SeniorPlaza

Neutraliteit (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wanneer z' in Maastricht ons met bommen gaan smijten,

Dan zien we dat voor een vergissinkje aan.

Want niemand in Holland zou willen beweren

Dat dat door een vijand expres was gedaan.

We helpen voortdurend gewonden en zieken,

Ze vinden ons nacht en dag voor hen bereid,

En als ze uit dankbaarheid ons laten springen,

Zwijgen we voor onze neutraliteit.

 

Wanneer men in Engelsche kranten kan lezen,

Dat wij hier in Holland verraderlijk zijn,

En dat we de Duitschers door Limburg lieten,

En dat onze houding niets meer is dan schijn.

Dan zorgen w' in Oldenbroek voor de gevluchten,

Ze krijgen hun voedsel en ligging op tijd.

We sturen ze lekkers verpakt in hun kranten

En denken maar aan onze neutraliteit.

 

Wanneer in IJmuiden de mijnen verschijnen,

Dan staan we gereed en we nemen ze mee,

En als ze niet barsten, wanneer we ze vinden,

Dan zijn we al dankbaar, gerust en tevree.

En raakten we al 'n paar van onze schepen,

Door zulke cadeautjes van kennissen kwijt,

Dan zorgen we nog voor hun zieke matrozen,

Dan denken we aan onze neutraliteit.

 

Wanneer z' onze schepen op ze blijven zoeken,

En 't graan, dat ons toekomt, verbeurd word verklaard,

De reeders dupeeren met grote verliezen,

En geen onzer lijnen nog rustig meer vaart,

Dan krijgen ze toch onze koetjes en schaapjes,

Hun spek en hun boter en eitjes op tijd.

En als we dan zelf op een houtje gaan bijten,

Dan doen we dat voor onze neutraliteit.

 

Wanneer z' ons maar blijven negeeren en plagen,

Alsof w'n troep onderhoorigen zijn,

Wanneer ze ons toch niet met rust willen laten,

Dan slaan we terug met 'n bom en 'n mijn.

Wanneer ze ons zoover de donder in jagen,

Totdat onze handen gaan jeuken van nijd,

Dan zullen we ons door geen mensch laten trappen,

Dan vechten we voor onze neutraliteit.

 

Terug naar overzicht

Nieuw wien Neêrlandsch bloed (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wie Neêrlandsch graan per boot verwacht,

Van vreemde smetten vrij;

Wiens mailboot niet werd opgebracht,

Verheft den zang als wij.

Wie tusschen honderd mijnen voer

Met een omklemde borst;

Die  ??????

 

Wie Neêrlandsch werkelooze is

En van zijn weekgeld vrij,

Die 'n paar maande honger leed

Kijkt net zo scheel als wij.

Hij kauwt met ons vereend van zin

Op 'n stuk oubakken korst,

En stemt met ons geen feestlied in

Bij dertien graden vorst,

Bij dertien graden vorst.

 

Wie Neêrlandsch bloed door d' aderen vloeit

Van limonade vrij,

Wiens maag van ouwe klare gloeit

Verheft zijn prop als wij.

Hij schenkt met ons vereend van zin

En zorgt dat ie niet morst,

Het godgevallig glaasje in

Voor vaderland en dorst,

Voor vaderland en dorst.

 

Wie Neêrlandsch geld in 't laatje vloeit

Door reuzenknoeierij,

Wiens hart voor contrabande gloeit

Is goochemer dan wij.

Hij leeft met ons vereend van zin,

Maar als tie even dorst,

Verpatste ie voor woekerwinst

Zijn vaderland en vorst,

Zijn vaderland en vorst.

 

Wie Neêrlandsch graan expres verknoeit

Uit laffe pesterij,

't Met petroleum besproeit

Is grooter schurk dan wij.

Hij gunt niet aan een arm gezin

Waar 't varken nu mee morst,

Hoe draait zoo'n vent de bak niet in

Voor vaderland en vorst,

Voor vaderland en vorst.

 

Wie Neêrlandsch bloed in d' aderen vloeit

Voor de neutraliteit,

Wiens hart voor d' oorlogsleening gloeit

Dokt net zoo graag als wij.

Hij stopt met ons vereend van zin,

Met onbeklemde borst,

Zijn laatste cent de schatkist in

Voor vaderland en vorst,

Voor vaderland en vorst.

 

Wie Hollandsch bloed door d' aderen vloeit

Van zachten dwang nog vrij,

Wiens hart voor d' arme Belgen gloeit

Die helpen mee als wij.

Hij stilt met ons vereend van zin

Den honger en den dorst,

En wenscht het Belgisch volksgezin

Zijn vaderland en vorst,

Zijn vaderland en vorst.

 

Terug naar overzicht

O, die meiden (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Refrein:

Als de jonge lui gaan trouwen

Weten ze niet wat hun wacht;

Hoe ze met de keukenmeiden moeten omgaan dag en nacht.

't Eerste wat hun dan al dad'lijk van het huwelijk berouwd;

Is dat ze niet met z'n beiden maar in drieën zijn getrouwd.

 

Als er twee mevrouwen praten

Is 't niets dan narigheid,

Hoor je niets dan razen schelden

Op die sufferd van 'n meid.

In de schouwburg, bij konserten,

Waar ze gaan en waar ze staan.

Zingen ze direkt tweestemmig,

Deze alt en die sopraan.

 

Refrein

 

Laat ze 'n dure vaas soms vallen

Zegt zoo'n keukenduivelin:

,,He mevrouw, maak niet zoo'n drukte,

D'r zit maar een scheurtje in."

Als er met datzelfde pronkstuk

Weer 'n ongeluk gebeurt,

Zegt ze: ,, wat kan mij dat schelen,

Want 't ding was al gescheurd."

 

Refrein

 

Zondags kan je ze niet houwen

Want 't is hun uitgaansdag,

Zoodat dan 't lieve vrouwtje

Zelf 't eten koken mag.

En meneer moet liefjes zeggen

Dat ie van zoo'n maaltje houdt,

Aangebrande karbonaden

Soep met suiker, koek met zout.

 

Refrein

 

Als ze 's avonds in de keuken

Met d'r vaste jongen vrijt,

Durft Mevrouw d'r niet te storen

Want 't is d'r vrije tijd.

Krijgt ze van 't minnemallen

'n Ongelukkie op 'n keer,

Durft ze aan Mevrouw te zeggen

't Lijkt toch sprekend op meneer.

 

Terug naar overzicht

Ode aan de blauwe zee (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Blauwe zee van ver gekomen,

Golven die zoo loome droomen,

Droomen van een eeuwig leven,

Droomen van een eeuwig zijn,

Zacht zingt de zee,

Zangen van weemoed,

Zacht zingt de zee,

Zangen van wee.

Zingt de haring mee,

De haring is een visch,

Die zoo verfrischend is,

Als men katterig is.

 

Terug naar overzicht

Ode aan Nederland (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

O Nederland, mijn Nederland,

Waar ik zo gaarne woon.

Gij zijt mijn deftig vaderland,

Ik ben uw trouwste zoon.

O Nederland, o Nederland,

Hoe komt gij toch zoo schoon.

 

Stil Nederland, ik watertand,

Wanneer ik u bekijk.

Dan wuif ik met mijn rechterhand .

En zeg: "Hoe wonderlijk."

Stil, Nederland ! Stil Nederland,

Geweld uit wier en slijk.

 

Zeg, Nederland, de zieleband,

Die broederliefde hiet,

Is sterker dan de olifant.

En echter dan graniet.

Zeg, Nederland ! Zeg Nederland !

Ben ik uw zoon of niet ?

 

Ach, Nederland, wat zijt gij groot,

Vooral uw waterkant.

Nooit zag ik rooder avondrood ,

Dan aan uw blinkend strand.

Ach, Nederland ! Ach Nederland !

Druk mij de broederhand.

 

Kom,  Nederland, kom plekje grond,

Waar steeds mijn broodje groeit.

Waar ook mijn geurig wiegje stond,

En thans het slachtvee loeit.

Kom, Nederland !, kom Nederland !

Gij zijt met vee besproeid.

 

Zie, Nederland. waar ik ook staar,

't Is alles poëzij.

De duinen hier, de weiden daar,

En verderop de hei.

Zie, Nederland ! Zie Nederland !

Mijn hunnebed zijt gij.

 

Dus, Nederland, vertrouw op mij,

Herinner u dit lied.

Verlangt uw hart naar poëzij,

Vraag dan aan mij een lied.

Dus, Nederland ! Dus Nederland !

Geneer u dan maar niet.

 

Terug naar overzicht

Ome Hein is dood (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ome Hein was naar geworden van een vette varkenspoot

Da'lijk was 'ie buiten kennis en in twee uur lei 'ie dood

Juist wou 'ie een happie nemen, toen 'ie eensklaps akelig werd

Van z'n achtste varkenskluifje en z'n tiende bord met erwtensoep

En, Ome Hein die is t'r bij, hij leit in z'n kissie

Maar, z'n spaarpot krijgen wij, als een gedachtenissie

 

Tante Ka zat maar te huilen, als ze langs z'n konen streek

En ze werd nog veel beroerder, toen ze in z'n soepbord keek

Zuchtend zei ze bij zichzelve: "Ach, die lieve, goeie man

't Is toch zonde van de kluiven, want daar heeft 'ie nou niks meer an"

En, Ome Hein die is t'r bij, hij leit in z'n kissie

Maar, z'n spaarpot krijgen wij, als een gedachtenissie

 

Al de neefies en de nichies zeien: "Ome Hein, rust zacht"

Zo een droef en spoedig einde, had geen een van hen verwacht

En ze riepen door hun tranen: "O, nu missen we 'm pas"

En ze snikten dat hun ome toch zo'n mooie dooie was

En, Ome Hein die is t'r bij, hij leit in z'n kissie

Maar, z'n spaarpot krijgen wij, als een gedachtenissie

 

Al de vrinden en bekenden weenden bitter op de kroeg

Grote, droeve, bittere tranen, bitter, bitter, nooit genoeg

En ze zuchtten: " 't Is ellendig dat de dood 'm heeft gehaald

Maar, gelukkig dat 'ie juist nog de contributie heeft betaald"

En, Ome Hein die is t'r bij, hij leit in z'n kissie

Maar, z'n spaarpot krijgen wij, als een gedachtenissie

 

Voor de winkels, waar 'ie haalde, was 't ook een grote slag

Want geen een van al de klanten, knalde zoveel op een dag

En de visboer zuchtte treurig: "Jammer, jammer van de man

't Is weer de tijd van de nieuwe haring en daar hield 'ie net zoveel van"

En, Ome Hein die is t'r bij, hij leit in z'n kissie

Maar, z'n spaarpot krijgen wij, als een gedachtenissie

 

Terug naar overzicht

Ons Hollands ideaal (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Netjes op de wereld komen

Met 'n scheiding in je haar;

Netjes thuis bezorgd te worden

Door een nette ooievaar

Als je Moe door 'n visite

Jammer niet de deur uit mag;

En je Pa niet naar kantoor moet

Op een Beursvacantiedag

Juist op tijd geboren worden

Niet te vroeg en niet te laat

Net precies op je verjaardag

Anders spreekt de wereld kwaad

Dat wensen wij ons allemaal

Dat is ons Hollands ideaal

 

Netjes op je vader lijken

Net zo dom en net zo vlug

Net zo uit je ogen kijken

Anders stuurt hij je terug

Nooit aan anderen verklikken

Waar je Pa je Moe voor scheldt

Wie de broek draagt van hun tweeën

En de baas is van 't geld

Netjes eten, netjes praten

Tonen dat je vormen kent

Nooit wat doen en nooit wat laten

Als je op visite bent

Dat wensen wij ons allemaal

Dat is ons Hollands ideaal

 

Netjes met een meisje trouwen

Met een bruidsschat van 'n ton

Duiten bij elkander hou'en

Rente, kapitaal, coupon

Altijd netjes op je zaken

Koffiedrinken op kantoor

Op de tram een praatje maken

Tweede klasse op 't spoor

Dan je leunstoel, je sigaartje

Met je vrouwtje en de krant

Warme toffels en je klaartje

Wonen in je eigen pand

Dat wensen wij ons allemaal

Dat is ons Hollands ideaal

 

Terug naar overzicht

Onze Indische gasten (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Als verfijnde hovelingen,

Zo aandachtig en zo moe,

Komen ze na jaren werken,

Mager naar Europa toe.

Om hun levers op te knappen,

Op de hei of aan 't strand,

Of 'n kouwe neus te halen,

In 't lieve vaderland,

In 't lieve vaderland.

 

Menigeen, die vroeger jaren,

Door zijn ouders werd geloosd,

Komt tot iedereens verbazing,

Als een prachtmens uit de Oost.

Heel zijn juichende familie,

Haalt hem aan de stoomboot af,

Jammer maar dat hij zijn ouders,

Moet gaan groeten aan hun graf.

 

Meestal zijn hun overjassen,

Veel te lang of veel te klein,

Dragen ze gekleurde dassen,

Die al uit de mode zijn.

Met hun grote, fletsche oogen,

Zien ze hier 't zaakje aan,

Net alsof ze weer na jaren,

Voor hun kinderspeelgoed staan.

 

Terug naar overzicht

Onze ouwe dag (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Als je je leven lang hebt zitten potten

Om op je ouwen dag binnen te zijn,

Als je te zuinig was om 's te fuiven,

Als je maar tobde in zorg en chagrijn,

Als je dan nog met je oogen kan kijken,

Als 'n mond hebt met tanden er in,

En ze je niet in 'n gekkenhuis stopten,

Dan ben je binnen en heb je je zin.

 

Als je geen bittertje meer kan verdragen

En je niet rooken mag voor je gestel,

Als je niet slapen kan zonder morphine,

Door je bronchitus of levergezwel,

Als er geen mensch is die met je wil praten,

Als je 'n houpost ben voor je gezin,

Als je dan moeder de vrouw ziet begraven,

Dan ben je binnen en heb je je zin.

 

Als je je leven lang heb zitten tobben,

's Nachts in je bed, over dag op kantoor,

Als je je eigen hebt leelijk zien worden,

Ben je genekt en je weet niet waarvoor.

Zoek je naar rust die je toch niet kan vinden,

Zoek je naar troost en je weet niet waarin,

Ga je je rente maar op zitten potten,

Dan blijf je binnen en heb je je zin.

 

Als dan je huishoudster voor je komt zitten

Die je geen antwoord geeft als je niet snauwt,

Die je niet hoort als je 's nachts ligt te hoesten,

Die je blijft negeren tot je d'r trouwt,

Als dan je kind'ren je niet meer bezoeken,

Zonder 'n brief met 'n bankje er in,

Als dan je jongen je spaarpot verbommelt,

Dan ben je binnen en heb je je zin.

 

Als je een paar jaar lang heb liggen lijden,

Dan wordt je dokter je eenige vrind,

Die je soms troost als je bang voor den dood ben,

En met je praat als een ziekelijk kind,

Tot je gaat suffen en wezenloos kijken,

Dan komt je levensverzekering in,

Dan ga je dood en dan wor je begraven,

Dan ben je binnen en heb je je zin.

 

Terug naar overzicht

Op dan soldaten (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Vooruit eensgezind,

Wanneer het spel begint,

Nu allen de wapenen dragen.

Voorop in den strijd,

Met moed en beleid,

Al zijn wij ten doode gewijd.

Nergens meer morren of klagen,

Moedig 't oorlogsveld in,

Gaan we het leven wagen

Voor vaderland en Koningin.

 

Refrein:

Op dan soldaten,

Op, in het vuur;

Springen de granaten,

Wij blijven staan als een muur,

Niets kan ons onze post doen verlaten.

Weest bij de hand.

Op dan soldaten, moed, houdt stand,

Leve 't Vaderland.

 

Maar komt er hier nood,

En wacht ons den dood

Dan wordt 't Wilhelmus geblazen.

Dan neem je je spuit

En trek j' er op uit,

En schiet je dwars door de huid.

Laat dan de kogels maar razen,

Achter 't fort en de schans,

Al zijn 't ook vechtersbazen,

Toch krijgt geen een hier een kans.

 

Refrein

 

Al vecht je misschien

Met één tegen tien,

Toch veel liever sterven dan wijken.

De trommen die slaan,

Het vaandel vooraan,

Een ieder zijn plicht nu gedaan.

Laat dan je heldenmoed blijken,

Niemand toon' zich dan nog bang,

Over gewonden en lijken,

Davert het zegegezang.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Opoe (J.H. (Koos) Speenhoff)

Opoe had d'r hele leven, voor de kindertjes gesjouwd

Al d'r meisjes en d'r jongens, waren na elkaar getrouwd

Toen is opoe in gaan wonen bij d'r jongste lieveling

En daar wachtte ze geduldig tot ze naar het kerkhof ging

 

In 't begin was opoe alles, ieder was haar aangenaam

't Warmste hoekje naast de kachel, 't mooiste plaatsje voor het raam

Maar toen Opoes  spaarbankboekje, helemaal was afgezet

En toen opoe lam ging liggen, moest ze 's middags vroeg naar bed

 

Eerst moest Opoe naar de keuken, had d'r lieveling gezeid

Toen moest Opoe naar de zolder, in de bedstee van de meid

Maanden lag ze daar te suffen, niemand had meer medelij

Tot de kleine meid kwam zeggen, dat d'r opoe niks meer zei

 

Terug naar overzicht

Ouderdomspensioen (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Dorus was voor zijn pensioentje

Naar het postkantoor gegaan,

Met 'n droppel aan z'n kokkert

Pakte ie de centen aan.

"Dank ie", zei die vroolijk zuchtend,

Met z'n oogies op mekaar,

't Was voor 't eerst dat ie weer lachte

In de laatste vijftien jaar.

 

Bevend stapte-nie naar buiten

Met die twee pop in z'n zak.

Eerst kocht ie 'n houten pijpie

En 'n onsie rooktabak.

Toen ging die 's effies temmen

Om te kijken hoe dat ging.

Want hij most 't zijn hebben

Van dit elektrieksche ding.

 

Dorus tremde naar 't kerhof

Waar z'n ouwe Sientje lag

Met de centjes in z'n handen

Zei die d'r 's goeien dag.

Als die ouwe nou nog leefde

Kreeg ze d'r d'r porsie van.

Maar die was nou in den Hemel

En daar heb-ie d'r niet an.

 

Dorus liep met rooje oogen

En z'n centjes naar de stad

En daar ging ie dalijk zoeken

Of tie soms nog kindren had.

Toen z'n schoonzoon 'm zag komme

Zei die "Smeer 'm maar medeen."

Tot ie van 't pensioentje hoorde

En toen vroeg ie wat te leen.

 

Dalijk moest de ouwe dokken

Voor die heel de boel verzoop

Met z'n dochter en de jongens

Moest-ie naar de bioskoop.

Toen nog 'n portretje maken

Bij de druk maar op de knop

Daarna nog 'n lekker rondje

En toen was 't hussie op.

 

Toen d'r niks meer viel te halen

Ging z'n schoonzoon d'r vandoor

En van de geleende centen

Namen ze d'r nog een voor.

Zachies zei die toen z'm platzak

Voor 't armenhuis lieten staan:

" 't Is te weinig om te leven

En te veel om dood te gaan."

 

Terug naar overzicht

Overste Speenhoff (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Als ik door ons ministerie

Als overste word aangesteld,

Dan ruk ik uit met onze troepen,

Dan zing ik op het oorlogsveld.

Dan trek ik als gewapend zanger,

Door ons gezegend Vaderland,

Mijn instrument is dan mijn degen,

Mijn vrouw is dan mijn adjudant.

 

Dan gaan we rats en boonen eten,

Zoals 't heele regiment,

We komen elken vrijdagmiddag,

Om ons enorme traktement.

Mijn haar dat wordt gemillimeterd,

Mijn baard krijgt de soldatenvorm,

Mijn lange, zwarte, dichte soepjas,

Verandert in een uniform.

 

Wanneer de troepen ergens rusten,

Nadat er lang getippeld werd,

Dan stap ik op de keukenwagen,

En zing een ode aan de snert.

De horenblazer begeleidt me,

De tamboer roffelt me de maat.

Het vrije veld wordt m'n comedie,

En m'n publiek is de soldaat.

 

Als ik als overste ga dienen,

Dan leve de artistenstand,

Ik geef ze een millioen subsidie,

Ten koste van ons lieve land.

Een peloton rijks grappenmakers,

Zorgt voor de stemming in het fort,

En dat de heel bende jongens,

Een lachend, zingend leger wordt.

 

Als ik als overste ga dienen,

Als m'n collega predikant,

Dan maken we ons beiden nuttig,

In het belang van Nederland.

De een die zegt gedenkt te sterven,

En spreekt er van de eeuwigheid,

De ander zegt gedenk te leven,

Liefst naast een goed gezinde meid.

 

Terug naar overzicht

Ouwe vrijers (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

O die stille ouwe vrijers,

Zonder vrouw en zonder kind.

Door geen trouwe echtgenoote

Om zichzelf alleen bemind.

Maar waarvan de booze wereld

Toch zoo leelijk denken kan,

Dat ze veel meer dames kennen

Dan een 'n braaf getrouwde man.

 

O ! die stille, ouwe vrijers

Met hun vriendelijk gedoe,

Hoe aandachtig en bescheiden

Gaan ze naar hun Soosje toe.

Als men ze zoo kalm ziet loopen

's Middags in de zonneschijn,

Zou toch niemand durven denken

Dat ze thuis zoo lastig zijn.

 

Och, zoo'n stille, ouwe vrijer

's Morgens vroeg al op het pad

Loopt hij ernstig na te denken

Over z'n geboortestad.

Zoo nieuwsgierig als de kippen

Raakt ie helemaal van streek

Als er iets wordt afgebroken

Waar hij jarenlang naar keek.

 

Och, zoo'n stille, ouwe vrijer,

Waar haast niemand wat om geeft,

Moet er een belasting komen

Omdat hij geen vrouwtje heeft.

Als hij dan niet kan betalen

Juist precies op de termijn,

Wordt hem bij de wet verboden

Langer vrijgezel te zijn.

 

O ! die stille, ouwe vrijers,

Bij hun kopjes chocola,

Kijken zij de huishoudboekjes

En de koekjestrommel na.

Als ze bij de zestig komen

Krijgen wel eens berouw,

En dan trouwen ze tenslotte

Met hun grijze huisjuffrouw.

 

O ! die stille, ouwe vrijers,

Voor wie nieuwigheid niet deugt,

Met hun broeken, vesten, jassen

Naar de mode van hun jeugd.

Met hun brieven en portretten,

Met meubels jaren oud,

Met hun praatjes over meisjes

Waar ze niet mee zijn getrouwd.

 

O ! die stille, ouwe vrijers,

Met hun nooit gestreelde haar,

Die nog van hun moeders praten

Als voor dertig, veertig jaar.

Die maar altijd loopen zoeken

En toch blijven ze er af

Tot ze op 'n dag 't vinden

In hun onbeweende graf.

 

O ! die stille, ouwe vrijers,

Had ik er maar 'n dozijn,

Want ze kunnen voor hun nichtjes

Zulke beste erfooms zijn.

En nu eindig ik mijn liedje

Deze welgemeende grap,

Met een vriendelijke buiging

Voor de ouwe vrijer-schap.

 

Terug naar overzicht

Piet Lut (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Meneer Piet Lut kent iedereen, 't is een man van zaken

Die zich zeer gewichtig voelt, als de schoenen kraken

Zondags loopt 'ie langs de kerk, o, 't is zo'n fijne

Als 'ie op de dienstmeid vloekt, zegt 'ie 'Gossiemijne'

 

Meneer Piet Lut, die rekent zich bij de brave mensen

Die de prostitutiezaak vreselijk verwensen

Hij is van dat fijne soort, die de schijn vermijden

Maar de kat in 't donker knijpt, op de keukenmeiden

 

Meneer Piet Lut, als vrijgezel, had een aardig meissie

Daarmee deed 'ie in 't geniep menig boemelreissie

Eens zei hij: "Vaarwel, lief kind, ik ga deftig trouwen

Maar ik laat je niet alleen, jij mag ons kindje houen"

 

Hij zit in een Duitse kroeg, 's avonds tegen tienen

Knijpt 'ie stiekum in 't vlees van de kelnerine

En die zeggen 'm aan z'n oor: "O, jouw stoute blondje

Ieder kneepie kost een fooi, of je geeft een rondje"

 

Meneer Piet Lut z'n neus is rood, net zo rood als kroten

Als een vlieg d'r lang op zit, is 'ie aangeschoten

"Daar kan ik toch niks aan doen", hoor je hem steeds urmen

"Dat komt niet van de rooie wijn, ik heb last van wurmen"

 

Hij denkt dat 'ie om z'n geld overal gezien is

De meisies schelden 'm op de straat uit voor halve Tinus

En wanneer 'ie dan zo loopt, schijnt 'ie te vergeten

Dat z'n opoe, in een kroeg, proppies heeft versleten

 

Meneer Piet Lut heeft de koetsier en een open koetsie

Ze rijden samen langs de straat, enkel voor 't koetsie

Dan zie je nooit wie van de twee, of dat de koetsier is

't Enige wat je wel kan zien, dat is, wie de grootste klier is

 

Terug naar overzicht

Plaatselijke keuze (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

O, wat zou het heerlijk wezen

Menschverheffend en gezond,

Als door plaatselijk keuze

Er geen borrel meer bestond.

Door die pracht geheelonthouding

Werd  de levensduur zoo groot,

Dat de dokters niets verdienen,

Want er gaat geen mensch meer dood.

 

Alkohol is uit den booze

Weg met sterke drank en wijn

Niemand mag meer dronken wezen

Iedereen moet nuchter zijn.

Voor de zenuwsterke proevers

Wordt 't 'n beroerde wet

Want die liggen in de toekomst

Met 'n literflesch in bed.

 

Als w' ons alles gaan ontzeggen

Waar we dood van kunnen gaan,

Is 't al dalijk met de liefde

En de luiermand gedaan.

Kinderen krijgen is gevaarlijk

Weg met 'd ooievaar & Co

Die vervaardigen we chemisch

In een stoomfabriek of zoo.

 

Wie is toch "lekale opsie"

Vroeg de werkvrouw an de knecht

Snap je wat ze daar mee willen

Is dat goed of is dat slecht ?

Mensch wat ben jij voor 'n ezel

Dat jij dat niet hebt gesnapt

Dat zijn zoo van die lekalen

Waar geen propsie wordt getapt !

 

Als de Koningin moet drinken

Op een buitenlandsche vorst

Wordt er saliemelk geschonken

Voor 't lesschen van den dorst.

Als dan de Gezant wil danken

Bij zoo'n deftig hofdiner

Moet hij klinken met 'n koppie

Streng theeïne-vrije thee.

 

Weg met vleesch en dierlijk voedsel

Weg met drank en met tabak

Als we nu nog naakt gaan loopen

Zijn we pas op ons gemak.

Hygiënisch antiseptisch

Alles gedesinfecteerd

Stel u voor dat wij hier allen

Waren gedecolleteerd.

 

Als een vrijer met zijn meisje

Zit te zoenen op de grond

En een diender roept verbolgen:

"Zoen die meid niet op d'r mond !"

Zegt de vrijer: "hoor 's diender

Waar mot ik 't anders doen

Dat is plaatselijke keuze

Wil je soms dat ik jou zoen ?"

 

Terug naar overzicht

Polderlied (Lied van eene slechte meid) (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Zeg Rooje wat zal jij verschrikken

Als jij 's thuis gevaren ben.

Dan zul je zien en ondervinden

Dat jij de polder niet meer ken.

De heele keet wordt afgebroken,

De heeren krijgen nou d'r zin.

De meides motten uit d'r zaakies,

De burgemeester trekt er in.

 

Ze gaan de Zandstraat netjes maken,

't Wordt een kermenadebuurt.

De huissies en de stille knippies,

Die zijn al an de Raad verhuurd.

Bij Nielsen ken je nie meer dansen,

Bij Charleij geen meissies meer,

En Moeke Bet draag al 'n hoedje.

Die wordt nu zuster in den Heer.

 

Ik snap niet wat ze van ons wille,

Het zaakie ging nou net zoo tof,

Hoe mot ik nou m'n schuld betalen,

De brouwerij die heit de sof.

We hadden zoo'n cement an zeelui,

D'r lag nou zegen op 't huis,

En Lena met d'r slappe jatte,

Die smoesde al een piesie Duis.

 

Ze zelle ook 'n bond gaan make,

En Spiekman wordt de President,

Met al die meides van de vlakte

Staat heel de Polder overend.

Dan gaan we potverdorie staken,

Geen kerel kijke' me meer an,

Dan mot de Raad 't zelf maar weten,

Waarof tie dan nog zoenen kan.

 

Voor mijn part kenne' ze bevrieze',

Voor mijn part krijgt de Raad 'n bult,

Wanner we weer fesoend'lijk worden,

Is dat die lui d'r eige schuld.

Nou vinden we temee op Charlois

Een huisie en 'n boterham,

Of anders op de Hoek van Holland,

Dat is ons nieuwe Rotterdam

 

Terug naar overzicht

Populair zijn

(J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wanneer men hier op 't tooneel,

De menschen ergert met z'n keel,

Daarbij 'n keurig rokpak draagt,

En zich aan hooge noten waagt,

Of met 'n bladmuziek papier,

Een triller zing uit de Barbier,

Die dan maar hijgt en perst en zweet,

En zegt dat hij Caruso heet,

Is dad'lijk, is dad'lijk, is dad'lijk populair.

 

Die dertig jaren is getrouwd,

En dan nog van 't huwelijk houdt,

Die als een voorbeeld heeft geleefd,

En nooit gelijk gekregen heeft,

En die, wanneer er wordt gekijft,

De oudste en de wijste blijft,

En dan omdat hij altijd zwijgt,

De Nobel-prijs voor de vrede krijgt,

Is dad'lijk, is dad'lijk, is dad'lijk populair.

 

Die heel zijn leven heeft gestaakt,

Zijn eigen bankbiljetten maakt,

Niet onder dienst is willen gaan,

En nimmer eeden heeft gedaan,

Die spiernaakt langs de straten loopt,

En nog op wereldvrede hoopt,

Een prachtig ijsbeervel aan trekt,

En dan de Noordpool niet ontdekt

Is dad'lijk, is dad'lijk, is dad'lijk populair.

 

Wanneer 'n man z'n brave vrouw,

Maar liever niet meer hebben wou,

Wanneer hij haar in stukken hakt,

En keurig in een koffer pakt,

Die dan nog in de kranten schrijft,

Dat hij een nette kerel blijft,

Dat hij van heel de zaak niets weet,

En bovendien nog Grippen heet,

Is dad'lijk, is dad'lijk, is dad'lijk populair.

 

Die men zoo maar als gek beschouwt,

Omdat hij van geen diender houdt,

Die men een flinke bloedneus slaat,

En dan 'n jaar de kast in gaat,

En die als hij ontslagen is,

Nog blijft bij z'n getuigenis,

En aan de heele wereld zegt:

"Ik ben er een van Papendrecht",

Is dad'lijk, is dad'lijk, is dad'lijk populair.

 

Terug naar overzicht

Raad van een vader aan zijn dochter (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Innig geliefde dochter !

 

M'n Pieternel je moet 'r 's hooren,

Voor jij ons zoo meteen verlaat,

Ik heb jou nog 'n raad te geven,

Voor jij naar Rotterdam toe gaat.

Dat jij maar altijd op moet passen,

Wees altijd eerlijk, doe geen kwaad,

Je moet maar denken aan je Vader,

Die lid is van de kerkeraad.

 

Vergeet ook nooit je Christenplichten

Van elke Zondag naar de kerk.

En vijfmaal 's weeks categesatie,

Je Godsdienst die gaat voor je werk.

En als je menschen daar op vitten

Dat jij zoo elken avond gaat,

Dan zeg je maar: ,,Dat wil me Vader,

Die is lid van de kerkeraad.

 

Wanneer je ergens in de kamer

'n Kwartje of een stuiver vindt,

Geef dat dan daad'lijk aan je menschen

Want houwen mag je 't niet kind.

Maar als een vrind, die komt logeeren

'n Fooitje voor 't meisje laat,

Stuur dat dan lekker aan je Vader,

Die is lid van de kerkeraad.

 

Je mag niet aan de deur staan vrijen,

Dat past niet voor een eerlijk kind,

Geloof maar nooit dat jij daar ginder

'n Christelijke jongen vindt.

Van zoentje komen altijd zoentjes,

Bewaar die tot je trouwen gaat.

En zoen aar leiver 's je Vader,

Die is lid van de kerkeraad.

 

Wanneer meneer je an wil halen

Als jou mevrouw een boodschap doet,

Dan laat je 'm je Bijbel kijken,

Dan krabbel je 'm in z'n snoet.

Dan zorg je maar dat ie z'n handen

In spelden van je borstrok slaat,

Dan zeg je maar: ,,Dat wil me Vader,

Die is lid van de kerkeraad."

 

Wanneer je 's avonds in de keuken

Je heele afwasch hebt gedaan,

Dan mag je in geen boekies lezen

Waar sociaalderijs in staan.

Je mot vooral geen liedjes zingen,

Waar Speenhoff of zoiets op staat,

Je weet wel dat je grijze Vader

Die nooit zing in de kerkeraad.

 

Wanneer je glazen staat te zeemen

Hou dan je rokken bij elkaar,

Want anders worden slechte mannen

Je beenen en je broek gewaar.

Wanneer ze in de hoogte waaien,

Als jij zoo op je trapleer staat,

Denk dan 's an je grijze vader,

Die lid is van de kerkeraad.

 

Wanneer je menschen willen hebben

Dat jij je heele lijf soms wascht,

En dat je ook een bad moet nemen,

Dan zeg je maar dat dat niet past.

Dat deugt niet voor een eerlijk meisje,

Dat op 't Christelijke staat.

Je Vader waschte nooit z'n voeten

Die lid is van de kerkeraad.

 

Terug naar overzicht

Raadhuisbouw (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Rotterdam ligt nog op sterven

Door de vreeselijke wond,

Die er voor een poos geleden

Aan de Coolsche vest ontstond.

Dat geen dokter ons kan helpen

Is toch wel iets ongehoords,

Want we hebben nog maar altijd

Veertig graden Raadhuiskoorts.

 

Twee ontzettende adressen

Kwamen in de raad terecht,

Waar de meening van de burgers

Zeer beslist in werd gezegd.

Weg met al die Raadhuisplannen

Zonder stijl van dezen tijd,

Die zich zoo bijzonder kenmerkt

Door volkomen stijlloosheid.

 

Ook de vroede Burgemeester

Stoort zich niet aan dat gevecht,

Want 't Raadhuis zal er komen

Zooals hij 't heeft gezegd.

't Wordt gemetseld en getimmerd

Volgens aangenomen plan,

Al is hij geen groote Bouwheer,

't Is een knappe timmerman.

 

Lange ingezonden stukken

Slikken we weer in de krant,

Van de knapste architecten

In ons stille vaderland.

Als men leest hoe z'elkaar schelden,

Vol van afgunst en venijn,

Zou men denken dat die heeren

Allen stuipekoppen zijn.

 

Evers (1) kan de twist niets schelen,

Kalmpjes teekent hij maar door

Ondanks razen, tieren, schelden

Zit hij toch op zijn kantoor.

Doch om zich wat te verweeren,

Plaatste hij, zoals u weet,

Vijftien scherpe prikkelboompjes

Rondom z'n directie-keet.

 

 

Onlangs vroeg de Deensche Koning,

Wijzend op 't Raadhuisplein,

"Waarom liggen daar geen steenen

Op dat prachtige terrein ?"

"Cher cousin" zei Wilhelmina,

Die met hem in 't rijtuig ree,

"d' Architecten zonder zonden

Smijten daar elkander mee."

 

(1) Professor Evers, architect van het Raadhuis

 

Terug naar overzicht

Roeien op de Bergse plas (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

's Zondags gaan de Rotterdammers schuitje varen voor de gein

Gaan ze, om es uit te wezen, gauw naar Freericks of Romeijn

In de hoekies en de gaatjes is die dan es even fijn

God weet hoeveel Rotterdammers of daar al geboren zijn

 

Refrein:

's Avonds als het donker wordt, ja dan is tie fijn

Want we roeien samen in de maneschijn

Op de Bergse Plas, op de Bergse Plas

Zijn de jongens en de meisjes in hun sas

 

Nette Tinus maakt met Kaatje, tegen donkeren, een toer

Tinus, die zal emmes roeien, Kaatje die zit aan het roer

En als Tinus nou al foetert: "Hou toch bakboord an daar, zeg"

Altijd komt ze met d'r schuitje stuurboord in het riet terecht

 

Refrein

 

Nette Tinus, die geeft Kaatje bovenop d'r toet een zoen

Kaatje, die roept: "Slechte jongen, Tinus, hou nou je fatsoen

Ga weer op je bankie zitten, want het maantje kijkt ons aan"

Tinus, die zegt in d'r oren dat de maan niet praten kan

 

Refrein

 

"Nette Tinus, hou je sjakies, nareling, ik schaam me dood

Als we strakkies gunder komme zijn me koontjes net zo rood"

"Kaatje, Kaatje, da's een praatje, ik heb de boot voor jou gehuurd

Ik wou rechtuit blijven roeien, maar jij hebt 'm in het riet gestuurd!"

 

Refrein

 

Meisjes, meisjes, weest voorzichtig, roei niet in de duisternis

Stap met Tinus in geen schuitje, wat geen huwelijksbootje is

's Avonds, in de stikkedonker, is het op de plas niet pluis

Meisjes, als je daar gaat varen, ga je misschien naar het stadhuis

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Rotterdams brandalarm (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

De brandweer is in Rotterdam,

Nog feller dan de felste vlam,

Ja dan de felste vlam.

Vlug neemt een groote groep klabakken,

De brandsignaaltrompet te pakken, oh.

 

Zoo was er eens een vierde klas,

Die nog niet lang klabakkie was,

Niet lang klabakkie was.

Hij liep maar door en bleef maar fluiten,

En kwam ten leste fluitend buiten, oh.

 

Hij liep langs Dordt en 't Hollandsdiep,

En toen hij kalm de brug op liep,

Ja kalm de brug opliep.

Bleef hij steeds toeteren en schreeuwen,

Voor golven, visschen en voor meeuwen, oh.

 

Zoo kwam dat dienderachtig mensch,

Weldra nabij de Vlaamsche grens,

Nabij de Vlaamsche grens.

Maar zonder daarop goed te letten,

Bleef bij maar moedig door trompetten, oh.

 

Dus liep hij vele maanden lang,

Met zijn weemoedig brandgezang,

Weemoedig brandgezang.

Langs bergen, velden en gehuchten,

Weerklonken zijne brandweerzuchten, oh.

 

En op 't einde van zijn reis,

Vond hij zich dwalen door Parijs,

Ja dwalen door Parijs.

Hij blies zijn laatsten adem uit,

Door zijn beminde brandweerspuit, oh, oh.

 

Terug naar overzicht

Rotterdamsche praatjes (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Rotterdam is toch maar enig,
Jongen, jongen wat een stad.
Iedereen wou dat zijn vader,
Hier een rijtje pandjes had.
Maar al is ook alles prachtig,
En ‘t leven nog zoo fijn,
Toch wil niemand van ons allen,
In Rotterdam begraven zijn.

In de Zandstraat is 't heerlijk,
Overal muziek en licht.
Voor een glaasje oude klare
Slaan ze daar je oogen dicht;
Met revolvers en met messen,
Maken ze elkaar van kant.
Daarom zeker heet de Zandstraat,
In 't begin: “'t Roode Zand.

Boven op de fraaie gevel,
Van ons nieuwe Rechtsgebouw,
Staat met weegschaal en met sabel,
Een geblinddoekte mevrouw;
Maar de blinddoek van haar oogen,
Heeft ze voor haar neus gedaan.
Want de scherpe geur van koffie,
Was niet langer uit te staan. (1)

Op de Blaak staat trotsch en prachtig,
d' Wissel- en effectenbank.
Hooge vensters, fraaie deuren,
Dikke muren glad en blank.
Als de muren dunner waren,
Of van minder sterke steen,
Vlogen de revolverkogels,
Dagelijks er glad doorheen. (2)

Onlangs was een simpel boertje,
De Passage ingegaan,
Want hij dacht er met biljarten,
Gauw een duitje uit te slaan;
"Wel potdorie!" riep 't boertje,
" 't Kost me al een riks of tien;
'k Heb al uren staan te wachten,
En ik heb geen bal gezien !"

Rotterdam was voor 'n poosje,
Nog een achterlijke stad.
Daar men net als vroeger jaren
Niets dan paardentremmen had;
Maar nu zijn er elektrieke,
Ieder wijk heeft nu haar lijn.
Weldra zullen er meer tremmen,
Dan Rotterdamsche burgers zijn.

't Is een herrie en 'n leven,
In die elektrieke tram.
Praatjes maken is niet moog'lijk,
Want je schreeuwt je longen lam.
Prachtig zit je in de wagens,
Je darmen schudden door elkaar,
Gunstig voor de spijsverteering,
Rammelen en hossen maar !

Kijkt ze langs de straten snorren,
Langs hun elektrieke baan.
Die niet haastig in kan stappen,
Laten ze gewoonweg staan;
Voor 'n hijpaal of 'n wagen,
Staat de tram onmiddellijk stil.
Maar 'n mensch wordt overreden,
Als ie dan niet hooren wil. (3)

(1) De rechters dronken onbewust koffie van door den portier gestolen boonen
uit de zakken als bewijs bewaard.
(2) Werd tweemaal achtereen voor de deureen moordaanslag gepleegd.
(3) Gemiddeld twee ongelukken per dag en een doode per week.
Bij de aanvang van de in dienst stelling.

 

Terug naar overzicht