SeniorPlaza

Het huwelijk van Roosje (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

"Zeg, allerliefste Roosje,

Geef jij me nou een zoen,

Dan trouwen we na 'n poosje,

Want ik heb al een millioen.

Toe doe 't maar,

Dan ben ik klaar.

Heerlijke Roosje,

Toe laat me nou en wees m'n vrouw,

Ik hou van jou."

 

"Nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, mijnheer,

Nee, nee mijnheer" zegt het aardige Roosje,

Nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, mijnheer,

Zoo iets kan ik niet doen.

Als ik ooit zou willen trouwen,

Heb ik maling aan uw millioen."

Zegt het aardige Roosje,

Zegt het aardige Roosje,

Ik kan heusch niet van u houen,

Daarom geef ik u geen zoen.

 

"Zeg, allerliefste Roosje,

Geef jij me dan maar 'n hand,

Dan geef ik je voor een poosje,

De mijne als onderpand.

Toe denk 's na,

En zeg maar ja,

Heerlijke Roosje,

Heel m'n millioen,

Voor eene zoen,

Wil ik verdoen.

 

"Nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, mijnheer,

Nee, nee mijnheer" zei het aardige Roosje,

"Nee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, mijnheer,

Zo iets moogt u niet doen,

Als u zoo gaat beginnen,

Met uw mooie millioen,

Zei 't aardige Roosje,

Zei 't aardige Roosje,

Moet ik u van zelf beminnen,

Al kost 't me ook een zoen.

 

"Wel allerliefste Roosje,

Wat vind ik dat lief van jou.

Sta toe dat ik voor een poosje,

Je dus als m'n vrouw beschouw.

Toe zeg 't maar,

Dan zijn we klaar,

Heerlijke Roosje,

Geef me die zoen,

Je kunt 't doen,

'k Heb geen millioen."

 

"Ja, ja, ja, ja, ja, ja, meneer,

Ja, ja meneer,"

Zegt 't aardige Roosje,

"Ja, ja, ja, ja, ja, ja, meneer,

Zoo iets wil ik wel doen,

Ik wil toch met u trouwen,

Al hebt u geen millioen."

Zegt 't aardige Roosje,

Zegt 't aardige Roosje,

"Toch zal ik veel van u houen,

Daarom geef ik u m'n zoen."

 

Terug naar overzicht

Het kado van Bet an d'r zeeman (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Zeg Bet, ik zat maar te verlangen

Ik snapte niet wat of er was,

Ik had zoo'n tijd niks meer ontvangen

Toen kwam je pakkie goed van pas.

Voor ik je briefie had gelezen,

Dat onder op den bojem lag,

Dacht ik ze moet krankjorum wezen

Toen ik dat zakkie aarde zag.

 

Refrein:

Ik zal dat hoopie zand bewaren

Tot ik medeen weer binnen kom.

Me landje en jouw rooje haren

Die zijn m'n alles denk er om.

 

Dat pitje heb ik ook gevonden

Ik heb 't dadelijk gepoot.

En sinds je mijn 't hebt gezonden

Is 't al een duim of vijftien groot.

't Kruipt al aardig langs 'n stokkie

En zeg, nou zal je lachen meid:

Dat lust me een zoetwaterslokkie

Als ik m'n oorlam op m'n tijd.

 

Refrein

 

De jongens komme wel 's snorre !

En vraag' waar of ik mee speel

Ze snappe' niet wat 't mot worre'

'n Stokdwijl of 'n bezemsteel.

Ik stoor me niks an al die praatje

Ik troost me met dat plantje maar

En kijk ik naar z'n rooje blaadjes

Dan denk ik aan jouw rooie haar.

 

Refrein

 

Zeg Bet je mot er niet van prate'

Maar als ik naar dat dinchie loer

Dan mot ik soms me trane' late'

En sta te griene' an 't roer.

Eerst dacht ik me nog te vergisse'

Wat mot ik met dat hoopie zand

Nou kan ik 't al niet meer misse'

Dat stukkie van m'n vaderland.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Het kamerlid naar het hofbal (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Het kamerlid van Bommelhuizen,

Trok ook zijn galapakje aan,

Hij hoorde bij de duizend gasten,

Die naar 't Hofbal mogen gaan.

Hij groosde met zijn invitatie,

Dat was nu juist iets naar zijn zin,

Hij dacht ik ga een kijkje nemen,

Van avond bij de Koningin.

 

Hij schreef z'n vrouw: "Geliefde Maatje,

Je mot 's lezen in de krant

Hoe 'k m'n distrikt vertegenwoordig

Al ben ik maar een boerenklant.

Ik ben de trotsch van Bommelhuizen,

De steunpilaar van m'n gezin,

Ik ga, jandorie op visite,

Van avond bij de Koningin."

 

Hij dacht: "Om nou 's fijn te wezen,

Ga ik 's gauw naar een coiffeur,

Daar laat ik me dan extra scheeren,

En koop een groote flesch odeur.

Die giet ik uit over me kleeren,

Daar smeer ik heel m'n lijf mee in,

Dan ruik ik als 'n hooge oome,

Van avond bij de Koningin.

 

Ik zal me ook maar 's verschoonen,

Al is 't ook geen Zaterdag,

Je weet niet wat er kan gebeuren,

Ik moet misschien wel aan de slag.

Misschien moet ik de Polka maken,

Met zoo een prachtige Gravin,

Of met 'n hooggeboren Freule,

Van avond bij de Koningin."

 

Hij had die morgen nog ontbeten

Een kopje thee en 'n beschuit,

En ook die middag niet gegeten,

Een paar kroketjes in 't Zuid.

Hij dacht: "Ik moet me honger sparen,

Me schâ die haal ik toch wel in,

Ik raak 'm wel aan de buffetten,

Van avond bij de Koningin."

 

Hij was toevallig ook de eerste,

Die 't Paleis zou binnengaan,

Hij zei aan een van de lakeien:

"Daar vader, pak m'n jas 's aan.

't Is nog niet druk zou ik zoo zeggen,

De gang die zit er nog niet in,

Ik ben zoowat de eerste kennis,

Van avond bij de Koningin."

 

Al rammelende van den honger,

Liep hij salons en zalen door,

Bij 't buffet kon hij niet komen,

Daar stond 't heele Hofbal voor.

"Wel potverdorie" zei die zachtjes,

Ze bijten d'r hier nog al in,

Ze schijnen zoowat uitgehongerd,

Van avond bij de Koningin."

 

En overal waar die voorbij kwam

Of waar die even zitten ging,

Daar hoorde ie de luidjes zeggen:

"Wat ruikt 't hier toch zonderling."

Daarom verliet ie snel 't Hofbal,

En stapte gauw bij Knapstein (1) in

En zei: "Ik had geen trek in eten,

Van avond bij de Koningin."

 

(1) Eethuis te 's Gravenhage

 

Terug naar overzicht

Het meisje dat men nooit vergeet (J.H. (Koos) Speenhoff)

Wanneer 'n man zich oud gaat voelen

Verliest ie zijn luidruchtigheid

Dan wordt ie zuinig op zijn eigen

Dan maakt ie zorgen voor de tijd

Dan gaat ie denken aan zijn fuiven

Aan al 't lachen wat ie deed

Maar 't meeste waar die aan zal denken

Bij al zijn lief en al zijn leed

't Is aan het meisje dat ie nooit vergeet

't Is aan het meisje dat ie nooit vergeet

 

Het meisje waar die van ging hou'en

Liep op een avond zo maar mee

Dat beste kind wou geen cadeautjes

Was met zijn zoenen al tevree

Ze zei: "Jij bent van al de jongens

De allermooiste die ik ken

En ach, je hoeft me niet te trouwen

Wanneer jij maar gelukkig ben"

Dat is het meisje dat je nooit vergeet

 

Ze poetste 's morgens vroeg zijn schoenen

Ze deed de vlekken uit zijn jas

Ze zorgde 's middags voor zijn potje

Wanneer er wat te koken was

En ze ging 's avonds met hem lopen

Dan was ze leuk en chique gekleed

Zodat de mannen naar d'r keken

Omdat 'm dat genoegen deed

Dat is het meisje dat je nooit vergeet

 

En was ie 's nachts weer aan de boemel

Dan had ze urenlang gewacht

Dan deed ze net zo lief als anders

Al werd ie dronken thuis gebracht

En was ie 's morgens soms niet lekker

Dan zei die allerbraafste meid

"Hier is 'n haring en 'n klare

Dan ben je gauw je kater kwijt"

Dat is het meisje dat je nooit vergeet

 

Wanneer zijn ouders bij 'm kwamen

Twee brave mensen van 't land

Dan ging ze verven en behangen

Dan was zijn rommeltje aan kant

Terwijl die oudjes zich verbaasden

Dat alles zo in orde was

Zat zij maar stiekem in de keuken

En deed of ze de dienstmeid was

Dat is het meisje dat je nooit vergeet

 

En toen 't uit was met zijn liefde

Zei ze: "Ik ga weer naar m'n moe

Je hoeft me niks geen geld te geven

Stuur me maar 'anzichtskaarten' toe

Mocht ik je naderhand ontmoeten

Als je getrouwd en vader ben

Dan zal ik heus alleen maar kleuren

En doen alsof ik jou niet ken"

Dat is het meisje dat je nooit vergeet

 

Terug naar overzicht

Het moederhart

(J.H. (Koos Speenhoff)/ook gezongen door Willy Derby, August de Laat en Zangeres Zonder Naam)

(met dank aan Marc Blokland voor het sturen van de tekst)

Er was eens een jongen zo goedig en trouw

Tralala liere, tralala la

Er was eens een jongen zo goedig en trouw

Die veel van een meisje hield, dat 'm niet wou

 

Ze zei, ga naar huis toe, en breng me terstond

Tralala liere, tralala la

Ze zei, ga naar huis toe, en breng me terstond

Het hart van je moeder en geef het mijn hond

 

Hij ging naar zijn moeder en heeft haar vermoord

Tralala liere, tralala la

Hij ging naar zijn moeder en heeft haar vermoord

Toen nam hij haar hart, en vlucht d'r mee voort

 

Hij struikelde en plofte voorover in 't zand

Tralala liere, tralala la

Hij struikelde en plofte voorover in 't zand

En 't hart van zijn moeder dat viel uit z'n hand

 

Terwijl daar dat hartje zo neven 'm lei

Tralala liere, tralala la

Terwijl daar dat hartje zo neven hem lei

Toen hoorde hij dat het hem zachtjes iets zei

 

Al snikkend en jammerend vroeg het 'm wat

Tralala liere, tralala la

Al snikkend en jammerend vroeg het hem wat

Heb jij je soms zeer gedaan, eenige schat ?

 

Terug naar overzicht

Het publiek

(Voordracht door J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Van het publiek, hoogggeachte dames en heeren,

Zou men gerust kunnen beweren,

Dat het een samenkomst is van menschen,

Die allemaal wat anders wenschen.

Bijvoorbeeld de oude mevrouwen,

Dat zijn dames, die van pralines schijnen te hou'en

En het liefst stukken zien vertoonen

Met gedresseerde vaders en geëxamineerde zonen.

Of met jongelui, die nette posities krijgen,

Of dienstbodes, die op commando zwijgen.

De handeling van het stuk kan ze niet schelen,

Zoodat zij zich bij ,,Adam in ballingschap" vervelen.

Om de letterkundige waarde van het geheel

Bekommeren ze zich niet veel.

Of 't van meneer A is, of van juffrouw B,

Als 't maar een stuk is, dan zijn ze tevreê.

De hoofdzaak is: dat 't niet bij twaalven wordt,

Anders is 't laatste tremmetje vort.

De hier aanwezigen wensch ik echter uit te zonderen,

Die zijn alleen gekomen om de kunst te bewonderen.

De jongere dames en meisjes

Zijn dol op stukken met huwelijksreisjes

En knusse beminden, die het jawoord komen vragen,

En die daarom hooge hoeden en handschoenen dragen.

Ze gaan ook dikwijls met pa en moe,

Om de zoon van je-weet-wel, naar den Schouwburg toe.

De beelderigste stukken vinden ze dan

De stukken, waarbij je in de pauze lang praten kan.

Niet over den inhoud of het spel en zoo voort,

Maar over wat er bij een uitzet hoort.

En de leelijkste stukken vinden ze gauw

Als de zoon van je-weet-wel niet komen wou.

Het liefste zien ze, dat kunt u wel raden,

De stukken van Rooyaards en Verkade.

Vooral Verkade ! O, dat is een beeld,

Omdat hij zoo natuurlijk met Sandwiches speelt.

Heusch, 't is een meneer,

Heelemaal zoo geen tooneelspeler meer.

En Rooyaards O ! die is ook niet slecht;

Je kunt bijna altijd hooren wat hij zegt.

Zin stem ! Wat 'n geluid ! Prachtig !

Wat zegt hij Vondel krachtig.

't Is tegenwoordig chique op de planken te staan;

Freule B tot L is ook aan 't tooneel gegaan.

Neen, heusch, 't is werkelijk fijn

En heelemaal geen schande meer om kunstenaar te zijn.

De ouwere heeren en vrijgezellen

Houden van stukken, waarin ze moppen vertellen.

In de Stalles op de eerste rij

Zitten ze er nog niet dicht genoeg bij.

Als ze 'n plaats op 't tooneel konden halen,

Zouden ze graag 'n pop bespreekgeld betalen.

't Liefst werden ze in de kleedkamers toegelaten

Om met de actrices over immoreele contracten te praten.

Dan komen onze jongere heeren,

Die houden van stukken, waar iets uit valt te leeren.

Stukken, waarbij ze hun kunstgevoel verrrijken,

Maar ondertusschen toch in de halzen der dames kijken.

Terwijl ze op 't tooneel de ernstige dingen beleven,

Zitten ze geniepige voetjes te geven.

En dan wordt er wel eens 't hardste geklapt,

Door 'n jonge dame die op haar lakschoenen is getrapt.

In de pauze wandelen ze verlegen door de foyer

En drinken met oom en tante A 'n kopje thee.

Dan doen ze of ze solide waren

En kijken in den spiegel naar de scheiding in d'r haren.

Maar als oom en tante naar binnen zijn gegaan

Zie je ze dad'lijk met 'n biertje staan.

Dan komen de vrijbiljetten,

Die meestal zure gezichten zetten.

Ze zijn de lastigste toeschouwers van allen,

Niets kan hun volkomen bevallen.

Voor het slot hebben ze hun hoed al genomen

Om maar 't eerst bij de garderobe te komen.

Ze zitten op alles en iedereen te vitten,

Omdat ze toch voor niets in den Schouwburg zitten.

Dan heb je die lui, die niet op tijd kunne komen

Omdat ze hun plaats drie dagen tevoren hebben genomen.

Door hen wordt 't hardste ,,sst !" gebromd,

Wanneer er iemand nog later komt.

Dan de lui, die alles uit willen leggen

En die heele zinnen na zitten zeggen.

IJverig willen ze mededeelen

Wat je vlak voor je neus ziet spelen.

Maar als je vraagt hoe 't drama heet,

Merk je dat zoo iemand den naam niet eens weet.

Ze spreken over acteurs en actrices

Net als over hun intiemste amices.

Met Bouwmeester hebben ze op school gezeten,

Met Jan C. hebben ze laatst nog gegeten.

Van Brondgeest hebben ze 'n Ansicht-kaart gehad

En met Orelio wandelen ze door de stad.

Met Poolman spelen ze 'n domineetje

En met Chrispijn hadden ze 'n soupeetje.

En als je onderzocht, of ze je niet foppen,

Komen ze met 'n smoesje op de proppen.

En dan hoor je bijvoorbeeld van Chrispijn,

Dat ze allebei abonné van 't Handelsblad zijn.

Maar als 'n acteur 'n eereavond geeft

Sturen ze 'n telegram - dat 's goedkoop en beleefd.

En ondertusschen zeggen ze,, die krans daar op rij,

Die met die zilveren linten, die is van mij."

Dan nog de hoesters en niezers en snuiters,

De krantenlezers, de ,,sst"-ers en de fluiters.

Hoor je zoo'n hoester 'n keer of twee

Dan hoesten de anderen allemaal mee.

De niezer en snuiters komen achteraan

En ten slotte kan je niets meer verstaan.

Dan hoor je de ,,sst"-ers met hun gesis

Totdat het eind'lijk weer stilte is.

Krantenlezers en fluiters zijn er niet veel,

Daarvoor is er te veel respect voor het tooneel.

Ten slotte en ten leste

En zeker het beste

De kritiek,

De voorlichter van het publiek.

Een verslaggever is een man

Die niet bij twee voorstellingen tegelijk wezen kan.

Al is hij nog zo gevreesd,

Toch is 't goed dat hij er bij is geweest.

Als hij goed schrijft is 't 'n knappe vent,

En als hij slecht schrijft een, die niets kent.

Maar slechter dan slecht

Is als hij helemaal niets zegt.

Ik eindig niet gelijk Multatuli deed

Met publiek ,,ik veracht u", zooals u weet.

Integendeel: ik eindig dames en heeren

Met te beweren

Dat het publiek een samenkomst is van menschen

Die allemaal wat anders wenschen.

 

Terug naar overzicht

Het scheepje (J.H (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Marc Blokland voor het sturen van de tekst)

Er dreef een scheepje in de sloot,een scheepje zonder roer

Dat heel allenig zeilen ging, en door de biezen voer

Het was een klompje van een kind, met touwtjes en een mast

Het raakte in het groene kroos, en niemand hield het vast.

 

De moeder had het zeil gemaakt, met nog een vlag er bij

De vader had het opgetuigt, toen was de jongen blij

Het scheepje draaide heen en weer, en zeilde langs het gras

Toen ging de vader aan zijn werk, en moeder aan de was.

 

Maar toen het tijd van eten werd, keek moeder angstig rond

Omdat ze aan de waterkant alleen het scheepje vond

Hun lieve dreumes was er niet, ze vloog naar binnen toe

Ze riep zijn naam wanhopig uit, maar niemand zei er "joe"

 

Er stond een scheepje op de kast, dat was millioenen waard

Wanneer de vader er naar keek, dan trok die aan zijn baard

En als moeder  's avonds laat het in haar handen nam

Dan hoorde zij een lieve naam, waar "oe" en "ie" in kwam.......

 

Terug naar overzicht

Het soldatenkuchie (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

De rooje Jan is een soldaat

Die 't met iedereen kan vinden;

Hij is de trots van de kompie,

De jongens zijn z'n beste vrinden.

Hij is een lobbes van een knul,

Hij zou geen kwaad doen aan een muchie;

Maar nijdig wordt ie als een stier,

Wanneer je peutert aan z'n kuchie.

 

Laatst zat ie zuchtend in 'n hoek,

Hij las 'n brief van z'n ouwe;

Z'n kuchie dat lag op 'n krib

Om er 'n oogje op te houe !

,,Wat kijk je raar" zei de sergeant,

,,Wat is er rooje, waarom zuchie ?"

,,Sergeant, as nou m'n moeder kwam,

Dan gaf ik haar m'n versche kuchie."

 

Eens werd er midden in den nacht,

Terwijl hij sliep, alarm geblazen;

Z'n kuchie lag niet op z'n plek,

Hij stond te schelden en te razen.

Op eens liep ie er tusschen uit,

De korporaal riep: ,,Waarom vluch ie ?"

,,Ik ga den vijand achterna

Die kerels pruimen op m'n kuchie."

 

Wanneer er boter wordt verdeeld

Dan wacht hij rustig op z'n portie;

De adjudant geeft 'm een lik

Voorzichtig op z'n harde korsie.

Dan komt ie stiekum weer terug

En toont 't onbesmeerde ruchie,

Zoo krijgt hij twee maal uit de pot

Op zijn geliefde, fijne kuchie.

 

Eens op 'n keer was ie beroerd,

De kolonel die hiel inspectie,

De rooie Jan was niet model,

Hij was de slechtste van de sectie.

,,Wat donder" riep de kolonel,

,,Sergeant was is dat voor 'n luchie ?"

,,Kerel dat doet rooje Jan,

't Zit 'm zeker in z'n kuchie."

 

Wanneer de oorlog is gedaan

En we gaan demobiliseeren,

Trekt rooje Jan z'n pakkie uit

En schiet weer in z'n boerenkleeren.

Dan zegt ie de kompie vaarwel,

Dan stapt ie naar z'n gehuchie,

Dan smult ie treurig in 't spoor

Zijn allerlaatst soldatenkuchie.

 

Terug naar overzicht

Hetzelfde wie (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Er was eens 'n meisje,

't Zelfde wie,

Die kwam van 'n dorpje,

't Zelfde welk,

Die zocht naar 'n dienstje,

't Zelfde waar,

Om wat te verdienen,

't Zelfde hoe.

 

Ze las in een krantje,

't Zelfde welk,

Gevraagd wordt: meisje,

't Zelfde wat,

Van leeftijd en godsdienst,

't Zelfde hoe ,

Met goede getuigen,

't Zelfde van wie.

 

Ze ging naar de stad toe,

't Zelfde waar,

Daar kwam ze bij mensen,

't Zelfde wie,

Daar zou ze gaan dienen,

't Zelfde wat.

 

Maar toen ze wou werken,

't Zelfde wat,

Met bezem en emmer,

't Zelfde waar,

Toen zei d'r mevrouw d'r,

't Zelfde wie,

Jij wordt nou een dame,

't Zelfde hoe .

 

Toen heeft ze 't begrepen,

't Zelfde hoe,

Wat of ze haar vroegen,

't Zelfde wat,

Toen wou ze dat huis uit,

't Zelfde welk,

De deur was gesloten,

't Zelfde waarom.

 

Toen werd ze gedwongen,

't Zelfde hoe,

Om zich te verkopen,

't Zelfde waarvoor,

't Werd drinken en zingen,

't Zelfde voor wie,

Ze was als de and're,

't Zelfde hoeveel.

 

Terug naar overzicht

Holland één (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Nu de donder der kanonnen,

Boven alles wordt gehoord,

Nu de dreun der zware hamers,

Door den oorlog wordt versmoord,

Nu het hijgen van den arbeid,

Door den doodsgil is verstomd,

Staan wij allen vastberaden,

Voorbereid op wat er komt.

 

Alle mannen zijn nu broeders,

Geen verschil van rang of stand,

Alle vrouwen zijn nu zusters,

Voor ons eerlijk vaderland.

Holland staat daar met zijn legers,

Zwaar gewapend tot den strijd,

Om zijn hoogste volksbelangen,

Klaar voor zijn onzijdigheid.

 

Na een pracht-mobilisatie,

Bleek ons volk voor alles klaar;

In de forten, aan de grenzen,

Eensgezind in het gevaar.

Iedereen begreep zijn plichten,

Iedereen heeft ze gedaan,

Jong en oud blijft ze volbrengen,

Met de Padvinders vooraan.

 

Holland zal geen honger lijden,

Heeft minister Treub gezegd,

Leve Treub en zijn confraters,

Met hen maakt hij alles recht.

Overvloed is er aan voedsel,

Overvloed aan vleesch en graan,

Geef nu geld om te betalen,

En dan is de nood gedaan.

 

Nu zoovelen onzer mannen,

Naar hun posten zijn gegaan,

Dient door hen die achterblijven,

Even snel hun plicht gedaan.

Holland steunt uw werkeloozen,

Duizenden zijn nu in nood,

Holland steunt uw werkeloozen,

Duizenden zijn zonder brood.

 

Wilhelmina van Oranje,

Onze wijze Koningin,

Gaat weer voor in alle zorgen,

Van ons groote volksgezin.

Ernstig door den Prins geholpen,

Wijdt ons Koninklijke Huis,

Al zijn krachten aan ons welzijn,

En dat van het Roode Kruis.

 

Wat door taaie, stalen hersens,

Jarenlang was uitgedacht,

Werd door taaie, stalen spieren,

Even wonderlijk volbracht.

Driemaal honderd duizend jongens,

Goed gewapend en gekleed,

Waren rustig en manhaftig,

Voor hun zware taak gereed.

 

Troelstra en Partijgenooten,

Katholiek en Liberaal,

Anti-Revolutionairen,

Zij aan zij nu allemaal.

Geen verdeeldheid, geen partijen,

Allen even groot en klein,

De partij die allen kiezen,

Is nu: Hollander te zijn.

 

Terug naar overzicht

Holland ons (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst)

Nooit wordt hier een taal gesproken,
Dan de taal van ons Gezag.
Nooit wordt hier een vlag gestoken
Dan de rood, wit, blauwe vlag.
Niemand zal aan Holland raken,
Holland eeuwig voor ons vrij.
Die daar trouw voor zullen waken,

Die daar trouw voor zullen waken,
God verhoor ons, dat zijn wij,

God verhoor ons, dat zijn wij.


Holland heb je ’t begrepen,
Hou’ je voor de toekomst klaar,
Holland hou’ je zwaard geslepen
Voor het komende gevaar.
Daarmee zult ge nooit versagen,
Neemt ’t onverveerd ter hand.
Sla’ ze neer die je belagen,

Sla’ ze neer die je belagen,
Oog om oog en tand om tand,

Oog om oog en tand om tand,



Holland zullen wij niet geven,
Holland is ons hoogste goed.
Daarvoor geven wij ons leven,
Daarvoor storten wij ons bloed.
Holland wordt geen land van slaven,
Holland ’s Grond wordt nooit onteerd.
Liever dood erin begraven,

Liever dood erin begraven,
Dan als knecht er geregeerd,

Dan als knecht er geregeerd,

 

Terug naar overzicht

Inkwartiering (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

De Driessens kregen inkwartiering

Zoo goed als ieder in de buurt;

Een stuk of drie gezonde lummels

Die waren naar hen toegestuurd.

De meiden lachten in de keuken,

Nou zou je 's 'n grappen zien;

De jongens werden goed ontvangen

Door Aaltje, Jansje en Katrien.

 

Ze moesten mee aan tafel eten

Al hielden ze niet d'r fatsoen,

En moest soms Driessens er op wijzen

Dat Klaas geen rarigheid mocht doen.

Hij lei zijn afgekloven kluiven

Weer netjes in de soepterrein.

Ze aten liever in de keuken

Bij Aaltje, Jansje en Katrien.

 

Ze moesten de salon bezoeken

Al trokken ze hun jassen uit,

En maakte Hein niet met z'n lippen

Soms menig zonderling geluid.

Ze moesten flauwe praatjes maken,

Of speelden met z'n allen kien.

Ze gingen liever zitten vrijen

Met Aaltje, Jansje en Katrien.

 

Ze moesten in een kamer slapen

Waar kribben waren neergezet.

Ze kregen 's avonds tegen tienen

Een warrem kruikie mee in bed.

Ze snurkten dadelijk als ossen

En droomden heel de nacht misschien

Van zoenen, vrijen en beminnen

Met Aaltje, Jansje en Katrien.

 

En Driessen die zat maar te peinzen

Wat hij z'n jongens geven zou.

Hij las ze voor uit Multatuli

Of praatte met ze over Shaw.

Hij speelde uren lang sonates

Of liet ze studieboeken zien.

Ze zouden liever zoenen leeren

Van Aaltje, Jansje en Katrien.

 

Ze mopperden soms heele dagen

En Driessen snapt niks er van;

Ze wilden liever gaan verhuizen

Waar je 's lekker lachen kan.

't Was niet langer uit te houden,

Onzijdigheid was goed misschien

Maar niet voor drie gezonde jongens

Bij Aaltje, Jansje en Katrien.

 

Terug naar overzicht

Jaloersche mannen en vrouwen

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Erger dan 'n tram vol menschen

Als 't regent dat 't giet,

Dan 'n bandje uit je rokken,

Als 'n kennis naar je ziet,

Dan 'n gloeiend heet kroketje,

Waar je niet in bijten kan;

Erger dan 'n neus met sproeten,

Is een dol jaloersche man.

 

Refrein:

Door die nare jaloezie,

Zijn zij nooit in harmonie.

 

Erger dan een huis met buren

Waar piano wordt gespeeld,

Dan een paar verwende kind'ren,

Dan een hond die je verveelt,

Dan 'n lid van je familie

Die graag niet kennen zou,

Erger dan 'n taaie biefstuk,

Is een dol jaloersche vrouw.

 

Refrein

 

Als z'n vrouw wat loopt te zingen

Of 'n beetje vroolijk doet,

Zegt-ie: ,, mensch je moest je schamen

Hou toch je brutale snoet."

En wanneer ze zit te huilen

Vindt ie dat intens gemeen,

Huilen, snikken, kermen, zuchten

Mag ze maar voor hem alleen.

 

Als d'r man wat loopt te zingen

Of 'n vroolijk moppie fluit,

Gaat ze met de deuren smijten

Slechte kerel hou je snuit.

Want ik ken je rare streken

O afschuwelijke man,

Als jij zingt of loopt te fluiten

Ben je wat gemeens van plan.

 

Refrein

 

Als ze 's zomers met de kleinen

Wat gaan rusten aan de zee,

Geeft ie om secuur te wezen

Haar 't schoonmamaatje mee.

Maar mama is veel te kippig

Dat ze rare dingen zag,

Want die zet ze in de strandstoel

En daar snurkt ze heel den dag.

 

Als 't ie 's middags wat gaat loopen

Moet de kleine jongen mee,

Om aan mammie te vertellen

Wat of pappie buiten dee.

Maar de kleine houdt zijn mondje

Want die heeft te veel gesnoept,

Mammie komt geen steek te weten

't Kind heeft in zijn broek ge .....

 

Refrein

 

Als ze zich een beetje poeiert

Of 'n fijne voile draagt,

Wordt ze daad'lijk met een minnaar

Of 'n rendez-vouz geplaagd.

Maar de poeier en de voile

Zijn toch niet zo ongewoon,

Want ze heeft geen stille minnaar

Maar een puistje op haar koon.

 

Als d'r man zijn haar laat knippen

Zonder dat ie van d'r mag,

Als ie vraagt om 'n verschooning

Op een door de weekschen dag,

Gaat ze nijdig zitten grienen:

,,Slechte vent nou snap ik jou,

Al dat wasschen en verschoonen

Doe voor 'n and're vrouw."

 

Refrein

 

Als ze 's nachts vermoeid van 't werken

Heel gerust te slapen lei,

Gaat ie angstig zitten luist'ren

Of ze in d'r slaap niks zei.

Roept ze dan soms driemaal Hendrik

Als tie zelf Cornelis heet,

Zegt ze: ,,weet je dan niet stommerd

Dat Prins Hendrik ook zoo heet."

 

Als ie 's nachts vermoeid van werken

Heel gerust te slapen lei,

Heeft ze 't 's morgens op d'r heupen

Als tie in z'n slaap niks zei;

,,Jij hebt weer wat te verbergen

Of 'n ander in je kop,

Om me voor de gek te houden

Droom je ekspres niet hardop.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jantje's brief (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Lieve Opa, uw verjaardag

Is voor mij 'n blijde dag.

En ik hoop dat u dit briefje

In gezondheid lezen mag.

En dat u nog vele jaren

Onze Opa wezen kan.

En dat zijn de beste wenschen

Van uw kleine Janneman.

 

Refrein:

Opa ik vind u 'n schat,

'k Wou dat ik duizend Opa's had.

 

Weet u nog die doos met flikjes

En die chocoladepop,

Nou die waren toch zoo lekker

En die zijne ook weer op.

En dat u bij ons komt wonen,

Want u bent toch zoo alleen,

En dat u geen pijn zal hebben

Aan uw eene rechter-been.

 

Refrein

 

En dat u bij ons komt wonen

Dat u ons dan niet vergeet.

En dat u gerust mag morschen,

Als u mee aan tafel eet.

En die nare, ouwe Mina,

Die bent u dan ook maar kwijt,

Want die is geens familie

En toch plaagt ze u altijd.

 

Refrein

 

En als u bij ons komt wonen,

Ben ik altijd, altijd zoet,

En dan spaar ik al de centjes,

Die u in mijn spaarpot doet.

Dat u bij ons ziek mag wezen,

Net zoo dikwijls als u ken.

En dan is u niet allenig

Als u dood geworden ben.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Janus in z'n nieuwe pak (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Die Janus was een goeie vent,

De beste van de steeg,

Die zich maar liever schelden liet,

Dan dat ie ruzie kreeg.

Toch had ie ook 'n groot gebrek,

Die allerbraafste man,

Wanneer die nieuwe kleeren droeg,

Dan keek tie niemand an.

De heele buurt liep uit,

Om z'n pedante snuit.

 

Refrein:

Janus, Janus,

Jô, wat is d'r loos ?

Heb jij je nieuwe pakje an

En kijk je daarom boos ?

Janus, Janus,

Jô, wat is d'r loos ?

Heb jij je nieuwe pakje an

En kijk je daarom boos ?

 

En telkens als tie weer een pak

Van de kleerenmaker had,

Dan liep tie als een haantje-pik

Te groozen door de stad.

Al had ie nog geen cent betaald

Daar bloosde ie niet voor,

Wanneer die langs de winkel kwam

Dan ging die deftig door.

De kleerenmaker riep

Terwijl die verder liep:

 

Refrein

 

Eens liep tie met z'n nieuwe pak

Door 'n beruchte straat,

De warme buurt die schold 'm uit

Voor lid van de raad.

Maar Janus deed als of ie bang

Voor zulke dames was,

Die liepen zingend met 'm mee

En trokken aan z'n jas.

Doe nou zoo mal niet vent

Als of je ons niet kent.

 

Refrein

 

Toen Janus onder dienst moest gaan

Verwenschte ie z'n kwaal,

Want door z'n ijver en z'n vlijt

Werd Janus korporaal.

En toen die op een vrijen dag

An 't kuijeren was gegaan,

Toen keek ie door z'n nieuwe pak

Geen generaal meer aan.

Toen ie de bak in kon

Zong heel het bataillon:

 

Refrein

 

Toen Janus op een kwaajen dag

Z'n maag bedorven had,

Toen stierf ie aan 'n darm-catahr

Omdat ie zooveel at.

En toen ie in z'n kistje lag

Zoo trotsch al het maar kan,

Toen keek ie voor de laatste keer

Z'n vrinden zelfs niet an.

Die stonden allen paf

En zongen rond z'n graf:

 

Refrein:

Janus, Janus,

Jô wat is t'r loos

Heb jij je laatste pakkie an

En kijk je daarom boos ?

Janus, Janus,

Jô wat is t'r loos

Heb jij je laatste pakkie an

En kijk je daarom boos ?

 

En toen die dan begraven was

En in de aarde lag,

Toen kwam er uit z'n erfenis

'n Kiekie voor den dag.

Daar stond ie in z'n nieuwe pak

Zoo nijdig als een stier,

Maar dan van achteren gezien

Als laatste souvenir.

En die 't kiekie ziet

Zingt dadelijk 't lied:

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

Jonge liefde (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Meisje, waarom lach je niet,

Waarom heb je zoo'n verdriet,

Waarom zit je zoo te beeven ?

Is er soms iets kwaads gebeurd,

Dat je in d'n donker treurt,

Heeft 'n man je iets misdreven ?

 

Als je niet zoo mooi was, kind,

Had toch niemand je bemind,

Had geen man je ooit belogen.

Troost je maar met je verdriet,

d' Leelijken bedriegt men niet,

d' Mooisten worden 't meest bedrogen.

 

Is de liefde dan niet waard

Dat je er een traan voor spaart,

Dat je er niet voor wilt lijden ?

Een minuut van zaligheid,

Is toch meer, mijn beste meid,

Dan de tranen, die je schreide.

 

Als je oud bent, brave schat,

Wou je dat je traantjes had

Om een jonkman te betreuren.

Met de liefde is 't gedaan,

Niemand kijkt je dan meer aan,

Niets zal je dan meer gebeuren.

 

Haast je want de tijd is kort,

Voor je oud en lelijk wordt,

Laat de liefde vroolijk binnen.

Waarom ben je altijd bang,

Overweeg maar niet te lang,

Als je jong bent moet je minnen.

 

Terug naar overzicht

Jubilaris (J.H. (Koos) Speenhoff 13 februari 1915)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Geëerd publiek, ik wil mijn dank

U in een liedje hooren laten.

Omdat ik vlotter zingen kan

Dan voor de vuist tot u te praten,

Eerst zag ik tegen feesten op,

Nu merk ik dat het niet zoo zwaar is.

De zaal is vol, ik ben tevreê,

Ik voel me best als jubilaris.

 

De feestcommissie was zoo goed

Om mij te helpen jubileeren.

Het resultaat is onverwacht,

Ik dank de dames en de heeren.

En als na twaalf en 'n half jaar,

De tijd van jubelen weer daar is,

Gun ik ze clandisie weer,

Dat zweer ik ze als jubilaris.

 

Mijn kleinste meid vroeg van de week

Toen ze de kamer moest verlaten,

"Waarom moet ik toch altijd weg,

Wanneer er heeren komen praten.

Mag ik nu gauw weer bij u zijn

En als 't feest nu morgen klaar is,

Wordt u mijn eigen pap dan weer

Of blijft u altijd jubilaris ?

 

Wanneer ik aan mijn vaderland

Iets van belang heb mogen geven.

En als mijn liedjes in ons volk,

Nog vele jaren mogen leven.

En als ik iets gaf wat nodig was,

Wanneer dit alles waar is,

Dan heb ik eerst mijn doel bereikt,

En jubel pas als jubilaris.

 

Terug naar overzicht