam)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
De Raspa heet de dans, uit Mexico hier
gebracht
De Raspa danst men thans in Mexico dag en nacht
De grote concurrent van alles wat Samba heet
Wordt op ons continent De Raspa, voor je 't weet
Een keer draaien samen dan rond
Sta je waar je partner eerst stond
Moeilijk is de Raspa toch niet
't Is maar net hoe of je 't ziet
Springt van d'een op d'andere voet
Zorg dat je't bij een ander niet doet
J'hoeft geen Mexicaantje te zijn
Als je goed bent op 't refrein
Eerst recht, dan links, dan rechts
En spring daarbij op de maat
Een twee, een twee en rechts
't Is logisch zoals 't gaat
Eerst recht, dan links, dan rechts
Een sprong en zo gaat 'ie goed
Een twee, een twee en rechts
Zoals iedereen 't doet
Jij bent de mooiste, de signorita
Zo'n Margharita, ik zing voor jou
Hier aan je venster een serenade
O Margharita, word jij m'n vrouw
Ik wil jou geven m'n hele leven
En neem nog zeven, da'k haar bemin
Zeg aan je venster dat jij zult komen
Van mijne dromen, toe zeg niet nee
Een keer draaien samen dan rond
Sta je waar je partner eerst stond
Moeilijk is de Raspa toch niet
't Is maar net hoe of je 't ziet
Springt van d'een op d'andere voet
Zorg dat je't bij een ander niet doet
J'hoeft geen Mexicaantje te zijn
Als je goed bent op 't refrein
De Raspa heet de dans, uit Mexico
hier gebracht
De Raspa danst men thans in Mexico dag en nacht
Al denk je heel misschien: Geef mij toch de Samba maar
Je hebt dan wel gezien, je doet 'm al net zo raar
De Raspa heet de dans, uit Mexico
hier gebracht
De Raspa danst men thans in Mexico dag en nacht
Al denk je heel misschien: Geef mij toch de Samba maar
Je hebt dan wel gezien, je doet 'm al net zo raar
De raspa
Terug
naar overzicht
(uitvoering: The Kilima Hawaiians)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst)
Dicht bij Honolulu, waar 't woud
begint
Woont een mooi Hawaiians meisje, dat mij mint
En als de maan en sterren schijnen verdromen wij ons pril geluk
Wilde golven van de branding breken stuk
Op de gouden kusten, 'k luister naar hun zang
Met haar in m'n armen zit ik daar lang
Tot de zon de maan uitblust
Zij is de roos van Honolulu
Zij is mijn koningin
Praat maar over schoon en wijde zulu
Zij is slechts 't meisje naar m'n zin
Ik vond haar in de tuin der liefde
'k Plukte haar mooi en fris
Halo wa-oei, halo wa-ooi
Zij is de roos van Honolulu
Halo wa-oei, halo wa-ooi
Zij is de roos van Honolulu
Terug
naar overzicht