SeniorPlaza

't Afscheid (J.H. (Koos) Speenhoff)

De eerste kus die jij me gaf

Veranderde mijn leven

Die eerste kus, mijn lieve lief

Zal ik je nooit vergeven

 

Die eerste kus was zoet als wijn

En pijnigde mijn zinnen

En zoo `t ook de laatste is

Wat moet ik dan beginnen

 

Die eerste kus was als een vuur

Van al te lang begeeren

Ik wilde dat die heete gloed

Mij eeuwig deed verteren

 

Die eerste kus was als een bloem

Met felle roode blaren

Ik zal die bloem mijn leven lang

Aanbidden en bewaren

 

Uw kussen zijn zoo goed gezind

En zonder mededoogen

O kus me met je lieve mond

Weer leven in mijn oogen

 

O kus me, kus me telkens weer

Laat me je kussen hooren

Want bij de laatste die ik krijg

Gaat mijn geluk verloren

 

En zoo we scheiden, zoetelief

Wat eenmaal zal gebeuren

Dan wil ik om jouw eerste kus

Mijn leven lang nog treuren

 

Terug naar overzicht

Afscheid van een marinier (J.H. (Koos) Speenhoff)

Vaarwel Marie, ik moet je nu verlaten

Ik heb getekend bij de zeesoldaten

Ik moet gaan varen langs de woeste zee

Vaarwel Marie, je kan niet met me mee

's Nachts zul je in je bedstee om mij treuren

't Is beroerd, maar ach ! Het moet gebeuren

Vergeet mij niet en blijf mij eeuwig trouw

Vaarwel, vaarwel Marie, je wordt nog eens mijn vrouw

 

Ik zal je elke maand wat centen sturen

Daar kan je dan een kamertje voor huren

En zoek dan hier of daar een nette was

Dan heb je brood en ik ben in mijn sas

Of ga je liever appelsienen venten

Kijk dan goed uit, of 't kost gauw je centen

Enfin je weet wel wat je moet gaan doen

Vaarwel Marie, hier geef ik in mijn brief een zoen

 

Wanneer je 's avonds kousen zit te stoppen

Denk dan aan mij, dan zal je hartje kloppen

Doe dan je ogen met je handen dicht

En haal dan voor je, mijn bedroefd gezicht

Dan moet je stiekem in je eigen zeggen

Kon ik nou maar 's in zijn armen leggen

O, was hij nou toch voor een poosje hier

Denk daar 's om, Marie, dan doe je me plezier

 

O ja, Marie, dat wou ik je nog vragen

Je moet geen rooie baaien rok meer dragen

En doe die krullen van je voorhoofd weg

Die staan zo raar, dat weet je ook wel zeg

Want ga je 's avonds laat nog door de straten

Dan heeft een ieder jou zo in de gaten

Dan haalt de hele buurt je even an

En dat mag ik alleen maar doen, je lieve man

 

Want als een ander met je wil gaan lopen

Moet je hem geen flauwigheid verkopen

Want kom 'k terug en hoor ik daar wat van

Ik kijk je met mijn zolen nog niet an

Dan sla ik jou en hem finaal in drieë

Geen donder kan me dan meer schelen zie je

Pas op Marie, dan maak ik je een lijk

Dan ben je naar de maan en ik heb groot gelijk

 

Maar lieveling, dat zal je mij niet lappen

Laat je toch nooit met een ander snappen

Dat doe je mij niet aan, waarom gewed

Daarvoor ben jij te goed, jij bent geen slet

En als ze jou soms achterna gaan lopen

Dan moet je ze een watjekou verkopen

Sla d'r maar op en hou ze van je lijf

Knijp ze maar fijn Marie, je bent een stevig wijf

 

Maar potverdorie, ik laat me zo niet villen

Wanneer die blauwe kerels rauzen willen

Ik sta mijn man, dan geef ik ze hun vet

Of 'k rijg ze aan mijn sabelbajonet

Maar lieve meid, ik zal voorzichtig wezen

En 's avonds moet je in het Nieuwsblad lezen

Dan zie je eens mijn naam er in gedrukt

Ik breng 't Ridder voor je mee, wanneer het lukt

 

Terug naar overzicht

Afscheidsbrief van een lelijk meisje aan haar vrijer (Koos Speenhoff)

Ik heb jou heel de avond nagelopen

Maar jij doet net alsof je mij niet ken

En als je omkeek ben ik weggekropen

Omdat ik weet dat ik zo lelijk ben

 

Voor je me zei, dat jij me graag mocht lijden

Had ik nog maling aan m'n scheve nek

Ik dacht dat toch geen mens met mij wou vrijen

Want mooie meisjes zijn 't meest in trek

 

Voor jou had ik me bloesie aangetrokken

Droeg ik m'n hoedje van de modeplaat

Maar voor 'n winkelruit ben ik geschrokken

Toen 'k zag hoe lelijk mij die rommel staat

 

Al rook ik niet zo lekker als 'n dame

Je hebt me helemaal niet aangeraakt

Je zat je voor mijn lelijkheid te schamen

Je hebt me dronken in een kroeg gemaakt

 

En toen ik niks kon zien en niks kon horen

Ben jij 'm stiekem met m'n geld gesmeerd

En met de gouwe bellen uit mijn oren

Moest ik betalen wat je had verteerd

 

Al droeg ik grove keukenmeidenkleren

Al was je vies van zo'n mismaakte meid

Mijn arme centjes wou je wel verteren

Mijn hele spaarbankboekje ben ik kwijt

 

En toen je vroeg om kermis te gaan hou'en

Had ik feducie in je slappe hoed

Ik dacht, dat ik jouw smoesie kon vertrouwen

Maar ik had geen erg in jouw gemene snoet

 

Ik ben te lelijk om me te verkopen

Ik ben te dom om zo gemeen te doen

Daarom ben ik 't water ingelopen

Adieu, vaarwel, ik eindig met 'n zoen

 

Terug naar overzicht

't Amsterdamsche water (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Amsterdam raakt zonder water

Als er niet wordt opgepast,

Heel de stad zit op een drogie,

Wat 'n zorgen, wat 'n last.

Of we moeten ons behelpen

Met de brei uit 't Rokin,

Met 't water uit de grachten

Slik je gratis ratten in.

 

Zonder water, zonder grokjes,

Zonder melk en zonder bier.

Zonder water wordt 't treurig

Voor den braven herbergier.

Als de duinen ons begeven

Raakt de laatste droppel op,

En voor de geheel-onthouders

Wordt 't wel de grootste strop.

 

Heele knappe studiekoppen

Cijferden in Amsterdam,

Dat 'r nog een millioen of dertig

Kubiek meter water kwam.

Wat beteekent zoo'n slokkie,

Na 'n maand is er te kort,

In 'n droge keel gemeente

Waar zo zwaar gebitterd wordt.

 

Mozes tikte op den bergwand

Tot er helder water kwam,

Ernstig moeten we gaan zoeken

Voor zoo'n tik in Amsterdam.

Mengelberg die kan ons helpen

Met zijn muzikale stok,

Door in d' Amstelstraat te tikken

Op de muur van de Groote Slok.

 

Water, water moet er wezen

Heer bewaart ons voor die straf,

Zonder water keurt de brandweer

Zelfs het Grand Theatre af.

Water, water moet er komen

Of ons leven wordt te hard,

En de Amsterdamsche voeten

Bloozen zich van schaamte zwart.

 

Daarom moeten we gaan zoeken

Naar 'n redding in den nood,

Trekken we naar Oudewater

Of misschien naar Buiksloot.

Dat zijn onze natte vrinden

In de tijden des gevaars,

Helpt ons vochtige Buikslooters

Helpt ons Oude Wateraars.

 

Terug naar overzicht

Ballade (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

In ’t duist’re van de kameros,

Speelt Bianca op de pianos.

Ze weent veel heete trania,

En dat doet ze al drie daagen langia.

Refrein:

Zoo gaat `t in Span-jos  meestallos,

Signoritas cabaleros,

Zoo gaat `t in Span-jos  meestallos,

Signoritas cabaleros.

 

Tegen de ruiten vliegt een steentjos,

Bianca die denkt dat is hijos,

Ze opent haar balconramia,

En roept; “Henriquez sind sie da ?”

Refrein

 

Henriquez roept “Jaos”,

Zijn stem klinkt ongeduldigos,

Hij springt met een aanlopia,

In d' kamera van Zijne Bianca.

Refrein

 

Ze geven elkaar veel zoentjos,

Ze hebben het over de liefdos,

Maar de kamerdeur vliegt opia,

En ze worden gesnapt door de pipa.

Refrein

 

Don Faos is uit zijn gemakkos,

Hij vloekt er stevig op lossos,

Hij laadt zijn ruiterpistolia,

En vermoordt ze zonder genada.

Refrein

Terug naar overzicht

Barbaarsch Nederland (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

In de kranten stond te lezen,

Van een automan Romein,

Dat de Harderwijksche visschers,

Zoo barbaarsch en lastig zijn.

Maar wanneer zoo'n brave visscher,

Ook is naar Parijs toe-gaat,

Heeft hij om zijn rare kleeren,

Net dezelfde last op straat.

 

't Is niet waar dat hier de jongens,

Zich gedragen als een zwijn,

Dat z'in Frankrijk en in Duitschland,

Netter en beleefder zijn.

Overal in alle landen,

Wordt 'n vreemdeling gehoond,

Die zich in een apenpakkie,

Ergens langs de weg vertoont.

 

Toen de Fransche damesmode,

Harembroeken voor wou slaan,

Hebben de Parijsche jongens,

Nog veel erger kwaad gedaan.

Toen een dame zich vertoonde

In zoo'n ongewone broek,

Hebben ze d'r afgeranseld,

Trapten ze d'r in een hoek.

 

Kleedt U deftig en gewoontjes

Als ge naar den vreemde gaat,

Neemt de Engelschman tot voorbeeld,

Niemand hindert hij op straat.

Jongens willen eenmaal spotten,

In Parijs of Harderwijk,

Overal waar ze gezond zijn,

Zijn ze overal gelijk.

 

Terug naar overzicht

Bekentenis (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik wou dat ik lachen kon

Wanneer m'n man iets heeft misdreven.

Dat ik niet altijd wat verzon

Om hem toch maar te vergeven.

Dan zou ik onverschillig doen

Alsof hij mij niets meer kon schelen,

Alsof zijn aardige gezoen,

Me nu verschrikk'lijk gaat vervelen.

Ik wou dat ik niet lachen kon

Wanneer m'n man iets komt belooven.

Dat ik niet altijd wat verzon

Om hem maar,

Om hem maar weer te gelooven.

 

Ik wou dat ik niet denken kon

Wanneer m'n man me heeft verlaten.

Dat ik niet altijd weer begon

Om van hem te willen praten.

Dan was ik niet zoo ongerust,

Dan zat ik nooit weer stil te treuren,

Of hij door and'ren werd gekust

Of wat er met hem zou gebeuren.

Ik wou dat ik niet denken kon,

Dat ik niet veel te veel wou weten,

Dat ik m'n twijfel overwon,

Of hij mij,

Of hij mij soms weer heeft vergeten.

 

Ik wou dat ik niet blozen kon

Wanneer m'n man 'n zoent komt vragen.

Dat ik m'n lust dan overwon

Om hem altijd te behagen.

Dan kon ik zeggen wat ik voel

Hoeveel ik wel van hem kan houwen,

Wat of ik met 'n zoen bedoel

En hoe hij op me kan vertrouwen.

Ik wou dat ik niet blozen kon

Wanneer m'n man m'n hart doet beven,

Omdat ik dan 'n zoen verzon,

Die ik hem,

Die ik hem maar alleen kan geven.

 

Terug naar overzicht

Bezoek van Fallières (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Welkom President Fallières,

Welkom in ons kikkerland.

Allen die er tijd voor hebben

Drukken U de broederhand.

Hoort de Marsaillaise spelen,

Ziet hoe Franschgezind wij zijn,

Morgen komst de Duitsche Keizer

En dan speelt de Wacht am Rhein.

 

Kom je soms 's even loeren

Hoe 't met ons landje gaat,

Hoe 't met de suikerbieten

En de Markerboeren staat ?

Kom je soms 's even kijken

Hoe we hier zijn ingericht,

En of Amsterdam toevallig

Niet zoowat in Duischland ligt  ?

 

Schilderijen zal je kijken,

Voor de Nachtwacht zal je staan,

Door de straten zal je slieren

Naar Den Haag toe zal je gaan !

Speechen zul je moeten hooren,

Speechen hier en speechen daar;

Buigen zal je, groeten moet je,

Kerel amuseer je maar !

 

's Middags zal je dejeuneeren

Eten tot je er van puft,

's Avonds moet je weer soupeeren

Tot je van benauwdheid suft !

Drink maar heel veel leidingwater

Want de melk die is niet pluis,

Anders breng je tot je schade

Mond en klauwzeer mee naar huis !

 

Wil je 's nachts nog aan den boemel

In Den Haag of Amsterdam,

Hoef je heusch niet bang te wezen

Dat je in verleiding kwam.

En je vrouw kan je vertrouwen

's Nachts in elke rare soos,

Met de nieuwe zedewetten

Is hier nergens meer wat loos.

 

Nou vaarwel papa Fallières

Doe de groeten aan Parijs,

En vertel je bondgenooten

Van je aangename reis !

Als je van 't zware fuiven

Soms 'n reuzenkater hebt,

Zijn 'n haring en een klare

Hier in Holland je recept.

 

Terug naar overzicht

Bloed op straat (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Op de harde, blauwe keien,

Waar de zware wagens rijen,

Ligt weer bloed op straat.

Van 'n lachend, stoeiend kindje,

Schuilé-spelend met z'n vrindje,

Ligt weer bloed op straat,

Ligt weer bloed op straat.

 

Van een ouwe, dronken tobber

Een vergeten, stille schobber

Ligt weer bloed op straat.

Al die sporen van ellende,

Die zich naar 't gasthuis wende',

Zijn 't bloed op straat,

Zijn 't bloed op straat.

 

Van een roekelooze jongen

Die de tram is afgedrongen

Ligt weer bloed op straat.

Van een sjouwer bij zijn wagen

Die voorover is geslagen,

Ligt weer bloed op straat,

Ligt weer bloed op straat.

 

Door de drank die doet vergeten,

Door 't vechten om te eten,

Komt 't bloed op straat.

't Is de oorlog om het leven

Die daar rauw wordt neergeschreven

Met ons bloed op straat,

Met ons bloed op straat.

 

Terug naar overzicht

Bloedworst en kaas (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Er was 's 'n bloedworst van Duitsch makelij;

Een wonder van hoogere worststopperij.

Zoo rond en zoo krachtig,

Zoo frisch en zoo prachtig,

Die trotsch op zichzelf in de winkelkast lei.

 

Ook lag er een kaasje van Fransche komaf

Met korsten en hoeken en brokken er af,

Vol vlezige kleuren

Vol putten en scheuren

En dat 'n verschrikkelijke lucht van zich gaf.

 

,,Jij stinkende kaas" had de bloedworst verzucht

,,Ik heb me al ziek van benauwdheid gekucht.

Hou op met dat snuffen

Ik lig hier te puffen

Zeg schaam jij je niet voor je ak'lige lucht ?"

 

,,Welnee" zei het kaasje ,,ik schaam me geen zier

Wanneer ik geen lucht gaf dan lag ik niet hier

Zoo ben ik gebooren

Ik riek naar behooren

Dat puffen en muffen is juist m'n plezier."

 

Toen kwam er 'n magere heer uit Den Haag

Die z' allebei kocht voor z'n maal van vandaag.

De worst lag te brommen

Zoo ver moest 't kommen

Nu ga ik met hem de de zelfde maag.

 

De heer ging naar huis en dineerde gezond,

Daarna stak ie smullend de kaas in z'n mond.

De lucht vond ie kittig

De smaak vond ie pittig

De bloedworst die was voor de maag van zijn hond.

 

Terug naar overzicht

Brief van een landweerman aan zijne vrouw (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Geliefde Bet het gaat me fijn,

Ik wor hoe dikker en hoe dikker.

Ik was zoo mager als een lat,

Nou noemen ze me al de kikker.

De heele lijn hier op het fort,

Die had het da'lijk in de gaten,

Het voer is goed, de stal is warm,

Ik heb het best bij de soldaten.

 

We krijgen ossenvleesch en spek,

En zooveel brood als we maar willen,

En snert, zoo dik, zoo vet, zoo stijf,

Zoo stijf als jou geliefde -- koonen.

Als nou de oomes in Den Haag,

De vrouwen ook nog dienen laten,

Dan wordt ons lieve Vaderland,

Een paradijs voor de soldaten.

 

Om vijf uur is de dienst gedaan,

Denk niet dat we ons vervelen,

Dan neemt er eentje z'n viool,

En gaat een moppie voor ons spelen.

Dan denken we aan vrouw en kind,

Die wij zoo achter moesten laten,

Een briefie of een oud portret,

Is dan de troost van de soldaten.

 

Als ik 't niet meer houden kan,

Dan vraag ik vier en twintig uur permissie,

En loop ik dan de trappen op,

Dan roep jij boven: "He, daar is ie !"

Dan kijken we mekander an,

En snappen alles zonder praten,

Dan wordt er gemobiliseerd,

Zooals dat gaat bij de soldaten.

 

Wanneer je het reveille hoort,

Dan ga je eerst je kanus wasschen.

Dan slik je beste groentesoep,

En daarna mot je piepers jassen.

Daar doet de heele troep an mee,

Baronnen, leeraars, advocaten,

D'r is hier geen verschil van stand,

We zijn hier allemaal soldaten.

 

Zoo gaat de avond lollig om,

Totdat er taptoe wordt geblazen.

Dan gaan we allemaal naar kooi,

Dan is 't kop dicht en niet dazen.

De een die snurkt al als een os,

De ander leit hardop te praten,

Die heeft nog van de boontjes last,

Zooals de andere soldaten.

 

Maar als 't Vaderland ons roept,

Dan staan we klaar met onze spuiten.

En als de vijand binnen wil,

Dan leit ie dadelijk weer buiten.

Wie of 't is, dat blijft gelijk,

We zullen ons niet villen laten,

Dan gaan we graag den oorlog in,

Als echte Hollandsche soldaten.

 

Terug naar overzicht

Brief van een meid die het te goed had (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Al was ik afgelaaje dronke

Toen jij me 's nachts tegenkwam,

Als was ik 'n matrozescharrel,

Toen jij me in je bakkie nam.

Al was ik ook nog zoo'n raar stuk ete,

De grootste haaibaai van de steeg,

Toch was ik liever blind geworde

Voordat ik kennis aan jou kreeg.

 

Ik vloekte als 'n polderjonge

Ik dronk jenever as 'n vent,

Ik groosde met m'n baaien rokken

Ik was geen andere gewend.

De cente die ik 's nachts verdiende

Die stak me kerel in z'n zak,

Al sloeg tie me soms blauwe oogen

Bij hem had ik 'n onderdak.

 

Je zou me uit 't leven halen

Heb jij me in 't begin gezeid,

Had jij me daar maar in gelate

Al was ik 'n gemeene meid.

Maar nou ik van je ben gaan houen

Behandel je me als een beest,

Nou zit ik me wel eens te schamen

Voor wat ik vroeger ben geweest.

 

Je liet me in je auto rijden

Je gaf me mooie bullen an,

Je liet me an je vrinden kijken

Die kietelden me nou en dan.

Je nam me mee naar Scheveningen

Je bracht me in 'n groot hotel,

En als ik sjokola wou hebben

Dan mogt ik drukken op de bel.

 

Ik hield me mond dicht bij 't eten

'k Heb netjes in m'n hand gehoest,

Me nagels heb ik schoon gepeuterd

Me tanden tweemaal daags gepoetst.

Maar als we ergens wat gebruikten

Dan lachte jij venijnig mee

Wanneer ik me fesoen wou houen

En netjes sprak van: sivoeplee !

 

Je hebt me rommel laten eten

Dat kouwe goedje uit 'n glas,

Och God je had 't motte wete

Hoe naar of ik er soms van was.

Ik heb er tegen zitten kokken

Wanneer ik dooie eenden at,

Dan dacht ik dikwijls bij m'n eigen

'k Wou dat ik maar een lappie had.

 

Je vrinden dat zijn groote fielten

Wat zijn die kerels toch gemeen,

Ik heb ze nooit de kans gegeven

Ik was voor jou toch maar alleen.

En toen ze me niet konden krijgen

Omdat ik stond op me fesoen,

Toen kwam dat zoodje me vertellen

Dat jij me graag wou overdoen.

 

Waarom was jij zoo lief en aardig

Waarom had jij zoo'n fijne snor ?

Wanneer ik daar niet naar mag kijken

Geloof ik dat ik ak'lig wor.

Ik ga me liever slaan en trappen

Voor dat je me de deur uit smijt,

Toe la me nou maar bij je blijve

Al was 't maar als werrekmeid.

 

Terug naar overzicht

Brief van een ouwe moeder aan haar zoon die in de nor zit (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Betsy van Dijk voor het sturen van de tekst)

Mijn lieve zoon, je Moeder laat je weten,

Als dat ze jou geheel niet kan vergeten;

't Is negen uur, je vader is naar bed

En in mijn handen heb ik jouw portret.

't Is stil in huis maar voor dat ik ga leggen,

O jongenlief, mot ik je nog wat zeggen;

Dat ik van narigheid geen raad meer weet,

Dat ik geen rustig stukkie brood meer eet.

 

Ik lig soms heel den nacht van jou te droomen,

Totdat de tranen in mijn oogen komen;

Ik ben al oud, 't maakt me zoo kapot,

't Is toch zoo hard dat ik jou missen mot.

En Vader wil jouw naam in huis niet hooren,

Dat heeft ie mij daar net nog zoo bezworen,

Wanneer ik soms maar even van jou praat,

Vloekt hij mij stijf, je weet wel hoe dat gaat.

 

En op je meisje mot je ook niet hopen,

Die zag 'k 'n Zondag met een ander loopen,

Ze had die hoed die jij haar gaf nog op,

Die met die veer, die droeg ze op haar kop.

Van al jouw centen speelt ze nou de dame,

Die kakmadam, ze moest zich liever schame',

Nou jij voor haar de nor ben ingegaan,

Nou loopt ze als een sloerie op de baan.

 

Maar hou' je stil, dat zal haar wel berouwen,

Laat ze gerust met heel de buurt gaan sjouwen,

't Was niks voor jou, jij mot 'n ander wijf,

Jij mot er een met voortgang in haar lijf

Zoals Marie, je weet wel, met die tanden,

Daar zul je heel wat beter mee belanden,

Die mag jou graag, dat weet ik al 'n tijd,

Als ze maar durfde had ze 't jou gezeid.

 

Ze zorgt toch o zoo goed voor 't werk en 't eten,

Ze breit je kousen als ze zijn versleten,

Door haar zal jij geen smerigheid meer doen

En ook geen messen trekken zo als toen;

Wanneer ik daaraan denk dan moet 'k grienen,

Jij kan met verven toch je brood verdienen

En als je heel je straf hebt afgedaan,

Mot jij weer naar je ouwe baas toe gaan.

 

Al scheldt de buurt, daar moet je niet om malen,

We komen samen om je af te halen,

Marie en ik, we wachten bij de poort,

Met 'n schoon halfhempje en een staande boord.

Dan koop ik voor een dubbeltje sigaren,

Je houten pijpje zal ik trouw bewaren,

En als je thuis komt, is je potje gaar,

Dan staat er spek met kroten voor jou klaar.

 

Ik voel de slaap al in mijn oogen komen,

Je moeder gaat nou zeker van je droomen,

Want als ik jou niet overdag mag zien,

Zie ik je in mijn droom vannacht misschien.

Dan zie ik jou in 't hoekie zitten rooken

En sta ik bij 't fornuis de pot te kooken

Vergeet je moeder niet, o jongenlief,

De lamp gaat uit, ik eindig nu mijn brief.

 

Terug naar overzicht

Brief van een weduwe (H.J. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Geliefde Heer, Meneer de Burgemeester,

Ik ben toch ook 'n nette weduwvrouw.

Ik neem de vrijigheid van u te vragen,

Of u 'n woordje voor me spreken wou.

Vanmorgen kwam 'r een van de politie

En die meneer die gaf me 'n biljet.

Die zei dat ik werachtig voor moest komme,

Van wegens om die nieuwe leerplichtwet.

 

Kijk nou 's an, meheer de Burgemeester,

Ik heb daar zeven jongens tot mijn last.

Dat is maar toujours kousen, schoenen kleeren,

En hoe ze eten hou u je hart van vast.

Ik staan alleenig voor dat hok met jongens,

U most 's weten hoe ik altijd sjouw,

Want wat 'r bij zoo'n huishouwe komt kijken,

Vraag uwes dat aan uwes eigen vrouw.

 

M'n man is al 'n jaar of drie gestorven,

Die voer als tweede stuurman op Jepan,

Die dacht bepaald die ie tekort zou komme,

Na elke reis was ik weer bakker an.

Hij had zoo'n haast om kinderen te krijgen,

Zoo zat ie thuis, zoo zat ie op z'n schuit,

Nou is ie voor 'n jaar of drie gebleven,

Met al z'n haast is ie de pijp maar uit.

 

M'n oudste meid mot op de jongste passen,

Alsdat ze toch niet naar 't school toe ken,

Want wie mot anders naar m'n boeltje kijken

Als ik persoonlijk in m'n werkhuis  ben ?

Een mensch die heeft waarachtig geen twee lijven

Maar an 't mijne heb ik meer dan zat.

Wat zou u doen meheer de Burgemeester,

Als u als weduwvrouw geen centen had ?

 

En als ik nou 'n daggie mot gaan brommen,

Als ik die boete niet betalen kan,

Wie zal dan zorgen voor 'n zeven jongens,

Dat trekt de school-kemissie zich niet an ?

Ach nette Heer, Weled'le Burgemeester,

Zorg uwes dat ik niet mishandeld wor',

Want anders gaan we met z'n achten zitten,

En zoo'n schanddaad wil u niet in de nor !

 

En nou meneer, geleerde Burgemeester,

Nou mot u zelf maar weten hoe 't mot,

Want in de nor daar zijn toch niks als dienders,

En kind'ren motten dikwijls op de pot.

Kan u die wet nou niet 'r 's verbieden,

Ik ben toch ook 'n nette weduwvrouw !

Ik neem de vrijheid van u te vragen,

Of u 'n woordje voor me spreken wou ?

 

P.S.

Op naar 't stadhuis, daar is misschien een plaasie,

Een nette werkvrouw is toch ook wel ies,

Dan zal ik goed voor al uw spullen zorgen,

Een Burgemeester houdt toch ook niet van vies.

 

Terug naar overzicht