|
| | Uit (groot)moeders tijd
|
Aan
d' oever van een snellen vliet
(uit Vad. Liedeboek Richard Hol, 1891) |
|
Aan
d' oever van een snellen vliet,
Zat eens een weesje neer.
Zij schreide, snikte van verdriet,
Haar droevige oogjes zeer.
Zij schreide, snikte van verdriet,
Haar droevige oogjes zeer.
Een rijke heer, die haar zo zag,
Werd innig aangedaan.
Haar treurkleed en haar luid geklag,
Dat trok hem tot haar aan.
Haar treurkleed en haar luid geklag,
Dat trok hem tot haar aan.
"Wel mijn lief meisje", zoo sprak hij,
"Zeg waarom treurt gij nu?
Vertel er d'oorzaak van aan mij,
Kan ik zoo help ik u.
Vertel er d'oorzaak van aan mij,
Kan ik zoo help ik u."
Zij sprak en zag hem troostloos aan:
" 'k Heb, Heer, een droevig lot,
Gij ziet een weeskind voor u staan,
Welks hoop slechts is op God.
Gij ziet een weeskind voor u staan,
Welks hoop slechts is op God."
"Mijn moeder stierf, liet mij alleen,
Zij rust bij gindschen boom,
En vader, ach, niet lang geleên,
Verdronk in dezen stroom.
En vader, ach, niet lang geleên,
Verdronk in dezen stroom."
"Vergeefs en vruchtloos worsteld' hij,
Terwijl zijn angstkreet klonk,
Mijn broeder zag 't en sprong erbij,
Maar ach! Ook hij verdronk.
Mijn broeder zag't en sprong erbij,
Maar ach! Ook hij verdronk."
"Het weeshuis bood mij schuilplaats aan,
En mag ik daar eens uit,
Dan prangt mijn hart naar haar te gaan,
En ja, dan ween ik luid.
Dan prangt mijn hart naar haar te gaan,
En ja, dan ween ik luid."
"Neen, ween niet meer mijn lieve kind!
Ik wil uw vader zijn.
Gij hebt een hart dat teer bemint,
Bewaar dat vroom en rein.
Gij hebt een hart dat teer bemint,
Bewaar dat vroom en rein."
Hij nam haar mede naar zijn huis
En schonk haar spijs en drank,
Verlichtte zo haar droevig kruis,
Vroeg liefde slechts tot dank.
Verlichtte zo haar droevig kruis,
Vroeg liefde slechts tot dank.
En zij was trouw, zij was het waard,
Zij bleef hem steeds tot vreugd.
Zo zegent God reeds hier op aard,
De liefde tot de deugd.
Zo zegent God reeds hier op aard,
De liefde tot de deugd
Terug
naar overzicht |
|
Aan
de deur van je woning (1)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Je
deed eindelijk vandaag
In
je brief mij de vraag
Waarom
ik met jou heb verbroken
Denk
mijn liefste eens weer
Aan
den tijd van weleer,
Toen
ik jou voor het eerst heb gesproken
Bevend
kwam 'k naar je toe
Je
waart mij mijn alles, mijn koning
M'n
gedachten verward
Stond
k met wel bonzend hart
Aan
de deur van je woning !
En
toen was ik jou
Je
geliefde je vrouw
'k
Was alles, 'k heb alles gegeven
Ik
aanbad je als een God
In
jou lag mijn lot
Jij
bracht het geluk in mijn leven
Wat
een vrouw geven kan
Gaf
ik jou, steeds was dan
Jou
kus op mijn mond mijn belooning
En
verliet ik je weer
Bleef
mijn hart elken keer
Aan
de deur van je woning !
Eens
kwam ik in een nacht
Dat
ik niet werd verwacht
Ik
klopte je deur bleef gesloten
O,
wat deed 't hart me pijn
'k
Wist dat je er moest zijn
k
Begreep het je had me verstooten
Uren
heb ik je bespied
Tot
jou d' ander verliet
En
ik zag jou, mijn Godheid mijn koning
Met
een and'ren die jij
Kuste
even als mij
Aan
de deur van je woning !
Als
't geluk ons verlaat
Droom
van liefde vergaat
Aat
moet dan een vrouwenziel lijden
Als
het teerst is verscheurd
En
de ziel lijdt en treurt
Dan
gaat men de dooden benijden
Haten
kon ik je niet
Zelfs
in het grootste verdriet
Zocht
ik voor je daad nog verschooning
'k
Heb vergeving verleend
En
in stilte geweend
Aan
de deur van je woning !
Mijn
geluksdroom is heen
Droevig
leef ik alleen,
Maar
nu ik deez' brief heb geschreven
Komt
de herinnering weer
Aan
je kus van weleer
Nog
heb je een plaats in mij leven
En
wanneer je mij wenkt
Mij
je liefde weer schenkt
Dan
vind ik voor mijn lijden belooning
Liefst
roep je mij weer
In
aanbidding kniel ik neer
Aan
de deur van je woning !
Terug
naar overzicht |
|
Aan
de deur van je woning (2)
(gezongen
door Jerry Voré)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst) |
|
Meisje
waarom doe je ons zo'n verdriet,
Kom
je niet meer bij ons thuis.
Meisje
ken je dan je moedertje niet,
Denk
je nooit aan je ouderlijk huis ?
Meisje
sinds jij van ons heen bent gegaan,
Leeft
in die deftige stand,
Heb
ik je eens voor je huisdeur zien staan,
Word
ik door verdriet overmand.
Refrein:
Ik
zag je staan aan de deur van je woning,
Maar
dorst je prachtige huis niet voorbij.
Schenk
me je glimlach, dan voel ik me koning,
Jij
hoeft je heus niet te schamen voor mij.
Meisje
verloochen je ouders toch nooit,
Kindje,
heb je dan geen hart,
Vanaf
dat je weg bent, zijn wij zo verstrooit,
Raken
wij in gedachten verward.
Kindlief
je foto hangt nog aan de wand,
Vaak
zie ik je moedertje staan,
Met
je portret in haar bevende hand,
Dan
welt in haar oog een traan.
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Aan de deur wordt niet gekocht
(met dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) |
|
Moedertje had heel haar leven
Voor de kinderen gesjouwd,
Nu was moedertje versleten
Zorgen maakten haar vroeg oud !
Maar sprak zij van haar kind'ren
Dan zei ze, zoo trotsch en blij:
't Koste moeite, maar toch zijn ze
Menschen in de Maatschappij.
Refrein:
Nu loopt moeder langs de huizen
Van den meer voornamen stand,
Met een bakje naald' en, spelden,
Elastiek en veterband.
Voor 'n oud moedertje dat daag'lijks
Voor een schaam'le boot'ram vocht
Blijft het wreed om steeds te hooren:
"Aan de deur wordt niet gekocht."
Moedertje belt aan een villa
Net een sprookje --- wonderschoon,
En daar leest zij --- is het moog'lijk
Ja, den naam van haren zoon !
't Rimpelig gezicht verbergt ze
Schaamtevol in der oude shawl,
En een stem roept: van m'n deur weg
Dat gebedel is een schandaal.
Refrein:
Weenend loopt zij langs de huizen
Van den meer voornamen stand,
Met een bakje naald' en, spelden
Elastiek en veterband.
Van 'n oud moedertje dat daag'lijks
Voor een schaam'le boot'ram vocht
Was "t wreed van hem te hooren:
"Aan de deur wordt niet gekocht."
Terug
naar overzicht |
|
Aan de gevallen Indische
helden
(wijs: De jongens van Jan de Witt)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Wie kent er niet die brave zielen,
Die aan het verre Atjehstrand,
Al voor de eer van Neêrland vielen,
't Rood, Wit Blauw in de verstijfde
hand ?
We zullen hun as eren, wreken,
En waar ik ga of sta of zit,
Zal ik hun naam met eerbied spreken,
Want dat waren jongens van Jan de Witt
Die jongens wilden wezen
Bij de Atjehneezen,
Daar hebben ze bewezen,
En al was de dienst niet algemeen,
Die braven gingen er toch wel heen,
Dat was geen klit:
Maar jongens van Jan deWitt !
Terug
naar overzicht |
|
Aan de kaai in 't
schipperskwartier
(met
dank aan Andreas Jaquet voor het sturen van de tekst) |
|
Dwalend door Antwerpens straten
Komt ge in 't schipperskwartier
Ik had het gauw in de gaten
Dat is de wijk van plezier
Men hoort een harmonikadeuntje
En waar een dansorgel draait
Iedere zeeman zijn benen
Dansende walsende zwaait
Refrein:
Aan de kaai in 't schipperskwartier
Staat een klein caféke
Stuurman, kok, matroos, kapitein
Iedereen wil er zijn
Als het orgel speelt doe doe doe
Kunt ge er heerlijk dansen
Aan de kaai in het schipperskwartier
Is het meest plezier
Daar zijn er klanken en kleuren
Uit landen van ver over zee
Daar zuchten dromende meisjes
Zeeman neem mij met je mee
Daar wordt de heimwee vergeten
Bij 't gouden, schuimende bier
Daar wordt geliefd en geleden
Dat is het schipperskwartier
Refrein
Soms is er in dat caféke
Een echt Babylonisch kabaal
Want iedere zeeman en vreemde
Spreekt er zijn eigene taal
Maar de patroon en zijn vrouwtje
Horen het liefst nog de klank
Van zilveren Dollars en Guldens
Of van de simpelen Frank
Refrein
Terug
naar overzicht |
| Aan
de kade |
|
In
de schaduw van de linde,
Stond
een meisje van rond twintig jaar,
Schreiend
bij haar lieve jongen,
Deze
sprak toen zacht tegen haar:
"Steeds
blijf ik naar jou verlangen.
Liefste
verontrust je niet,
Al
ben ik naar den vreemde landen.
Jou
vergeten doe ik niet."
Daarom
sprak zij:"Lieve jongen,
Waarom
ga je nu toch heen van mij.
Ik
kan zonder jou niet leven,
Blijf
daarom toch eeuwig aan mijn zij."
En
met tranen in zijn ogen
Sprak
hij:"Mijn liefste vrouw,
't
Is omdat ik moet gaan varen,
Maar
't liefste bleef ik bij jou."
Toen
de dag was aangebroken
Stonden
zij dan aan de waterkant,
En
hij kuste haar de wangen
Met
haar handje in zijn grote hand.
Het
vertreksein werd gegeven,
Haastig
liep hij naar de boot,
Denkend
aan het meisje in zijn leven,
Dat
hij eens in zijn armen sloot.
Eindelijk
ging de boot aan 't varen,
't
Was een mooie held're blauwe lucht,
En
't meisje aan de kade
Stond
te wuiven, slaakte 'n zucht.
"Ik
blijf steeds naar jou verlangen",
Had
hij tegen haar gezegd.
Ik
blijf steeds aan die woorden denken,
Tot
je weer in Holland bent.
Terug
naar overzicht |
|
Aan
de lus van lijn twee
(tekst/muziek: Clinge Doorenbos/uitvoering: Alex de
Haas)
|
|
Moeder
en dochter die kwamen gelopen
Vlug
naar de tram toe, het was op lijn twee
En
conducteur, misschien nog twee plaatjes
Maar
het conducteurtje dat schudde van nee
Een
aardig jong mens van egard zijn ontstending
Bood
toen zijn plaats aan de oudste der twee
Pakte
een lus en weet u wat hij heel zacht
Tot
het aardige dochtertje zee
Refrein:
Meisje
met je mooie mondje
Moet
je met je ma'tje mee
Lieve
Lientje laat je leiden
Langs
het lusje van lijn twee
Hij
vond dat tramritje niet zo onaardig
Want
alle lussen die waren bezet
Aan
hetzelfde lusje lusten dus beiden
Een
lust voor het oog en vol lustige pret
Het
was dar twei zehlen und eine gedanke
Twee
handen, een lusje, een hij en een zij
Denk
om de bocht werd dikwijls geroepen
Maar
hij hoorde niets want hij neuriede blij
Refrein
Moeder
stond op met een vriendelijke knikje
Dochter
liet los en toen gingen zij heen
Daarmee
verloor lijn twee haar bekoring
Want
het is geen plezier om te lussen alleen
Hij
vond haar weer en was eerst wat verlegen
Doch
zij herkende haar ridder der lus
Weer
klonk zijn goede raad in haar oren
En
zij zong bij het wisselen d'r eerste kus
Refrein
Eindelijk
was dan de trouwdag gekomen
Beiden
met vurige liefde bezield
Lagen
ze daar vervuld van illusies
Plechtig
tesaam voor het altaar geknield
Toen
kwam een preek over leven en liefde
Het
orgel dat speelde met plechtig geluid
Het
Lohengrin-bruidskoor
Maar
hij hoorde zachtjes
Toen
hij heel stiekumpjes keek naar zijn bruid
Refrein
(2x)
Terug
naar overzicht |
|
Aan
de oever van de Schelde
(uitvoering: Max van Praag) |
|
Het
was in de mei toen ik haar zag, aan de oever van de Schelde
Ik
hield van 't water en van haar, toen zij er van vertelde
De
lucht en het water was blauw, zij vertelde mij van vroeger
Die
dag vergeet ik m'n leven niet, daar, aan die Schelde oever
Refrein:
Aan
de oever van de Schelde, woont m'n lieve Madelein
Aan
de oever van de Schelde, daar wil ik zo gaarne zijn
Kleine
golfjes, kleine scheepjes, weten dat ik van haar hou
Aan
de oever van de Schelde klinkt heel vaak: "Ik blijf je trouw"
Elk
weekend, dan ga ik naar haar toe, ze wacht dan reeds aan de Schelde
Ik
kom met het bootje, waar zij mij zo vaak van vertelde
Eens
vaart daar de huwelijksboot en de visjes zullen juichen
De
golfjes en scheepjes zijn, m'n schat, voor ons daar als getuige
Refrein
Kleine
golfjes, kleine scheepjes, weten dat ik van haar hou
Aan
de oever van de Schelde klinkt heel vaak: "Ik blijf je trouw"
Terug
naar overzicht |
|
Aan
de oever van de vliet
(uivoering: Jo Leenmans) |
|
Aan
de oever van de vliet
Zat
eens een aardig meisje
Voor
de vogels in het riet
Zong
zij dit droevig wijsje
Refrein
Kom,
kom, kom, kom
O,
ik verlang zo naar jou
Kom,
kom, kom, kom
Liefste
ik hou zo van jou
In
haar hartje was verdriet
Voor
haar verloren liefde
En
weerspiegeld in de vliet
Zag
zij weer haar geliefde
Refrein
Dromend
keek zij in 't verschiet
Dacht
aan de mooie uren
En
ze vroeg de snelle vliet
Haar
lieve groet te sturen
Refrein
Aan
de oever van de vliet
Zat
eens een aardig meisje
In
haar hartje was verdriet
Droevig
zong zij dit wijsje
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Aan de oever van een
snelle vliet
(Uit: Versjes uit de oude tijd)
(met dank aan Theo Lintmeijer voor
het sturen van de tekst) |
|
Aan de oever van een snelle vliet
Een treurend meisje zat.
Ze weende en schreide van verdriet
Het gras van tranen nat.
Ze wierp de bloempjes die ze zag
Mistroostig in de stroom
En riep: ,,Ach lieve vader, ach
ach lieve broeder, kom !"
Een rijk heer wandeld' langs de vliet
Bespeurd' haar bitt're smart
En daar hij het meisje wenen ziet
Breekt zijn meedogend hart.
Hij sprak tot haar: ,,Wel lieve meid,
Kom, spreek en wees niet schuw.
Zeg mij waarom gij weent en schreit,
Zo 'k kan, zo help ik u !"
Zij zucht' en keek hem troostloos aan
En sprak: ,,Ach brave man,
Een arme wees ziet gij hier staan
Die God slechts helpen kan."
,,Ziet gij dat groene bergje niet ?
Dat is mijn moeders graf,
En aan de oever van de vliet
Daar gleed mijn vader af."
,,De felle stroom verzwolg hem dra
Hij worstelde, ach, hij zonk...
Mijn broeder sprong hem achterna
Helaas, ook hij verdronk !"
,,Nu vlucht ik 't eenzaam hutje uit
Waar niets dan jammer is."
Zo sprak zij hare klachten uit
Met 't hart vol droefenis.
,,Gij moet niet wenen, lieve kind,
Uw hart verdient geen pijn.
Ik wil uw broeder en uw vriend
Ik wil uw vader zijn."
Hij nam haar minzaam bij de hand
Om mee naar huis te gaan
En deed haar kleren naar zijn stand,
Geen wezenkleders, aan !
Zij at zijn spijs en dronk zijn drank
Gestadig, dag aan dag.
Goed-rijke man, ge hebt veel dank
Voor zo een braaf gedrag.
En zij was trouw, zij was het waard,
Zij was hem steeds tot vreugd'.
Zo zegent God reeds hier op aard'
De liefde tot de deugd.
Terug
naar overzicht |
|
Aan
de rol
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Als
het Maandag is,
Dan
is het al weer mis,
Dan
zijn wij al rap,
Heel
den dag op stap.
Met
Jans en Grietje,
Catootje
en Marietje,
Meiden
van de vlakte, zoo je snapt.
Als
het orgel komt,
En
ons in de ooren bromt,
Met
een reuzen chanche,
Draaien
wij een reuzen dans.
Over
de keien,
Ziet
men ons glijen,
Ieder
kijkt naar mij en Jans.
Refrein:
Aan
de rol, aan de rol.
Met
een half stuk in je bol,
Gaan
wij pierewaaien,
De
orgels draaienm
Van
klaartjes en van biertjes vol.
Aan
de boem, aan de boemm
Met
zoo'n schoone vlaktebloem.
Het
boemelen is zoo fijn,
Een
ieder groot en klein,
Willen
altijd met ons, op de vlakte zijn.
Naar
een stil plantsoen,
Gingen
wij allen toen,
Moe
van dans en wijn,
In
't gras, maneschijn,
Zoentjes
geven,
Eerst
wat tegenstreven,
Maar
tenslotte zucht zij, wat fijn !
Catootje
riep "ach heer,
Schei
toch uit; ik kan nietmeer."
Jans
die kreeg de last,
En
zij riep "ik zit vast !"
Marietje
zij kreunde,
Grietje
die steunde,
En
zij riepen "geef ons nog een kwast !"
Refrein
Daar
klonk vol ontzet,
Wat
een schrik, "uit naam der wet,
Dat
geeft hiet geen pas,
Zoo
te leggen in het gras."
Allen
wij schrokken,
Jans
viel van de sokken
En
zij maakte gauw haar blouse vast.
Zoo
ging het heele span,
Jans
en ik heel vooran,
Naar
de Groenmarkt heen,
In
de bak wat gemeen.
Maar
wij allen zongen,
Nog
uit volle longen,
We
zij toch lekker aan de rol geweest.
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Aan
de witte rand van het mooie Ambon strand
(Met dank aan Moena de Koning voor het
sturen van de tekst) |
|
Aan de witte rand van het mooie Ambon
strand,
Zongen wij samen lang geleden een oud
Molukken lied.
Ik hoor in fantasie nog steeds de
melodie,
Die jij zong toen jij je blauwe Ambon
baai verliet.
Sinds jouw afscheidsgroet mist de baai
voor mij haar gouden pracht,
Ik vraag aan eb en vloed jou te zeggen
dat ik op je wacht.
Legt jouw schip weer aan dan zal de
zilveren maan,
Ons weer spoedig aan de blauwe Ambon
baai zien staan.
Terug
naar overzicht |
|
Aan
het Lago Maggiore
(tekst en muziek: Han Dunk/ uitvoering:
Eddy Christiani en The Ramblers) |
|
'k
Heb de hele wereld rondgereisd
Overal
ben ik geweest
Maar
een plekje, dat ik heb gezien
Trekt
mij toch het allermeest
Refrein:
Aan
het Lago Maggiore
Daar
wil ik altijd zijn
Want
ik weet er een plekje
Daar
staat een huisje klein
Verscholen
tussen bonte bloemenpracht
Woont
daar het meisje [m'n liefste]
Waar
'k van droom dag en nacht
Aan
het Lago Maggiore
Zingt
zij haar [hij zijn] liefdeslied
'k
Wil dat altijd weer horen
'k
Verlang iets anders niet
Eens
komt de dag dat ik
Voorgoed
naar haar [hem] toe reis
Aan
het Lago Maggiore
Ligt
mijn paradijs
Zulk
een sprookje als dat blauwe meer
Vindt
men zelden op deez' aard
Al
wat de natuur aan schoonheid biedt
Heeft
ze daar tezaam vergaard
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Aan
het strand stil en verlaten
(tekst: Tom Peters en Jan Vogel /
muziek: A. Postema / uitvoering: Max van Praag) |
|
Aan het strand stil
en verlaten
Bij het klimmen van de maan
Ziet men daar een aardig paartje
Zeer van weemoed aangedaan
Liefste ‘k moet je gaan verlaten
Morgen ga ik weer naar zee
En dan trouw ik als ik thuiskom
Hier op Hollands stille ree
Maar zij sprak, ach liefste mijne
Spreek zo ver niet in’t verschiet
Want de zee is vol met mijnen
En die dingen zie je niet.
Dobb’rend op de woeste baren
Zeilde ’t scheepje eenzaam voort
Maar opeens wat er gebeurde
Een ontploffing werd gehoord
't Schip verging al in de diepte
Angstig keek hij om zich heen
Nergens kon hij redding vinden
Grote god waar moet dat heen.
Wijl hij worstelt met de baren
en de dood voor ogen ziet
Smeekt hij, God heb toch erbarmen
'k Heb haar lief vergeet dat niet
Aan het strand stil en verlaten
Ziet men daar een meisje staan
Die al turend en al smachtend
Wacht de komst van haren man
Hij zou immers wederkeren
Hij beloofde mij toch trouw
En dan krijgt ze zo’n verlangen
Wordt ik toch zijn lieve vrouw
Maar hij keerde nimmer weder
Want de dood waart om ons heen
En zij keerde telkens weder
Aan het strand stil en alleen
Terug
naar overzicht |
|
Aan
het strand van de Zuiderzee
(tekst: Bruggeman/muziek: D.
Postema/uitvoering: De Staatzangers)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Aan
de Zuiderzee, aan 't stille strand,
Woont
het liefste kind van het heele land,
Ik
houd niet zoo'n beetje van haar,
Zij
houdt van mij.
Met
haar kanten kapje en klompjes aan,
Kan
geen ander in haar schaduw staan,
Ik
zag de mooiste heinde en ver
Maar
geen lief als zij.
Refrein:
Aan
het strand van de Zuiderzee,
Zuiderzee,
Zuiderzee,
Wacht
mijn bovenste, beste Kee,
Wacht
mijn Kee.
Veel
juweelen in Amsterdam,
Amsterdam,
Amsterdam,
Maar
geen twee als de ogen van Kee
Aan
de Zuiderzee.
Ben
je zooals ik een echte waterrot,
Och
dan is naar zee gaan je gewone lot,
Kee
zag het in en zei:
"Je
doet maar mijn jong."
Maar
toen 't ajuus kwam, houd je goed,
Werd
het ook bij Kee een tranenvloed.
't
Leek me aan boord precies
Of
mij de zee toezong:
Refrein
Eindelijk
komt er een dag misschien,
Dat
ik eindelijk mijn Kee terug zal zien,
Dan
gaan wij samen wonen,
Ergens
ver aan zee.
En
zijn wij eens getrouwd, dan wordt 't gauw
Trekken
wat je kan aan 't wiegetouw.
Jongens
ik verlang zoo naar
Mij
goeie beste Kee.
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Aan
het strand van mooi Havana
(uitvoering: Orkest Zondser Naam/Eddy
Christiani/Fred Starewood) |
|
Aan
't strand van mooi Havana wacht een meisje
Op
de man van haar dromen, die van verre moet komen
Een
zeeman is voor vele, vele jaren
Met
zijn schip uitgevaren
Naar
een land over zee
Bij
't afscheid zei hij zacht: " 'k Zal aan je denken
Jij
weet dat ik voor altijd van je hou"
Aan
't strand van mooi Havana blijft ze wachten
Want
ze hoort in gedachten
Steeds
z'n woorden van trouw
Zeeman,
jij bent gewoon om weer te scheiden
Zeeman,
jou valt het afscheid nemen licht
Eenzaam
staat aan de haven vaak 't meisje
Eenzaam,
haar blik 't laatst op jou gericht
Bij
't afscheid zei hij zacht: " 'k Zal aan je denken
Jij
weet dat ik voor altijd van je hou"
Aan
't strand van mooi Havana blijft ze wachten
Want
ze hoort in gedachten
Steeds
z'n woorden van trouw
Terug
naar overzicht |
|
Ach
vaderlief, toe drink niet meer
(met
dank aan Inez voor de tekst) |
|
'n
Moeder zit stil bij 't fornuis,
Aan
't raam staat verdrietig haar kind,
Want
nog steeds is vader niet thuis,
Omdat
hij het weekgeld verdrinkt.
Dan
rent plots 'n kind door de kou
En
hoort in 'n kroeg vaders stem,
't
Pakt hem bedeesd bij z'n mouw
En
vraagt dan met bevende stem:
Refrein:
Ach
vaderlief, toe drink niet meer.
Ik
vroeg 't al zo menige keer.
Want
moesjelief huilt telkens weer,
Ach
vaderlief, toe drink niet meer.
De
man stoot 't kind van zich af,
Dat
valt met 'n smak op de grond.
Dan
ziet hij vol schrik, tot z'n straf,
't
Hoofdje is bloedend verwond.
Vol
schaamte brengt hij dan z'n kind
Terug
naar z'n huis en vrouw,
Terwijl
ze 't hoofdje verbindt,
Zegt
vader vol innig berouw:
Refrein:
Je
vaderlief, die drinkt niet meer,
Je
vroeg 't al zo menige keer.
Dus
moesjelief, kom huil niet meer,
Want
vaderlief, die drinkt niet meer !
Terug
naar overzicht |
|
Achter
in het stille klooster
(met
dank aan Betsy van Dijk voor de tekst) |
|
Zachtjes
klinkt het avondklokje
Alles
keert te rusten weer
Vogels
zingen treurige liederen [2x]
't
Zonlicht daalt in 't westen neer [2x]
Achter
in het stille klooster
Zusters
in hun stille dracht
Ze
verplegen daar de lijders [2x]
Die
gewond zijn aan gebracht
Beide
deuren staan wijd open
En
een zuster treed daar in
Met
een jongeling in haar armen [2x]
Die
nooit weer te strijden ging [2x]
Beide
benen afgeschoten
En
daarbij z'n rechterhand
Want
hij had zo trouw gestreden [2x]
Voor
z'n dierbaar vaderland [2x]
Achter
in het stille klooster
Klopt
een arme moeder aan
Ligt
mijn zoon hier zwaar gewond soms [2x]
Zou
zo gaarne tot hem gaan [2x]
Arme
moeder, sprak de zuster
Uwe
zoon,hij is niet meer
Al
z'n lijden is geweken [2x]
Hij
stierf voor z'n land en eer [2x]
In
de kamer aangekomen
Werpt
zij 't witte doodskleed af
En
in tranen valt zij neder [2x]
Delf
voor hem en mij een graf [2x]
Op
het kerkhof ligt begraven
Ene
moeder met haar zoon
En
nu strijden zij voor eeuwig [2x]
Ja
voor eeuwig voor Gods troon [2x]
Terug
naar overzicht |
|
Adam
(met dank aan Marc Blokland (†) voor het
sturen van de tekst) |
|
Versie 1
Toen onze heer de wereld schiep
Schiep hij een mens uit klei
Hij maakte een vrouwtje en een man
Wat waren zij toen blij
Ze speelden samen tikkertje
En nog meer van die dingen
Er was nog geen belasting dus
Ze deden niks dan zingen.
Adam lag de helen dag
Met z'n blote mik in't gras
En Eva dacht dat ze knapper dan
De knapste filmster was
Ze zei, als ik jou kuiten zie
Dan moet ik altijd gillen
En Adam nam ze stevig vast
En sloeg haar op haar billen
Den Heer die zei, je eet maar raak
Er is van alles zat
Maar van die boom met bellefleurs
Daar wordt niet van gejat
Want anders zal ik jullie vlug
We potvermillemoppen
Door Michael met vlammend zwaard
Mijn hof uit laten schoppen.
Ze schudden toen met hunne kop
En zeiden, nee, nee, nee
Dat doen we niet oh lieve heer
Daar doen we niet aan mee
Maar ach, ge weet de wil is goed
Maar 't vlees is o zo zwakjes
De duivel had een ander plan
En zat al in de takjes.
De duivel hield nog efkes aan
En Eva trapte er in
Zo kreeg dat loeder van een slang
Toch lekker nog zijn zin
En Eva holde op een draf
Naar Adam met een kreetje
En sprak mijn lieve oude sok
Toe hap nou ook een beetje.
Ter wille van de goede vree
Beet Adam in de vrucht
Maar nauwelijks had hij dat gedaan
Of plots betrok de lucht
De Heer verscheen met groot kabaal
En riep hen op het matje
Ze bonden in de haast nog gauw
Voor hunne buik een bladje.
Hij stopperspilde hen er uit
En zei, ge bent wel zot
Ge komt er lekker niet meer in
Ik doe mijn tent op slot
Ge ziet maar dat ge te eten krijgt
Ik zie U voor het letste
Ge hebt bij mij uw erwten uit
Bonjour, het allerbeste.
Ze kropen samen in het bos
Zo zonder kleren aan
Ze durfden zo in hun blote vel
Niet naar de stad te gaan
Maar sinterklaas die met het lot
Van de armen steeds begaan is
Die stuurde hen een pakje vol
Van Jansen en Tilanus.
Op zekere dag belde zij op
Zeg Adam kom naar huis
Ik voel me toch zo misselijk
Het is beslist niet pluis
Toen Adam kwam, lag zij in bed
En Eva had een kleurke
En Eva sprak dit is je zoon
We noemen hem Bellefleurke.
En Adam zei, dit grapje kost
Veel centen naar ik vrees
En Eva sprak, wat geeft dat nou
We trekken toch van Drees
En Eva kocht bij V & D
Een mooie kinderwagen
En Adam ging intussen om
Zijne kinderbijslag vragen.
Ik heb me in dit mooie vers
Misschien wel eens vergist
De feiten ken ik niet precies
Er was geen journalist
En ook geen krant, dus weet ik niet
Of het allemaal wel waar is
Wel weet ik dat het nageslacht
Sinds die tijd de sigaar is
Als Adam er niet was geweest
En Eva evenmin
Dan hadden we vandaag geen feest
En ook geen goede zin
Hebben zij van het appeltje gegeten
Want anders hadden we nu niet
Aan het borreltje gezeten.
Versie 2
Adam lag gerust te slapen
Naast hem zaten dieren en apen
Boven hem vloog een patrijs
Adam die werd wakker en hij schrikte
Eva die stond voor hem en zij blikte
(keek naar hem)
Toen sprak Adam tot zijn trouwen
Geen genoegen zonder vrouwen
Toen sprak Adam tot zijn trouwen
Geen genoegen zonder vrouwen.
Versie 3
Met Adam beginnen wij
De eerste mens was hij
Toen werd hij zo geplaagd
Uit het paradijs verjaagd
Hij trok toen uit zijn lijf
Een hele grote rib
En maakte zich daarvan
Een schone vrouw.
Zij liep te hup'plen als een kip
Eva met haar Adamsrib
En daar men toen geen naaisters had
Droeg Eva slechts een vijgeblad
Zij zei, ach Adam beste man
Ach Adam geef die appel an
En Adam gaf haar toen haar zin
Zij beet er daad'lijk in.
Met Eva aan zijn zij
Ging een mooie tijd voorbij
En zo werd al verwacht
Een kindje werd gebracht
Hij zei, och Eva beste vrouw
Hoe is het nou, hoe is het nou
En Eva die zei met een kleur
We noemen hem Bellefleur.
Versie 4
(met dank aan Corry Verhoeven voor
het sturen van de tekst)
Toen onze heer de wèreld schiep,
schiep hij den meens uit klei
bij mokte 'n manneke en `n vrouw, wè
waren ze toch blij
ze spulde saomen tikkertje, nog wè van
die dingen
er was nog gin belasting toen, dus din
ze niks as zinge
Tra la la la la, 4x
Dun heer die zee, gallie it mar raok,
dur is van alles zat
mar van dieën boom mee bellefleur, daor
word nie van gejat
want aanders zat ik j ullie vlug, pot
ver mella moppen
dur Michel mee 't vlammend zwaord munne
hof uit laoten schoppen
Tra la la la la, 4x
Ze schudde toen mee hunne kop, en riepe
nee, nee, nee
dè doen we nie, oh lieve heer, daar
doen we nie oan mee
mar och, ge wit dun wil is goed, mar 't
vlees is toch zo zwakskes
dun duuvel had 'n aander plan, hij zaat
al tussen de takskes
Tra la la la la, 4x
Hij was gekropen in 'n slang, en laag al
op d'n loer
er wochtte op Eva lief, die mokte heurre
toer
hij spraak tot heur, mademasèl, lustte
gin bellefteurke
't vrouwke spraak dè maag ik nie en
kreeg meteen 'n kleurke
Tra la la la la, 4x
D'n duuvel hield nog efkes aon en Eva
die trapte d'r in
zo kreeg dè loeder van 'n slang, toch
lekker nog zunne zin
en Eva holde op ne draf, noar Adam mee
dè akkefietje
en riep, munne goeie ouwe sok, toe hapt
naa ok 'n bietje
Tra la la la la, 4x
Mar zo gauw hij dè had gedaon, betrok
opeens de lucht
ze bleeven toen nie langer stoan, mar
sloegen op de vlucht
d'n heer verschin mee groot kabaol, en
riep ze op 't matje
ze bondde toen nog heel erg gauw, vur
hulliën buik 'n bladje
Tra la ia ia la, 4x
Hij schopte hun d'r toen gauw uit en
zee, bende zot
ge komt ur lekker nie mir in, 'k doe de
deur op
ge ziet mar dè ge te eete krijgt, 'k zie
oe vur 't liste
ge haolt mee men gin gein mir uit, bonjoer
en 't allerbiste
Tra la la la ia, 4x
En Adam trok op werk uit, ze hadde nog
gin centen
hij bleef 'n bietje in z'n vak, en ging
mee appels venten
en Eva kocht 'n maantelpak, pantoffels
en 'n boordeknupke
en soamen krigen ze zurgen, en die
gooide ze op 'n hupke
Tra la la la la, 4x
En Adam zee, dees grapke kost veul
centen noar ik vrees
mar Eva zee, wè gift dè naa, we trekken
toch van Drees
dus Eva kocht, bij d`n V en D, ne
schoone kkenderwoage
en Adam ging gaa bij d'n heer om
kenderbijslag vroage
Tra la la la la, 4x
Op zekere dag belde Eva op, zeg Adam
komt naor huis
'k vuul me toch zo misseluk, 't is
beslist nie pluis
toen Adam kwaam, laag zij in bed, unne
baby had 'n kleurke
en Eva zee, 't is unne zoon, we noemen
'm BELLEFLEURKE
Tra la la la la, 4x
Terug
naar overzicht |
|
Adieu mijn kleine
garde-officieer
(Kees Pruis 1939)
(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het
sturen van de tekst) |
|
Op zeek'ren dag trok met stafmuziek
Een jong off'cier naar de garde
Hij had nog illusies en stond daar
zoo slank
Op zijn kêpie een gouden kokarde.
Naast hem stond Moeder
Trotsch op haar zoon
En hield haar tranen bedwongen.
Schonk hem een heel oud medaillon
En ze sprak tot hare jongen:
Refrein:
Adieu, mijn kleine garde-officier,
Adieu, adieu,
En vergeet mij niet en vergeet mij niet.
Adieu, mijn kleine garde-officier
Adieu, adieu.
Zij 't geluk met jou, zij 't geluk met
jou !
Sta maar recht mijn jongen
Ongedwongen.
Lach de heelen dag.
Wat immer gebeuren ook mag !
Stel maar steeds je zorgen
Uit tot morgen.
Tateteratata !
De zorg laat je anderen na !
Adieu, mijn kleine garde-officier,
Adieu, adieu,
En vergeet mij niet en vergeet mij niet.
Maar op zeek'ren dag toen ????
Dat had geen mens kunnen dromen
Men stuurde alle soldaten naar huis
De wereldvree was gekomen
De ouwe garde een laatste maal
Stond aangedreven te wachten
Nu sprak de ouwe generaal
Om het leed wat te verzachten
Refrein:
muzikaal tot:
Sta maar recht m'n jongen
Ongedwongen.
Lach de heelen dag.
Wat immer gebeuren ook mag !
Stel maar steeds je zorgen
Uit tot morgen.
Tateteratata !
De zorg laat je anderen na !
Adieu, mijn kleine garde-officier,
Adieu, adieu,
En vergeet mij niet en vergeet mij niet.
Adieu, adieu
Mijn kleine garde-officier.
Terug
naar overzicht |
|
Adieu
Sophie
(uitvoering Joop de Knegt) |
|
Adieu
Sophie
We gaan er weer vandoor
Refrein:
Adieu Sophie, we gaan je weer verlaten
Adieu Sophie, we gaan 'r weer vandoor
Adieu Sophie, je mag 't heus wel weten
Dat elk van ons zijn hart aan jou verloor
In
't dorpje, waar wij lagen, was praktisch geen vertier
Maar toch was 'r een plekje, daar hadden we plezier
Dat was in 't cafeetje, op 't hoekje bij Sophie
Daar zong tot 't afscheid 's avonds de hele compagnie
Refrein
Sophie
was echt een schatje, van amper twintig jaar
Zij hield van de soldaten, zij hielden ook van haar
Wij moesten gaan vertrekken, 't afscheid deed wel pijn
Maar gaan haar weer bezoeken, als wij weer burger zijn
Refrein
Dat
elk van ons zijn hart aan jou verloor
Terug
naar overzicht |
| Afgedwaalden
(Tekst: Ferry/muziek: Joop de Leur/uitvoering: Willy Derby) |
|
Wanneer
de zon haar blijde taak weer heeft vervuld
En
alles weer in donkere sfeer hier wordt gehuld
Dan
zien wij dra weer al de schaduwen der nacht
Die
door een duistere macht worden op straat gedreven
Het
minst' allooi loert op een prooi en houdt de wacht
O,
in den nacht wordt meen'ge misdaad vaak bedreven
Dan
gaan o zoo velen hun drama weer spelen
ln
de donkere nacht
Refrein:
In
de donkere nacht, als 't maantje lacht
Zie
je de vlinders zweven
En
hun lach klinkt als een droeve klacht
Van
't starre, barre leven
O,
veracht ze niet, als je ze ziet
Wie
zou ze ooit benijden
Hoeveel
slecht ze ook deed
O,
heb met hun leed toch altijd medelijden
Het
leven heeft
Voor
al wat leeft
Een
lot bereid
't
Zij leed of loon
Dat
is gewoon
Fataliteit
't
Zij man of vrouw
Je
valt zoo gauw
Nog
voor je 't weet
Vaak
tot je naamloos leed
In
heel je verder leven
Wie
een moment
Van
zwakheid kent
Die
loopt de kans
Heel
vaak althans
Om
door die eene fout te sneven
Dat
zelfde geval maakt
Dat
j' aan lager wal raak
En
dan komt 's levensnacht
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Afscheid
doet pijn
(Perlando
- "Now is the hour", een eeuwenoude afscheidszang van de
Maori's)
(met
dank aan Inez voor de tekst) |
|
Jij
wilde gaan, het afscheid deed me pijn.
Weg zijn de dagen van gelukkig zijn.
Zacht glijdt een traan.
Jij bent nu weggegaan.
Maar de herinnering die blijft bestaan.
Kom
toch terug, het is nog niet te laat.
Stil zal ik wachten tot je hier weer staat.
Breng weer geluk, zoals het vroeger was.
Liefde die ‘k dikwijls in jouw ogen las.
Terug
naar overzicht |
|
Afscheid
van een soldaat
(met
dank aan Inez voor de tekst) |
|
Refrein:
Jij
moet gaan, jij moet gaan,
Jij
moet ver bij mij vandaan,
Ver
van mij vandaan,
Maar
ik blijf je altijd trouw.
Denk
er aan, denk er aan,
Dat
m'n hart voor jou blijft slaan,
Steeds
voor jou blijft slaan
Ook
al ben ik niet bij jou.
'n
Soldaat moet gaan, waar zijn plicht gebiedt
Ook
al brengt 't nog zo'n verdriet.
Maar
ik weet, maar ik weet,
Dat
ik jou nooit meer vergeet,
Jou
nooit meer vergeet,
Want
'n ander wil ik niet !
Jij
moet mij gaan verlaten,
Dat
doet me veel verdriet.
Jij
moet bij de soldaten
Maar
ik vergeet je niet !
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Afscheid
van 'n koloniaal
(Tekst:
Ferry/muziek: Michel de Cock/ uitvoerende: Lou Bandy)
(met
dank aan Betsy van Dijk voor de tekst) |
|
M'n
tijd is weer om en de boot ligt klaar,
'k
Ga weer voor zes jaar naar de Oost,
Naar
kali en kampong, en reken maar
Zoo
om de week in de prevoost.
Ik
pak m'n bagage en doe m'n plicht.
Want
voor onzen Oost sta ik pal.
En
lustig zing ik als de boot vertrekt
Tot
het heele hussie aan wal:
Refrein:
Jongens
vaarwel! en houd je taai,
'k
Ga weer terug naar Soerabaai,
Ver
van m'n heerlijk Amsterdam
't
Schootje van Abram,
Meisjelief
hou je maar bedaard,
Ik
stuur je nog wel 'n ansichtkaart,
Ik
ga naar de Baboes weer met m'n maats
Voor
jullie hier in de plaats.
Zeg
vader en moeder van mij gedag,
En
geef rooie Bet nog een zoen,
Ze
heeft me maar niet naar de boot gebracht,
Ze
had wel wat beters te doen.
Ik
zal haar wel schrijven, m'n lekker dier,
O
moppie, ik heb je zoo lief,
We
halen, zoodra ik weer aankom hier
Contant
onze roomboterbrief.
Refrein
Als
nou de schuit niet op 'n karang loopt
Ben
'k over 'n maand in de Oost,
En
'k zoek bij de Sarongs en zwartjes daar
In
godesnaam dan maar m'n troost.
'k
Ben doodziek van hartzeer en scheidenswee,
Maar
't geeft je niks of je al raast,
Kom
zing voor de aardigheid allemaal mee
M'n
afscheid aan wal voor het laatst.
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Afscheidslied
(Wijs: Tabé Nonja)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Stil staan een tweetal aan het strand
te staren
Ja blank en bruin staan samen hand in
hand
De wind waait door de blond en bruine
haren
Zoo nauw verbonden kinderlijke
liefdesband.
Ik weet nog goed, en zal het nooit
vergeten
Daar aan de tijd onder de klapperboom
Dat ik zoo dikwijls naast jou heb
gezeten
Voorbij, voorbij is nu die schoone
droom.
Zeg aan ons kind, ons kleine lieve
Nonja
Die eens mij noemen zal een slechte
man
Dat er een pop zal komen van haar
pappie
Zoodra hij daarvoor centen missen kan
Tabé, Nonja ik moet je gaan verlaten
Vergeet mij niet, dat ik jou liefde
zwoor
Want blank en bruin zullen elkaar
nooit haten
Dag lieve vrouw, ik ga naar Singapoor
Jij blanke man, jij wil terug naar
Holland
Ver van het land, het land van
suikerriet
Maar ben jij in dat mooie Holland:
Vergeet niet wat je in Indië
achterliet.
Jij blanke man, als jij je soms
verveelde
En aan dat mooie, verre Holland dacht
Ik bij jou kwam, en ik jou moest gaan
troosten
Heb ik jou hart steeds weer in rust
gebracht.
Een jaar daarna Sarina is gestorven
Een blanke man die viert zijn
huwelijksfeest
En hij vergeet daarbij zijn zwarte
Nonja
Die steeds voor hem het hoogste is
geweest.
Terug
naar overzicht |
(tekst en bwe.: Willy Pol / muziek:
Will Höhne / uitvoering: Wim Poppink en Jany Bron)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
De diender Simon Meris,
Deed zijn ronde door het bos,
Daar zag hij 'n aardig meisje,
Rustend op het zachte mos.
Zij sprong vlug op en is
Naar Simon Meris toegegaan.
Hij kleurde, want het meisje
Sprak hem guitig lachend aan:
Refrein:
Agentje ! Agentje !
Neem mij toch met je mee.
Agentje ! Agentje !
Zeg alsjeblief niet nee.
Ik weet niet hoe het komt,
Dat ik j' opeens zo gaarne mag
Jij hebt mij zwaar geboeid
Op het moment, dat ik jou zag.
Agentje ! Agentje !
Toe, geef me vlug een zoen:
Ik hou van j' uniform
En ik ben dol op jouw pensioen !
Natuurlijk trouwde Simon
Met het meisje uit het bos.
Want vrouwen laten nooit de man,
Van wie ze houden, los !
Zij maakte Simon Meris,
Heel tevreden met z'n lot.
Al was de eerste kennismaking
Wel een beetje zot:
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
A-hoy A-hoy
(Zie ook Janmaat houdt van zingen,
maar deze is uitgebreider)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
We varen naar Oost en we varen naar
West,
We trekken naar zonnige stranden,
En waar wordt gezongen bevalt ons het best,
Daar wil er de zeeman wel landen !
Na weken van water en lucht om je heen
Verlang je naar vrolijker dingen,
De lach van een meisje, een accordeon,
Waarbij je een liedje kunt zingen !
Refrein:
'n Zeeman houdt van zingen in een
klein café,
Die herinneringen neemt hij mee naar zee !
Van een meisje en een lied, peinst hij in zijn kooi,
Aan het roer of op de bak, O wat was ze mooi !
A-hoy ! A-hoy ! Wat was dat meisje mooi !
A-hoy ! A-hoy ! Wat was dat meisje mooi !
A-Hoy !
En wordt voor de thuisreis het anker
gelicht
Dan zijn alle meisjes vergeten,
Dan zijn de gedachten alleen nog gericht
Op graden in lengten en breedten !
Nog zoveel maal snert en nog zoveel maal rats,
Dan zijn we met moeder weer samen,
En zingen een liedje bij d'accordeon
In 't kamertje thuis voor de ramen !
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Ajoen
Ajoen Ajoen
(uitvoering: The Kilima Hawaiians)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Ga niet baden daar in de kali
En ga niet trouwen daar in Pesapèn.
Laat je raden m'n kleine Ali,
Wanneer ik jou met raad van dienst wil
zijn.
Refrein:
Ajoen ajoen ajoen in die hoge
klapperboom
ajoen ajoen Masmira
Djangan mai gila.
Ajoen ajoen ajoen in die hoge
klapperboom
Ajoen ajoen Masmira
Djangan main gila.
Want een kaaiman zit in de kali
En ook een kaaiman zit in Pesapèn.
't Is je schoonma, m'n kleine Ali
Die erop loert dat jij getrouwd zal
zijn.
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Al
in de stad van Wenen
|
|
Versie 1:
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Al
in de stad van Wenen,
Al
in die schone stad,
Daar
heeft zo menig soldaatje
Zoveel
plezier gehad.
Soldaatje
wou deserteren,
't
Was enkel om zijn Mien,
Om
haar nog eens te spreken,
Om
haar nog eens te zien !
Hij
ging er deserteren,
De
wacht die werd het gewaar,
Toen
hebben ze hem gevangen
En
naar het provoost gebracht.
Soldaatje
die moest sterven,
Moest
sterven ja de dood,
Het
was ook ja, de Koning,
De
Koning die 't gebood.
Zijn
lief ging naar de Koning,
Laat
mijn soldaatje vrij,
Ik
wil ook ja zo gaarne
Zo
gaarne bij hem zijn.
'k
Zal U vier raadsels geven,
Zo
gij die raden kunt,
Zal
ik U wedergeven
Uw
soldaatje voor altijd.
Zeg
mij, wat is een Koning,
Een
Koning zonder land ?
Zeg
mij wat is het water,
Het
water zonder zand ?
Een
Koning op een speelkaart,
Is
een Koning zonder land,
De
tranen in mijn ogen,
Zijn
't water zonder zand.
Zeg
mij, wat is een sleutel,
Die
op alle sloten past ?
Zeg
mij, wat is een spiegel,
Een
spiegel zonder glas ?
Het
geld dat is de sleutel,
Die
op alle deuren past,
Het
hart vol reine liefde,
Is
spiegel zonder glas
't
Soldaatje kreeg genade,
't
Soldaatje kreeg pardon,
Omdat
het lieve meisje,
De
raadsels raden kon.
Was
dat geen reine liefde,
Die
't meisje aan hem bood ?
Zo
redde zij haar lieveling,
Al
van een wisse dood !!!!!
Versie 2
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Al in de stad van Wenen,
Al in die grote stad.
Waar menig jong soldaatje
zijn inkwartiering had (bis)
Maar onder die soldaten
was een soldaatje bij,
die wou gaan deserteren,
hij was een vriend van mij. (bis)
Hij wou gaan deserteren,
‘t was midden in de nachten.
Toen hebben z’ hem gegrepen
en naar ’t cachot gebracht. (bis)
Nu moest ‘t soldaatje sterven,
ja, sterven voor de vorst.
Een kogel moest doorboren
doorboren zijne borst. (bis)
Zijn lief ging naar de koning,
Laat mijn soldaatje vrij,
Zo niet dan heb ik morgen
een schaduw aan mijn zij. (bis)
Vier raadsels zal ‘k u geven
als gij die alle raadt,
dan zult gij met de avond
weer zijn bij uw soldaat. (bis)
Zeg mij wat is een koning,
een koning zonder land?
Vertel wat is het water,
het water zonder zand? (bis)
Zeg mij wat is de sleutel,
op alle sloten past?
Vertel wat is een spiegel,
een spiegel zonder glas? (bis)
De koning op de speelkaart,
een koning zonder land.
Het water in mijn ogen
is water zonder zand (bis)
Het geld, dat is de sleutel,
Op alle sloten past.
Een hartje vol van liefde,
een spiegel zonder glas. (bis)
Soldaatje kreeg genade,
soldaatje kreeg pardon,
omdat zijn aardig meisje,
die raadsels raden kon. (bis)
Zo redde nu het meisje,
haar minnaar van de dood.
Is dat geen ware liefde
die ‘t meisje hem aanbood. (bis)
Terug
naar overzicht |
|
Alida kapittelstokkie van Kandij
(Duo Hofmann 1936)
(Met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst) |
|
Op een dag, dat ik zag met een zonnige
lach
't Was een meisje in één woord een
schat
'k Sprak haar aan, zij bleef staan
Keek mij aan, heel ontdaan
En ik vroeg woont U hier in de stad
Bent U vrij, dan gaan wij, allebei
Zo tesamen een wandeling doen
Ach meneer sprak zij weer ik ga mee
wat een eer
'k Vroeg haar naam en zij spelde mij
toe
Alida K-a-p-i-t-t-e-l-s-t-o-k-k-ie-
v-a-n- K-a-n-d-ij
Alida Kapittelstokkie van Kandij
Alida sprak ik dra wil je worden mijn
ga
Want je naam is als suiker zo zoet
Nu ik weet hoe je heet want ik zweet
Als je naam nog eens uitspreken moet
In't café heel tevree, zaten wij met
z'n twee
En zij spelde haar naam nog eens voor
Om haar mond, o zo rond en zo fris en
gezond
Klonk het mij als muziek in het oor
Alida K-a-p-i-t-t-e-l-s-t-o-k-k-ie-
v-a-n K-a-n-d-ij
Alida Kapittelstokkie van Kandij
Op 't stadhuis was 't een kruis
't Was zo stil als een muis
Toen wij ons verbonden ter trouw
En die heer vroeg maar weer voor de
dertiende keer
Kom zeg mij nu de naam van Uw vrouw
Ik vergat, 't is toch wat, steeds de
naam van mijn schat
En ze schreven maar aldoor verkeerd
En daarna heel ontdaan weer van voren
af aan
En zodoende heb ik het geleerd
Alida K-a-p-i-t-t-e-l-s-t-o-k-k-ie
v-a-n- K-a-n-d-ij
Alida Kapittelstokkie van Kandij
Terug
naar overzicht |
|
Alida,
zaten we nou maar in Afrika (Kees Pruis)
(Met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Toen
vader des avonds het avondblad las
Toen
barstte hij los met een buld'rende bas
"
't Is allemaal narigheid, al wat je leest
De
duivel die viert er zijn feest
De
suiker is op, er is olie te kort
De
prijzen gaan hoger en wat het nog wordt
Dat
'doe maar gewoon, nou dan gaat het gewoon'
Dat
klinkt me gewoon als een hoon!"
Refrein:
Alida,
o Alida
Zaten
we nou maar in Afrika
Tussen
de kaffers, daar is het zo fijn
J'
hoeft er niet bang voor een brandbom te zijn
Alida,
o Alida
Zaten
we nou maar in Afrika
Want
de beschaving, die wordt me te dol
Daar
heb ik mijn buik nou van vol
Zo
buldert-ie verder tot moeder de vrouw
"Het
is me een snertzooi, die wereld van nou
Drie
neutrale schepen de grond ingeboord
En
duizenden mensen vermoord
Ze
kletsen van vrede, beschaving en zo
Maar
je krijgt ze van mij op de boter cadeau
Geef
mij maar de kaffers, al rieken ze iets
Van
brandbommen weten ze niets!"
Refrein
Ik
heb nou genoeg van die mooie cultuur
't
Is daar heerlijk leven in zuiv're natuur
Daar
geen distributie of brood op de bon
Maar
ook geen luchtafweerkanon
Als
'n kaffer hier eens een beschaafd mens kon zien
Met
'n gasmasker op, kreeg-ie 'n b'roerte misschien
Dan
vroeg-ie wellicht: "Komt dat mens uit de buurt
Vanwaar
men beschaving ons stuurt?"
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Alle
apies in de Artis
(tekst/muziek: Kees Manders/uitvoering:
Zwarte Riek) |
|
Refrein:
Alle
apies in de Artis lijken op mijn ome Hein
Op
mijn ome Hein, op mijn ome Hein
Alle
apies in de Artis lijken op mijn ome Hein
Het
moet bepaald familie zijn
Sinds
ik in Artis ben geweest kan ik niet goed meer slapen
Want
steeds weer komen voor mijn geest van allerhande apen
Het
klinkt misschien wel gek, er is een familietrek
Refrein
Mijn
ome Hein is arrogant, hij weet precies van wanten
Aan
iedere vinger zit een ring met dertig kunstbriljanten
Al
draagt een aap een ring, het blijft een lelijk ding
Refrein
(2x)
Portieje
heid mijn ome Hein al een keer willen kopen
Toen
hij hem in de Kalverstraat met tante Trijn zag lopen
Maar
ome Hein zei gauw, wees goochem neem een vrouw
Refrein
(2x)
Als
ome Hein zijn pruimpie kauwt, zou je erop zweren
Daar
zit een ouwe chimpansee met pinda's te dineren
Als
ik ome Hein bekijk, had Darwin toch gelijk
Refrein
(2x)
Terug
naar overzicht |
|
Alle
moeders (La Esterella)
(met dank aan Hanneke Peters voor het
sturen van de tekst) |
|
Mooi zijn ze allen de moeders der
wereld
Dag in, dag uit, wakend over hun kind.
Zij zijn het evenbeeld van een Madonna
Die zonder voorkeur ons allen bemint.
Teer is de liefde van al onze moeders
Maar zij staat sterk tegen dreigende
macht.
Zo innig goed zijn zij, al onze
moeders
Dat zij zich opofferen zonder een
klacht.
Het leven eist zijn prijs, de kind'ren
worden wijs,
De moeders worden grijs,
Maar wat ook verdwijnt, hun schoonheid
die blijft.
Mooi zijn ze allen, de moeders der
wereld
De grootste schatten van goedheid en
trouw.
En op die vrouwen, op al onze moeders,
Daar heeft de mensheid haar hoop op
gebouwd.
Moeders, Moeders, hoe veel zorg
Heeft liefde u meegebracht.
't Leven is voor moeders één berusten.
Geen enk'le klacht komt er over uw
lippen
Als uw kind'ren eens gaan,
Eén voor één u ontglippen,
Naar een eigen bestaan.
Mooi zijn ze allen de moeders der
wereld
Dag in, dag uit, wakend over hun kind.
Zij zijn het evenbeeld van een Madonna
Die zonder voorkeur ons allen bemint.
Teer is de liefde van al onze moeders
Maar zij staat sterk tegen dreigende
macht.
Zo innig goed zijn zij, al onze
moeders
Dat zij zich opoff'ren zonder een
klacht.
Het leven eist zijn prijs, de kind'ren
worden wijs,
De moeders worden grijs,
Maar wat ook verdwijnt, hun schoonheid
die blijft.
Mooi zijn ze alien, de moeders der
wereld,
Maar boven allen, de mooiste ben jij,
Jij die mij 't best van jezelf hebt
gegeven,
Mijn grootste geluk ben jij, moedertje
mijn.
Terug
naar overzicht |
|
Alles
gaat goed
(August
de Laat)
(met
dank aan Marc Blokland (†) voor het sturen van de tekst) |
|
Hallo
hoe gaat het de laatste dagen
In
ons klein dorpje, zeg eens gauw
De
bode die dat me dat laatst kwam vragen
Antwoordt
de burgemeester trouw
Stel
U gerust meneer de burgemeester
Alles
gaat goed zoals het moet
We
hadden gisteren enkel wat te kampen
Met
een klein beetje tegenspoed
Alleen
Uw geit zijn we verloren
U
zal haar stem wel nooit meer horen
Maar
verder geitjes zijn al reeds geboren
Alles
gaat goed zoals het moet.
Hallo,
mijn geitje ben ik verloren
Die
boodschap vind ik vreeslijk lam
Toe
bode, laat me nu vlug eens horen
Hoe
of dat feitelijk zo kwam?
Stel
U gerust, meneer de burgemeester
Alles
gaat goed zoals het moet
De
geitenstal ging gist'ren op in vlammen
Het
was één vuur, één vonk, één gloed
Eerst
moest Uw huis er aan geloven
De
vlammen waren niet te doven
Het
brandde af van onderen tot boven
Doch
hou maar moed alles gaat goed
Hallo,
mijn woonhuis ben ik verloren
Ik
ben volstrekt haast driekwart lam
Toe
bode, laat me nu vlug eens horen
Waardoor
dat ongeluk zo kwam
Stel
U gerust meneer de burgemeester
Alles
gaat goed zoals het moet
Alleen
het raadhuis grenzend aan Uw woonhuis
Was
'd oorzaak van die tegenspoed
In
't raadhuis brandde het heel even
'k
Zag nooit zo'n vuurgloed in mijn leven
Geen
steen is op de andere gebleven
Doch
hou maar moed, alles gaat goed.
De
veldwachter heeft eerst gehikt
Toen
is die in de rook gestikt
Z'n
vrouw op 't zelfde ogenblik
Kreeg
een beroerte van de schrik
Het
hele dorp in bitt're nood
Zit
aan de kant nu van de sloot
U
is nu burgervaar een keer
Van
't afgebrandde dorp meneer
Wees
weer gerust meneer de burgemeester
Meer
is er niet, alles gaat goed.
|
| Aloha
oe (tekst/muziek: Johnny Hoes) |
|
Stil
staat Nonja aan het strand te staren
Naar
't schip dat heel ver weg zal gaan
Voor
't laatst ziet zij z'n blonde haren
En
ze fluistert dan zacht, met een traan
Refrein:
Aloha
oe, jij moet naar zee
Maar
ik zal altijd op je blijven wachten
Vergeet
toch niet, wat ook geschiedt
't
Meisje dat je achter liet
En
voorbij zijn nu al vele jaren
Maar
helaas, haar zeeman kwam niet meer
Vaak
staat zij nog aan 't strand te staren
En
dan zingen de golven steeds weer
Refrein
Vergeet
toch niet, wat ook geschiedt
't
Meisje dat je achter liet
Terug
naar overzicht |
| |
|