Serenade
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Geliefde
Mina, ben je daar ?
Ik
sta weer hier met mijn guitaar.
Ik
ben je trouw zoals je ziet,
Ik
zing mijn allermooiste lied,
Maar
Minalief, je luistert niet.
Geliefde
Mina, hoor mij aan,
Je
moet nog niet naar bed toe gaan,
Je
weet toch dat ik van je hou,
Ik
zing mijn lied alleen voor jou,
Hier
buiten in de felle kou.
Geliefde
Mina, ben je thuis,
Of
hoor je me niet per abuis.
Ik
zing hier toch voor jouw plezier,
Ik
sta hier al een uur of vier,
Maar
ach, daarom geef jij geen zier.
Geliefde
Mina, zeg toch wat,
Mijn
overjas is al zoo nat.
Ik
zie er als een vuilpoets uit,
Of
als een kikker op een kluit,
`t
Regent en ik heb geen spuit.
Geliefde
Mina, kom er uit,
De
tranen druipen langs mijn snuit.
0,
lieveling, verhoor mijn bee,
Kom
toch 's even naar benee,
En
breng 'n hartversterking mee.
Geliefde
Mina, booze meid,
Je
hoort dat ik mijn stem verslijt.
Ik
voel me niets op mijn gemak,
Ik
word verkouden als een slak,
En
'k heb geen zakdoek in mijn zak.
Geliefde
Mina, lieveling,
Zeg,
wil je dat ik nog meer zing ?
Of
lach je me daar boven uit,
Verveelt
je mijn verliefd geluid,
Tik
dan maar even op de ruit.
Geliefde
Mina, apekop,
Ben
je naar bed of ben je op.
Of
weet je niet dat ik hier sta.,
Wat
donder zeg toch nee of ja,
Dan
loop ik je niet langer na.
Geliefde
Mina, ik ga weg,
Maar
luister goed wat ik je zeg.
Je
bent een hartelooze juf,
Een
trotsche, preutsche, nare juf,
Saluut,
ik heb in jou geen puf.
DE
VOLGENDE AVOND:
Geliefde
Mina, hoor mij aan,
Ik
kan niet zonder jou bestaan.
Daarom
sta ik hier weer op wacht,
Dat
doe ik voortaan iedere nacht,
De
liefde schenkt mij versche kracht.
Geliefde
Mina, ik ben taai,
Al
klinkt mijn stem ook nog zoo saai.
Toch
kom ik ieder oogenblik,
Ik
zing hier tot mijn laatsten snik,
Want
niemand mint je zoo als ik.
Geliefde
Mina, wees gerust,
Al
heb ik nooit je wang gekust,
Al
liep ik nimmer aan je zij,
Al
ken ik je niet van nabij,
Toch,
hoor je heelemaal aan mij !
Terug
naar overzicht
Sint
Nicolaas (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Zie
ginds komt de stoomboot
Uit
Spanje weer aan;
Hij
brengt ons Sint Niklaas,
Ik
zie hem al staan.
Hij
heeft om zijn hoofd
En
zijn arm een verband,
In
België was haast,
Sint
Niklaas verbrand.
Zie
ginds komt een luchtschip,
God
weet waar vandaan;
Hij
brengt ons den vrede,
De
strijd is gedaan.
Ernaast
staat Sint Niklaas
Hij
buldert: ,,Hoera !"
Hij
smijt ons met bommen,
Maar
van chocola.
Zie
ginds komt een trein
Van
de grenzen weer aan.
Men
brengt ons de Landweer,
Hun
plicht is gedaan.
Ze
geven de vrouwen
Een
keiharde zoen,
De
bakers zijn blij
Want
er komt wat te doen.
Zie
ginds komt de huisbaas,
Nu
is 't gedaan.
Al
heb je een huurbon,
Hij
pakt 'm niet aan,
Je
mot van je woning,
Al
maak je je kwaad,
De
man dient 't leger,
De
vrouw zit op straat.
Terug
naar overzicht
Sinterklaas
in Amsterdam (J.H. (Koos) Speenhoff)
Sinterklaas
heeft weer gereden
Jongen,
jongen, wat een bof
Voor
de een bracht hij wat mede
En
de andere kreeg een sof
Amsterdam
werd niet vergeten
Sneeuw
en slijk in overdaad
Arme
stakkers gaf hij eten
Met
het ruimen van de straat
Alles
wat men maar kan dromen
Maakt
die brave man gezond
Sinterklaas
is aangekomen
Met
de laatste Velzer pont
Onze
stad mint hij bijzonder
Zelfs
een reus bracht hij ons mee
't
Is te zien, dat wereldwonder
In
't Salon des Variétés
Grote
boeken kan men lezen
Over
reuzen-lichaamsbouw
Maar
wat kolossaal moet wezen
Is
de reus niet naar zijn vrouw
Doch
zoeven werd vernomen
Dat
hij weer naar Polen is
Want
men hoorde, poddome
Heel
de reus gestolen is
Op
de beurs kwam hij ook rijen
Sinterklaas
bracht voor de gein
Nieuwe
tegelschilderijen
Die
niet zedenkwetsend zijn
In
die trotse koopmanstempel
Waar
geen ventilatie is
Hoort
men klagen dat, warempel
Heel
de boel aan 't scheuren is
Maar
dat zal niet meer gebeuren
Sinterklaas
verhielp de pijn
Want
hij zei dat al die scheuren
Voor
de ventilatie zijn
Maar
de tram is van de sokken
Het
verkeer is niets meer waard
Sinterklaas,
die is vertrokken
Op
het laatste tramwaypaard
Terug
naar overzicht
Spaansch loflied op de rats
(J.H. (Koos) Speenhoff) (met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Wanneer je na vijf uur tippel-os,
Gekriebel voelt in je maag-os,
Dan ruik je rond de kazernia,
De fijne krotia ratsia.
Refrein:
Zoo is 't in dienst-os
Met de rats-os
Met de rats-os
Dik-os wor-je als een os-os.
Er wordt dan schattos geblaazos,
Dan maak ie je broekie al los-os.
Je staat al te waterlandia,
Je bent van den honger schelia.
Refrein
Eerst sla je een lange roffellos,
Al op je vertinde ketellos.
Dan roept gauw de korporalia:
,,Toe jongens, ratsia halia !"
Refrein
De kokos die geeft je een likos,
En roeptos: ,,je hebt maar te slikos,
Je hoeft er niet op te kauwia,
't Is al weer gestampte pottia !"
Refrein
En heb je je lik uit de potos,
Roept er een be-os: ,,stik niet os,
Je moet niet zoo gulzig slikkia,
Want anders dan zou je barstia !"
Refrein
En roept dan de luin't van de wachtos:
,,Wie heeft er nou nog niet zijn
vrachtos,
Wie lust er soms nog 'n happia,"
Dan zeggen ze allemaal: ,,jaja !"
Refrein
En 's avonds gaat iedereen maffos
En snorktos al gauw als 'n os-os.
Dan onweert 't in de kribbia
Van al die krotia-ratsia !
Refrein
Terug
naar overzicht
Sparta-lied
(J.H. (Koos) Speenhoff) (met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Sparta
keek al twintig jaren
Naar
't kampioenschap uit.
Dikwijls
kregen ze al vechtend,
Meer
of minder op hun snuit.
Maar
nu is de tijd gekomen,
Om
zich prachtig voor te doen;
Want
in plaats van altijd tweede
Zijn
ze west'lijk kampioen.
In
die twintig voetbaljaren
Is
er heel wat we getrapt,
Zijn
er vele mededingers
Afgedroogd
en opgeknapt.
Alle
jaren ging het beter,
Denk
maar aan de Leusder Hei;
Hoe
of Sparta zich daar weerde,
Quick
toen in de luren lei.
Als
ze uit gaan om te spelen,
Zooals
onlangs nog naar Dordt,
Merk
je hoe door stadgenooten
Sparta
dan behandeld wordt.
Heele
treinen vol supporters,
Vijftien
honderd stuks omtrent,
't
Was zoowat een volksverhuizing
Dordt
stond vrijwel overend.
De
Spartanen zijn de eersten,
Die
naar buiten zijn gegaan;
Met
het spelen in den vreemde
Vingen
zij 't eerste aan.
In
die twintig zware jaren
Deden
ze hun naam gestand.
Binnenkort
dan noemt zich Sparta:
Kampioen
van Nederland.
Laat
het daveren langs de straten,
Fuift
tot morgen aan den dag,
Drinkt
nu schuimende champagne,
Heisch
de fiere Sparta-vlag.
Laat
de Rotterdammers weten,
Die
nog niet aan voetbal doen,
Wat
voor feest of Sparta vierde,
Leve
Sparta, Kampioen !
Terug
naar overzicht
Speenhoff
in de hel (J.H. (Koos) Speenhoff) (met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
heb laatst een droom gehad, dames en heren, dat ik was overleden en als
vanzelfsprekend in de hel terechtgekomen. Ik hoop niet dat U om deze
woorden zult lachen, want daar ontmoeten we elkaar allen toch weder.
Speenhoff in de hel.
Ik
had onlangs de nare droom dat ik was doodgegaan
Ik
fietste naar de hemelpoort en ik zag er Petrus staan
Ik
vroeg hem om een vrij biljet, hij zei dat wou jij wel
Jij
was op aarde een artiest, rij jij maar naar de hel
Ik
fietste verder naar de hel met een bedrukte snuit
Het
woordje hel is vrouwelijk, komt dat soms niet aardig uit
Ik
naderde het vagevuur, de duivel stond al klaar
Hij
zei: "Ga naar het cabaret en zing je repertoire"
Ik
stapte in het cabaret, het was er uitverkocht
Het
werd alleen door nette lui van rang en stand bezocht
Ik
zag er dominees, bankiers en wisselsjacheraars
Het
grootste deel van het publiek dat waren kunstenaars
Ik
vond er Rembrandt en Jan Steen en Michelangelo
Ik
zag er Jacobse en Louis Bouwmeester en Cheval Redio
Ik
zag er Vondel, Bach en Strauss en ook Sarah Bernardt
Voor
Speenhoff en voor Clinge Doorenbos stond er een stoel al klaar
Ook
Abraham Kuyper vond ik er, hij was conferencier
Ik
zag er Herman Heijermans die had er ruzie met Carré
Ze
lachten en ze hadden pret en dronken brandewijn
Want
in de hel daar mag een mens geheel zichzelve zijn
Ook
Multatuli liep er rond met koning Willem drie
Den
hemel waren ze ontvlucht voor de melancholie
Dan
stond er nog een stoel gereed waar niemand raad mee wist
De
duivel zei: "Bespreek die maar voor Duymaer van Twist"
En
eindelijk na lang gewacht, kwam ook mijn nummer aan
De
duivel zei: "Stem je gitaar, Speenhoff, dat heb je nooit gedaan"
Ik
zong mijn lied van moeders brief ik dacht dat doet het toch
Toen
werd ik wakker van het succes, hoera, we leven nog
Terug
naar overzicht
Spotlied op de vegetariërs (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst)
Vegetariërs zijn lieden,
Die 't gebruik van melk verbieden.
Weldra zal men niet gedoogen
Dat de moeders kindren zogen.
Kindren moeten zich vergasten
Aan gefiltereerde kwasten.
Alle zuigelingen staken
Als ze daarmee kennis maken.
En het menschdom gaat ten onder
Door dat zeuren en gedonder.
Want 't is zoo deftig, 't is zoo fijn
Vegetariër te zijn.
Vegetarisch adem halen
Is je middel tegen kwalen;
Ademhalen door een netje
Is ons allernieuwste pretje,
Want het is ons streng verboden
Zelfs bakteriën te dooden.
Om zoo'n beest niet in te slikken
Moet de menschheid dan maar stikken.
En het vangen van de vlooien
Wordt ons mettertijd verbooien.
Want 't is zoo deftig, 't is zoo fijn
Vegetariër te zijn.
Niemand draagt meer beenen knoopen,
Gaat op leêren zolen loopen.
Leer en been zijn beide zaken
Die we van de dieren maken.
Tandenborstels zijn verboden,
Daarvoor moet men beesten dooden.
Aan zoo'n borstel zitten haren
Die weleer van varkens waren.
Weg met alle wollen kleeren,
Daarvoor moet men schapen scheren;
Kleeren kan men dan niet koopen ....
Gaan we in Godsnaam nakend loopen.
Ja, we zullen zoo verdwazen
Dat we in de wei gaan grazen.
Want 't is zoo deftig, 't is zoo fijn
Vegetariër te zijn.
Terug
naar overzicht
Spotlied
op de vrije vrouwen (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Wat
men voor een eeuw niet kende
Waar
men toen nog niet aan dacht
't
Is de vrije vrouwenbende
't
Is het derde soort geslacht
't
Zijn geen mannen, 't zijn geen vrouwen
't
Is geen vlees en 't is geen vis
Wie
met zo'n model gaat trouwen
Trouwt
met zijn begrafenis
Trouwt
met zijn begrafenis
Een
vrije vrouw draagt korte rokken
Dat
je haast haast haar knieën ziet
Kijk
ze langs de straten sjokken
Kuiten
heeft de stumper niet
Nergens
is ze fris en mollig
Alles
knokig vlees en been
Welke
man gevoelt zich lollig
Naast
zo'n lopend stuk rookvlees
Naast
zo'n lopend stuk rookvlees
Vrije
vrouwen vinden vrijen
Ouwerwetse
flauwigheid
Voor
verliefde zoenpartijen
Heeft
de vrije vrouw geen tijd
Neen,
ze schrijven liever boeken
Over
't huwelijksgenot
En
ze dragen stalen broeken
Met
een grendel en een slot
Met
een grendel en een slot
Stakkers
zijn die vrije vrouwen
Waar
een man geen steek aan vindt
Kijk
ze met pakkies boeken sjouwen
Liever
dan een wollig kind
Als
men hoort wat zij zich wensen
Wat
zo'n meubelhout zo zeid'
Vragen
alle nuchtere mensen
Is
't een bokkie of een geit
Is
't een bokkie of een geit
Nacht
en dag vergaderingen
Houdt
de vrije vrouwenkliek
Over
slappe zuigelingen
Over
de wereldpolitiek
Hoort
ze kletsen, hoort ze lallen
Over
liefde en geluk
Moet
zo'n schepsel ooit bevallen
Is
't van een ingezonden stuk
Is
't van een ingezonden stuk
Weg
met al die houten lijven
Waar
een man geen greep aan heid
Al
die halve vrije wijven
Zijn
de kanker van de tijd
Want
een vrouw is hier op aarde
Het
mooiste wat men denken kan
Zij
geeft aan ons leven waarde
Zij
is alles voor een man
Zij
is alles voor een man
Terug
naar overzicht
Spotlied
op jaloerse vrouwen (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Erger
dan een huis met buren, waar piano wordt gespeeld
Dan
een paar verwende kind'ren, dan een hond die je verveelt
Dan
een lid van je famielje, die je graag niet kennen zou
Erger
dan een taaie biefstuk is zo'n doljaloerse vrouw
Als
haar man wat loopt te zingen, of een aardig mopje fluit
Gaat
ze met de deuren smijten: "Slechte kerel, hou je snuit
Want,
ik ken jouw rare streken, o, afschuwelijke man
Als
je zingt of loopt te fluiten, ben je weer wat gemeens van plan"
Als
ie met een ruiker bloemen, vrolijk in de kamer stapt
Wordt
z'n aardige verrassing in de vuilnisbak getrapt
Want
dan is 't bijna zeker dat 'ie weer wat heeft gedaan
Anders
kwam 'ie, om 't goed te maken, met geen snertboeketje aan
Bij
z'n vader en z'n moeder, bij z'n leven en z'n kind
Moet
'ie duizend keer bezweren, dat 'ie haar alleen bemind
En,
wanneer 'ie heeft gezworen dat 'ie nooit naar and'ren ziet
Zegt
ze: "Hou maar op met liegen, ik geloof jouw smoesjes niet"
Als
d'r man z'n haar laat knippen, zonder dat 'ie van d'r mag
Als
'ie vraagt om een verschoning, op een doordeweekse dag
Gaat
ze nijdig zitten grienen: "Slechte vent, nou snap ik jou
Al
dat knippen en verschonen, doe je voor een and're vrouw"
Als
ze in z'n vestjeszakken, soms een wit papiertje vindt
Heeft
ze 't bewijs te pakken, dat 'ie een andere vrouw bemint
"Jij
wou briefjes aan d'r schrijven, schandelijke apekop
Dat
papiertje, steekt wat achter, anders stond er wel wat op"
Als
'ie 's middags wat gaat lopen, moet de kleine jongen mee
Om
haar mammie te vertellen, wat of pappie buiten dee
Maar,
de kleine houd z'n mondje, want die heeft teveel gesnoept
Mammie
komt geen steek te weten, 't kind heeft in z'n broek ge....
Als
'ie 's nachts, vermoeid van 't werken, heel gerust te slapen lei
Heeft
ze 't 's morgens op d'r heupen, als 'ie in z'n slaap niks zei
"Jij
hebt weer wat te verbergen, of een ander in je kop
Om
me voor de gek te houwen, droom je expres niet hardop"
Terug
naar overzicht
Tantes testament
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Lieve
nichten, lieve neven
Dit
is tantes testament
Tante
kan niet eeuwig leven
Ook
aan tante komt 'n end
Om
het afscheid te verlichten
Laat
ik, als gedachtenis
Aan
mijn neven en mijn nichten
Alles
wat hun dierbaar is
Nooit
kon mij een man behagen
Nooit
werd mij wat raars gevraagd
Daarom
sterf ik, zonder klagen
Als
een hoogbejaarde maagd
Heel
mijn leven was ik gierig
Dikwijls
at ik korstjes brood
Zo
te leven is plezierig
Want
dan gaat men schatrijk dood
Aan
mijn nichtje Mietekeetje
Laat
ik al mijn valse haar
Mijn
gescheurde dejeuneetje
Want
dat kreeg ik zo van haar
Verder
maak ik aan neef Arie
Die
zoveel van Mozart houdt
Mijn
bekroonde kunstkanarie
Plus
een pakje havermout
Voor
mijn neef de apotheker
Zijn
de restjes medicijn
Want
die drankjes zullen zeker
Na
mijn dood hem nuttig zijn
Laat
zijn vrouw er zich aan laven
'k
Gun haar die restantjes graag
Want
haar tante wordt begraven
Met
een glad bedorven maag
Dominee
schenk ik mijn poesjes
Met
hun mandje en hun bak
Voor
die twee gestreepte snoesjes
Had
ie al zo lang een zwak
Aan
mijn meid met grijze haren
Die
met mij heeft saamgeleefd
Schenk
ik wat ze al die jaren
Uit
mijn huis gestolen heeft
Iedereen
heeft nu het zijne
Iedereen
is ruim bedacht
Tante
kan gerust verdwijnen
Tante
heeft haar taak volbracht
Doch
mijn geld heb ik vergeten
Och,
wat maal ik om dat slijk
Mijn
familie heeft te eten
'k
Maak er dus de kerk mee rijk
Terug
naar overzicht
Twee
verlaten stakkers
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Er
waren twee verlaten stakkers
Die
baden vurig dag en nacht
Maar
al hun bidden en hun smeken
Had
hun geen voordeel opgebracht
In
plaats van vuur om zich te warmen
In
plaats van worst met kool of zo
Kreeg
elk van hen twee wintervoeten
Van
Onze Lieve Heer cadeau
Dus
dacht die ene arme stakker
Dat
bidden helpt ons toch niet meer
Hij
nam een potlood en een papiertje
En
schreef aan Onze Lieve Heer
Ach,
heb toch eindelijk erbarmen
We
lijden zo met 'n e-i
Gedenk
ons met 'n paar rijksdaalders
Wees
ons genadig, schenk ons die
En
toen 't avond was geworden
Nam
hij z'n spa en ging op ‘t pad
Nu
zou hij zien of men daarboven
Met
arme stakkers meelij had
En
om er zeker van te wezen
Dat
men een antwoord aan hem zond
Ging
die naar dominee z'n tuintje
En
groef z'n brief daar in de grond
En
toen de stakker was verdwenen
Kwam
dominee nieuwsgierig aan
Die
had gezien wat of die kerel
Daar
in z'n tuintje had gedaan
Hij
zocht 't briefje uit 't kuiltje
En
toen hij las wat daarin stond
Deed
ie 'n tientje in 't envelopje
En
groef 't netjes in de grond
Toen
's morgens vroeg die arme stakker
Zag
wat er in z'n briefje zat
En
toen hij om secuur te wezen
't
Watermerk bekeken had
Riep
ie: "ik was ervan verzekerd
Dat
er zo'n antwoord komen zou"
Liep
ie 't 'Wien Neerlands bloed' te zingen
En
sjokte vrolijk naar zijn vrouw
Maar
die begon hem uit te schelden
Toen
ze dat ene tientje zag
Omdat
ze hoorde dat 't envelopje
Geopend
in 't kuiltje lag
Toen
riep ze: "O jou domme ezel
Jouw
nek moest worden omgedraaid
God
weet, wat dominee nou voor z'n eigen
Uit
't enveloppie heeft gekaaid"
Terug
naar overzicht
Vegetariërs
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Vegetariërs
zijn menschen,
Die
de menschen anders wenschen,
Daarom
eten zij slechts planten,
Net
als groote olifanten,
Zij
zijn bang voor dooie koeien,
Want
die kunnen niet meer loeien,
Beesten
dooden om te eten,
Noemen
ze van God vergeten.
’t
Is zoo deftig en zoo fijn,
Vegetariër
te zijn.
In
hun reine restauratie,
Is
voor arm en rijk een plaasie,
Overal,
tot in de keuken,
Hangen
christelijke spreuken,
Die
de ziel zoo zeer versterken,
En
zoo spijsverteerend werken,
Die
voor overdaad behoeden,
Ons
met idealen voeden.
‘t
Is zoo deftig en zoo fijn,
Vegetariër
te zijn.
Zondags
boonen, Maandags boonen,
Dinsdags
boonen, Woensdags boonen,
Donderdags
gepofte boonen,
Vrijdags
boonen, altijd boonen,
Zaterdags
gestoofde boonen,
God
bewaar ons voor die boonen,
Boonen
eten is 't beste,
Tot
we boonen zijn ten leste.
‘t
Is zoo deftig en zoo fijn,
Vegetariër
te zijn.
Voor
een heel klein beetje duiten,
Ga
je je aan pap te buiten.
Voor
een paar onnooz'le centen,
Eet
je appelen met krenten,
Soep
van blaren, pas gevallen,
Met
mahoniehouten ballen.
Meisjes
met verboden koonen,
Brengen
je je portie boonen,
Vriend’lijk
kijken is er noodig,
Fooien
geven overbodig.
‘t
Is zoo deftig en zoo fijn,
Vegetariër
te zijn.
Sociaalders,
anarchisten,
Leve,
zoete idealisten,
Niemand
zit zich aan te stellen,
Ieder
heeft wat te vertellen.
Brave
armen, milde rijken,
Allen
zijn ze huns gelijken,
Zwaargespierde,
vrije vrouwen,
Die
niet van 't mansvolk hou'en.
Kooplui,
kunstenaars, poëten,
Heel
de groep zit daar te eten.
‘t
Is zoo deftig en zoo fijn,
Vegetariër
te zijn.
Vegetariërs
zijn lieden,
Die
een ander wat verbieden.
Vegetariërs
zijn poppen,
Die
zich vol principes proppen.
Zij
zijn bang voor bitterneuzen,
Soberheid
is hunne leuze,
t
Zal nog zoover met ze komen,
Dat
ze nest'len in de boomen,
Dat
ze doode blaren eten,
Voor
de rust van hun geweten.
‘t
Is zoo deftig en zoo fijn,
Vegetariër
te zijn.
Terug
naar overzicht
Verloren geluk (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Er was 's 'n jonkman gereed en gezond
Die kwam van een meisje te houwen;
Eens vroeg ie, toen niemand begreep
wat ie deed,
Zeg liefje, wil jij met me trouwen,
Zeg liefje, wil jij met me trouwen ?
Ze zei ,,als ik doe wat je graag van
me wil,
Dan zou me dat gauw gaan berouwen.
Je hebt op de wereld alleen maar je
zelf,
En niets om 'n huisje te bouwen,
En niets om 'n huisje te bouwen."
,,Ik hou van m'n eigen, van alles wat
blinkt,
Van lachen, van zoenen en zingen.
Kom maar 's terug, als je heb' wat ik
vraag,
En geef me dan aardige dingen,
En geef me dan aardige dingen.
Toen nam die 'n stok en hij trok naar
'n land
Waar menschen niet lachen of zingen
Daar werkte nie tot ie de schatten
bezat
Voor aardige, blinkende dingen,
Voor aardige, blinkende dingen.
Maar toen ie terugkwam toen vond ie
d'r niet
't Hutje was leeg waar ze woonde.
Hij vloekte en raasde en schold 'r
voor beest,
Nu zij hem met ontrouw beloonde,
Nu zij hem met ontrouw beloonde.
Hij zocht in 't dorpje hij zocht in 't
bosch,
Hij zocht 'r langs velden en wegen.
Hij zocht in de kerk en hij zocht op
't land,
Maar nerregens kwam die d'r tegen,
Maar nerregens kwam die d'r tegen.
Toen vond ie d'r moeder al grijs en al
oud,
De moeder van die hij beminde.
Die zei: ,,ga maar mee en vervloek
haar niet meer,
Ik weet waar je haar nog kunt vinden,
Ik weet waar je haar nog kunt vinden."
Toen gingen ze samen 't kerkhof op,
Daar was 'r z'n liefje gebleven.
Ze kon buiten weelde, ze kon buiten
geld,
Maar zonder hem kon ze niet leven,
Maar zonder hem kon ze niet leven.
Terug
naar overzicht
Volgende
avond
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Geliefde
Mina, hoor mij aan
Ik
kan niet zonder jou bestaan
Daarom
sta ik hier weer op wacht
Dat
doe ik voortaan iedere nacht
De
liefde schenkt mij versche kracht
Geliefde
Mina, ik ben taai
Al
klinkt mijn stem ook nog zoo saai
Toch
kom ik ieder oogenblik
Ik
zing hier tot mijn laatsten snik
Want
niemand mint je zoo als ik
Geliefde
Mina, wees gerust
Al
heb ik nooit je wang gekust
Al
liep ik nimmer aan je zij
Al
ken ik je niet van nabij
Toch,
hoor je heelemaal aan mij!
Terug
naar overzicht
Volkslied (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Zoolang de koeien hier nog lustig
loeien,
Zoolang de zalm nog spartelt in den
Rijn,
Zoolang er hier nog suikerbieten
groeien,
Zoolang zal Holland vrij en machtig
zijn.
Zoolang Haagsche hopjes lekker smaken,
Zoolang Schiedam nog ouwe klare
brandt,
Zoolang we hier nog Goudsche pijpen
maken,
Zoolang is Holland nog 'n krachtig
land.
Terug
naar overzicht
Voor
de Rotterdammers (gedurende de boonenoproer)
(J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Wat
'n herrie, wat 'n leven,
Kunnen
toch die boonen geven.
Want
bij al dat boonen eten,
Moet
men een ding niet vergeten,
Dat
de boonen ons soms hind'ren,
Boonen
deugen niet voor kind'ren,
Boonen
doen de kind'ren schade,
Als
ze zijn van chocolade.
Want
ze zijn misschien vergiftig,
Heel
de stad is dol en driftig,
Iedereen
wordt nagezeten,
Niemand
mag meer boonen eten.
Al
de dienders en klabakken,
Hebben
de boonenkoorts te pakken.
Boonen
eten is zoo fijn,
Als
ze niet vergiftigd zijn.
Zit
je rustig in een bakkie,
Loop
je met een doos of pakkie,
Met
een taschje of een mandje,
Dadelijk
heb je een standje.
In
de straten, op de stoepen,
Hoor
je giftverkooper roepen,
Kindermoorder,
boonenzaaier,
Smeerlap,
schooier, pierewaaier.
Moeders
staan met huilgezichten,
Dienders
angstig in te lichten,
Alle
magen zijn bedorven,
Duizend
kind'ren zijn gestorven,
Duizend
zullen ‘r nog bezwijken,
Overal
ontmoet men lijken,
Die
met mond en oogen open,
Om
‘t hardst naar Crooswijk (1) loopen.
Zie
ze hollen, zie ze draven,
Om
zich zelve te begraven,
't
Is een onheil, 't is een wonder,
Rotterdam
gaat naar den donder.
Boonen
eten is zoo fijn,
Als
ze niet vergiftigd zijn.
(1)
= begraafplaats
Terug
naar overzicht
Voorwoord (J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
zit te brommen en te wringen
Ik
kan mijn stem haast niet bedwingen
Mijn
snaren zouden kunnen springen
Dan
kan ik heus niet verder zingen
Ik
voel me niets op mijn gemak
Want
ik ben in mijn beste pak
Ik
voel me niets op mijn gemak
Want
ik ben in mijn beste pak
Ik
heb mijn schoenen opgewreven
Mijn
overhemd is stijf gesteven
't
Is of mijn haren allen leven
Mijn
oren jeuken, mijn vingers beven
Ik
voel me niets op mijn gemak
Want
ik ben in mijn beste pak
Ik
voel me niets op mijn gemak
Want
ik ben in mijn beste pak
Wanneer
ik in de war mocht raken
Dan
moet u geen kabaal gaan maken
Ik
zou dan met beschaamde kaken
Mijn
schone zangen moeten staken
Ik
voel me niets op mijn gemak
Want
ik ben in mijn beste pak
Ik
voel me niets op mijn gemak
Want
ik ben in mijn beste pak
Terug
naar overzicht
Vreugde (J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Ik
weet niet of ik de waarheid spreek,
Zij
is zoo heel bijzonder.
Wat
eerst in haar eenvoudig leek,
Is
nu voor mij een wonder.
Haar
oogen zijn zo wonderrijk,
En
vol geheime wenken.
Wanneer
ik in haar oogen kijk,
Dan
kan ik niet meer denken.
Ik
weet niet wat dat wezen mag,
Ik
kan 't niemand zeggen.
Want
wat ik in haar oogen zag,
Is
toch niet uit te leggen.
Haar
oogen zijn zoo somber zwart,
Als
donkere violen.
En
in haar oogen ligt het hart,
Gansch
liefelijk verscholen.
Haar
stem klinkt liefgezind en zacht,
En
fluistert zoete dingen.
Al
wat haar hartje heeft bedacht,
Dat
wil haar mondje zingen.
Haar
handjes zijn naïef en klein,
Zoo
stil en zoo voorzichtig.
Maar
als ze boos of droevig zijn,
Dan
doen ze soms gewichtig.
Ik
weet niet of ik waarheid spreek,
Zij
is zoo heel bijzonder.
Wat
eerst in haar eenvoudig leek,
Is
nu voor mij een wonder.
Terug
naar overzicht
Vrouwenkiesrecht (J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Mannen, wees niet onrechtvaardig,
Wees niet krenterig en klein,
Laat de Nederlandsche vrouwen
Voortaan kiesgerechtigd zijn.
Laat ons krachtig samenwerken,
Naast elkaar en eensgezind;
God weet hoeveel Troelstra's of je
Onder Hollands vrouwen vindt.
Mannen, mannen, handel zoo
Of we nemen ,,lit jumeau".
Vrouwen wees niet zoo geduldig
Laat 's zien wat of je kan,
Kunnen wij soms niet regeeren
Net zoo goed als elke man ?
Hebben wij soms geen belangen,
Zijn we maar alleen slavin,
Laat ze toch naar ons verlangen,
Geef ze niet zoo gauw hun zin.
Vrouwen, vrouwen, handel zoo
Plaag ze met een ,,lit jumeau".
Als we dan 'n vrouw gaan kiezen
Hooren we misschien de klacht
Dat wanneer die vrouw gaat spreken,
Heel de Tweede Kamer lacht.
Want wat zou men haar bespotten
Als ze naar de Kamer ging
Met 'n pakje schoone luren
En 'n dikke zuigeling.
Vrouwen, vrouwen is 't niet zoo
Neem ook daarom ,,lit jumeau".
Maar als elke vrouw moet zeggen
Die hier in de Schouwburg zit,
Welke man of zij zou kiezen
Als 't beste kamerlid,
En ze ging 's eerlijk biechten
Als men vroeg wie kiest u dan,
Wed ik van de honderd vrouwen
Alle honderd hare man.
Vrouwen, vrouwen is 't niet zoo
Neem ook daarom ,,lit jumeau".
Maar als we 'n bond gaan maken
Voor 't kiesrecht van de vrouw,
En we gingen dan 's staken
Was 't uit met huwelijkstrouw.
Want we raakten door 't staken
Onze lieve manne kwijt,
Door de lage onderkruipsters
In de sociale strijd.
Vrouwen handel dus niet niet zoo
Neem daarom geen ,,lit jumeau".
Terug
naar overzicht
Wanneer de man niet thuis is (J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Wanneer m'n man niet thuis is,
Gebeurt er altijd wat.
Dan komt ons tweede kindje,
Dan is de kelder nat,
Dan wordt mijn nieuwe mantel,
Op eens naar huis gebracht.
Dan staat er in de kranten,
'n Moord gebeurd vannacht,
En als ik zit te lezen
Dan wordt ik opgebeld,
Dan wordt er heel wat leelijks
Zoo van mijn man verteld.
Wanneer m'n man niet thuis is,
Gebeurt er altijd wat.
Dan wordt voor de belasting
Ons meubilair geschat,
Dan komt er iemand bellen,
Een reiziger in wijn,
Dan neem ik twintig ankers
Om van hem af te zijn.
Dan komt er weer 'n ander,
M'n man zijn beste vrind,
Die zit me wijs te maken,
Dat hij me niet bemint.
Wanneer m'n man niet thuis is,
Gebeurt er altijd wat.
Dan laat ik alles vallen,
Dan trap ik op de kat.
Wanneer m'n man niet thuis is,
Is niets meer naar m'n zin,
Dan voel ik pas 't beste
Hoezeer ik hem bemin.
Dan prik ik in m'n vingers,
Dan brand ik alles an,
Dan is er niemand bij me,
Die me beklagen kan.
Wanneer m'n man niet thuis is,
Gebeurt er altijd wat.
Dan wou ik voor millioenen
Dat ik 'm bij me had.
Dan stijgt de barometer,
Dan derailleert 'n trem,
Dan krijgt de poes 'n poesje,
Dan heb ik trek in zjem.
Dan glijdt 't kindermeisje
Natuurlijk van de trap,
Dan doet de kleine jongen,
Z'n allereerste stap.
Terug
naar overzicht
Wimpje's wensch (J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Wimpje vroeg eens aan z'n Opoe:
,,Waar is Opa, weet u dat ?"
''Opa ?" vroeg 't ouwe vrouwtje,
,,Die is in den Hemel schat.
Als je altijd zoet gaat slapen
En je jokt of snoept niet meer,
Zie je Opa vast en zeker,
Eenmaal in den Hemel weêr."
,,Ken je in den Hemel knippen ?
Heb je daar een hoop met zand ?
Is daar ook 'n diergaarde,
Met een dikke olifant ?"
,,In den Hemel" zei 't grootje,
Daar is is onze Lieve Heer
En die gluurt daar ginds met Opa,
Lachend op ons beiden neer."
,,Elken avond" zei ze verder
,,Als ik voor je Opa bid
Spreek ik zachtjes over Wimpje
Als ik zoo te soezen zit.
En dan denk ik aan de dagen,
Dat ik Opa bij me had
Hoe die met je paardje speelde
Als je op z'n knieën zat."
,,Zoo ?" zei Wimpje, ,,hoor dan even:
Als u weer met Opa bidt
Moet u zeggen dat z'n ventje
Al zoo lang te wachten zit.
En dan moet u ook 's vragen,
Als hij naar beneden gluurt,
Of hij dan 's an z'n Wimpje
Gauw een aanzicht-kaartje stuurt."
Terug
naar overzicht
Zandstraat
dood
(J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Het
is gedaan voor al de joppers
En
ruzieschoppers
In
Rotterdam
Ze
kenne je d'r nie meer molle
Je
zakke rolle
In
Rotterdam
Refrein:
Maar,
waar motte die meide nou blijve
Die
op de keien staan
Waar
kenne die arreme wijve
Nou
nog d'r slaggie slaan
De
Polder en 't heele zootje
Die
leit 't loodje
In
Rotterdam
Geen
liefde en verborgen hartjes
Voor
zeven kwartjes
In
Rotterdam
Geen
zwabbers zie je d'r meer komme
Met
Pinksterblomme
In
Rotterdam
Refrein
De
dienders met d'r lange latte
En
reuze-jatte
In
Rotterdam
Die
hoeven d'r geen dronke-lappe
Meer
op te knappe
In
Rotterdam
Ze
loopen nie meer met z'n driee
Met
stijve kniee
Wat
te verbieje
In
Rotterdam
Refrein
Waar
motte ze nou pierewaaie
En
even draaie
In
Rotterdam
De
huissies om je af te laaje
Die
zijn verraaje
In
Rotterdam
De
knippies waar je in kon loopen
Om
wat te kopen
Die
gaan ze sloopen
In
Rotterdam
Refrein
Terug
naar overzicht
Zedewetten
(J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Met de nieuwe zedewetten,
Wordt ons land 'n paradijs,
Nergens in de heele wereld
Is 'n volk zoo kuisch en wijs.
Wees de Tweede Kamer dankbaar,
Voor 't delgen van die plaag,
Zegen komt niet meer van boven,
Maar die komt nu uit Den Haag.
Bedstees, slaapkamers, alcoven
Worden voortaan streng bewaakt,
In de muren en de planken
Worden venstertjes gemaakt.
Voor zoo'n gaatje komt 'n diender
Die gestreng naar binnen loert,
Om te kunnen controleeren
Wat daar 's nachts wordt uitgevoerd.
Ooievaars en rooie kolen
Laten we hier niet meer toe,
Want die wekken maar gedachten
Aan onzedelijk gedoe.
Weg met schaken en met dammen
Weg met heel dat speelzucht spook,
Ganzeborden zijn verboden
En de peperneuten ook.
Moeders die een kindje wachten
Worden van de straat gejaagd,
Zijn ze niet de droeve beelden
Van 'n vrouw die zich verlaagt ?
Kind'ren baren is onzedig
Foei hoe bandeloos en grof,
Voortaan krijgen we die kleuters
Kant en klaar van 't Binnenhof.
't Rijksmuseum wordt gesloten
't Is er ontuchtmagazijn,
Want er hangen schilderijen
Die beschamend smerig zijn.
Weg met al die blootigheden
Weg met Rembrandt en Van Dijck,
En de Venus staat er voortaan
In 'n overjas te kijk.
Voor de modemagazijnen
Zijn de wetten groote last,
Hemden, lijfjes en korsetten
Moeten uit de winkelkast.
Als er voor de spiegelruiten
Mooie damesbroeken staan,
Worden die door stille dienders
Omgedraaid en dicht gedaan.
Anzichtskaarten zijn verboden
Waar een bloote neus op staat,
Elke meid krijgt een bekeuring
Die zich zoenen laat op straat.
Worstelaars en akrobaten
Mogen niet meer op 't tooneel,
Vlooien mag je niet meer houden
Want die weten veel te veel.
Terug
naar overzicht
's
Zomers buiten
(J.H.
(Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
's
Zomers gaan de stadslui rusten
Aan
het strand of op de hei.
Om
'n beetje op te knappen
Van
hun zakendoenerij;
Voor
hun lange gespaarde duiten
Gaan
ze in 'n goed pension;
Boomen,
bosschen, duinen, velden,
Water,
bloemen, lucht en zon,
Want
o, 't is zoo heerlijk zomers buiten !
's
Morgens bij 't ontbijt 'n eitje
Met
rookvleesch zoo zout als brem,
Thee
die al een uurtje kookte,
Boterhammen,
kaas en jam.
Aan
de koffie een kroketje,
Biefstuk
van den and'ren dag,
Opgebakken
met wat boter,
Die
naast de margarine lag.
Maar
o, 't is zoo heerlijk 's zomers buiten !
's
Maandags regen, Dinsdags regen,
's
Woensdags sterf je van de kou;
Donderdags
verbrandt de zon je
Lig
je van de hitte flauw.
Vrijdags
waai je van de sokken,
Zaterdags
dan knapt 't op.
Als
het Zondags lekker weer is
Heb
je krampen in je kop.
Want
o, 't is zoo heerlijk 's zomers buiten !
Zand
en stof in al je kleeren
In
je hemd en onderbroek.
Vliegen,
muggen en muskieten,
Jeuken,
wrijven en gevloek.
Water
drinken, buikpijnkrampen,
Rennen
naar het kabinet;
Wringen,
krimpen, deur gesloten,
Altijd
is dat ding bezet.
Want
o, 't is zoo heerlijk 's zomers buiten !
'Morgens
loopen, 's middags loopen,
's
Avonds loopen wat je ken,
Om
maar frissche lucht te happen
Loop
je tot je stapel bent.
Lekker
in het gras gaan liggen,
Heel
't groepje wordt gekiekt,
En
dan merken dat je Opa
In
iets ligt, dat leelijk riekt.
Want
o, 't is zoo heerlijk 's zomers buiten !
Als
de duiten zijn gevlogen
Als
ze weer naar huis toe gaan,
Komen
ze met zomersproeten
En
met bruine handen aan.
Ondanks
al hun narigheden,
Hun
ellende en geween
Geuren
ze nog met hun reisje,
Zeggen
ze aan iedereen:
,O
o, 't is zoo heerlijk 's zomers buiten !
Terug
naar overzicht
Zondagsrust
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(Gemaakt
naar aanleiding van een verbod der politie om ’s zondags muziek te
maken)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
Zondag
is de dag des Heeren,
Iedereen
rust Zondags uit,
Laat
ons dus den Zondag eeren,
Nergens
klinke wangeluid,
Geen
lawaai meer langs de straten,
Bus
en tremgebel is uit.
‘t
Is verboden luid te praten,
Zelfs
een brand wordt niet gebluscht,
Alles
voor de Zondagsrust.
Honden
mogen niet meer janken,
Op
de Maas wordt niet gewerkt,
Arm
en rijk zwelgt sterke dranken,
En
daarna wordt druk gekerkt.
Koffiehuizen
zijn gesloten,
Ook
de gasfabriek staat stil,
Zondagsrust
wordt ruim genoten,
Iedereen
doet wat hij wil.
't
Is een uitkomst, 't is ‘n lust,
Rotterdamsche
Zondagsrust.
Niemand
mag muziek meer maken,
Op
concert of matiné's,
Zelfs
de vogels op de daken,
Houden
zich des Zondags heesch.
Maar.
... in den Dierentuin daar spelen,
Muzikantjes
ongestoord.
Zondagsrust
kan hun niet schelen,
Zoo
dat heel de stad hun hoort.
Niemand
voelt daar groote lust,
Voor
de zoete Zondagsrust.
Daarom
mis ik mijn gietare
Daarom
sta ik voor Piet Snot,
Zonder
hulp van zoete snaren,
Zeg
ik wat ik zingen mot.
Als
ik toch muziek ging maken,
Kreeg
ik een procesverbaal,
Daar
moet ik secuur voor waken,
'k
Vrees de dienders en schandaal.
Burgerij
wees dus gerust,
'k
Waak voor uwe Zondagsrust,
Terug
naar overzicht