SeniorPlaza

Uit (groot)moeders tijd

De Amsterdamsche verkeersagent op zijn warme stoof

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een verkeersagent heeft het hier in Amsterdam

Toch werkelijk nog heusch niet zoo kwaad,

Want voor zijn koude vvoeten,

Krijgt Jan de agent,

Een electrische verwarmingsplaat.

 

Refrein:

Diender, ach diender regel het verkeer,

Zoo'n Amsterdamsche smeris,

Krijgt geen koude voeten meer.

Diender, ach diender wat ik je beloof,

Dat je een reuzenbaantje hebt,

Zoo op je warme stoof.

 

Nou nog een leuningstoel en jasje met 'n bont,

Een grocje van rum of cognac.

Komt er een botsing,

Hij blijft op zijn plaats,

Al wat er gebeurt heeft die lak.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De arme Javaan

(met dank aan Frans Pennings voor het sturen van de tekst)

In ’t land van bruine mensen.

In ’t land van suikerriet,

daar kent de rijkdom gene grenzen.

Is dat soms een brave jongen.

Blijf ik van verwondering staan

en dan denk ik bij mij zelve.

Wat is een arme Javaan ?

 

Daar op Java ziet men wroeten,

ja tot de knieën in het nat.

Voor iedereen blanke neder groetend,

die er passeren in hun pracht.

Kinderen die nauwelijks kunnen lopen

blijven van verwondering staan.

En wie verdient het geld bij hopen,

dat is die vreemde Europeaan.

 

Ginder in die verre desa,

daar woont het schone Javaans kind.

Het zijn de blanke die het daar zoeken

en het  dan ook weldra vind.

De leliën die zo mooi zijn,

ziet men wenend henen gaan.

Maar wie plukt de roos der kampong,

dat is die vreemde Europeaan.

 

Europeanen arm of rijke,

uw beschaving kent ook uw grens.

Wil uw beschaving laten blijken

en behandel de Javaan als mens.

Want zij zijn ook hier geboren.

’t Is ook hun grond waar ze opstaan,

maar ze hebben hun rechte verloren.

Weer door die vreemde Europeaan.

 

Zware belasting en dure plichten,

die worden hun daar opgelegd.

Wil de arme Javaan niet zwichten,

ontstaat er weldra een gevecht.

Weggerukt van al de zijnen,

stormt hij op de vijand aan.

En wie zorgt daar voor die kleine,

dat is niet die vreemde Europeaan.

 

Terug naar overzicht

De armsten

(Renati/Renati)

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Wie kent niet de weezen in 't zonderling kleed,

Wier droevig bestaan men zoo dikwijls vergeet.

Ze trekken de aandacht van U en van mij

Al gaan zij ook stil en bedeesd ons voorbij.

Toch treft het mij altijd weer diep in m'n hart

Die kleeding half rood en half zwart;

Het doet toch een kinderhart ook pijnlijk aan

Om steeds in zoo'n dracht uit te gaan.

 

Refrein:

Ge ziet ze daar loopen in 't rood en in 't zwart,

Gezichtjes zoo ernstig en droef is hun hart,

Zij hebben geen vader, ze hebben geen moe

En niemand die dekt hen bij 't bedje gaan toe.

Zij zijn wel de armsten in 's werelds bestaan

Want wie trekt het lot van een weeskind zich aan,

In 't groote gesticht vindt het voortaan z'n thuis

Daar weent het in stilte om 't ouderlijk huis.

 

Is dat voor het kind niet genoeg nog misschien ?

Moet iedereen nog aan z'n kleederdracht zien

Dat vader en moeder zoo vroeg gingen heen,

Het kind achterbleef zonder geld en alleen,

Dat voortaan liefdadigheid zijn zal een deel ?

Bij iedereen is het te veel.

Vergeefs zoekt 't overal nu moeders schoot,

Dat plekje waar 't kindje werd groot.

 

Refrein

 

Er zijn zooveel armen in deez' maatschappij

Maar toch zijn zij altijd nog rijker dan zij.

Al slapen zij 's nachts op een bedje van stroo

Ze missen ten slotte de weelde niet zoo,

Ze weten het, moeder is steeds om hen heen,

Dat heeft het kind noodig alleen.

Al heeft het bij and'ren zelfs meer nog dan thuis,

't Liefste in 't ouderlijk huis.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De ballade van de drie rechters

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Er stonden drie galgen op 't galgenveld

De kraaien hebben het voortverteld

En stom blauwden winterse bossen rondom

Zij kaatsten 't gekrijs van de kraaien weerom

Het volk stond zwijgzaam opeengehoopt

Drie mannen moesten opgeknoopt

 

Drie rechters lazen het vonnis voor

De bossen bouwden het na in koor

Een had in eigen macht geloofd

Hij moest het bekopen met zijn hoofd

Een had gehoopt op een nieuwe tijd

Dat was voor het heden een scherp verwijt

Een had de waarheid te zeer bemind

Daarom hing hij te bengelen in de wind

De kraaien krijsten kwaad is kwaad

De bossen echoden haat is haat

De kring van het volk werd enger en enger

't Gelaat van de rechters werd strenger en strenger

Maar toen de koord in de hoogte ging

In elke lus een rechter hing

 

Het volk stond zwijgzaam opeengehoopt

Drie rechters werden opgeknoopt

Een had zijn eigen volk verraden

Een had zijn geldkist volgeladen

Een had de macht om haarzelf bemind

Drie rechters bengelden in de wind

De kraaien krijsten kwaad is kwaad

De bossen echoden: inderdaad

 

Terug naar overzicht

De baby van de generaal

(De Alpenzusjes)

Ik ben de babysitter van 't peleton
De baby van de generaal, die lacht zich krom
We zingen met de baby steeds de babysittersong
En die gaat zo

En ied're keer als ik 't kind een luier om bind
Dan lacht 'ie omdat hij dat o zo lekker vindt
Als ik 'm roep dan baalt 'ie van de hele troep
Dan lacht 'ie zo

En als ik met de baby naar m'n tentje ga
En samen met de jongens om z'n wiegje sta
Dan maakt 'ie veel kabaal met onze korporaal
Dat doet 'ie zo

De korporaal, die had een aapje in een kooi
De baby van de generaal, die vond 'm mooi
Maar toen die kleine aap 'm in z'n handje beet
Sloeg 'ie een kreet

Ik ben toen met 'm naar de RGD gegaan
De hospik heeft een pleister op z'n duim gedaan
We zingen met 't peloton de babysittersong
En die gaat zo

En ied're keer als ik 't kind een luier om bind
Dan lacht 'ie omdat hij dat o zo lekker vindt
Als ik 'm roep dan baalt 'ie van de hele troep
Dan lacht 'ie zo

Ik heb aan babysitten echt m'n hart verpand
En zing met de soldaten in ons kleine land
De babysitterwoogie-boogie van 't peloton
En die gaat zo

  

Terug naar overzicht

De band die alle mensen bindt

(tekst: Tom v. Maaren / muziek: Benedict Silberman)

De "Tune" van de Steravonden "De gilde viert" van de NCRV rondom de "Haak-In-Actie"

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Refrein:

De band die alle mensen bindt,

Dat is het werk dat men bemint,

Omdat de één steeds leven moet

Van wat de ander maakt of doet.

Want wat je kent of wat je bent,

Dat ken, of ben je door een ander,

En wat je moet of wat je doet,

Dat moet of doe je voor elkander.

En wie een anders werk waardeert,

Die wordt ook zelf gerespecteerd.

De band die alle mensen bindt,

Dat is het werk dat men bemint !

 

Politie

Wij kozen de politie uit

Om hier eens te bepraten.

En hoort U nu met woord en klank

Iets van haar doen en laten.

Dus van de man, die ieder kent,

Die zorgt voor rust en orde.

Die zorgt voor ieders veiligheid

Met bonnen en met borden.

Want hij regelt het verkeer,

Bij mooi en lelijk weer,

Hij spoort de dieven op

Behoedt U voor een strop.

Dat is het werk van deze man,

Waarop U altijd rekenen kan !

Soms moppert men op hem,

Bij 't horen van zijn stem.

Maar wijzen op Uw plicht,

Uw vaart of achterlicht.

Dat is het werk van deze man,

Waarop U altijd rekenen kan !

 

P.T.T.

Wij kozen de postbodes uit

Om hier eens te bepraten.

En hoort U nu met woord en klank

Iets van haar doen en laten.

De man die U Uw brief bezorgt

En dikwijls een verrassing,

Als postpakket, geboortekaart,

Of iets van de belasting.

Want hij brengt alleen de post,

Wat hem z'n schoenen kost,

Hij brengt die steeds op tijd,

Het slechtste weer ten spijt.

Dat is het werk van deze man,

Waarop U altijd rekenen kan !

Het bellen uit Uw bed,

Doet hij niet voor z'n pret,

Al vraagt hij ook nog port,

Bedenk dan als U mort:

Dat is het werk van deze man,

Waarop U altijd rekenen kan !

 

Terug naar overzicht

De bedelaar van Parijs

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Parijs ligt aan de Seine,

Parijs is een aloud gedicht,

Geluk hebben noemt men er "veine”,

Parijs baadt nog steeds in 't licht.

Parijs noemt men "la ville lumière”,

Een man is er, die dat niet ziet,

'n Aalmoes bepaalt z'n carrière,

De grens tussen vreugd en verdriet.

 

Dat is de bedelaar van Parijs,

Onder de bruggen ligt z'n paradijs,

Voor hem zingen vogeltjes steeds

Hun vrolijke wijs.

Dat is de bedelaar van Parijs.

 

Z'n lichaam heeft veel te verduren,

Hij bedelt in weer en in wind,

De regen die stroomt langs de muren,

Wanneer 'n gendarme hem vindt.

Daar ligt ie te rillen, te beven,

De pijnen doorpriemen z'n rug,

Snel gaan hem z'n krachten begeven,

Zo sterft hij daar onder 'n brug,

 

Dat was de bedelaar van Parijs,

Onder de bruggen lag z'n paradijs.

Voor hem nu geen vogels meer

Met hun vrolijke wijs,

Rust zacht nu bedelaar van Parijs.

   

Terug naar overzicht

De begrafenis van Manke Nelis/De terugkomst van Manke Nelis (Ferry/Hekman)

(met dank aan Monique Engels voor het sturen van de tekst Begrafenis)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst Terugkomst)

De begrafenis van Manke Nelis

 

De hele Willemstraat, die sting in rep en roer

Een ieder trok z'n zondagse pakkie aan

We mosten Manke Nelis, die 'm was gepiept

Met z'n allen netjes begraven gaan

Familieleejen en ieder die 'm had gekend

De loterijclub en 't viscolegie was present

 

Ome Gerrit die liep zwaaiend met z'n vrouw

Met rooie das, maar ook verder in de rouw

En al de kraaien, gewoonlijk van geen neutje vies

Sloegen bij schele Dries gauw wat taaien achter hun kies

En de buurvrouw jammerde: "Sapperloot

Die arme Manke Nelis, zo in ene dood

's Avonds is 'ie, volgens Daan, gezond en wel naar bed gegaan

En vanmorgen zo ineens dood opgestaan"

 

Z'n vrouw werd door de hele buurt gecondoleerd

En die riep: "Zo haait een mens zo altijd wat

Aan een kant is 't goed, dat 'ie 'm is gecrepeerd

Want zo'n lollig leven heb ik nog nooit gehad

Hij heb nog nooit een cent verdiend, want altijd was 'ie los

Nou krijg ik tenminste honderd gulden uit het dooienbos"

 

Toen de stoet voorkwam, toen hees men zo heel droog

Die arme Manke uit 't raam, van vier hoog

En een ieder riep: "Opzij, hij is gemeen genoeg, subiet

Bovenop je test te springen, als 'ie er de kans toe ziet"

Toen 't lijk beneden kwam, werd 'ie heel net

Met blommetjes in 't eerste rijtuig neergezet

Daarop stapte iedereen in de rijtuigen meteen

En toen ging de stoet naar de begraafplaats heen

 

Maar in de Spaardammerstraat werd eerst gestopt, o zo

Bij een kroegie, op voorstel van Rooie Bart

Ze haalden Nelis netjes uit 't rijtuig

Zetten hem toen zolang maar onder 't biljart

Toen 'n partijtje stoten, en de hele rouwstoetsie

Zocht in de Ouwe Kats vergetelijkheid voor hun verdriet

 

Toen 't soepie dronken werd riepen ze luid

"Jongens, nou Nelis wegbrengen, vooruit"

En een ieder in de bakkies aangedaan

En ze zongen: "Dooie Nelis zal nooit verloren gaan"

 

Maar bij de begraafplaats, daar gilde Rooie Bart

"Die arme manke staat nog onder 't biljart

Nee jongens, ik ben d'r erg voor

We motte die goser halen, hoor

Zonder Nelis gaat de voorstelling niet door"

 

Ze haalden Nelis netjes uit de kroeg vandaan

En ze reeje in een gestrekte draf

Zingende en zwaaiend, net of 't een bruiloft was

Die arme Manke Nelis naar z'n graf

Onder een dronkemans gespeech en Ouwe Kats gehuil

Viel ome Gerrit, met een plons, bij Nelis in de kuil

 

Ome Hein zei: "Laten we niet langer blijven staan

Zand erover, waarin alles is gedaan"

Toen ome Gerrit 't hoorde schreeuwde die in doodsangst uit

"Nog geen zand erover Hein, laat mij d'r eerst 'ns even uit"

 

Hij kroop die kuil uit en hij stompte d'r een paar opzij

Nou, toen werd 't dra zo'n fijne knokpartij

's Avonds kwamen ze aangedaan

Wijl z'op geen benen meer konden staan

Van de begrafenis terug, in de Jordaan

 

De terugkomst van Manke Nelis

 

'k Bezong U Manke Nelis zijn begrafenis

Maar nu komt het mooiste nog pas aan

Ik zal u nu het laatste nieuws vertellen gaan

'k Wed dat u versteld er van zal staan

Ze zaten in de kroeg zooals ik u reeds heb verteld

Toen plotseling dronken Toon lijkwit naar binnen kwam gesneld

 

Refrein:

Hij riep jongens een glas water voor den schrik

D'r is een wonder pas gebeurd menschen ik stik

Want zoo even komt de man van het kerkhof bij me aan

Die verteld mij dooie Nelis is zoo juist weer opgestaan

Hij was maar schijndood is zoo even woest gestemd

Uit zijn kuil geklauterd en zoo in zijn hemd

Fijn gewandeld naar den dijk

En daar zit ie nog te kijk

Als het tweed/tevreed/(?) nagemaakte levend lijk

 

Als antwoord klonk een rauwe kreet toen door de kroeg

Een ieder stond genageld aan den grond

Dronken toen van schrik elkanders glaassie leeg

Keken stom verslagen in 't rond

En Schele Dries die riep er moet gehandeld worden vlug

Bestel de stoet op nieuw

Dan halen we Nelis terug

 

Refrein:

Dat was goed en zoo gezegd zoo ook gedaan

En even later zag men voor het kroegie staan

De koets en bakkies die 'm 's morgens weg hadden gebracht

En al de kraaien liepen in

Hun officieele kleederdracht

 

En Tone reed de vreemde stoet met veel bekijk

Weg om Nelis op te halen van de dijk

Kijk eerst eens goed riep Rooie Kris

Of het Manke Nelis degelijk is

't Komt mij te link voor hoor

Die heele bissenis

 

Maar in de Spaarndammerstraat werd weer gestopt

Bij 't zelfde kroegie van Rooie Bart

Maar Nelis riep rij door want anders blijf ik hier

Misschien weer staan onder het biljart

En hossend zingend is het stel de stad weer door gegaan

Kwam de versierde rouwstoet weer terug in de Jordaan

 

Refrein:

Nelis sprong toen in zijn hempie op den bok

Riep wie leent me effie een broekie of een rok

'k Sterf hier van de kou ik sta te rillen als een riet

Ik krijg een bekeuring aan me pet wanneer een smeris me zoo ziet

 

En ze stopt voor de deur toen van zijn vrouw

Toen die d'r vent weer zag staan viel ze bijna flauw

Gild' O Nelis wat een strop

Sterf nou gauw want die 100 pop

Die ik van de dooie bos gekregen heb zijn op

 

De bosbode die Nelis zag die kreeg een stuip

Gilde me 100 poppies terug heden

Als je ze niet op staande voet terug geeft hier

Sla ik je nou meteen de hersens in

Die grappen makerij van jou die kosten me lood subiet

Betalen je kist weer in of je levend bent of niet

 

Refrein:

De kastelein riep wacht nog effe dooie vent

Laat ie me eerst betalen ik krijg nog 80 cent

En zijn vrouw riep zeg dooie dief wat lever je me nou

Ik heb al weer een andere vent

Ik heb niet gerekend meer op jou

Maar Nelis riep scheldt maar raak ik hou me stil

Ik zal toch zeker dood gaan wanneer ik wil

'k Blijf fijn nog wat in mijn Jordaan

'k Heb nog een lekker neutje staan

Leve de lol die dooie boel is niks gedaan

 

Terug naar overzicht

De blauwe kiel

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Wanneer de klok mij 's morgens vroeg komt wekken

Dan spring ik uit mijne legerstee met spoed

Ik kleed mij aan om 't lichaam te bedekken

Ik neem mijn kiel, die staat mij toch zo goed

Steeds welgezind begeef ik mij aan 't werken

Ik ben altijd verheugd en welgemoed

In rijke kleren vind ik geen behagen

Mijn blauwe kiel die staat mij toch zo goed

 

Als werkman ben ik op aard geboren

Mijn zweet alleen verschaft mij veel geluk

Geen rijke pracht kan immer mij bekoren

Mijn blauwe kiel verdrijft al mijnen druk

Mijn hart is niet verlekkerd op kastelen

't Is mij gelijk al wat de rijke doet

Mijn werk kan steeds mijn harte strelen

Mijn blauwe kiel dat staat de werkman goed

 

De week is uit, ik heb mijn loon ontvangen

Ik loop naar huis mijn vrouwtje wacht op mij

Zij drukt een kus mij zachtjes op de wangen

Geen mens op aard heeft meer geluk dan wij

Dan mag ik ook een smakelijk pintje drinken

Ik kleed mij aan mijn beste jas en hoed

Maar 's anderendaags herneem ik vol van vreugde

Mijn blauwe kiel die staat mij toch zo goed

 

Een werkmanszoon is in het lot gevallen

Ziet hij vertrekt zijn pakje in de hand

Hij wordt soldaat, hij wil zich goed gedragen

Van korporaal word hij welhaast sergeant

Als officier ziet men hem wederkomen

Het is al lof en eer dat men hem aandoet

Voor hij vertrok droeg hij nooit andere kleren

Dan zijnen kiel die staat de werkman goed

 

De blauwe kiel bestaat reeds lange jaren

Hij is 't sieraad van gans 't werkersgeslacht

Men ziet hem ook kunstenaren dragen

De kiel verbergt veeltijds een scherp gedacht

Rubens, Van Dijk en dergelijke namen

Als kunstenaars bekend van Belgenbloed

Welk was hun kleed om meesterstuks te maken ?

't Was eenen kiel die staat de werkman goed

 

Terug naar overzicht

De blinde soldaat

(met dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst)

Sedert vier jaar ben ik hier in het gasthuis

Als welstellend meisje gekomen

Ik kreeg geen nieuws meer van ouders of thuis

Soms heb ik toch bange dromen

Ik doe een werk van barmhartigheid

De ongelukkigen helpen

Met al hun tranen en smarten te stelpen

Vind ik hier mijn bezigheid

Soms voel ik van diep medelij breken mijn hart

Dan roep ik uit volle kracht

 

Refrein:

Genoeg hou op

Er is reeds lang genoeg bloed vergoten

Rouw en ellende stijgen ten top

't Is genoeg gij hebt al lang verdroten

De jeugd de kracht

Wordt uitgeput en versmacht

Reeds duizenden offers zijn kreupel of blind

Waar ik geen troost voor vind

 

Jufrouw waar zijt gij,i k roep u t'allen kant

Hier vriend wat is uw verlangen ?

Neem AUB mijn verband nog eens af

Ik heb zo een pijn

Ik voel mijn hart bevangen

Kom lieve vriend gij moet niet droevig zijn

Kom zet u hier bij mij neder

Maar wat zie ik, uw tranen vloeien weder

Het werd door de dokter met nadruk gezegd

Wenen voor u is slecht

 

Refrein:

Wat geeft het mij

Ik die toch niet meer kan genezen

Mij wacht niets dan kommer en lij

Daar ik gans mijn leven blind zal wezen

Geen vrouw geen kind

Niemand waar ik troost bij vind

Daarom laat mij wenen 't verlicht mijn gemoed

En 't doet mijn hart zo goed

 

Kom lieve vriend hebt gij nog zoveel pijn

Kom zet u hier aan mijn zijde

Later komen er betere tijden

Dan voelt gij kommer nog lij

Wanneer gij eens in uw huisje zult wezen

In 't bijzijn van een lief vrouwtje

En gij niet meer voor de toekomst moet vrezen

Dan draagt gij uw lot blij gezind

Gij moogt niet droevig zijn lieve vriend

Er is iemand die u bemind

 

Refrein:

Komaan schep moed

Laat u zo niet nedervellen

Wanneer ik u zie met een opgeruimd gemoed

Voel ik lust om naar uw borst te snellen

En wat is meer

Wees fier op uw kruis van eer

't Bewijs dat gij veil had voor het land uw bloed

Daarom sta op schep moed

 

Dank voor uw troost gij edele ziel

Gij zijt een der braafste vrouwen

Dat nu de sluier van mijn ogen eens viel

Om u te kunnen aanschouwen

Maar gij zegt dat ik word bemind

Ach mocht gij die lieven engel wezen

Dan droeg ik mijn lot blij gezind

Maar nee ik ga te ver

Ik heb te veel gevraagd

Vergeving als ik u mishaag

 

Slotrefrein:

Geef mij uw hand

Ik min u en gij hebt goed geraden

Maar gij zijt rijk en boven mijn stand

Uw familie zal mij versmaden

En gij een held

Die staat veel hoger dan het geld

Wie is er de roem, de kracht van ons land ?

Het volk, de werkmansstand

 

Terug naar overzicht

De blinde soldaat

(met dank aan Staaf Baetens voor het sturen van de tekst)

Daar zat nu in 't eeuwige duister,

Vol smart enen blinde soldaat.

Terwijl hij murmelt in 't gefluister,

Met een droeven trek op 't gelaat.

Geen vreugd is mij hier nog gegeven,

Voor mij is de wereld gedaan.

Mij wacht een ongelukkig leven,

Geen blijheid voor mij nog voortaan

 

Refrein:

Ik denk aan u mijn lieve vrouwe,

'k Heb medelij met uw arm kind.

Ons wachten veel droefheid en rouwe,

Want vader helaas is nu blind.

Moet ik daarom zo wakker strijden,

Waarom bleef ik toch niet gespaard.

Nu zal ik voortaan niet meer op aard,

U nog verblijden

 

 

Terwijl ik ginds droef zit te klagen,

Denkt moeder aan vader zo teer.

En 't kindje is steeds aan 't vragen,

Moeder wanneer komt vader weer.

Uw vader mijn kind laat ons hopen

En bidden voor zijn wederkeer,

Dan zal hij u lekker goed kopen,

Als hij in het huisje komt weer.

 

Refrein:

Haar handjes tesamen gevouwen,

Zit zij op haar moeders schoot.

En vurig bid 't kind en de vrouwe,

Spaar vaderken toch van de dood.

Ach God heb met ons toch erbarmen,

Zo smeken zij beiden vol vuur

En vader zit ginds op dit uur,

'k Ben blind och armen.

 

 

Als de vrede zal wederkeren,

Mijn vrouwken lief mijn kindje klein,

Dan zal ik bij u ereveren,

Mijn hart zal dan vol vreugde zijn.

Maar als ge zult zien en zult horen,

Dan wordt uw vreugde verdriet.

De dagen zijn verschrikkelijk lang,

Al ziende huiswaarts keren kan ik niet

 

Refrein:

Ons wachten nog droevige tijden,

Ons leven verwoest bovendien.

Uw lach zal mij nimmer verblijden,

Uw wegen zal ik niet meer zien.

Het licht is mij eeuwig ontnomen,

Het is erger dan de dood.

Ons wachten veel droefheid en nood

Als ik zal komen.

 

Terug naar overzicht

De blinde soldaat

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Ze zag hem na jaren van scheiden

Terug op het grote station

'n Weerzien dat echter aan beiden

Geen vreugd en geluk geven kon

Hij was naar de vreemde getogen

En deed als soldaat trouw z'n plicht

Betaalde die plicht met z'n ogen

Voor altijd verloor hij het licht

 

Refrein:

Twee ogen zo duister in beide 'n traan

Ze kijken haar somber en troosteloos aan

Twee ogen zo duister die vragen misschien

Waarom toch, mijn liefste, mag ik jou niet zien

 

'n Hemelpoort ging voor hen open

In 't huis van de blinde soldaat

Wanneer op een zonnige morgen

Een wieg in het kamertje staat

Toch werden die avond in stilte

Veel bittere tranen geuit

Wanneer hij haar vraagt: Toe m'n liefste

Hoe ziet onze jongen eruit?

 

Refrein

 

Twee ogen zo duister in beide een traan

Die zullen toch nimmer het wiegje zien staan

Twee ogen zo duister die vragen misschien,

Waarom toch, m'n jongen, mag ik jou niet zien.

 

Terug naar overzicht

De blinde spiegel

(met dank aan Frans Pennings voor het sturen van de tekst)

Ik heb een spiegel zeer fraai en met uitsneden.

Een spiegel zeer duidelijk van glas.

Ja, zo’n spiegel die wil ik u wel leveren.

Ja, zo’n spiegel die komt er goed van pas.

Hierin kunt ge u zelve aanschouwen.

Hierin kunt ge u zelve zien.

Want later ziet men de gevolgen,

dat het huwelijk een blinde spiegel is.

 

Hebben ouders somtijds grote kinderen.

Ja, ze zijn van hen geen meester meer.

En ’t gebeurt soms dat ze andere kinderen zien

en ze wijken van hun zedenleer.

Hunnen eigen kop willen zij dan volgen,

hunnen eigen weg slaan zijn dan in.

En later ziet men de gevolgen,

dat ’t huwelijk een blinde spiegel is.

 

Jonge lieden al die willen trouwen,

trouw toch nooit een meisje om haar geld.

Want dat geld dat kom je te verliezen

en die liefde die is weggesneld.

Wil liever een braaf meisje kiezen.

Oh ja, dat raad ik u gewis.

Want later ziet men de gevolgen

dat het huwelijk een blinde spiegel is.

 

Terug naar overzicht

De bloem van het land

(Willy Derby)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik was nog te jong toen ‘k mijn ouders verloor

Toen kwamen er dagen van lijden

’n Oom nam mij mee van het land naar de stad

De stad die mij nooit kon verblijden

Doch eenmaal per week was ik s’middags vrijaf

Dan snelde ik altijd naar buiten

Daar was ik gelukkig ik dacht aan geen stad

Ik hoorde de vogels weer fluiten

 

Ik hou van de molens ik hou van de Vliet

De geur van de bloemen de vogels hun lied

Ach vader ach moeder waarom ging U heen

Je jongen die is nu altijd zo alleen

Ik mis U en ’t land waar mijn wieg heeft gestaan

Uw kind was zo graag met U mede gegaan

 

Zo trok ik getrouw naar het land aan de Vliet

Tot ik daar een bloempje zag bloeien

Een lieftallig meisje onschuldig en rein

Als slechts op het land kunnen groeien

Die bloem trok mij aan deze bloem van het land

Met blozende kleur op haar wangen

Die bloem te bezitten en saam hand en hand

Zong ik dan een lied vol verlangen

 

Daar ginds bij de molens aan ’t water der Vliet

Zong ik met de vogels tezamen een lied

Een liedje van vreugde ik kende geen smart

Die bloem bracht weer rust in mijn droef rustend hart

Want maanden daarna werd de dorpsklok geluid

En stralend van vreugd werd dat bloempje mijn bruid

 

Toen bracht ik die bloem pas geplukt van het land

Naar de stad waar ook zij niet kon leven

Daar is ze gaan kwijnen ze miste de zon

De zon die op het land was gebleven

Ik bracht haar terug naar het land aan de Vliet

En stervende starend naar buiten

Heeft zij me gekust en bedankt dat ik haar

Daar buiten haar ogen liet sluiten

 

Nog draaien de molens nog stroomt ginds de Vliet

Nog zingen de vogels een vogelen lied

Een liedje verwijt mij dat is voor je straf

Die bloem hoorde hier die je brengt naar het graf

De dorpsklokken luiden het bloempje verdwijnt

En ginds straalt de zon die voor ons nooit meer schijnt

 

Terug naar overzicht

De boerinnekesdans

Zie de boerinnekes hun rokjes zwaaien
Het is kant en broderie
Tot boven aan hun knie
Zie de boerinnekes hun rokjes draaien
Naar achter en naar voor
Zo gaat het steeds maar door

Laat ze maar zwaaien, laat ze maar gaan
Wees gerust, het kan geen kwaad
Laat ze maar draaien, laat ze maar gaan
Als we dood zijn is het te laat

Hiep hoera de vlaggen uit, de kermis is in het land
Het is nu feest voor groot en klein, voor elke rang en stand
Een jongen zoekt een meisje om naar het bal te gaan
En klinkt het leuke wijsje, dan zingen ze spontaan

Laat ze maar zwaaien, laat ze maar gaan
Wees gerust, het kan geen kwaad
Laat ze maar draaien, laat ze maar gaan
Als we dood zijn is het te laat

Lalalalalalalala lalala lalala lalalalalalalala lalala lalala
Laat ze maar zwaaien, laat ze maar gaan
Wees gerust, het kan geen kwaad
Laat ze maar draaien, laat ze maar gaan
Als we dood zijn is het te laat

 

Terug naar overzicht

De Bonte Dinsdagavondtrein

(tekst: Alex de Haas / muziek: Max Tak, 1937)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Elke dinsdag doet een Bonte Dinsdagavondtrein

Alle huizen aan in ons land.

En ze leert alle mensen weer een beetje vrolijk zijn,

Overal waar zij belandt !

Tjoeke, tjoeke, tjoeke, tjoeke, tjoeke,

Geef haar veilig spoor !

Tjoeke, tjoeke, tjoeke, tjoeke, tjoeke, tjoeke

Laat haar lachend door !

Want de volgepropte Bonte Dinsdagavondtrein,

Puft uw zorgen aan de kant.

 

Terug naar overzicht

De brand van Berlijn (melodie: Kom Zwarte Zigeuner)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Heel de wereld stond verbaasd

Van 't bulletin-bericht:

,,ln het Duitsche Rijksgebouw

Is een brand gesticht . .  . ."

Hij zou aangestoken zijn

Door een nog jongen man

En direct klonk fel de vraag:  Hoe kon dit dan.

 

Refrein:

Het is 'n mysterie. de brand van Berlijn

Er is iets bijzonders aan, wat kan 't zijn

Wat wilde de jongen, die men nu verhoort ?

Waarom debatteert hij niet, zegt hij geen woord

Zwijgt hij uit vrijen wil, of onder dwang

Waarom buigt hij z'n hoofd, is hij soms bang ?

Het is een mysterie, de brand van Berlijn

Er is iets bijzonders aan, wat kan het zijn ?

 

Vroeger was de jongen sterk,

En ging hij steeds alleen

Moedig door de woesternijen

Van het leven heen

Nu opeens is hij geknakt

En toont hij onverstand

Weigert verdediging uit eigen land.

Refrein

Zooals er in zijn dagboek staat,

Trok hij Europa door

Zonder geld en zonder goed

Hij stond nergens voor

Nu is hij een zwakkeling

'n  „Iets" wat niets beduidt

En „de wereld" die „iets denkt" verkondigt luid

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De brandschel van de Munt

(Eduard Jacobs 1868-1914)

(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)

Een man komt onverwacht

Nog met de laatste trein

('t Is reeds na middernacht)

Hij moet op 't Singel zijn

 

Met 't oog op 't late uur

Gaat hij heel zacht naar boven

Maar, vreselijk avontuur

't Is haast niet te g'loven

 

Hij vindt z'n vrouw in bed, maar met zijn compagnon

"De politie moet erbij", dat was waar hij op zon

Hij heeft zich daartoe daad'lijk naar de Munt begeven

Bij gebrek aan 'n agent las hij hoe men alarm moest geven:

 

In geval van brand, 't ruitje stuk

Draai 'n keer of wat aan de kruk

Wacht tot uw signaal is verstaan

En daad'lijk komt de brandweer aan

 

Wat hij had aan de hand

('t Viel hem daad'lijk in)

Was geen geval van brand

In de gewone zin

 

Maar om op heterdaad

't Paartje te attrapperen

Wist hij geen beet're raad

Dan de brandweer alarmeren

 

Hij neemt z'n paraplu en slaat 't ruitje stuk

Zijn hand grijpt zenuwachtig ook reeds naar de kruk

Maar op 't ogenblik dat hij zal overhalen

Bedenkt hij zich wat hij zich daarmee op de hals kan halen:

 

Al wie zonder reden alarmeert

Wordt voor dit vergrijp gechallengeerd

De aangerichte schade wordt vergoed

En de overtreding beboet !

 

Hij loopt, 't sloeg juist een uur

Naar huis weer, ongerust

En vindt het minnevuur

Nog altijd niet geblust

 

Het smeulend vuur, zowaar

Begon opnieuw te laaien

Het overspelig paar

Lag nog... in lichterlaaie !

 

Van woede en schrik kon d'arme man haast niet meer gaan

Zo lang had hij z'n vrouw nog nooit in brand zien staan

En zonder zich om wet of boete te generen

Loopt hij weer naar de Munt om brand te alarmeren

 

't Was een bof, de ruit was al stuk

Hij draait 'n keer of wat aan de kruk

't Bleek dat men het sein had verstaan

Want daad'lijk kwam de brandweer aan

 

Dra was 't Sophiaplein

Met spuiten heel bezet

De commandant die sprong

Eraf met vlugge tred

 

Hij zag 't brandsignaal

Een man die stond te beven

En vroeg hem heel brutaal:

"Kan jij ons uitkomst geven ?"

 

En bevend zei de man: "Ja, beste commandant

Toen ik vanavond thuiskwam stond mijn vrouw in brand

Mijn compagnon, die heeft 't vuurtje aangestoken

Toen liep ik gauw naar hier en heb de ruit gebroken"

 

Want

 

In geval van brand 't ruitje stuk

Draai 'n keer of wat aan de kruk

Wacht tot uw signaal is verstaan

En dadelijk komt de brandweer aan !

 

Maar Meier zei: "M'n vriend

Jouw brandje heeft een staart

Je bent toch ook geen kind

't Is van private aard

 

Als jouw vrouw staat in brand

Daar komen wij niet tussen

Wees dan maar bij de hand

Om zelf 't vuur te blussen

 

Als wij ons moesten storen aan elk' echtgenoot

Wiens vrouw in brand geraakt voor vriend of voor vennoot

Dan kwamen wij geen enk'le maal meer uit de kleren

Want dag en nacht zou men de brandweer alarmeren

 

Je hebt zonder reen gealarmeerd

Daarom word je dus verbaliseerd

Zorg dat de schade wordt vergoed

En daarbij ben je ook beboet !"...

 

Terug naar overzicht

De Bredasche botermeid

(met dank aan Frans Pennings voor het sturen van de tekst)

Hoort boeren dochters allen in het rond

hetgeen ik u zal verhalen.

Hoe het met enen boerendochter is gegaan.

Luister allen die staan in ’t ronde,

zij was er wel bekend.

En ze was pas achttien jaar.

Hoor eens hoe zij vaarde en hare bezwaar.

 

Zij moest naar die Bredasche markt gaan

om haar boter te gaan verkopen.

Meteen kwam daar een jonkman aan

en die heeft haar aangesproken.

Zeg willen wij gaan dansen,

en gaan wij aan de zwier.

Oh ja, zoo sprak ’t meisje,

wat hebben we nu plezier.

 

Zij heeft haar boter al zo duur verkocht,

vijf gulden er voor ontvangen.

De jonkman stond in ’t volle van gedacht,

hoe zal ik er die zaak aanvangen.

Hij sprak lief kind en we zijn er mee gekweld.

Helaas ik ben verloren mijn beursje met geld.

 

Dat is niets zoo sprak ’t meisje.

Hier is vijf gulden geld,

die ik voor mijn boter heb ontvangen.

Zij gingen aan ’t dansen.

Zij gingen aan de zwier.

O ja zoo sprak het meisje.

Wat hebben we nu plezier.

 

De centen zijn verteerd en de avond die kwam aan.

Wat zullen we nu gaan verzinnen,

nu komt eerst aan ons grootste plezier.

En wat zullen wij nu gaan verzinnen.

Gij hebt ook nog twee baaien rokjes aan.

Geef ze mij dat ik ze verkopen ga.

 

Het meisje trok haar baaien rokjes uit,

heeft ze aan de jonkman gegeven.

Hij liep er de ene straat mee in en de andere uit,

maar helaas hij is weggebleven.

Het meisje stond te wachten,

haar minnaar kwam niet meer.

Zij liet zucht op zuchtje, ja zoo menig keer.

 

Hoort boerendochters allen wie gij zijt.

Als je gaat om te verkopen,

neemt er dan voorwaar geen minnaar aan uw zij,

anders gaan ze met uw rokjes lopen.

Gelijk het met deze boerendochter is gegaan.

Zij moest in haar hemdje naar huis toegaan.

 

 Terug naar overzicht

De bruid

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

M'n zoon zo sprak de Vader,

M'n vriend z'n liefste dochter, die komt logeren hier.

Ze heeft nu al de leeftijd van bijna twintig jaar;

Ik zou toch zo graag worden de Vader van 't paar.

Ach, nee, zei toen die jongen, ach, Vader, vergeef 't mij,

Ik kan met haar niet trouwen, m'n hart is niet meer vrij!

Want ik bemin in stilte 'n meisje lief en teer.

Welnu, sprak boos de Vader, dan ben je m'n zoon niet meer !

 

Des avonds is de jongen naar 't meisje heengegaan;

Ze zei: wat kijk je treurig, wat blijf je verlegen staan.

Hij zei: We moeten scheiden, m'n hart blijft jou verpand ..

Maar Vader dwingt me te trouwen, 'n meisje van rijke stand.

Moet jij 'n ander trouwen, doe dan maar je Vader's zin,

Want geld gaat boven liefde, dat zie ik nu wel in !

Ze namen teder afscheid, geslagen ging hij weer;

Haar hartje was gebroken en zei viel toen snikkend neer !

 

De trouwdag was gekomen, 'n trouwdag zonder lach;

Hij dacht aan z'n eerste meisje, dat hij nu nooit meer zag.

Op weg naar zijn aanstaande, in de arm 't bruidsboeket,

Passeerde hij haar woning, ging binnen met zachte tred.

Daar lag z'n teergeliefde, 'n blos op haar gelaat;

Hij snikte om vergeving, 't was nog niet te laat.

Ze zei, met matte glimlach, terwijl ze haar ogen sloot:

Ga jij gerust naar die ander, want ik ben de bruid des doods.

 

Terug naar overzicht

De bruid en bruidegom (wijs De Zilvervloot)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Hebt gij wel gehoord van de bruidegom en bruid
Die heden hun trouwfeest vieren
Zij treden vandaag in de huwelijksschuit
En mogen vol vreugd zich versieren
Zingt luid, zingt luid, voor bruidegom en bruid
Geluk o jeugdig paar veel Blijdschap jaar op jaar
Dit is de wensch van ons met elkaar (bis)

Ziet o waardig bruidspaar U heden omringd
Van vele bekenden en vrienden
Ziet verder hoe ieder U hartelijk bezingt
En hoopt dat gij zegen moogt vinden
Daarom, daarom, o bruid en bruidegom
Weerhouden wij ons niet en klinkt voor u ons lied
En heerscht de vreugd die gij heden ziet (bis)

Heden zijn de wenschen uws harten vervuld
Gij hebt thans uw beider verlangen
Dus hoopen wij ook dat gij verder steeds zult
Veel heil en veel zegen ontvangen
Altijd, altijd, van zorg en angst bevrijd
En rustig ongestoord gelijk het steeds behoort
Zoo vliede uw echtelijk leven voort (bis)

Moge dan dit huwelijk dat heden begint
U beiden ook nimmer berouwen
Dat gij gansch uw leven u beiden bemint
Verlangen wij steeds te aanschouwen
Zingt luid, zingt luid, voor bruidegom en bruid
Geluk o jeugdig paar dat God u beiden spaar
Dit is de wensch van ons met elkaar (bis)

 

Terug naar overzicht

De bruiloft

(met dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst)

Zie ik er nu niet uit als een gelukkige bruid,

Binnen zitten ze nog bij elkaar.

Daar wordt lustig gepakt, maar ik ben weggesnapt,

Want ik voelde me heus een beetje raar.

Strakjes rees voor mijn geest,

Het tableau van het feest.

Toen ik trouwde met mijn eerste man,

En ik dronk glas op glas,

Tot dat ik zalig was,

'k Zag de hemel voor een doedelzak aan.

 

Refrein:

Ja de wijn, wijn, wijn, doet ons vrolijk zijn.

Bij wijn denk ik altijd aan mijn eerste man,

Want die was er ook steeds zo'n liefhebber van.

Ja de wijn, wijn, wijn, van Bordeaux of Rijn,

Ik drink het als water, 'k heb morgen een kater,

Van wijn, wijn, wijn.

 

'k Zie er heus tegenop, ben ik fris in mijn kop

En dan raak ik misschien in de war.

Kees heet mijn tweede man, en mijn eerste was Johan,

Nou, hou dat maar uit elkaar zeg, 't is bar.

Zeg, 'k ben zo ver weg, 'k weet niet meer wat ik zeg,

Ik zeg: "Schat wat heerlijk is dat feest,

't Is toch jammer dat Johan er niet bij wezen kan,

't Was voor hem zo'n verzetje geweest."

 

Refrein

 

't Wordt nu waarlijk eens tijd, dat ik als gastvrouw mij wijdt

Aan de gasten daarginds aan de dis.

Laat ik mijn man alleen, drinkt hij alles dooreen,

Ja wie weet hoe ver die al is.

Maar al drinkt die een fles, ja al drinkt die er zes,

Daarvoor maak ik als bruid hem geen grief,

Op een dag als vandaag, met een stuk in zijn kraag,

Is de bruidegom dubbel zo lief.

 

Refrein

 

Zijn de gasten straks heen, en ben ik met manlief alleen,

Hou ik mij of ik nergens van weet.

En ik ben bang voor een zoen,

En ik roep, "nee zoiets niet doen !"

Want een beetje onschuld ja dat leeft.

Oh, ik weet natuurlijk heel goed,

Hoe het in 't huwelijk moet,

Maar ik bloos en fluister half luid,

"Mannie, doe me een plezier, haal een fles champie hier,

En dan drinken we die eerst samen uit."

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De bruiloft van Jan Kandij

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

    Jan Kandij ging trouwen,

    En de heele troep

    Mannetjes en Vrouwen,

    Stonden op de stoep.

    Zij zouden er van lusten,

    Bij hem in de buurt

    Had hij voor een prikje

    Een zolderschuit gehuurd, Ja.

    Refrein:

    Daar ging de heele keet,

    Jan Kandij en Truitje,

    Op hun zolderschuitje,

    Heel knusjes aangekleed,

    Met een wijde broek

    En de rokjes breed.


    Zeven muzikanten

    En de groote trom,

    Waren aangenomen

    Door de Bruidegom.

    Dertig kan jenever,

    Twintig kan citroen,

    Een pot boerenjongens,

    Een juffertje in 't groen.

     

    Refrein

     

    Bruidsuikers en schuimpjes

    Werden rondgedeeld,
    Geef me nog een drupje

    Door het orkest gespeeld.

    Moeder Trui ging dansen,

    Maar zij was zoo zat,

    Dat zij overboord viel

    En kreeg een gratis bad.

     

    Refrein

     

    Dreggen, stokken, haken,

    Werden uitgezet.

    Jan Kandij riep: stop maar,

    Zij drijft wel op haar vet.

    Eindelijk men het vrachtje

    Binnenhalen kon,

    Toen stond Trui haar moeder

    In haar pantalon.

     

    Refrein

      

    Toen was er mot gekomen,

    Omdat Jan Kandij

    Een lobbes had gekregen,

    Van Miet Rijstebrij.

    Trui begon te schreeuwen:

    Leelijke marmot,

    Als je aan mijn vent komt,

    Dan sla ik jou kapot.

     

    Refrein

     

    Het was goed afgeloopen,

    Weer teruggekeerd,

    Toen hadden Jan en Truitje

    Hem stiekumpjes gesmeerd.

    Niemand kon meer kijken,

    Iedereen was zat,

    Maar toch klonk tot afscheid:

    Ik heb zoo'n lol gehad.

     

    Refrein

     

    Terug naar overzicht

De clown

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Met zijn haardos rood en wit

Is de clown zijn werk aan 't maken

Ieder die in 't circus zit

Weet hij kostelijk te vermaken

Wat is hij aardig vlug en net

Koning van 't volk hij mag het weten

Verschaft ons altijd zoveel pret

Doet ons aller leed vergeten

 

Refrein:

Clown gij doet ons lachen

Met uw smakelijk fijn gelach

Met al uw aardige grappen

Gij die door niemand word gehaat

Clown gij doet ons lachen

 

De clown gaat heen hij triomfeert

Om haar die hij aanbidt te vinden

Naar zijn loge gepasseerd

Om te omhelzen zijn beminde

Eensklaps op zijn weg gestoord

Denkt hij een kus te horen kraken

Hij snelt er heen daar zij hem toebehoort

Maar men roept: ,,Clown gij gaat 't volk verlaten.

 

Refrein

 

Het ogenblik van rust is daar

Uit zijn loge ziet hij iemand vluchten

Hij komt bij haar en vraagt aan haar

Terwijl hij bevend staat te zuchten

,,Komaan spreek op wie was bij u"

,,Dat gaat u niet aan, dat was een lief wezen

Ik bemin u niet, ik ben schier beschaamd

De vrouw van een clown te wezen"

 

Refrein:

Clown droevig lachen

Met schitterende blik kijkt hij haar aan

Zij die hij beminde heeft hem bedrogen

God weet wat er gebeuren gaat

Clown gij doet ons lachen

 

Op de kunstladder gaat het werk voort

Waar de taak hen beiden verenigt

Samen beklimmen zij de koord

De muziek is stil, 't is enig

Het behoud is in zijn handen nu

Hij zegt: ,,Morgen zal u dat niet meer lukken

Bedriegster, met mij dood ik u"

Terwijl hij sneed de koord aan stukken

 

Slotrefrein:

Clown gij lacht niet meer

Uw jaloersheid was te groot

Daar vallen twee lichamen op de grond

En beiden zijn nu dood

Clown 't is uit met lachen

                                                                       

Terug naar overzicht

 

De concubine

(cabaretliedje uit 1915)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

In 't moederland had hij 't verbruid
En zijn familie, net en rijk,
Negeerde hem...een kort besluit...
Hij tekende te Harderwijk.
Hij toog naar 't verre Zonnenland,
Streed voor de vaderlandse vlag,
Elkeen vond hem een flinke vent,
Totdat hij eindlijk Mina zag...

 

Zij was zijn engel in deze oorden
Zijn dierbaarste kleinood,
Zij slofte mede
Op al zijn schreden
En was tevreden

 

Dacht hij aan 't verre Moederland
Dan welde in zijn oog een traan,
Doch nimmer kwam 't in zijn verstand
Weêr naar Europa terug te gaan.
Na vijftien jaar nam hij pensioen,
Hij huurde 'n hutje voor hun twee,
Maar in de donkre kampong...toen
Gevoelde hij zijn levenswee...

 

Zij was zijn engel in deze oorden
Zijn dierbaarste kleinood,
Zij slofte mede
Op al zijn schreden
En was tevreden

 

Toen werd het tobben, hij werd krank,
En een verlamming wierp hem neer;
Geen dokter djawa, spijs noch drank
Gaf hem de krachten van weleer.
Zijn spraak was weg, maar in zijn blik
Lag diepgevoelde dankbaarheid...
Zijn laatsten groet, zijn laatsten snik
Was nog aan Mina-lief gewijd...

 

Zij was zijn engel in deze oorden
Zijn dierbaarste kleinood,
Zij slofte mede

Op al zijn schreden
En was tevreden

 

De laatste tocht die hij toen deed
Ver van zijn huis en vaderland
Was zonder lange rijtuigstoet,
Zonder één enkle bloedverwant.
'Zij' volgde in een dos á dos
Naar 't kerkhof haren vriend en heer
En uit haar slendang strooide zij
Melati in zijn rustplaats neer...

 

Zij was zijn engel in deze oorden
Zijn dierbaarste kleinood,
Zij slofte mede
Met loome schreden...
Hij ruste in vrede !

 

Concubine = bijvrouw of vrouw
met wie een man niet officieel gehuwd is


Harderwijk was de plaats,
waar men tekende als koloniaal
en waar men zijn handgeld kreeg om schulden af te lossen en de reis te boeken

De kampong is het huttendorp waar de Inlanders woonden.

 

dos á dos = tweewielig rijtuigje waarin men rug aan rug zit

slendang = draagdoek


melatti = jasmijn

 

Terug naar overzicht

De courantenjongen

(ook wel de Stations boekhandelaar)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Het "Nieuws van de Dag" dat iedereen mag,

Dat is gemakkelijk te verkoopen, ook de "Telegraaf",

Is geen witte raaf, iedereen die komt er om loopen !

En het "Handelsblad"is een ware schat,

Men leest het in dorp en stad.

Bij de Morgenpost en de Avondpost,

Heb ik steeds bij de hand, voor iedere klant,

Het dagblad het "Vaderland".

 

Refrein:

Hier is de krantenjongen, wie wil er lezen ?

't Zij ouwe of wel jongen, hier moet je wezen !

Het "Nieuws van den Dag", dat ieder lezen mag,

Die 't prefereerd .... ook geïllustreerd

En voor het fijne publiek, couranten met muziek.

Zoodra je iets wenscht voorwaar roept de krantenjongen maar.

 

Het Binnenlandsche nieuws en het Buitenlandsche nieuws,

Daar zit iedereen op te poeren,

Van het oorlogsterrein berichten zeer klein

Maar 't zijn toch dappere Boeren.

Het Beursnieuws 't is glad en het nieuws uit de stad

En het "Advertentieblad", hier een hondje geboren,

Daar een kindje verloren, dan krijg je weldra

Als feuilleton ja, een roman van Emile Zola.

 

Refrein

 

Zoo ga je hier maar door, je loopt maar langs het spoor

Welke krant belieft U mijnheeren ?

De "Stad Editie", het blad van de "Politie"

'k Heb alles naar Uw begeeren.

De "Spaarnebode" ook het "Dagblad" te koop,

Aller nieuwste vind U er in, de "Roode Duivel" ook,

De "Vrouwenkrant" dat spook, verkoop ik blij van zin

Voor de "Huwelijksmin", zie dan de advertentie in.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht