SeniorPlaza

Een baboe die men niet vergeet

Duo Speenhoff

 Hij leefde als een groene sinkee

 Een paar uur ver in de kebon

Hij zocht naar een kokki voor zijn makkan

Zo een die lekker piepen kon

Hij kwam haar tegen in de kampong

Met haar oranje slendang aan

Hij vroeg haar: djalan sama sama

En zij zei zacht: saja toean.

 

Refrein:

Dat is een baboe die men niet vergeet

 Zo een die naast je op het matje eet.

 

 

Wanneer hij thuis kwam uit de tuinen

Van al die koelie soesah moe

Dan kwam ze met een paitje dingin

Of met een splitje naar hem toe.

Dan werd hij zacht door haar gemandied

Dan stond zijn nassi-goreng klaar

 Dan ging ze innig naast hem zitten

En streelde hij haar koele haar.

 

Refrein

 

Er kwam een chocolade-baby

Waar hij wantrouwerig naar keek

Het was een anak perampoean

Die slechts van achter op hem leek

Eens schreef zijn meisje uit Den Bommel:

Zeg Jan ben jij mij heus wel trouw?

Dan keek hij lachend naar Sarina

En riep de baby: tida maoe.

 

Refrein

 

(Sinkee, plagende aanduiding van de Europeaan, die voor het eerst in Indië is;)

(want eigenlijk is het de benaming voor de Chinees, die voor 't eerst in Indië is.)

 

Terug naar overzicht

Een brief van een keukenmeid (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Mevrouw, ik heb je liever laten zitten

Omdat je niks van me verdragen kan.

Den heelen dag dat drijverige vitten,

Daar werd ik veels te tegenstrijdig van.

Als ik het van te-vore had gewete

Was ik niet in zoo'n slavedienst gegaan.

Ik heb geen trak om kliejes te eten,

Die 'n Maandag in de kelder staan.

 

En dan dat adder van een jongejuffer,

Wat heeft dat nest me toch maar getemteerd.

Dat was maar stommeling en boere-suffer,

Dat heeft ze zeker van d'r moe geleerd.

Hoe krijgt zo'n netekop geen ongelukkie

Mevrouw, dan was je dat dierage kwijt.

Ik heb genog van jullie kouwe drukkie,

Ik ben 'n mensch, al ben ik maar een meid.

 

Dan had je nog dat eeuwig trappe sjouwe,

Van de kwitansies stond de bel niet stil,

En dat je m'n percente-geld bleef houwe,

Is voor 'n meid een veels te groot verschil.

Van laatst die mensche, die zijn weze ete,

Heb ik me fooitej ook al nie gehad;

Die mensche moste maar werachtig wete,

Dat me meheer d'r voor te rooke zat.

 

Me moeder die zal om me kassie kome,

Ik heb 't espres nie op slot gedaan.

Kijk jij maar vrij, ik heb niks meê genome,

Ik ben wel slecht, maar alles laat ik staan.

Nou mag je zelf de bakker ope-make

En redder nou je boel maar als je kan;

't Is lekker Vrijdag, daarom ga ik staken,

Doe nou je trap maar met je manniman.

 

Ik mot niet voor getuigen bij je weze,

Daar heb je niks an, van zoo'n snert-mevrouw.

Als jij me brief maar goed hebt uitgeleze,

Val dan voor mijn part maar 'n beetje flauw.

En nou mevrouw, mot ik je nog wat zegge

Kijk gauw 's in die groote mellekkan.

Daar vin-je dertien rooje cente leggen,

Koop daar 'n flessie wonderolie van.

 

Terug naar overzicht

Een brief van het front (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Geliefde ouders en famielje,

Ik ben nog levend en gezond;

Tot heden heb ik niet te klagen,

Al ben ik negenmaal gewond.

Ik mis een duim en 'n paar vingers,

Mijn linker oor en linker koon;

De Generaal die liet me halen

En gaf 't kruis toen aan je zoon.

 

De oorlog maakt je onverschillig,

Soms weet je niet hoe of je heet;

Je voelt 't zonnetje niet schijnen,

Je proeft niet wat je drinkt en eet.

Je blijft maar schieten, hakken, steken,

Totdat je man er is geweest;

Wanneer je slaapt ben je een engel,

En als je vecht ben je 'n beest.

 

Als 'n vriend van je hoort kreunen,

Die ligt te sterven in zijn bloed,

En als hij met gebroken oogen,

De groeten aan zijn moeder doet;

Dan zweer je dat je hem zult wreken,

Dan wor' je gek van moord en brand,

Dan vloek je heel dien wreeden oorlog

En sterf je mee voor 't Vaderland.

 

De loopgraaf van de naaste vijand

Is honderd meter van ons af;

We zorgen voor elkaars gewonden

En graven voor elkaar een graf.

We zingen soms dezelfde liedjes

Of ruilen wat tabak en brood,

Maar als de aanval wordt geblazen,

Dan schieten wij elkander dood.

 

Als dit mijn laatste brief mocht wezen,

Dan is 't ook mijn laatste groet;

Dan moeten jullie je maar troosten,

Geliefde ouders, hou' dan moed.

En als je op de doodenlijsten

Dan ook mijn naam gemeld ziet staan,

Dan moet je denken bij je eigen:

Mijn jongen heeft zijn plicht gedaan !

 

Terug naar overzicht

Een fabel (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Voor 'n helder knappend vuurtje

Zat 'n rijke ouwe heer

In de open haard te turen

En te denken aan weleer.

Aan de lang geleden dagen,

Toen hij nog geen duiten had.

Hoe hij voor z'n vrouw en kind'ren

Dikwijls in de zorgen zat.

 

En terwijl hij daar zoo droomde

En aan heel veel aardigs dacht,

Bracht de meid 'n briefje binnen

Waarop antwoord werd gewacht.

't Was weer van 'n ouwe kennis

Die z'n leven had vermorst;

En die buiten stond te rillen

Van de kou en van de dorst.

 

,,Jaag die kerel weg, potdorie,

Krijg ik nu weer dat gezeur.

Ik geef niets, ga dat maar zeggen,

Stuur die schooier van m'n deur.

Ik ben beu van dat gebedel

Van die schunnige meneer.

Hier, dit allerlaatste tientje,

Geef 'm dat, en nu nooit weer."

 

Door z'n opgewonden praten

Kwam z'n vrouw er aan te pas,

Die begon hem te verwijten

Dat hij veel te goedig was.

,,Dacht je dat ze dankbaar waren,

Dat zoo'n vent er brood voor at ?

Heeft er jou een wat gegeven

Toen je in d' ellende zat ?"

 

,,Ben je nu dan nog niet wijzer,

Gaf je dan al niet genoeg ?

Kijk daar gaat ie met je tientje

Naar 'n vieze moppekroeg.

Geef dat geld aan je familie

En niet an zoo'n dronken zwijn !"

En de rijke man zei glunder:

,,Laat 'm maar 's dronken zijn !"

 

Maar een oogenblikje later

Kwam er nog 'n tweede brief

Van zijn dronken, ouwe kennis,

Die hem uitschold voor 'n dief.

Dat ie voor z'n vuile tientje

Nog geen schooier wezen wou,

Dat ie naar de hel kon rijen

Met z'n kind'ren en zijn vrouw.

 

Voor 'n helder knappend vuurtje

Zat 'n rijke ouwe heer

In de open haard te turen

En te denken aan weleer.

En wanneer er briefjes kwamen

Van 'n vrind die armoe had,

Kreeg hij meestal ongenoegen ....

En toch gaf hij altijd wat.

 

Terug naar overzicht

Een gelukkige vrouw (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Toen de Koning van Egypte

In z'n Staatspapieren las:

Dat er geen gelukkig vrouwtje

In z'n rijk te vinden was,

Liet ie z'n minister komen

En die zei die: ,,Goeie vrind,

Zorg dat jij me voor vanavond

Een gelukkig vrouwtje vindt !"

 

De minister ging toen vragen,

't Eerst bij zijn Koningin:

,, Majesteit, leeft U gelukkig,

Gaat U alles naar den zin ?"

De vorstin begon te zuchten

Bij die ongewone vraag

En ze zei: ,,Ik ben rampzalig,

Want mijn voorhoofd is te laag."

 

De minister nam toen afscheid

En ontmoette een slavin,

En hij vroeg haar: ,,Zeg 's liefje,

Is jouw leven naar je zin ?"

,,Ach, ik ben zoo ongelukkig"

Zei 't meisje rood van spijt,

,,Want al kleed ik me als dame,

Toch blijf ik maar een keukenmeid."

 

De minister ging toen peinzend

Naar een rijke koopmansvrouw,

En hij dacht dat zoo een dame

Wel gelukkig wezen zou.

Maar die zei: ,,Ik voel me treurig

Dat ik mij niet bet'ren kan;

Pas heeft iemand mij verlaten

Of ik spreek al kwaad er van."

 

Wel aan honderd and're vrouwen

Deed hij nu dezelfde vraag.

d' Eene kende geen vergiff'nis,

d' Andere vergaf te graag.

Treurig ging hij naar z'n Koning:

,,Majesteit, men heeft gelijk;

Een volmaakt gelukkig vrouwtje

Vind ik nergens in Uw rijk."

 

Met een glimlach sprak de Koning:

,,Beste vrind, je zocht niet goed;

Ik ben even wezen kijken

En ik heb er een ontmoet.

Ik ging daarvoor naar Uw woning

En daar vond ik haar al gauw;

Zoo'n volmaakt gelukkig vrouwtje

Is je eigen lieve vrouw !"

 

,,Toen ik vroeg of ze soms treurde,

Of ze iets te wenschen had,

Of ze met betraande oogen

Dikwijls in den donker zat ?"

Zei ze:,,Majesteit vergeef me,

Als U dat denkt hebt U 't mis,

O ik voel me zoo gelukkig

Nu mijn man de deur uit is."

 

Terug naar overzicht

Een goede les (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Zoon gij zult de meid niet kussen,

De meid niet kussen,

De meid niet kussen,

Haar niet kietelen in de zij,

Haar niet kietelen, kietelen,

Kietelen in de zij.

Haar gekreukte mutse lussen,

Mutse lussen, mutse lussen,

Zijn bewijs genoeg voor mij.

Dat gij deed gelijk ik zei,

Sinds dien tijd, sinds dien tijd,

Kust de vader, kust de vader,

Kust de vader zelf de meid.

 

Terug naar overzicht

Een verklaring (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik hou van alle vrouwen,

Mijn hart is veel te groot.

Daar ben ik mee geboren,

Daar ga ik ook mee dood.

 

Ik kan geen vrouwen haten,

Dat is een groot gevaar.

Als d’ een mij heeft verlaten,

Dan staat een ander klaar.

 

Ik hou' van alle vrouwen,

Dat is een groot verdriet,

Met één kan ik maar trouwen,

En daarom trouw ik niet.

 

Ik hou' van alle haren,

Al zijn ze nog zoo raar.

Ja als er groene waren,

Vond ik dat geen bezwaar.

 

Ik hou' van alle zoenen,

Al doen ze nog zoo’n zee,,

En krijg ik er millioenen,

Dan wil ik er nog meer.

 

Ik hou' van alle wangen,

Ik knijp ze gaarne rood,

Verlies ik dat verlangen,

Dan ga ik eerlang dood,

 

Ik hou van alle harten,

Al zijn ze van venijn,

Er is geen grooter smarte,

Dan zonder hart te zijn.

 

Ik hou' van alle oogen.

Ik kijk er gaarne in,

Hoe meer ik word bedrogen,

Hoe meer ik ze bemin.

 

Ik hou' van alle vrouwen,

Dat heb ik nooit betreurd,

En om geen kwaad te brouwen

Min ik ze om de beurt.

 

Ik hou' van heel 't leven,

Het leven om een vrouw,

Om ieder wat te geven,

Ben ik ze allen trouw.

 

 

Moraal:

 

Ik hou' van alle vrouwen,

En toch ben ik niet blij,

Geen een wil van me hou'en,

Geen een heeft zin in mij.

 

Terug naar overzicht

Fabel van een Prinsje (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een Prinsje kwam 's met z'n hondje,

Z'n kinderjuf en z'n knecht,

Al drentelende door de Hofstad,

Ook in 'n kleine buurt terecht.

Men had 't Prinsje voorgeschreven

Om wat te loopen nu en dan,

Daar kreeg 't 'n gezonder kleurtje

En misschien ook wat eetlust van.

 

Terwijl 't dan zoo op 'n morgen

Al uren lang gewandeld had,

Zag 't 'n arme, grijze stakker

Die van 'n korst te smullen zat.

Toen vroeg tie angstig an z'n juffer:

,,Wat doet daar toch die ouwe man ?"

't Prinsje wou maar niet begrijpen

Dat men van zoo iets smullen kan.

 

En toen dat bleeke, teere Prinsje

Al dichter bij den stakker kwam,

Kreeg 't opeens een groote honger

En zei: ,,Geef mij die boterham !"

De kinderjuffer kreeg 'n flauwte,

De knecht riep: ,,Hoogheid kom toch mee !"

't Hondje kefte van benauwdheid

De bedelaar zei kauwend: ,,Nee !"

 

't Prinsje liep  toen schreiend verder

En snikte dat 't honger had,

En dat 't juist de korst wou hebben

Waarvan die ouwe man zoo at.

De knecht liep dalijk naar de stumper

En riep: ,,Geef ons die korsten, gauw !"

,,'t Is zijne Hoogheid, Prins Cornelis

Die van je brood wat eten wou !"

 

De arme man begon te beven

Liep naar de stad en stal 'n rok,

Een dasje en 'n helder frontje

Een hooge zijje en 'n stok.

Hij vroeg en kreeg 'n audiëntie

En mocht toen 't paleis in gaan,

Daar bood hij met 'n diepe buiging

Den Prins z'n boterhammen aan.

 

De bedelaar werd als belooning

Onmiddellijk gedecoreerd,

De boterham werd door den hofarts

Nauwkeurig gedesinfecteerd.

Maar toen de Prins er van zou eten

Toen lustte hij die korst niet meer,

Men legde die in 'n vitrine

Van 't Paleis-museum neer.

 

Terug naar overzicht

Fabel van een ziek kind en 'n bordje pap (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Een ziek, verschrompeld droevig ventje

Vroeg aan z'n moeder om wat pap.

Z'n moeder gaf 'm gauw een bordje,

Het ventje nam 'n groote hap.

't Was alles wat ze hem kon geven,

Er was niet meer, de pan was leeg.

Toen vroeg d'r schatje van 'n jongen

Waarom hij toch zoo weinig kreeg.

 

Maar toen hij er 's van ging proeven

Schoof hij haar weer z'n bordje toe,

Hij wilde er niet meer van eten

En zei: ,,Er is geen zout in, moe !"

En zeurig vroeg hij aan z'n moeder

Waarom ze dat vergeten had,

Toen zei het moedertje al schreiend:

,,Ik heb geen zout meer, lieve schat "

 

,,Toe proef 's kind, 't is zoo lekker,

Smul nou 's heerlijk van je gort !"

En zachtjes vielen hare tranen

Al schreiende in 't kinderbord.

En toen 't ventje 'n hapje

Weer aan z'n mond had gezet,

Toen zei die dat 't door haar tranen

Al beter smaakte dan daarnet.

 

,,Toe geef me nog wat van uw traantjes,

Dan smaakt 't me toch net zoo goed,

Dan zal ik alles op gaan eten,

Als u er maar heel veel in doet."

,,M'n zoete schat, m'n lieve engel,"

Zo zei ze voor de tweede keer

,, Je moet je papje zoo maar eten,

Och God ik heb geen tranen meer !"

 

Terug naar overzicht

Gelijkenissen (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

’t Leven is zoet en de wereld is krom,

Maar dat doet ze er om.

 

Zoo min als een nachtpit,

Een pompzwengel is.

Zoo min is een bloemkool,

Een Engelse miss.

 

Zoo min als een trekpot,

Een staartster kan zijn.

Zoo min wordt een kater,

Ooit scheepskapitein.

      

Zoo min als een treurwilg,

Zoo maar niet treurt op de gis.

Zoo min is een koster,

Een vliegende visch.

 

Zoo zeker als Petrus,

Is hemelportier.

Zoo zeker t's doodgaan,

Je laatste plezier.

 

Zoo zeker als Eva,

In appeltjes deed.

Zoo zeker is Adam,

De klant die ze eet.

 

Zoo zeker als Hannibal,

Op het veld van eer is vergaan.

Zoo zeker is met peerdrups,

Nooit een moord gedaan.

 

Zoo zeker als een  weeskind,

Zijn ouwers mankeert.

Zoo zeker is cheval,

In ‘t Hollandsch een peerd.

 

Terug naar overzicht

Gemeenteraadslid (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Gesproken:

Zoo gauw als een mensch toch wat heeft,

Soms ben je al maanden begraven

En zeggen ze toch dat je leeft.

De allerontzettendste dingen,

Gebeuren zoomaar op straat.

Zoo zit je gezond bij je kind'ren

En zoo ben je lid van de Raad

Of ben je kandidaat voor de gemeente raad.

 

Gemeenteraadslid is een baantje

Waar menigeen maling aan heeft,

Omdat 't je zonder betaling

Een heeleboel narigheid geeft.

Want stak je, zooals voor de Kamer,

Je tweeduizend pop in je zak,

Dan werden een heeleboel kletsers

Gemeenteraadslid van hun vak.

Die werden kandidaat

Voor den gemeenteraad.

 

Gemeenteraadslid wordt een ieder

Die leverworst schrijft zonder n,

Die zoo maar een paar uur kan kletsen

Van dingen, die iedereen kent.

Zoolang je geen neger of aap bent,

Geen bochel, geen dwerg en geen reus,

Zoolang je maar onder de zitting

Niet vloekt of niet snopet uit je neus.

Dan ben je kandidaat

Voor den gemeenteraad.

 

Gemeenteraadslid kan je worden

Wanneer je geen mensch hebt vermoord,

Wanneer je nog nooit hebt gezeten

Of niet in een gekkenhuis hoort.

Al ben je zoo dik als een varken,

Al ben je er slaperig van,

Wanneer je maar ondanks je dikte

De deur van het raadhuis in kan.

Dan ben je kandidaat

Voor den gemeenteraad.

Gemeenteraadslid kan je worden

Al hou-je een stiekeme kroeg,

Wanneer je je naam maar kan schrijven,

Dan weet je al meer dan genoeg.

Je schettert maar dat de gemeenschap

Den werkman bedriegt en besteelt,

En als je nog onder je kiezers

Een emmer jenever verdeelt.

Dan ben je kandidaat

Voor den gemeenteraad.

 

Terug naar overzicht

Gevolgen van 'n staking (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Bij 't bedje van hun jongen

Die maar stil te kijken lag,

Fluisterden ze bange woorden,

Waakten ze al nacht en dag.

Moeder wachtte er op vader

Tot ie van zijn werk af kwam,

Tot ie als 'n stille schildwacht

't stille wachtwoord over nam.

 

Vader werkte zoo al jaren

Op de groote gasfabriek,

Deed niet mee  met socialen

Deed niet mee aan politiek.

Toen die op zoo'n avond thuiskwam

Zei die zachtjes aan z'n vrouw,

Dat ze maar niet bang moest wezen

Als er staking komen zou.

 

Dat tot staken was besloten

Dat hij meegeholpen had,

Dat 't licht diezelfde avond

Niet meer brandde in de stad.

Dat 't komitée zou zorgen

Voor de kinderen en de vrouw,

Dat de toekomst goed zou worden

Dat hun lot verbet'ren zou.

 

Dokte kwam 's even kijken

Hoe hun kleine jongen was,

Of ie door z'n medicijnen

Al niet langzaam aan genas.

Bij 't voelen van z'n polsje,

Bij 't luist'ren naar z'n hoest

Zei die dat ie nu 't ventje

Dad'lijk opereeren moest.

 

Dokter wou 't licht opsteken

Maar 't brandde al niet meer,

Angstig zei die: ,,'t is verloren

Als ik nu niet opereer."

Door gebrek aan licht en leven

Door diezelfde harde strijd,

Moest hun lieveling nu sterven

Raakten ze hun jongen kwijt.

 

Terug naar overzicht

Hengelaars (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Zondags gaan de visschers visschen

Bij de boeren op het land;

Met hun kanus en hun simmen

En hun zakken proviand.

Als ze allemaal wat vingen:

Bliekjes, baarsjes nog zoo klein

Zou er zeker Maandagsmorgens

Nergens meer een 'n vischje zijn.

 

Voor de lekke waterlaarzen

En de koele morgendamp,

Heeft ie onder in z'n kanus

Zestien centen Boonekamp.

Als tie 's middags dan naar huis komt

Is tie fijn boven z'n thee,

En hij brengt 'n harderwijker

Of 'n bus sardines mee.

 

's Avonds zijn ze van 't visschen

En 't slootje springen moe,

Zuchtend gaan ze naar hun bedje

En hun brave vrouwtje toe.

Van de schrik valt soms die stakker

Uit de bedstee op de grond,

Droomend lag tie nog te visschen

Met z'n vinger in d'r mond.

 

O, hoe heerlijk is 't leven

Van den braven visscherman,

Uren heeft tie er voor over

Als tie maar wat snappen kan.

Als tie oud is en versleten

Gaat de echte hengelaar,

In 'n bus sardines visschen

Of in 'n potje kaviaar.

 

d' Een die vischt om wat te vangen

Bliekjes, baarsjes, groot en klein,

d' Ander vischt om voor een daagje

Van z'n vrouw verlost te zijn.

Want als die 's mee ging visschen

Werd 't gauw 'n rare boel,

Want dan vischten al die visschers

Niet met aas maar op gevoel.

 

Als ze soms niet willen bijten

Koopen ze 'n paar pond visch,

Of ze weten nog 'n plekkie

Waar wel wat te vangen is.

Stiekum gaan ze naar 'n slootje

Ergens in 'n stille hoek,

En daar lichten ze 'n fuikie

Met 'n zoodje baars of snoek.

 

Terug naar overzicht

Herdersliedje (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Daar kwam een herdersmeisje

Geloopen langs de hei

Die zong een simpel wijsje

Een wijsje van de Mei.

 

Toen kwam een herdersknaapje

Van verre langs de hei

Die zei: "Mijn aardig schaapje

‘k Zing net zoo mooi als jij."

 

Toen zongen ze te samen

Al in het gras zo malsch

Ze snoepten zoete bramen

En zongen daardoor valsch.

 

Ze hielden van elkander

Al in het malsche gras

Ze namen nooit een ander

Omdat er geen ander was.

 

Toen, toen, toen kwam de fiedel en de fluit,

Die maakte, die maakte, die maakte ’t liedje uit.

 

Terug naar overzicht

Herfstbladeren (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Toen kleine zusje ziek werd,

Stond Jantje op de loer,

Dan keek tie in d'r bedje

Zei:,,Zus daar heb je broer."

Maar 's avonds hoorde Jantje

Dat de dokter had gezegd

Voordat de blaâren vallen

Is zus in 't graf gelegd.

 

En elken dag ging Jantje

De tuin voorzichtig rond

En keek of hij soms ergens

Gevallen blaâren vond.

Dan gin-die naar d'r bedje,

Dan zei-die: ,,Zusje, och,

Ik ben 's wezen kijken

De blaâren zijn er nog."

 

En toen ze gingen vallen

Had Jantje opgepast,

Hij bond ze met 'n draadje

Weer aan de takjes vast.

Maar toen de herfst ging komen,

Toen werd 't werk te groot,

Bij 't laatst gevallen blaadje

Was Jantje's zusje dood.

 

Terug naar overzicht

Herman Heijermans

(Klaaglied op het door Heyermans zelf verspreide doodsbericht)

(J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Heijermans is overleden,

Jonge, jonge wat een slag;

Niets kan hem meer voor ons redden,

Hij is "pleite, hij is "dag.

Nu hij onder in de schouwburg,

In zijn kistje is gegaan,

Zullen velen treurig vragen:

"Herman heb je kwaad gedaan ?"

 

't Is nu uit met haringslaatjes,

En met fientjes (1) in de "Seis" (2),

En met halleve gedraaiden,

In de Kroon of in 't Paleis.

Biertjes kan hij niet meer snoepen,

Weg met "poesjes" en zoo voort,

Heijermans is uitgegeten,

Brandenburg (3) heeft hem vermoord.

 

Wie zal ooit den man vergeten,

Die zooveel komieks verzon,

Die niet blozen en niet zuchten

En niet frisch-op lachen kon ?

Wie zal niet met weemoed denken

Aanzijn veel te kleine dop,

Aan zijn ronde meelbaal-schouders

En zijn vischkom gladde kop ?

 

Wie zal nu nog directeuren,

Zoo als hij het eenmaal deed,

Die met minimum-recettes,

Maximum artisten sleet ?

Wie verlaat nu zonder dralen

Zijn positie in Berlijn,

Wie zal nu zoo fel als Herman,

De toneel-hervormer zijn ?

 

Moet dan Nederland verloren,

Moet de kunst dan naar de maan ?

En zijn huis vol tooneelisten,

Wat wordt daar nu mee gedaan ?

Heijermans hoe kon je sterven,

Zoo voorspoedig en zoo vlug,

Denk toch 's aan je tantièmes,

Herman, Herman kom terug.

 

(1) Cognac fine

(2) Taverne Louis Seize in Amsterdam

(3) Tooneelspeler

 

Terug naar overzicht

Het broekie van Jantje (tekst: J.H. (Koos) Speenhoff/muziek: Fall)

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Er was eens een haveloos ventje

Die vroeg aan zijn moeder een broek

Maar moeder verdiende geen centjes

En vader was wekenlang zoek

Ach, moedertje geef me geen standje

D'r zit in mijn broekie een scheur

De jongens op school roepen: "Jantje

Jouw billen die zien we d'r deur"

 

De moeder werd ziek van de zorgen

Lag stil en bedrukt in een hoek

Geen mens die haar centen wou borgen

En Jantje vroeg toch om zijn broek

Toen heeft ze haar rok uitgetrokken

De enigste die ze bezat

En ze maakte van stukken en brokken

Een broek voor haar enigste schat

 

Nou konden ze Jantje niet plagen

Nou waren zijn billen niet bloot

Maar voor ie zijn broekie kon dragen

Ging moeder van narigheid dood

Ze stierf van het sjouwen en plagen

Vervloekt en verwenst door haar man

Toen Jantje haar mee ging begraven

Toen had ie zijn broekie pas an

 

Terug naar overzicht

Het dichterlijk meisje (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Daar was een meisje van fatsoen,

Een meisje vrij en blij,

Die ging pedante dingen doen,

Al in de poëzij.

 

Zij trok een mannelijk gezicht,

En fierbewustzijn aan,

Toen sloot zij fluks haar kamer dicht,

En liet het strijkgoed staan.

 

Het meisje was compleet voorzien,

Van heuschelijke smart,

Zij telde twintig jaar misschien,

En had een edel hart.

 

Zij was de wereldzorg bewust,

Die dezen tijd vervult,

Waarin men liever biefstuk lust,

Dan spek of zure zult.

 

Zij vond een zoen een enge zaak,

De liefde leek haar vies,

Zij noemde elken man een draak,

“Ik baas!” was haar devies.

 

Dus greep zij naar een scherpe pen,

Zij stak die in de pot,

“Nu zal ik toonen wat ik ben,”

En schreef de punten bot.

 

De verzen dropen voor haar neer,

Als taaie appelstroop,

Van strijkgoed was geen sprake meer,

Haar ziel ging aan den loop.

 

Zij dichtte, dichtte zonder end,

Haar postpapier stond vol,

Zij was volkomen leeg gepend,

Haar hersenkas was hol.

 

Maar toen men hare verzen las,

Keek iedereen haar an,

Men vond dat ’t nog het beste was,

Haar loflied op de man.

 

Terug naar overzicht

Het eerste kindje (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Voor dat hun eerste kindje kwam

Was hij al Pap en zij al Mam,

Wat zouden ze gelukkig wezen,

Zoo'n kleutertje, zoo teer en fijn,

't Moest en zou een jongen zijn;

In 't droomboek hadden ze 't gelezen.

 

De timmerman die kreeg de poes,

Al was 't voeger nog zoo'n snoes,

Hij mocht 's op 't wiegje springen.

De meid moest naar 'n ander toe,

Die maakte veel te veel gedoe,

Ze kon niet werken zonder zingen.

 

De baker was al komen zien,

Die zei 'n dag of vier misschien,

Mevrouw moest zelf maar prakkizeeren.

Een assurantie-Maatschappij,

Die was er dadelijk al bij,

Hij moest zich toch gaan assureeren.

 

De vrinden zeijen in de gang:

,,Kom kerel maak je maar niet bang

Je vrouw die zal zich prachtig houen.

Misschien maakt ze je nog wel rijk

Met twee kabouters tegelijk,

Want vrouwen zijn niet te vertrouwen.

 

Toen die 't kleine popje zag

Dat zuchtend in 't wiegje lag,

Gaf ie 't een zoentje op z'n snuitje.

De baker zei: ,,'t zegt al Pa !"

En deed 't kindje lachend na

Maar 't was een ander lief geluidje.

 

En zoo ging alles naar hun zin,

't Fleschje bleef er prachtig in,

't papje scheen al goed te smaken.

En Opoe hield 't over doop,

Die liep met d'r juweel te koop,

Ze liet gauw 'n portretje maken.

 

Hij sprak al vaderlijk gewoon

Wat hij zou maken van z'n zoon,

Naar Leiden wilde die 'm sturen.

Maar zij vond 't studeeren niets,

't Werd 'n schilder, of zo iets,

Dat zag ze aan z'n mooie luren.

 

De dreumes werd 'n dikke beer,

Hij scharrelde al heen en weer,

Hij kon al kijken en al hooren.

En als ie in z'n wiegje lag

Herinnerden zij zich den dag

Waarop hun engel werd geboren.

 

Terug naar overzicht

Het geld (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Daar woonde in een grote stad,

Een meid die veel te zeggen had.

En wat ze zei was plat.

Ze had geen geld, ze had geen kat.

Wat een rare meid was dat.

 

Ze had een lieve grote mond,

Die altijd lachend open stond.

Zo rood en zo gezond,

Ze woog wel honderdtachtig pond ,

Wanneer zij in haar nachtpon stond.

 

Haar boezem was zo zacht en teer,

Die ging maar altijd op en neer.

Zeg meisje zei een heer:

"Sta toe dat ik met jou verkeer,

Ik ben een zeer vermogend heer."

Ze zei geen ja, ze zei geen nee,

Maar ging al blozend met hem mee.

Zo’n meid is gauw tevree.

De armoe maakt een mens gedwee,

De stakker wist niet wat ze dee.

 

Toen trok hij uit zijn overjas,

Een dikke bruine brieventas.

Die vol contanten was;

Die duiten kwamen goed van pas,

Omdat die meid zo hongerig was.

 

Toen is ze met hem meegegaan,

Toen kreeg ze mooie jurken aan,

Toen heeft ze stom gedaan,

Toen had die meid een zuur bestaan.

Die kerel hielp haar naar de maan.

 

Daar woonde in een grote stad

Een meid die geen fatsoen meer had,

Die voor haar zonden bad.

Want toen ze in de schande zat,

Verfoeide haar de hele stad.

 

De liefde is soms als venijn

Voor menigeen een grote pijn,

Een bitter medicijn;

Toch is de liefde dikwijls rein,

Wanneer er maar geen kinderen zijn.

 

Terug naar overzicht