SeniorPlaza

Kinderliedje (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Miesje was een kleine kleuter

Met 'n lintje in d'r haar.

Net zoo'n poppie van 'n peuter

Van maar even zeven jaar.

Moeder zat wel eens te zuchten

Dat ze toch zoo bleekjes zag,

Dat ze dikwijls zachtjes kuchte

Als ze in d'r bedje lag.

 

Elken avond kwam d'r vader

Moe van de fabriek naar huis.

Moeder zorgde dat z'n prakkie

Stond te warmen op 't fornuis.

Vader smulde dan nog lekker

En ging dadelijk naar bed

En dank keek-tie of de wekker

Wel op zeven was gezet.

 

Welterusten Mieze-meisje,

Doe je lieve oogjes toe.

Vader die moet ook gaan slapen,

Want die is al net zoo moe.

Laat de honden nou maar blaffen

Laat 't stormen wat het kan,

Laat ze met kanonnen schieten,

Ik word er niet wakker van.

 

Maar toen Miesje in d'r slaapje

Even zachtjes had gezucht,

Keek d'r vader in d'r bedje

Of z'n schatje had gekucht.

,,Pappie" zei ze ,, Ben u wakker ?

En ik dacht dat dat niet moest,

Want ze hebben niet geschoten,

Miesje heeft alleen gehoest."

 

Terug naar overzicht

Kinderoorlog (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Kleine Pietje speelde oorlog

Met zijn zusje in de gang.

Met zijn scherpe klappistooltje

Maakte Piet Marietje bang.

"Pietje hou nou op met schieten,

Hoor je niet wat of ik zeg",

Riep ze uit een donker hoekje:

"Stoute vijand ga je weg !"

 

Piet die zei: "Ik ben Frankrijk,

Want ik heb geen schoentjes aan."

En Marietje, die was Duitschland,

Want die had geen kwaad gedaan.

Kleine Piet die droeg een steekje,

Net zooals "Napoleon".

En Marietje een trompetje

Waar ze niet op blazen kon.

 

Pietje stond te commandeeren:

"Pas maar op, ik schiet je dood,

Ik ben padvinder, verdikkie,

Want ik ben al net zoo groot."

Tot op eens de kinderoorlog

Een verschrik'lijk einde nam,

Want Marietje die ging huilen,

Tot haar moeder kijken kwam.

 

"Piet, wat is er, stoute jongen,

Heb je zusje kwaadgedaan ?"

"Heusch niet moessie, ik ben Frankrijk

En ik heb niet echt gedaan."

Waarom huil je dan Marietje ?"

Vroeg de lieve moeder toen;

"Moessie," riep ze door haar traantjes,

"Duitschland moet een plasje doen !"

 

Terug naar overzicht

Kleine kleuters (J.H. (Koos) Speenhoff)

Kleine kleuters blond en blij

Komen met de maand van mei

Zoete snoetjes, dribbelvoetjes

Kleine kleuters blond en blij

Slapen in een bed van zij

 

Kleine kleuters arm en schraal

Oogjes kijken ziek en vaal

Stille hikjes, traantjes, snikjes

Kleine kleuters arm en schraal

Slapen in een hospitaal

 

Kleine kleuters lief en teer

Woelen angstig heen en weer

Niemand kent ze of verwent ze

Kleine kleuters lief en teer

Gaan naar onze lieve heer

 

Terug naar overzicht

Kollewijn ! J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Kollewijn de taalverknoeier,

Is 'n eigenwijze man,

Die alleen wil ondernemen

Wat ons heele volk niet kan.

Hij wil ons 'n taal aanmeten

Als 'n jas of als 'n schoen,

Als er wat valt te verbet'ren,

Zullen we dat zelf wel doen;

Kollewijn, Kollewijn,

Dat zal heel wat beter zijn.

 

Hoeveel lange, lange jaren

Hoor je al van Kollewijn !

Onlangs vroeg 'n kindermeisje:

,,Wie zou toch die kerel zijn ?"

Wel dat is een taalhervormer,

Die ons Nederlandsch verfraait,

Die een alleraardigst taaltje

Voor de keuken heeft gedraaid.

Kollewijn, Kollewijn,

Wat zal dat vervelend zijn.

 

Wij zijn met ons dierbaar taaltje

Nog voorloopig in ons schik,

Schrijf maat stikum in je eentje

Vrouwelik en mannelik.

Wie zou er tevreden wezen

Zonder dubb'le o's en a's,

Als we boterletters kregen

Van den goeien Sinterklaas.

Kollewijn, Kollewijn,

Wat zou dat 'n schade zijn.

 

Kollewijn, je moest je schamen

Wees niet langer zoo brutaal !

Waarom maak je zoo'n reclame

Voor je keukenmeiden-taal ?

Hou toch op met dat gezanik,

Man, dan zijn we je verplicht.

Doe 'n zaak in krenten open

En je taalfabriekje dicht.

Kollewijn, Kollewijn,

O, wat zou dat nuttig zijn.

 

Kollewijn, 't ga je prachtig,

Hou je mond en wees een man,

Laat ons volk zijn taal hervormen

Trek je daar maar niets van an.

Kollewijn, 't is te hopen

Dat je Kollewijnsch verdwijnt,

Want je hebt met Kollewijnen

Lang genoeg ons Kol-gewijnd.

Kollewijn, Kollewijn,

Laat ons samen vroolijk zijn.

 

Kollewijn, Kollewijn,

Paling, worst en brandewijn.

 

Terug naar overzicht

Kunegonde (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Hij mind’ een aardig kind,

Haar naam was Kunegonde.

Hij werd door haar bemind,

Want liefde is geen zonde.

 

Ze woonde in een slot,

Met hooge ridderzalen.

Zij vroeg de goeden God,

Belasting te betalen.

 

Haar paatje was baron,

Die had liefhebberijen.

Op de wal stond een kanon,

Om ’s avonds achter te vrijen.

 

Hij lokte haar buiten de poort,

En toonde zijn bruine merrie.

Ze reden ijlings voort,

Toen maakte haar vader herrie.

 

Ze gingen door een bosch,

Met zevenduizend beren.

Die liepen zoo maar los,

Elkander kunstjes te leeren.

 

Hij sloeg ze allen dood,

Zonder ba of boe te zeggen.

Toen waren ze uit den nood,

De beren lieten ze leggen.

 

Toen kwamen zij in ‘n huis,

Met negenhonderd schurken.

En al dat woest gespuis,

Lag 't “Wien Neêrlands bloed” te snurken.

 

Toen trok hij zijn rapier,

En riep “de donder haal-ie”.

Hij stak voor zijn plezier,

De schurken door hun fallie.

 

Toen hij heeft fluks getrouwd,

Die schoone Kunegonde.

Dat heeft 'm leelijk berouwd,

Want ze heeft een minnaar gevonden.

 

Terug naar overzicht

Kuyper in nood (Klaaglied) (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Kuyper, nooit voldane Kuyper,

Schriftgeleerde, journalist,

Rentenier en wereldburger,

Boekenschrijver, publicist,

Kamerlid en staatsminister,

Welgekleede burgerheer.

Kuyper, nooit voldane Kuyper,

Zeg, wat mot je nou nog meer ?

 

Kuyper, Kuyper, stoere Kuyper,

Prachtstuk van ons stoere ras,

Iedereen had durven zweren

Dat je zonder zonden was.

Maar je ridderorden-zaakje

Heeft je leeren kennen, vrind !

Kuyper ! Kuyper, kleine Kuyper,

Waarom ging je in het lint ?

 

Kuyper, Kuyper, wijze Kuyper,

Had je van ons volk gehoopt

Dat 't met verkiezings-duiten

Ridderorden van je koopt ?

Aan die buitenlandsche zwendel

Heeft ons volk vervloekt het land,

Kuyper, Kuyper, domme Kuyper,

Vestig je in Engeland.

 

Kuyper, Kuyper, slimme Kuyper,

Weleerwaarde dominee,

Breng toch nooit weer nieuwe snufjes

Voor ons uit den vreemde mee.

Al de brave mannen-broeders

Zijn van je manieren paf,

Kuyper, Kuyper, domme Kuyper,

Leer toch niets meer buitenaf.

 

Kuyper, Kuyper, fiere Kuyper,

Hollandsche Napoleon

Vraag de Heeren-van-'t-houtje

Medelijden als 't kon.

Als je wilt dat men nog luistert

Naar je sombere persoon,

Kuyper, Kuyper, arme Kuyper,

Spreek dan in de grammofoon.

 

Kuyper, Kuyper, groote Kuyper,

Als je in de kamer komt

Kan toch niemand je gelooven,

Wordt er ,,Lintjes-koop" gebromd.

Dat je zoo iets moest beleven

Op je grijzen ouwen dag !

Kuyper, Kuyper, kleine Kuyper,

Jongen, jongen, wat een krach !

 

Kuyper, Kuyper, trotsche Kuyper,

Hoogbegaafde predikant,

Pladijn der kleine-luiden,

Man van wilskracht en verstand.

Exploitant de clericalen,

Ridder van de eerbaarheid,

Kuyper, Kuyper, trotsche Kuyper,

Man, je bent je standbeeld kwijt.

 

Kuyper, Kuyper, zwakke Kuyper,

Als je ooit het leven laat,

Zorg dan dat er op het steentje

Van je graf geschreven staat:

,,Hier ligt Abraham begraven,

Abraham de Brusselaar,

Hier rust Kuyper, zwakke Kuyper,

Denk aan hem, zijn kruis was zwaar."

 

Terug naar overzicht

Kuyper in nood (Troostlied) (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Kuyper die moet strafwerk maken,

O, wat is tie stout geweest.

Niemand had 't durven denken

Van 'n man met zulk 'n geest.

Hoor 't razen en 't schelden

Van wat zich vrijzinnig noemt,

Heel ons volk gaat naar den Hemel,

Kuyper is alleen verdoemd.

 

't Is 'n meester in de rechten,

Die de zondaar heeft betrapt.

Niemand is er mee geholpen

Nu die alles heeft verklapt.

Waarvoor kwam die ons vervelen

Met z'n openhartigheid ?

Als die meester had gezwegen

Had toch niemand wat gezeid.

 

Is 't billijk zoo te tieren,

Iemand zoo terneer te slaan ?

Om 'n man zoo zwaar te vloeken

Als door velen wordt gedaan ?

Zijn wij allen zonder zonden ?

Kleeft er niets aan ons fatsoen ?

Hebben wij ons nooit bedrogen,

Als we meenden goed te doen ?

 

Vroeger was 'n ridderorde

Iets van geen betekenis.

Goed voor ouderwetsche menschen

Voor wie geuren alles is.

Niemand wou zoo'n vodje hebben,

Zoo'n armoedig stukje band,

Want de ware ridderorde

Was je hart en je verstand.

 

Maar nu er zoo'n hondenpenning

Bungelt aan een zeker heer,

Brullen menschen zonder lintje

Dad'lijk om een raad van eer.

Nu is Nederland verloren,

't Is zijn zelfwaardeering kwijt,

En de zonderlingste menschen

Krijgen last van eerlijkheid.

 

Zelfs als Kuyper is bezweken,

Als tie werk'lijk heeft gefaald,

Is niet hij de grootste zondaar,

Maar degeen, die heeft betaald.

Die 't zaakje heeft bekonkeld,

Die de viezigheid bedacht,

Die den ouden, grijzen Kuyper

In verzoeking heeft gebracht.

 

En als Kuyper zich vergiste,

Trekt ie nog aan 't langste end

En vrind Peeman is de pisang,

Wat 'n ridder wordt die vent !

Want de treurigste van beiden

Is die 't lintje heeft gevraagd,

Is niet hij die 't verleende,

Maar de stakker die 't draagt.

 

Terug naar overzicht

Kuyper te Brussel (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

In de kranten stond te lezen,

Wat of Kuyper heeft gedaan;

Hoe hij spiernaakt in zijn eentje,

Voor de glazen is gaan staan;

Hoe de burgerij van Brussel,

Aan een sater heeft gedacht,

Hoe hij door een paar agenten,

Naar de bak toe is gebracht.

 

Dokter had hem aanbevolen

Zoo'n kuur te ondergaan,

Hoe hij om wat op te knappen

Naakt zoo heen en weer moest gaan.

Ook studenten doen die dingen

Na 't gebruik van heel veel wijn,

Als ze van 't zware fuiven

Ziek in 't hoofd en katt'rig zijn.

 

Maar dat zal wel niet zoo wezen

Drinken is voor Kuyper niets,

Mannen met zoo'n grondbeginsel

Hebben hekel aan zoo iets.

Proeven, zwabberen en fuiven

Plicht verzaakt en nachtgebraakt,

Zijn toch voor 'n man onmooglijk

Die de drankwet heeft gemaakt.

 

Booze tongen durven fluist'ren

Kuyper die is van de wijs,

Kuyper droomde zich natuurlijk

Dwalend in 't Paradijs.

Dat hij dus de bijbel volgde

En voor Adam heeft gespeeld,

En dat Eva in 'n hoekje

d' Appel met hem heeft gedeeld.

 

Terug naar overzicht

Landverhuizers (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

(Gesproken)

Wanneer die voor zijn laatste duiten een bootpassage heeft gekocht,

En al zijn vrienden en bekenden

Hem voorspoed wenschen op zijn tocht.

Wanneer 't schip zich gaat bewegen,

Wanneer de fluit al angstig bromt,

Dan is 't of ie z'n dorpje,

Misschien wel nooit meer weder komt.

 

Refrein:

Als dan de avond is gekomen,

Dan tuurt ie naar 't verre strand.

Dan gaat ie zachtjes zitten droomen,

Dan denkt ie aan z'n Vaderland.

 

Wanneer die in de vreemde ploetert

En al z'n werken tegenstaat,

Wanneer door ziekte en ellende

Z'n werklust en z'n kracht vergaat.

Wanneer die aan de harde aarde,

Z'n leven en z'n lijf verslaaft

En als tie in z'n drooge akker,

Z'n moegewerkte vrouw begraaft.

 

Refrein

 

En als tie dan na lange jaren,

't Vreselijkste heeft doorstaan,

Met honderde mislukte stakkers,

Weer naar z'n lieve land wil gaan.

En als de toren van z'n dorpje,

Al in de verte voor 'm daagt,

Dan wordt ie soms om 'n paar centen,

Weer als 'n beest terug gejaagd.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Lawaaistudent (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wanneer Papa fabrieken heeft,

Zijn zaken goed rendeeren,

En deftig van zijn duiten leeft,

Dan moet Dan moet de zoon studeren.

Dan loopt ie veertien dagen groen.

Dan gaat ie aan 't sjouwen,

Dan wil ie stomme dingen doen,

Die naderhand berouwen.

 

Maar is ie dan een beetje man,

Dan gaat ie ook studeeren,

Dan toont ie dat hij meer nog kan,

Dan fuiven en verteren.

 

Maar is ie iemand zonder kop,

Dan wordt ie gauw 'n zwijntje,

Dan slempt en brast ie alles op,

Om geld geeft ie ‘n schijntje.

 

Dan wordt de zoon een nette vent,

Die houdt van herrie schoppen,

Een kerel die niets beters kent,

Dan patsen met zijn moppen.

 

Dan noemt ie zich je Jan-Stredent,

Dan draagt ie smalle broeken,

En dat ie goed het leven kent,

Dat merk je aan zijn vloeken.

 

Dan zit ie nachten op de kroeg,

Zijn dronkenschap te smoren,

En uit zoo'n type wordt gauw genoeg,

d' Lawaai-student geboren.

  

Die vrouwen lastig valt op straat,

Bevuilbekt en beleedigt,

Vooral wanneer een kameraad,

Zoo'n vrouwtje niet verdedigt.

 

Dan maakt ie drukte als een gek,

Dan wil ie kranig wezen,

Dan zegt ie op een dag “verrek”,

"Ik ga maar liever sjezen.”

 

Want van zoo’n bleeke, leege man,

Valt toch nooit iets te hopen,

't Beste wat hij dan nog kan,

Is altijd groen te loopen.

 

Men haat zoo'n Hollandsch stukje fat,

Dat nooit iets zal presteeren,

Want als de vent geen duiten had,

Dan moest ie schoenen smeren.

 

Goddank dat in ons vaderland,

Nog jonge kerels loopen,

De met hun helder frisch verstand,

Geen flauwigheid verkoopen.

 

Terug naar overzicht

Lentelied (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

't Is Lente, 't is lente, o heerlijke Mei,

Hoe botten de boomen hoe groen is de wei.

De boterboer komt met grasboter aan,

't Is geen margarine en 't is geen safraan.

De koeien hoe loeien en stoeien ze rond,

Nu zijn de tuberkels weer frisch en gezond.

Ze zingen 't lied der bacillen er bij.

't Lied van de Lente, 't lied van de Mei.

 

't Is Lente, 't is lente, o heerlijke Mei,

De winter is om en de kou is voorbij.

We hangen de winterjas op in de kast

En kijken of dat ons demietje nog past.

We stappen de straat op en loopen wat los,

De koonen vertoonen geen alcoholblos.

We vatten een kou door die aanstellerij

En niezen het lied van de Lente, de Mei.

 

't Is Lente, 't is lente, o heerlijke Mei,

De inmaak is op en de zuurkool er bij.

Daar zijn de radijsjes, zoo wit en zoo rood,

Wat smaken ze keurig bij boter en brood.

Spinazie en veldsla, wat groeit 't al schoon;

Zoomede de puistjes op kin en op koon.

Ze zingen het lied van de puistjes er bij

Het lied van de Lente, hun lied van de Mei.

 

't Is Lente, 't is lente, o heerlijke Mei,

Wat zijn nu de Hollandsche huismoeders blij,

De meubelen krijgen een stevige beurt

Ze worden van boven naar onder gesleurd.

We gaan aan de schoonmaak, ons achtste Gebod,

De werkvrouwen werken mijn glaswerk kapot.

Ze zingen het lied van de zeepsop er bij;

Hun lied van de Lente, hun lied van de Mei.

 

't Is Lente, 't is lente, o heerlijke Mei,

De volle verhuiswagens rollen voorbij.

De kachels, ze worden op zolder gezet,

Al ril je van de kou, er wordt niet op gelet.

De ververs en witters, ze knappen ons op

Ze zingen soms uren dezellefde mop.

De mop van de prop en de lijntrekkerij,

De mop van de Lente, hun heerlijke Mei.

 

't Is Lente, 't is lente, o heerlijke Mei,

Geen tafel is leeg en geen stoel is meer vrij.

Je boeken, ze zijn uit de kasten gehaald,

Je Shakespeare, die is den gootsteen verdwaald.

De deuren en ramen zijn open gezet,

Dan vlucht je wanhopig naar het cabinet.

Daar ben je dan rustig, daar zing je dan vrij:

Je lied van de Lente, het lied van de Mei.

 

Terug naar overzicht

Liefdesgeschiedenis (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Voor Donna Klara's dichtgesloten venster

Stond Don Alonso reeds de vierde nacht

Met kloppend hart en tedere gebaren

Heeft hij nu haar zijn serenaad' gebracht

Maar ach ! Te wreed, het venster bleef gesloten

En Don Alonso heeft vergeefsch gesmacht

 

Maar Don Alonso wil nog altijd hopen

Hij geeft een wenk aan Pedro zijnen knecht

En Pedro zet zijn ezelsooren open

Want Pedro is een heele slimme knecht

Ze fluisteren zacht bij al het stargeflonker

En Pedro die sluipt weg in 't nachtelijk donker

 

Weldra zien wij dien Pedro wederkeeren

Hij torst een lange ladder op zijn nek

Hij kan zijn heer niet langer zien marcheeren

Want die is van de liefde bijna gek

Hij zet de ladder stevig in den grond

En zegt ziezoo, patroon, nou is de zaak gezond

 

Maar Don Alonso ontdoet zich van zijn stevels

Want bij het klimmen zijn die hem maar tot last

Hij draait een punt aan zijne roode knevels

En zegt dan: "Broekie houdt de leer goed vast."

Hij klimt omhoog en waant zich reeds bemind

En denkt vol hoop aan Klara, 't lieve kind

 

Donna Klara opent nu haar ramen

En kijkt vol angst Alonso in 't gezicht

Zij roept van schrik om haar gezelschapsdame

En gooit 't venster voor zijn moelwerk dicht

Zij had Alonso duidelijk herkend

Zij bloosde diep, want zij stond in haar hemd

 

Don Alonso die staat vrij verwezen

Hij slaat vol wanhoop zijn handen voor 't gelaat

Maar deze slag zal hem noodlottig wezen

Hij laat de ladder los en breekt zijn ruggegraat

Hij breekt zijn arm, zijn nek en zijn guitaar

En ook zijn knecht zakt kermend in elkaar

 

Des morgens vroeg toen kwam de melkboer kloppen

Hij vond ze beiden liggen in 't gras

Hij ging van schrik zijn pijpie staan te stoppen

Hij vond die dooie ridders wel wat kras

Hij zei: "0 Kaatje, kijk er is even hie-ie-ier

Er liggen er twee zoo dood als bordpapier"

 

Hij zei tot Kaatje: "Ik wed om een maand gage

Dat dat geen dronke', dronke' lappen zijn

Het is een edelman die met zijn page

Op een liefde'savonture-luurtje zijn;

`t Zijn bepaald twee heele rijke heeren

Dat zie je aan hun fijne bovenkleeren"

 

Maar Kaatje zei: "toch zijn 't dronkelappen

Die liggen daar al een geruimen tijd

De dienders zullen ze spoedig komen snappen

Dan zijn we 't zootje voor de deur gauw kwijt

Ze hebben van nacht ons leelijk doen verschrikken

Ze zijn aan de ruiten van de jonge juffrouw wezen tikken"

 

Wat kunt gij leeren, welgemaakte knapen

Uit 't verhaal dat ik u heb gedaan

Dat men om tot zijn liefje te geraken

Men nooit moet klimmen tot haar vensterraam

Die weg is steil, gevaarlijk en sle-e-echt

Dat zaagt g' aan Alonso en zijn trouwe knecht

Snap je dat ?

 

Terug naar overzicht

Lotgevallen van een kamerlid (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Het tiendistrict van Bommelhuizen was dronken van de brandewijn

Omdat er voor de Tweede Kamer een afgevaardigde moest zijn

Toen kozen ze een hereboertje, omdat 'ie dikwijls kranten las

Omdat 'ie veel op Katz tracteerde, en omdat er niemand anders was

 

Maar ach, dat arme hereboertje wist niks van 's landsbelangen af

Omdat 'ie meer om vette varkens, dan om een kamerzitting gaf

En toen die eindelijk was gekozen, was Bommelhuizen in z'n schik

Maar toen 't hereboertje 't hoorde, deed hij z'n broek vol van de schrik

 

Hij liep te klagen en te zuchten, hij zat erover in z'n as

Omdat 'ie helemaal niet snapte van welk beginsen of hij was

Hij vroeg 't aan z'n keukenmeissie, die maakte dadelijk schandaal

Die zei: "Je zoent maar om een hoekie, je bent een vieze liberaal"

 

En toen hij zijn beginsel kende, toen nam 'ie afscheid van z'n vrouw

Hij kocht een rok, een steek of zeven, en ging in 't Haagie aan de sjouw

Hij peinsde over 's landsbelangen, terwijl 'ie fuifde, zeer loyaal

Voor al z'n lieve Haagse meisjes was hij de ware liberaal

 

De drank moest zo behandeld worden, 't hereboertje was ervoor

Want, drinken vond 'ie mensonterend, door drank gaat onze ziel teloor

Maar toen de kamer zou gaan stemmen, was hij 't die erbij ontbrak

't Kamerlid voor Bommelhuizen, lag zwaarbeschonken in z'n bak

 

De kiezers in z'n boerenlandje, die brulden van kwaadaardigheid

Omdat 'ie in de Tweede Kamer nog nooit een stomwoord had gezeit

Toen deed 'ie gauw een prachtig voorstel: "Zet heel de kamer maar op straat

Omdat 't, met of zonder kamer, toch even zo belabberd gaat"

 

En toen z'n voorstel werd verworpen, verdween 'ie eensklaps van 't tapijt

Z'n hart verlangde naar z'n varkens en naar die brave keukenmeid

Voor spreker in de Tweede Kamer, was 't herenboertje veel te zwak

oen werd 'ie lid der Zesde Kamer, daar zat 'ie meer op z'n gemak

 

En daar nu woont 'ie alle dagen, de zitting zeer aandachtig bij

Daar houdt 'ie ellenlange redes, de beste spreker daar, is hij

Daar neemt men zijn interpelaties met algemene stemmen aan

Daar heeft 'ie heel z'n verder leven 't meest in 's landsbelang gedaan

 

Terug naar overzicht

Luitenant Jandome (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Luitenant Jandome is een hooge oome,

Als hij langs de troepen gaat,

Zeggen ze al kijkt ie kwaad:

,,'t Is een kranige soldaat,

Luitenant Jandome."

 

Luitenant Jandome is een hooge oome,

Voor 't front is tie de baas,

Brult ie halve Papoea's,

Thuis is tie de brave baas,

Luitenant Jandome.

 

Luitenant Jandome is een hooge oome,

Op het hofbal pakt ie an,

Zegt ie als die niet meer kan:

,,Barones ik zweet er van."

Luitenant Jandome.

 

Luitenant Jandome is een hooge oome,

Als tie 'n mooie vrouw ziet gaan,

Kijkt ie haar met snelvuur aan,

Gaat z'n snor de lucht in staan.

Luitenant Jandome.

 

Luitenant Jandome is een hooge oome,

Graag lust ie wat droogs of nats,

Als het moet dan eet ie rats,

Met vooraf een glaasje cats,

Luitenant Jandome.

 

Luitenant Jandome is een hooge oome,

Aan 'n landweerman die vrijt,

Zegt ie: ,,Smeer 'm, 't is je tijd."

Daarna zoent ie zelf de meid,

Luitenant Jandome.

 

Luitenant Jandome is een hooge oome,

Als tie vloekt dan is tie rood,

Als tie sterft dan is tie dood,

Dan wordt ie in den grond gepoot,

Luitenant Jandome.

 

Terug naar overzicht

Marietje's Grootmoe (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Voor Marietje's lieve Grootmoe

Naar 't kerkhof was gegaan;

Voor ze hare lieve oogen

Al voor goed had toegedaan,

Moes Marietje bij haar komen

Voor 'n handje en 'n zoen,

Moest Marietje heusch beloven

Dat ze nooit, nooit kwaad zou doen.

 

Als ze altijd op zou passen,

Als ze trouw d'r korstjes at,

Als d'r moessie nooit meer bromde,

Nooit verdriet meer van d'r had,

Dan zou Grootmoe naar d'r kijken

Als ze in den hemel stond,

Onzen lieven Heertje vragen:

Of Hij haar geen schatje vond.

 

Maar toen Grootmoe eind'lijk weg was

Liep Marietje schreiend rond,

Daar ze op den schoorsteenmantel,

Grootmoe's brillehuisje vond.

,,Moesje hoe moet ik nu zoet zijn ?"

Riep ze snikkend van verdriet

,,Grootmoe kan niet naar me kijken

Want ze heeft d'r bril toch niet !"

 

Terug naar overzicht

Meisjes van de H.B.S. (tekst: J.H. (Koos) Speenhoff)

Jonge meisjes, korte rokken

Losse lange blonde lokken

Groote stappen zij aan zij

Loopen lachend op een rij

Meisjes van de H.B.S.

Gaan als schapen naar de les

Denken over sommen na

In de mathematica

 

Wonderoogen als violen

Achter wimpers weggescholen

Kijken naar de lucht misschien

Om er iets geheims te zien

Meisjes van de H.B.S.

Gaan als schapen naar de les

Denken over sommen na

In de metaphysica

 

Lippen rood als rozeblaadjes

Fluisteren geheime praatjes

Babbelen om niemendal

Van wat nooit gebeuren zal

Meisjes van de H.B.S.

Gaan als schapen naar de les

Denken over sommen na

In de hooge algebra

 

Rose nagels, teere handen

Roode ooren, blanke tanden

Bloesemwangen zacht als zij

Blozen om een vleierij

Meisjes van de H.B.S.

Gaan als schapen na de les

Leeren x en leeren y

Doen aan goniometrie

 

Jonge meisjes, lievelingen

Hooren gaarne zoete dingen

Stoeien liever door 't gras

Dan studeren in de klas

Meisjes van de H.B.S.

Worden nufjes op de les

Loopen liever vlinders na

Zonder mathematica

 

Terug naar overzicht

Mengelberg concerten (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Holland levert ouwe klare,

Kaas en varkens en sigaren.

Holland levert schapen, koeien,

Boter waar ze niet mee knoeien.

Holland levert specerijen,

Aardewerk en schilderijen.

Jansen, Meier en Van Stralen,

Dinges, Pietersen, Van Dale.

Al die welbekende namen,

Al dat goeds en schoons te zamen ,

Haalt 't niet, in de verste verten,

Bij de Mengelberg concerten.

 

Refrein:

't Is zoo deftig en zoo fijn,

Bij Melgelberg geweest te zijn.

 

Ouwe vrijsters, vol vervoering,

Hebben hoofdpijn van ontroering.

Als de zaal wist wat ze dachten,

Wed ik dat die blozend lachte.

d' Eene zit zich af te vragen:

Of ie Jaegergoed zou dragen,

Of ie 't naar vindt als ie dood is,

Of als ie met 'n nietje uitgeloot is.

d' Ander zou wel willen weten,

Of hij graag gebak zou eten.

Tot een heer roept: "Idioten,

Mengelberg die leeft van nooten !"  

 

Refrein

   

Pa zit Ma er op te wijzen,

Met die veel te hooge prijzen,

En ze kregen zeker woorden,

Als die naast hun 't niet hoorden.

"Mopper niet, je moest je schame.

Je zit hier naast 'n dame !"

En ze sist dat 't bonton is,

Dat hun plaats in 't balcon is

Waarzoo kan je met je zeuren,

Beter met je lintje geuren ?

Dat 't niet voor de muziek is,

Maar omdat 't hier zoo chique is.

Pa kent heel 't stuk van buiten

En zit zachtjes mee te fluiten.

 

Refrein

 

Oome Piet denkt bij z'n eigen:

Zouwe we nooit een pauze krijgen ?

Hij zit als 'n os te gapen,

Kan door 't lawaai niet slapen.

Al die fluiten en die trommen,

Kunnen hem geen steek ver... maken.

Hij speelt liever om 'n duppie,

Dominootjes op z'n kluppie.

Nijdig kijkt 'ie op z'n klokkie,

Tien minuten over grokkie.

Wat kan hem die Schoprung schelen,

Laten ze een tango spelen.

 

Refrein

 

Telkens wordt er "St !' geroepen,

Tante zit stil bonbons te snoepen

En ze kan 't het hardste kraken,

Als de trommen forto's maken.

Bij een maal of drie sordine,

Stikt ze haast in 'n praline.

Om te rehabiliteeren,

Gaat ze gauw appludisseeren.

Oome Piet, die toch al boos is,

Zegt: "Je hebt nou toch je dosis.

Mensch, je lijkt wel half bezeten,

Had gestampte pot gegeten !"

 

Refrein

 

"Ma", zoo zucht een lieve bakvisch,

Die niet erg op haar gemak is.

"Ma, zoo kan 't heusch niet blijven,

Mengelberg ga ik 't schrijven,

Hem mijn hartje toevertrouwen,

En platonisch van hem houwen.

Vader antwoordt dat 't lak is,

Dat 't vleesch verbazend zwak is.

Mengelberg is ook geen engel,

Schaam je overdreven bengel

Want al is zijn werk harmonisch,

d' Ooievaar is niet platonisch.

 

Refrein

 

's And'rendaags bij bij 'n visite,

Zeggen ze: " 't Was  ...  elite,

't Was je tip-top, je beau monde,

Ah, quelle emotion profonde !

O, this dearest, lieve Willem,

Van genot I'd like to kill 'm.

Rechts van ons bij zuster Dina,

Zat zoo de gezant van China.

Nee 'n avond, avond zie je,

Riesig, lovely, chérie !

Vraagt er iemand dan 's even

Welk concert is er gegeven ?

Moeten ze om bij te wezen

Eerst in 't programma lezen !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Milicien's afscheid (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ontvang hierbij m'n laatste zoen;

M'n lichting die is opgeroepen,

Ik mot een posie dienst gaan doen.

Ze hebben me d'r hard bij noodig,

Ik weet alleenig maar niet hoe;

Het Vaderland heeft mij geroepen,

Ik moet naar de maneuvels toe.

 

Nou ga ik lange marschen maken

Nou mot ik 's nachts op schildwacht staan,

Dan zal ik jou portretje zoenen

Als ik de klok tien uur hoor slaan.

Als jij dan 's avonds tegen tienen

Een zoentje geeft op m'n portret,

Dan ben ik heelemaal tevreden

En jij gaat opgeknapt naar bed.

 

Je hoeft niet ongerust te wezen

Dat ik jou nooit vergeten kan,

En als we inkwartiering krijgen

Haal ik de keukenmeid niet an.

En als ze me toch staat te zoenen

Zoo'n schepsel dat ik heel niet ken,

Dan doe ik of ik niks gewaar word

Dan denk ik maar of jij 't ben.

 

De Koningin die kan me roepen

We staan ons man wanneer 't mot,

En als die Moffen willen knokken

Dan schieten we ze fijn kapot.

Wanneer ze an de grenzen komme

Dan roep ik dalijk op z'n Duis:

,,Sie kennen nach de donder laufen

Was mussen sie gemeine Pruis ?"

 

En as ze oorlog wille maken

En as ze aan 't kloppe gaan,

Dan ken je lezen in de kranten

Hoe wij die heele zooi verslaan.

Ze zelle mijn niet uit zien knijpen

Voor niemand gaan ik op de loop,

Want is 't vechten afgeloopen

Zag jij 't op de bioskoop.

 

En as de oorlog is gewonnen

Zeg meid dan neme we mekaar,

Dan gaan we samen stiekum trouwen

Van al de centen die ik spaar.

En as door 't maneuvels maken

Me eene been is afgezet,

De kosten van 't houten pootje

Betaalt de ongevallenwet.

 

Terug naar overzicht

Minnebrief van een keukenmeid (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Innige geliefde !

 

Wat ben jij 'n gemeene kerel

Of dacht jij dat dat zoo maar gaat,

Datik met zeven jaar verkeering

Me door jou hajewieken laat ?

't Is verdikkeme geen happie,

Ik had 't nooit van jou gedacht,

Daar heb je nou die reine liefde,

Al van dat mannelijk geslacht.

 

'k Had best 'n ander kenne krijge !

Een jongen van de maatschappij

Met elk week vast vijftien gulden

En niet zoo interessant as jij.

Maar met me zeven jaar verkeering

Is dat goddorie nou me straf;

Nou hoef ik nie meer an te komme

Nou is 't vet bij mijn d'r af.

 

Wat heb ie nou 'n fijne dame,

Die flodder uit de spinderij,

Je mag ze houwe dat merakel

Met heel d'r zwarte nek d'r bij.

Ik zag jou van de week wel schuiven

Toen jij de bioscoop uit kwam,

Wat liep je an d'r lijf te trekken

Die afgelikte boterham.

 

Me lamp, de stoelen en me tafel

Die kenne nou wel blijven staan,

Me bed dat heb ik nou net noodig

Daar mag ik nou alleen in gaan.

En was ik daarvoor zeven jaren

Voor al jou narigheid gereed;

Heb jij me daarvoor zeven jaren

Tot op me hemp toe uitgekleed ?

 

Maar eerst mot ik de cente hebbe

Die jij me al heb afgezet,

Dan krijg jij je gestopte kousen

Je briefies en je snert-portret.

Want as ik daarna zit te kijken

Steek ik 'n haarspeld door je kop,

En op je valsche dieve-oogen

Zet ik de heete trekpot op.

 

Me brief die ken je late leze

An al je ridders van de kant.

En an de buren en de menschen,

Voor mijn part komt ie in de krant.

Je mot 'm ook 's late kijke

An je dragonder van 'n meid,

En an je moeder en je zussie

Die bersten dan 's fijn van nijd.

 

Ze motte nog 's bij me komme

As ik me slokkie klaar heb staan,

Die leelijke, gemeene snoepsters

Die ginge teut bij me vandaan.

Vergift had ik ze motte geve

Me heele koekiestrommel vol,

Ze kenne spikkelaasies krijgen

Met rattekruid en karrebol.

 

Moraal:

Maar as je weer terug wil komme

Dan weet je wel waar of 't is,

Ik heb 'n zilveren horloosie

Dat krijg je voor je kersemis.

Dan zal ik wat voor je beware

Wat ik je niet te schrijven hoef,

Dan ben ik weer jou echte ouwe

Dan maak ik hartevrouw weer troef.

 

 

Terug naar overzicht

Minneklacht (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ik ben verliefd van Rozalie

Daarom zit ik te zingen

Als ik haar in de verte zie

Dan denk ik rare dingen.

 

Dan denk ik aan haar bleke hals

Dan zie ik haar gebaren

Dan denk ik aan haar mond zo mals

En aan haar dolle haren.

 

Dan denk ik aan haar lieve kin

Aan haar blanke tanden

En als ik dan opnieuw begin

Dan denk ik aan haar handen.

 

Dan word ik korzelig van nijd

Dan moet ik uren lopen

Want ‘k zou nog uit weemoedigheid

Een sabel kunnen kopen.

 

Ik steek die midden in mijn hart

Als in een mand citroenen

Dan ben ik vrij van pijn en smart

En kan haar niet meer zoenen.

 

Maar o, het leven is zo zoet

De dood zo miserabel

Daarom spaar ik mijn hartenbloed

En koop vooreerst geen sabel.

 

Ik zing omdat ik anders ween

Ze is ook zo kieskeurig

Ze laat me met mijn smart alleen

Dat maakt een minnaar treurig.

 

Ik stuur haar soms een grote traan

Want tranen heb ik vele

Ze schijnt zo ’n traan niet te verstaan

Geen traan kan haar wat schelen.

 

O, Rozalie, o zoete schat

Die mij zo deerlijk griefde

Ik ween mijn beide schoenen nat

Waar laat ik al mijn liefde.

 

Waar breng ik al mijn zoete min,

Wie wil mijn liefde dragen

Wie heeft er in een jonkman zin

Die altijd loopt te klagen.

 

Wat moet ik doen, o Rozalie

Moet ik voor held gaan spelen

Moet ik als ridder die of die

Een gulden vlies gaan stelen.

 

Of zal ik reizen naar de maan

Het zonlicht voor u blussen

Of moet ik naar de duivel gaan

Om zijn mama te kussen.

 

Of moet ik, varen op de zee

En d’ oceanen drillen

Of moet ik met een kopje thee

Het hellevuur gaan stillen.

 

Of zal ik met een ezelskaak

De leeuwen gaan bestrijden,

Of moet ik vechten met een draak,

Of volkeren gaan bevrijden.

 

Spreek op, geliefde, spreek 't uit

Ge kunt me alles vragen

Ik wil om u, o zoete bruid

Mijn spaarbankboekje wagen.

 

Ik heb reeds veel te lang geleefd

En veel te lang geleden

Wanneer ge me geen antwoord geeft

Dan ga ik naar Van Eeden.

 

Dan neem ik zeis en spa ter hand

Dan ga ik knollen poten

Dan spit en ploeg ik op 't land

En leef van peen en kroten.

Dan keer ik nimmer, nimmer weer

Nooit zult ge me aanschouwen

Neem dan gerust een ander heer

En laat u met hem trouwen.

 

Vaarwel! vaarwel gij boze meid

Ik ga koloniseren

Op “Walden” is gelegenheid

Voor veel verliefde heren.

Terug naar overzicht

Minneklacht van 'n verlaten meisje (geliefde Toni)

(J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Waarom moest ik met jou gaan loopen,

Jij met je schuine autopet,

Jij met je jas met doffe knoopen,

En met je endje sigaret.

Ik liet me door je smoesie lijmen,

Toen jij me zei: ,,Ik heb jou lief.

Zeg meid, ik hou jou eeuwig bij me",

Heb je gelogen als een dief.

 

Refrein:

Je maakte dat ik jou ging vertrouwen

Met al je praatjes en gezoen,

Je maakte dat ik van jou ging houwen,

??? zo nodig te doen.

 

Waarom most ik jou ooit ontmoeten,

Jij met je kromgedraaide snor ?

Nou laat je mij jouw zonden boeten,

Voor jou piep ik hier in de nor.

Voor jou heb ik me laten snappen,

Ik diende in de fijnste buurt,

Voor jou moest ik de centen gappen

En ben ik in de cel gestuurd.

 

Refrein

 

De rechter vroeg je bij 't verhooren,

Weet jij wat van dat gappen af ?

Toen heb je met 'n eed bezworen

Dat ik je nooit 'n stuiver gaf.

Terwijl je pulkte aan je dassie

En jij me in de bak liet gaan,

Had jij onder je fijne jassie

Me zilveren horloge aan.

 

Refrein

 

Als ik me tijd heb uitgezeten

Zoek zoolang tot ik je vind.

Dan mot ik onder dak en eten

En kan je zorgen voor 't kind.

Wanneer ik vrij ben, lieve Toni,

Dan is mijn eerste klap voor jou.

Ik haal je oogen uit je tronie

Omdat ik zooveel van je hou !

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Misdaad en straf (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Op een zachten Zondagmorgen,

Voor hij naar de kerk zou gaan,

Liep een boertje zonder zorgen

Langs zijn akker rijpend graan.

 

Toen de oorlog was begonnen,

Kon hij aan 't maaien gaan;

Ver van strijd en van kanonnen,

Ving heet oogsten rustig aan.

 

Al zijn knechts en al zijn meiden

Gingen zingend aan het werk;

Volle wagens kwamen rijden

Naar de dorschvloer bij de kerk.

 

Toen na vele drukke dagen

Heel de oogst was ingehaald,

En de schoven binnen lagen,

Werd het karig loon betaald.

 

Pralend stond de boere-Koning,

Trotsch op al zijn heerlijk graan,

Voor de rijke, ruime woning

Toen de arbeid was gedaan.

 

Door de booze oorlogsdagen

Werd het koren wonder duur,

Tot men hem de prijs kwam vragen

Van den voorraad in zijn schuur.

 

,,Ga maar verder met je wagen,

Ik bewaar het beste man,

Als de honger goed gaat knagen,

Maak ik er veel meer winst van."

 

Burgemeester die liet zeggen

Dat de diender komen zou,

Om beslag er op te leggen,

Als hij niet verkoopen wou.

 

Maar voor daar toe werd besloten,

Had de boer zijn prachtig graan

Met petroleum begoten

Liever dan het af te staan.

 

Heel de oogst was nu verloren,

Honger kwam er overal,

En die boer die smeet z'n koren,

Op zijn mesthoop bij den stal.

 

Iedereen gin hem vermijden,

Niemand die iets tot hem zei,

Al de knechts en al de meiden

Liepen morrend hem voorbij.

 

Toen de boeren gingen zaaien

Werkte niemand op zijn land;

En geen een der dorpelingen

Nam voor hem den ploeg ter hand.

 

Dubbel loon wou hij betalen

Niemand raakte aan zijn geld;

Niemand liet zich overhalen

Om te werken in zijn veld.

 

Op den mesthoop lag het koren

Weggegooid met eigen hand,

Zelfs zijn mest ging nog verloren,

Werd vergif voor veld en land.

 

Ziet hem daar wanhopig loopen,

Die zijn graan bij hongersnood,

Liever dan het te verkoopen

Met petroleum begoot.

 

Maar de straf voor dezen stakker

Was, als altijd, zeer nabij,

Want zijn groote, mooie akker,

Werd een dorre, droge hei.

 

Terug naar overzicht

Moederliefde (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Hij was 'n zindelijke schooier,

Die altijd kwast met suiker nam.

Zoo'n nagemaakte bommengooier,

Die veel in de komedie kwam.

Dan floot ie zachtjes op z'n tanden,

Of trommelde wat op de grond,

Soms zat ie lucifers te branden,

Die stak ie gloeiend in z'n mond.

 

 Z'n moeder liep voor 'm te sjouwen,

Wanneer die in de bedstee lag.

Die ouwe kon zoo van 'm houwen

Al zei die nooit 's goeien dag.

Ze kookte onderwijl z'n potje

En als ze gauw 'n boodschap dee',

Dan bracht ze 'n gebakken botje

Of boekies om te lezen mee.

 

Eens was tie bokkig thuis gekomme',

Hij had weer ergens mot gehad,

Z'n moeder die begon te bromme',

Omdat ie vol met modder zat.

En toen ze 'm wat op wou knappen,

Gaf tie 't ouwe mensch een haal.

Ze keilde boven van de trappen,

En smakte onder in 't portaal.

 

De buren zouwen 'm vermoorde',

Die smerige geweldenaar.

Een diender keek 's wat ie hoorde

En bracht 'r weg met de brankaar.

Ze werd 't gasthuis in gerejen

En toen ze bij d'r kennis kwam,

Zij ze dat ze was uitgeglejen

Doordat ze nooit de leuning nam.

 

 

D'r jongen most maar bij d'r blijven,

Nou dat ze op 't laatste lag.

Ze was z'n handen an 't wrijven,

En zei 'm zachtjes goeien dag.

,,O dokter, g'loof me toch waarachtig

Je moet m'n jongen laten gaan,

Ik zweer 't je bij God almachtig,

M'n jongen heeft 't niet gedaan."

 

Terug naar overzicht