|
| |
|
Het
huwelijk van Roosje (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
"Zeg,
allerliefste Roosje,
Geef
jij me nou een zoen,
Dan
trouwen we na 'n poosje,
Want
ik heb al een millioen.
Toe
doe 't maar,
Dan
ben ik klaar.
Heerlijke
Roosje,
Toe
laat me nou en wees m'n vrouw,
Ik
hou van jou."
"Nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, mijnheer,
Nee,
nee mijnheer" zegt het aardige Roosje,
Nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, mijnheer,
Zoo
iets kan ik niet doen.
Als
ik ooit zou willen trouwen,
Heb
ik maling aan uw millioen."
Zegt
het aardige Roosje,
Zegt
het aardige Roosje,
Ik
kan heusch niet van u houen,
Daarom
geef ik u geen zoen.
"Zeg,
allerliefste Roosje,
Geef
jij me dan maar 'n hand,
Dan
geef ik je voor een poosje,
De
mijne als onderpand.
Toe
denk 's na,
En
zeg maar ja,
Heerlijke
Roosje,
Heel
m'n millioen,
Voor
eene zoen,
Wil
ik verdoen.
"Nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, mijnheer,
Nee,
nee mijnheer" zei het aardige Roosje,
"Nee,
nee, nee, nee, nee, nee, nee, mijnheer,
Zo
iets moogt u niet doen,
Als
u zoo gaat beginnen,
Met
uw mooie millioen,
Zei
't aardige Roosje,
Zei
't aardige Roosje,
Moet
ik u van zelf beminnen,
Al
kost 't me ook een zoen.
"Wel
allerliefste Roosje,
Wat
vind ik dat lief van jou.
Sta
toe dat ik voor een poosje,
Je
dus als m'n vrouw beschouw.
Toe
zeg 't maar,
Dan
zijn we klaar,
Heerlijke
Roosje,
Geef
me die zoen,
Je
kunt 't doen,
'k
Heb geen millioen."
"Ja,
ja, ja, ja, ja, ja, meneer,
Ja,
ja meneer,"
Zegt
't aardige Roosje,
"Ja,
ja, ja, ja, ja, ja, meneer,
Zoo
iets wil ik wel doen,
Ik
wil toch met u trouwen,
Al
hebt u geen millioen."
Zegt
't aardige Roosje,
Zegt
't aardige Roosje,
"Toch
zal ik veel van u houen,
Daarom
geef ik u m'n zoen."
Terug
naar overzicht |
|
Het
kado van Bet an d'r zeeman (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Zeg
Bet, ik zat maar te verlangen
Ik
snapte niet wat of er was,
Ik
had zoo'n tijd niks meer ontvangen
Toen
kwam je pakkie goed van pas.
Voor
ik je briefie had gelezen,
Dat
onder op den bojem lag,
Dacht
ik ze moet krankjorum wezen
Toen
ik dat zakkie aarde zag.
Refrein:
Ik
zal dat hoopie zand bewaren
Tot
ik medeen weer binnen kom.
Me
landje en jouw rooje haren
Die
zijn m'n alles denk er om.
Dat
pitje heb ik ook gevonden
Ik
heb 't dadelijk gepoot.
En
sinds je mijn 't hebt gezonden
Is
't al een duim of vijftien groot.
't
Kruipt al aardig langs 'n stokkie
En
zeg, nou zal je lachen meid:
Dat
lust me een zoetwaterslokkie
Als
ik m'n oorlam op m'n tijd.
Refrein
De
jongens komme wel 's snorre !
En
vraag' waar of ik mee speel
Ze
snappe' niet wat 't mot worre'
'n
Stokdwijl of 'n bezemsteel.
Ik
stoor me niks an al die praatje
Ik
troost me met dat plantje maar
En
kijk ik naar z'n rooje blaadjes
Dan
denk ik aan jouw rooie haar.
Refrein
Zeg
Bet je mot er niet van prate'
Maar
als ik naar dat dinchie loer
Dan
mot ik soms me trane' late'
En
sta te griene' an 't roer.
Eerst
dacht ik me nog te vergisse'
Wat
mot ik met dat hoopie zand
Nou
kan ik 't al niet meer misse'
Dat
stukkie van m'n vaderland.
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Het
kamerlid naar het hofbal (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Het
kamerlid van Bommelhuizen,
Trok
ook zijn galapakje aan,
Hij
hoorde bij de duizend gasten,
Die
naar 't Hofbal mogen gaan.
Hij
groosde met zijn invitatie,
Dat
was nu juist iets naar zijn zin,
Hij
dacht ik ga een kijkje nemen,
Van
avond bij de Koningin.
Hij
schreef z'n vrouw: "Geliefde Maatje,
Je
mot 's lezen in de krant
Hoe
'k m'n distrikt vertegenwoordig
Al
ben ik maar een boerenklant.
Ik
ben de trotsch van Bommelhuizen,
De
steunpilaar van m'n gezin,
Ik
ga, jandorie op visite,
Van
avond bij de Koningin."
Hij
dacht: "Om nou 's fijn te wezen,
Ga
ik 's gauw naar een coiffeur,
Daar
laat ik me dan extra scheeren,
En
koop een groote flesch odeur.
Die
giet ik uit over me kleeren,
Daar
smeer ik heel m'n lijf mee in,
Dan
ruik ik als 'n hooge oome,
Van
avond bij de Koningin.
Ik
zal me ook maar 's verschoonen,
Al
is 't ook geen Zaterdag,
Je
weet niet wat er kan gebeuren,
Ik
moet misschien wel aan de slag.
Misschien
moet ik de Polka maken,
Met
zoo een prachtige Gravin,
Of
met 'n hooggeboren Freule,
Van
avond bij de Koningin."
Hij
had die morgen nog ontbeten
Een
kopje thee en 'n beschuit,
En
ook die middag niet gegeten,
Een
paar kroketjes in 't Zuid.
Hij
dacht: "Ik moet me honger sparen,
Me
schâ die haal ik toch wel in,
Ik
raak 'm wel aan de buffetten,
Van
avond bij de Koningin."
Hij
was toevallig ook de eerste,
Die
't Paleis zou binnengaan,
Hij
zei aan een van de lakeien:
"Daar
vader, pak m'n jas 's aan.
't
Is nog niet druk zou ik zoo zeggen,
De
gang die zit er nog niet in,
Ik
ben zoowat de eerste kennis,
Van
avond bij de Koningin."
Al
rammelende van den honger,
Liep
hij salons en zalen door,
Bij
't buffet kon hij niet komen,
Daar
stond 't heele Hofbal voor.
"Wel
potverdorie" zei die zachtjes,
Ze
bijten d'r hier nog al in,
Ze
schijnen zoowat uitgehongerd,
Van
avond bij de Koningin."
En
overal waar die voorbij kwam
Of
waar die even zitten ging,
Daar
hoorde ie de luidjes zeggen:
"Wat
ruikt 't hier toch zonderling."
Daarom
verliet ie snel 't Hofbal,
En
stapte gauw bij Knapstein (1) in
En
zei: "Ik had geen trek in eten,
Van
avond bij de Koningin."
(1)
Eethuis te 's Gravenhage
Terug
naar overzicht |
| Het
meisje dat men nooit vergeet (J.H. (Koos) Speenhoff) |
|
Wanneer
'n man zich oud gaat voelen
Verliest
ie zijn luidruchtigheid
Dan
wordt ie zuinig op zijn eigen
Dan
maakt ie zorgen voor de tijd
Dan
gaat ie denken aan zijn fuiven
Aan
al 't lachen wat ie deed
Maar
't meeste waar die aan zal denken
Bij
al zijn lief en al zijn leed
't
Is aan het meisje dat ie nooit vergeet
't
Is aan het meisje dat ie nooit vergeet
Het
meisje waar die van ging hou'en
Liep
op een avond zo maar mee
Dat
beste kind wou geen cadeautjes
Was
met zijn zoenen al tevree
Ze
zei: "Jij bent van al de jongens
De
allermooiste die ik ken
En
ach, je hoeft me niet te trouwen
Wanneer
jij maar gelukkig ben"
Dat
is het meisje dat je nooit vergeet
Ze
poetste 's morgens vroeg zijn schoenen
Ze
deed de vlekken uit zijn jas
Ze
zorgde 's middags voor zijn potje
Wanneer
er wat te koken was
En
ze ging 's avonds met hem lopen
Dan
was ze leuk en chique gekleed
Zodat
de mannen naar d'r keken
Omdat
'm dat genoegen deed
Dat
is het meisje dat je nooit vergeet
En
was ie 's nachts weer aan de boemel
Dan
had ze urenlang gewacht
Dan
deed ze net zo lief als anders
Al
werd ie dronken thuis gebracht
En
was ie 's morgens soms niet lekker
Dan
zei die allerbraafste meid
"Hier
is 'n haring en 'n klare
Dan
ben je gauw je kater kwijt"
Dat
is het meisje dat je nooit vergeet
Wanneer
zijn ouders bij 'm kwamen
Twee
brave mensen van 't land
Dan
ging ze verven en behangen
Dan
was zijn rommeltje aan kant
Terwijl
die oudjes zich verbaasden
Dat
alles zo in orde was
Zat
zij maar stiekem in de keuken
En
deed of ze de dienstmeid was
Dat
is het meisje dat je nooit vergeet
En
toen 't uit was met zijn liefde
Zei
ze: "Ik ga weer naar m'n moe
Je
hoeft me niks geen geld te geven
Stuur
me maar 'anzichtskaarten' toe
Mocht
ik je naderhand ontmoeten
Als
je getrouwd en vader ben
Dan
zal ik heus alleen maar kleuren
En
doen alsof ik jou niet ken"
Dat
is het meisje dat je nooit vergeet
Terug
naar overzicht |
|
Het
moederhart
(J.H.
(Koos Speenhoff)/ook gezongen door Willy Derby, August de Laat en Zangeres Zonder
Naam)
(met
dank aan Marc Blokland voor het sturen van de tekst) |
|
Er
was eens een jongen zo goedig en trouw
Tralala
liere, tralala la
Er
was eens een jongen zo goedig en trouw
Die
veel van een meisje hield, dat 'm niet wou
Ze
zei, ga naar huis toe, en breng me terstond
Tralala
liere, tralala la
Ze
zei, ga naar huis toe, en breng me terstond
Het
hart van je moeder en geef het mijn hond
Hij
ging naar zijn moeder en heeft haar vermoord
Tralala
liere, tralala la
Hij
ging naar zijn moeder en heeft haar vermoord
Toen
nam hij haar hart, en vlucht d'r mee voort
Hij
struikelde en plofte voorover in 't zand
Tralala
liere, tralala la
Hij
struikelde en plofte voorover in 't zand
En
't hart van zijn moeder dat viel uit z'n hand
Terwijl
daar dat hartje zo neven 'm lei
Tralala
liere, tralala la
Terwijl
daar dat hartje zo neven hem lei
Toen
hoorde hij dat het hem zachtjes iets zei
Al
snikkend en jammerend vroeg het 'm wat
Tralala
liere, tralala la
Al
snikkend en jammerend vroeg het hem wat
Heb
jij je soms zeer gedaan, eenige schat ?
Terug
naar overzicht |
|
Het
publiek
(Voordracht door J.H. (Koos)
Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Van het publiek, hoogggeachte dames en
heeren,
Zou men gerust kunnen beweren,
Dat het een samenkomst is van menschen,
Die allemaal wat anders wenschen.
Bijvoorbeeld de oude mevrouwen,
Dat zijn dames, die van pralines
schijnen te hou'en
En het liefst stukken zien vertoonen
Met gedresseerde vaders en
geëxamineerde zonen.
Of met jongelui, die nette posities
krijgen,
Of dienstbodes, die op commando
zwijgen.
De handeling van het stuk kan ze niet
schelen,
Zoodat zij zich bij ,,Adam in
ballingschap" vervelen.
Om de letterkundige waarde van het
geheel
Bekommeren ze zich niet veel.
Of 't van meneer A is, of van juffrouw
B,
Als 't maar een stuk is, dan zijn ze
tevreê.
De hoofdzaak is: dat 't niet bij
twaalven wordt,
Anders is 't laatste tremmetje vort.
De hier aanwezigen wensch ik echter
uit te zonderen,
Die zijn alleen gekomen om de kunst te
bewonderen.
De jongere dames en meisjes
Zijn dol op stukken met
huwelijksreisjes
En knusse beminden, die het jawoord
komen vragen,
En die daarom hooge hoeden en
handschoenen dragen.
Ze gaan ook dikwijls met pa en moe,
Om de zoon van je-weet-wel, naar den
Schouwburg toe.
De beelderigste stukken vinden ze dan
De stukken, waarbij je in de pauze
lang praten kan.
Niet over den inhoud of het spel en
zoo voort,
Maar over wat er bij een uitzet hoort.
En de leelijkste stukken vinden ze
gauw
Als de zoon van je-weet-wel niet komen
wou.
Het liefste zien ze, dat kunt u wel
raden,
De stukken van Rooyaards en Verkade.
Vooral Verkade ! O, dat is een beeld,
Omdat hij zoo natuurlijk met
Sandwiches speelt.
Heusch, 't is een meneer,
Heelemaal zoo geen tooneelspeler meer.
En Rooyaards O ! die is ook niet
slecht;
Je kunt bijna altijd hooren wat hij
zegt.
Zin stem ! Wat 'n geluid ! Prachtig !
Wat zegt hij Vondel krachtig.
't Is tegenwoordig chique op de
planken te staan;
Freule B tot L is ook aan 't tooneel
gegaan.
Neen, heusch, 't is werkelijk fijn
En heelemaal geen schande meer om
kunstenaar te zijn.
De ouwere heeren en vrijgezellen
Houden van stukken, waarin ze moppen
vertellen.
In de Stalles op de eerste rij
Zitten ze er nog niet dicht genoeg
bij.
Als ze 'n plaats op 't tooneel konden
halen,
Zouden ze graag 'n pop bespreekgeld
betalen.
't Liefst werden ze in de kleedkamers
toegelaten
Om met de actrices over immoreele
contracten te praten.
Dan komen onze jongere heeren,
Die houden van stukken, waar iets uit
valt te leeren.
Stukken, waarbij ze hun kunstgevoel
verrrijken,
Maar ondertusschen toch in de halzen
der dames kijken.
Terwijl ze op 't tooneel de ernstige
dingen beleven,
Zitten ze geniepige voetjes te geven.
En dan wordt er wel eens 't hardste
geklapt,
Door 'n jonge dame die op haar
lakschoenen is getrapt.
In de pauze wandelen ze verlegen door
de foyer
En drinken met oom en tante A 'n kopje
thee.
Dan doen ze of ze solide waren
En kijken in den spiegel naar de
scheiding in d'r haren.
Maar als oom en tante naar binnen zijn
gegaan
Zie je ze dad'lijk met 'n biertje
staan.
Dan komen de vrijbiljetten,
Die meestal zure gezichten zetten.
Ze zijn de lastigste toeschouwers van
allen,
Niets kan hun volkomen bevallen.
Voor het slot hebben ze hun hoed al
genomen
Om maar 't eerst bij de garderobe te
komen.
Ze zitten op alles en iedereen te
vitten,
Omdat ze toch voor niets in den
Schouwburg zitten.
Dan heb je die lui, die niet op tijd
kunne komen
Omdat ze hun plaats drie dagen tevoren
hebben genomen.
Door hen wordt 't hardste ,,sst !"
gebromd,
Wanneer er iemand nog later komt.
Dan de lui, die alles uit willen
leggen
En die heele zinnen na zitten zeggen.
IJverig willen ze mededeelen
Wat je vlak voor je neus ziet spelen.
Maar als je vraagt hoe 't drama heet,
Merk je dat zoo iemand den naam niet
eens weet.
Ze spreken over acteurs en actrices
Net als over hun intiemste amices.
Met Bouwmeester hebben ze op school
gezeten,
Met Jan C. hebben ze laatst nog
gegeten.
Van Brondgeest hebben ze 'n
Ansicht-kaart gehad
En met Orelio wandelen ze door de
stad.
Met Poolman spelen ze 'n domineetje
En met Chrispijn hadden ze 'n
soupeetje.
En als je onderzocht, of ze je niet
foppen,
Komen ze met 'n smoesje op de proppen.
En dan hoor je bijvoorbeeld van
Chrispijn,
Dat ze allebei abonné van 't
Handelsblad zijn.
Maar als 'n acteur 'n eereavond geeft
Sturen ze 'n telegram - dat 's
goedkoop en beleefd.
En ondertusschen zeggen ze,, die krans
daar op rij,
Die met die zilveren linten, die is
van mij."
Dan nog de hoesters en niezers en
snuiters,
De krantenlezers, de ,,sst"-ers en de
fluiters.
Hoor je zoo'n hoester 'n keer of twee
Dan hoesten de anderen allemaal mee.
De niezer en snuiters komen achteraan
En ten slotte kan je niets meer
verstaan.
Dan hoor je de ,,sst"-ers met hun
gesis
Totdat het eind'lijk weer stilte is.
Krantenlezers en fluiters zijn er niet
veel,
Daarvoor is er te veel respect voor
het tooneel.
Ten slotte en ten leste
En zeker het beste
De kritiek,
De voorlichter van het publiek.
Een verslaggever is een man
Die niet bij twee voorstellingen
tegelijk wezen kan.
Al is hij nog zo gevreesd,
Toch is 't goed dat hij er bij is
geweest.
Als hij goed schrijft is 't 'n knappe
vent,
En als hij slecht schrijft een, die
niets kent.
Maar slechter dan slecht
Is als hij helemaal niets zegt.
Ik eindig niet gelijk Multatuli deed
Met publiek ,,ik veracht u", zooals u
weet.
Integendeel: ik eindig dames en heeren
Met te beweren
Dat het publiek een samenkomst is van
menschen
Die allemaal wat anders wenschen.
Terug
naar overzicht |
|
Het
scheepje (J.H (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Marc Blokland voor het sturen van de tekst) |
|
Er
dreef een scheepje in de sloot,een scheepje zonder roer
Dat
heel allenig zeilen ging, en door de biezen voer
Het
was een klompje van een kind, met touwtjes en een mast
Het
raakte in het groene kroos, en niemand hield het vast.
De
moeder had het zeil gemaakt, met nog een vlag er bij
De
vader had het opgetuigt, toen was de jongen blij
Het
scheepje draaide heen en weer, en zeilde langs het gras
Toen
ging de vader aan zijn werk, en moeder aan de was.
Maar
toen het tijd van eten werd, keek moeder angstig rond
Omdat
ze aan de waterkant alleen het scheepje vond
Hun
lieve dreumes was er niet, ze vloog naar binnen toe
Ze
riep zijn naam wanhopig uit, maar niemand zei er "joe"
Er
stond een scheepje op de kast, dat was millioenen waard
Wanneer
de vader er naar keek, dan trok die aan zijn baard
En
als moeder 's avonds laat het in haar handen nam
Dan
hoorde zij een lieve naam, waar "oe" en "ie" in
kwam.......
Terug
naar overzicht |
|
Het soldatenkuchie (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
De rooje Jan is een soldaat
Die 't met iedereen kan vinden;
Hij is de trots van de kompie,
De jongens zijn z'n beste vrinden.
Hij is een lobbes van een knul,
Hij zou geen kwaad doen aan een muchie;
Maar nijdig wordt ie als een stier,
Wanneer je peutert aan z'n kuchie.
Laatst zat ie zuchtend in 'n hoek,
Hij las 'n brief van z'n ouwe;
Z'n kuchie dat lag op 'n krib
Om er 'n oogje op te houe !
,,Wat kijk je raar" zei de sergeant,
,,Wat is er rooje, waarom zuchie ?"
,,Sergeant, as nou m'n moeder kwam,
Dan gaf ik haar m'n versche kuchie."
Eens werd er midden in den nacht,
Terwijl hij sliep, alarm geblazen;
Z'n kuchie lag niet op z'n plek,
Hij stond te schelden en te razen.
Op eens liep ie er tusschen uit,
De korporaal riep: ,,Waarom vluch ie
?"
,,Ik ga den vijand achterna
Die kerels pruimen op m'n kuchie."
Wanneer er boter wordt verdeeld
Dan wacht hij rustig op z'n portie;
De adjudant geeft 'm een lik
Voorzichtig op z'n harde korsie.
Dan komt ie stiekum weer terug
En toont 't onbesmeerde ruchie,
Zoo krijgt hij twee maal uit de pot
Op zijn geliefde, fijne kuchie.
Eens op 'n keer was ie beroerd,
De kolonel die hiel inspectie,
De rooie Jan was niet model,
Hij was de slechtste van de sectie.
,,Wat donder" riep de kolonel,
,,Sergeant was is dat voor 'n luchie
?"
,,Kerel dat doet rooje Jan,
't Zit 'm zeker in z'n kuchie."
Wanneer de oorlog is gedaan
En we gaan demobiliseeren,
Trekt rooje Jan z'n pakkie uit
En schiet weer in z'n boerenkleeren.
Dan zegt ie de kompie vaarwel,
Dan stapt ie naar z'n gehuchie,
Dan smult ie treurig in 't spoor
Zijn allerlaatst soldatenkuchie.
Terug
naar overzicht |
|
Hetzelfde
wie (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Er
was eens 'n meisje,
't
Zelfde wie,
Die
kwam van 'n dorpje,
't
Zelfde welk,
Die
zocht naar 'n dienstje,
't
Zelfde waar,
Om
wat te verdienen,
't
Zelfde hoe.
Ze
las in een krantje,
't
Zelfde welk,
Gevraagd
wordt: meisje,
't
Zelfde wat,
Van
leeftijd en godsdienst,
't
Zelfde hoe
,
Met
goede getuigen,
't
Zelfde van wie.
Ze
ging naar de stad toe,
't
Zelfde waar,
Daar
kwam ze bij mensen,
't
Zelfde wie,
Daar
zou ze gaan dienen,
't
Zelfde wat.
Maar
toen ze wou werken,
't
Zelfde wat,
Met
bezem en emmer,
't
Zelfde waar,
Toen
zei d'r mevrouw d'r,
't
Zelfde wie,
Jij
wordt nou een dame,
't
Zelfde hoe
.
Toen
heeft ze 't begrepen,
't
Zelfde hoe,
Wat
of ze haar vroegen,
't
Zelfde wat,
Toen
wou ze dat huis uit,
't
Zelfde welk,
De
deur was gesloten,
't
Zelfde waarom.
Toen
werd ze gedwongen,
't
Zelfde hoe,
Om
zich te verkopen,
't
Zelfde waarvoor,
't
Werd drinken en zingen,
't
Zelfde voor wie,
Ze
was als de and're,
't
Zelfde hoeveel.
Terug
naar overzicht |
| Holland
één (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Nu
de donder der kanonnen,
Boven
alles wordt gehoord,
Nu
de dreun der zware hamers,
Door
den oorlog wordt versmoord,
Nu
het hijgen van den arbeid,
Door
den doodsgil is verstomd,
Staan
wij allen vastberaden,
Voorbereid
op wat er komt.
Alle
mannen zijn nu broeders,
Geen
verschil van rang of stand,
Alle
vrouwen zijn nu zusters,
Voor
ons eerlijk vaderland.
Holland
staat daar met zijn legers,
Zwaar
gewapend tot den strijd,
Om
zijn hoogste volksbelangen,
Klaar
voor zijn onzijdigheid.
Na
een pracht-mobilisatie,
Bleek
ons volk voor alles klaar;
In
de forten, aan de grenzen,
Eensgezind
in het gevaar.
Iedereen
begreep zijn plichten,
Iedereen
heeft ze gedaan,
Jong
en oud blijft ze volbrengen,
Met
de Padvinders vooraan.
Holland
zal geen honger lijden,
Heeft
minister Treub gezegd,
Leve
Treub en zijn confraters,
Met
hen maakt hij alles recht.
Overvloed
is er aan voedsel,
Overvloed
aan vleesch en graan,
Geef
nu geld om te betalen,
En
dan is de nood gedaan.
Nu
zoovelen onzer mannen,
Naar
hun posten zijn gegaan,
Dient
door hen die achterblijven,
Even
snel hun plicht gedaan.
Holland
steunt uw werkeloozen,
Duizenden
zijn nu in nood,
Holland
steunt uw werkeloozen,
Duizenden
zijn zonder brood.
Wilhelmina
van Oranje,
Onze
wijze Koningin,
Gaat
weer voor in alle zorgen,
Van
ons groote volksgezin.
Ernstig
door den Prins geholpen,
Wijdt
ons Koninklijke Huis,
Al
zijn krachten aan ons welzijn,
En
dat van het Roode Kruis.
Wat
door taaie, stalen hersens,
Jarenlang
was uitgedacht,
Werd
door taaie, stalen spieren,
Even
wonderlijk volbracht.
Driemaal
honderd duizend jongens,
Goed
gewapend en gekleed,
Waren
rustig en manhaftig,
Voor
hun zware taak gereed.
Troelstra
en Partijgenooten,
Katholiek
en Liberaal,
Anti-Revolutionairen,
Zij
aan zij nu allemaal.
Geen
verdeeldheid, geen partijen,
Allen
even groot en klein,
De
partij die allen kiezen,
Is
nu: Hollander te zijn.
Terug
naar overzicht |
|
Holland ons
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het sturen van de tekst) |
|
Nooit wordt hier een taal gesproken,
Dan de taal van ons Gezag.
Nooit wordt hier een vlag gestoken
Dan de rood, wit, blauwe vlag.
Niemand zal aan Holland raken,
Holland eeuwig voor ons vrij.
Die daar trouw voor zullen waken,
Die daar trouw voor zullen waken,
God verhoor ons, dat zijn wij,
God verhoor ons, dat zijn wij.
Holland heb je ’t begrepen,
Hou’ je voor de toekomst klaar,
Holland hou’ je zwaard geslepen
Voor het komende gevaar.
Daarmee zult ge nooit versagen,
Neemt ’t onverveerd ter hand.
Sla’ ze neer die je belagen,
Sla’ ze neer die je belagen,
Oog om oog en tand om tand,
Oog om oog en tand om tand,
Holland zullen wij niet geven,
Holland is ons hoogste goed.
Daarvoor geven wij ons leven,
Daarvoor storten wij ons bloed.
Holland wordt geen land van slaven,
Holland ’s Grond wordt nooit onteerd.
Liever dood erin begraven,
Liever dood erin begraven,
Dan als knecht er geregeerd,
Dan als knecht er geregeerd,
Terug
naar overzicht |
| Inkwartiering
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
De
Driessens kregen inkwartiering
Zoo
goed als ieder in de buurt;
Een
stuk of drie gezonde lummels
Die
waren naar hen toegestuurd.
De
meiden lachten in de keuken,
Nou
zou je 's 'n grappen zien;
De
jongens werden goed ontvangen
Door
Aaltje, Jansje en Katrien.
Ze
moesten mee aan tafel eten
Al
hielden ze niet d'r fatsoen,
En
moest soms Driessens er op wijzen
Dat
Klaas geen rarigheid mocht doen.
Hij
lei zijn afgekloven kluiven
Weer
netjes in de soepterrein.
Ze
aten liever in de keuken
Bij
Aaltje, Jansje en Katrien.
Ze
moesten de salon bezoeken
Al
trokken ze hun jassen uit,
En
maakte Hein niet met z'n lippen
Soms
menig zonderling geluid.
Ze
moesten flauwe praatjes maken,
Of
speelden met z'n allen kien.
Ze
gingen liever zitten vrijen
Met
Aaltje, Jansje en Katrien.
Ze
moesten in een kamer slapen
Waar
kribben waren neergezet.
Ze
kregen 's avonds tegen tienen
Een
warrem kruikie mee in bed.
Ze
snurkten dadelijk als ossen
En
droomden heel de nacht misschien
Van
zoenen, vrijen en beminnen
Met
Aaltje, Jansje en Katrien.
En
Driessen die zat maar te peinzen
Wat
hij z'n jongens geven zou.
Hij
las ze voor uit Multatuli
Of
praatte met ze over Shaw.
Hij
speelde uren lang sonates
Of
liet ze studieboeken zien.
Ze
zouden liever zoenen leeren
Van
Aaltje, Jansje en Katrien.
Ze
mopperden soms heele dagen
En
Driessen snapt niks er van;
Ze
wilden liever gaan verhuizen
Waar
je 's lekker lachen kan.
't
Was niet langer uit te houden,
Onzijdigheid
was goed misschien
Maar
niet voor drie gezonde jongens
Bij
Aaltje, Jansje en Katrien.
Terug
naar overzicht |
|
Jaloersche mannen en vrouwen
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Erger dan 'n tram vol menschen
Als 't regent dat 't giet,
Dan 'n bandje uit je rokken,
Als 'n kennis naar je ziet,
Dan 'n gloeiend heet kroketje,
Waar je niet in bijten kan;
Erger dan 'n neus met sproeten,
Is een dol jaloersche man.
Refrein:
Door die nare jaloezie,
Zijn zij nooit in harmonie.
Erger dan een huis met buren
Waar piano wordt gespeeld,
Dan een paar verwende kind'ren,
Dan een hond die je verveelt,
Dan 'n lid van je familie
Die graag niet kennen zou,
Erger dan 'n taaie biefstuk,
Is een dol jaloersche vrouw.
Refrein
Als z'n vrouw wat loopt te zingen
Of 'n beetje vroolijk doet,
Zegt-ie: ,, mensch je moest je schamen
Hou toch je brutale snoet."
En wanneer ze zit te huilen
Vindt ie dat intens gemeen,
Huilen, snikken, kermen, zuchten
Mag ze maar voor hem alleen.
Als d'r man wat loopt te zingen
Of 'n vroolijk moppie fluit,
Gaat ze met de deuren smijten
Slechte kerel hou je snuit.
Want ik ken je rare streken
O afschuwelijke man,
Als jij zingt of loopt te fluiten
Ben je wat gemeens van plan.
Refrein
Als ze 's zomers met de kleinen
Wat gaan rusten aan de zee,
Geeft ie om secuur te wezen
Haar 't schoonmamaatje mee.
Maar mama is veel te kippig
Dat ze rare dingen zag,
Want die zet ze in de strandstoel
En daar snurkt ze heel den dag.
Als 't ie 's middags wat gaat loopen
Moet de kleine jongen mee,
Om aan mammie te vertellen
Wat of pappie buiten dee.
Maar de kleine houdt zijn mondje
Want die heeft te veel gesnoept,
Mammie komt geen steek te weten
't Kind heeft in zijn broek ge .....
Refrein
Als ze zich een beetje poeiert
Of 'n fijne voile draagt,
Wordt ze daad'lijk met een minnaar
Of 'n rendez-vouz geplaagd.
Maar de poeier en de voile
Zijn toch niet zo ongewoon,
Want ze heeft geen stille minnaar
Maar een puistje op haar koon.
Als d'r man zijn haar laat knippen
Zonder dat ie van d'r mag,
Als ie vraagt om 'n verschooning
Op een door de weekschen dag,
Gaat ze nijdig zitten grienen:
,,Slechte vent nou snap ik jou,
Al dat wasschen en verschoonen
Doe voor 'n and're vrouw."
Refrein
Als ze 's nachts vermoeid van 't werken
Heel gerust te slapen lei,
Gaat ie angstig zitten luist'ren
Of ze in d'r slaap niks zei.
Roept ze dan soms driemaal Hendrik
Als tie zelf Cornelis heet,
Zegt ze: ,,weet je dan niet stommerd
Dat Prins Hendrik ook zoo heet."
Als ie 's nachts vermoeid van werken
Heel gerust te slapen lei,
Heeft ze 't 's morgens op d'r heupen
Als tie in z'n slaap niks zei;
,,Jij hebt weer wat te verbergen
Of 'n ander in je kop,
Om me voor de gek te houden
Droom je ekspres niet hardop.
Refrein
Terug
naar overzicht |
| Jantje's
brief (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Lieve
Opa, uw verjaardag
Is
voor mij 'n blijde dag.
En
ik hoop dat u dit briefje
In
gezondheid lezen mag.
En
dat u nog vele jaren
Onze
Opa wezen kan.
En
dat zijn de beste wenschen
Van
uw kleine Janneman.
Refrein:
Opa
ik vind u 'n schat,
'k
Wou dat ik duizend Opa's had.
Weet
u nog die doos met flikjes
En
die chocoladepop,
Nou
die waren toch zoo lekker
En
die zijne ook weer op.
En
dat u bij ons komt wonen,
Want
u bent toch zoo alleen,
En
dat u geen pijn zal hebben
Aan
uw eene rechter-been.
Refrein
En
dat u bij ons komt wonen
Dat
u ons dan niet vergeet.
En
dat u gerust mag morschen,
Als
u mee aan tafel eet.
En
die nare, ouwe Mina,
Die
bent u dan ook maar kwijt,
Want
die is geens familie
En
toch plaagt ze u altijd.
Refrein
En
als u bij ons komt wonen,
Ben
ik altijd, altijd zoet,
En
dan spaar ik al de centjes,
Die
u in mijn spaarpot doet.
Dat
u bij ons ziek mag wezen,
Net
zoo dikwijls als u ken.
En
dan is u niet allenig
Als
u dood geworden ben.
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Janus in z'n nieuwe pak (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Die Janus was een goeie vent,
De beste van de steeg,
Die zich maar liever schelden liet,
Dan dat ie ruzie kreeg.
Toch had ie ook 'n groot gebrek,
Die allerbraafste man,
Wanneer die nieuwe kleeren droeg,
Dan keek tie niemand an.
De heele buurt liep uit,
Om z'n pedante snuit.
Refrein:
Janus, Janus,
Jô, wat is d'r loos ?
Heb jij je nieuwe pakje an
En kijk je daarom boos ?
Janus, Janus,
Jô, wat is d'r loos ?
Heb jij je nieuwe pakje an
En kijk je daarom boos ?
En telkens als tie weer een pak
Van de kleerenmaker had,
Dan liep tie als een haantje-pik
Te groozen door de stad.
Al had ie nog geen cent betaald
Daar bloosde ie niet voor,
Wanneer die langs de winkel kwam
Dan ging die deftig door.
De kleerenmaker riep
Terwijl die verder liep:
Refrein
Eens liep tie met z'n nieuwe pak
Door 'n beruchte straat,
De warme buurt die schold 'm uit
Voor lid van de raad.
Maar Janus deed als of ie bang
Voor zulke dames was,
Die liepen zingend met 'm mee
En trokken aan z'n jas.
Doe nou zoo mal niet vent
Als of je ons niet kent.
Refrein
Toen Janus onder dienst moest gaan
Verwenschte ie z'n kwaal,
Want door z'n ijver en z'n vlijt
Werd Janus korporaal.
En toen die op een vrijen dag
An 't kuijeren was gegaan,
Toen keek ie door z'n nieuwe pak
Geen generaal meer aan.
Toen ie de bak in kon
Zong heel het bataillon:
Refrein
Toen Janus op een kwaajen dag
Z'n maag bedorven had,
Toen stierf ie aan 'n darm-catahr
Omdat ie zooveel at.
En toen ie in z'n kistje lag
Zoo trotsch al het maar kan,
Toen keek ie voor de laatste keer
Z'n vrinden zelfs niet an.
Die stonden allen paf
En zongen rond z'n graf:
Refrein:
Janus, Janus,
Jô wat is t'r loos
Heb jij je laatste pakkie an
En kijk je daarom boos ?
Janus, Janus,
Jô wat is t'r loos
Heb jij je laatste pakkie an
En kijk je daarom boos ?
En toen die dan begraven was
En in de aarde lag,
Toen kwam er uit z'n erfenis
'n Kiekie voor den dag.
Daar stond ie in z'n nieuwe pak
Zoo nijdig als een stier,
Maar dan van achteren gezien
Als laatste souvenir.
En die 't kiekie ziet
Zingt dadelijk 't lied:
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Jonge
liefde (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Meisje, waarom lach je niet,
Waarom heb je zoo'n verdriet,
Waarom zit je zoo te beeven ?
Is er soms iets kwaads gebeurd,
Dat je in d'n donker treurt,
Heeft 'n man je iets misdreven ?
Als je niet zoo mooi was, kind,
Had toch niemand je bemind,
Had geen man je ooit belogen.
Troost je maar met je verdriet,
d' Leelijken bedriegt men niet,
d' Mooisten worden 't meest bedrogen.
Is de liefde dan niet waard
Dat je er een traan voor spaart,
Dat je er niet voor wilt lijden ?
Een minuut van zaligheid,
Is toch meer, mijn beste meid,
Dan de tranen, die je schreide.
Als je oud bent, brave schat,
Wou je dat je traantjes had
Om een jonkman te betreuren.
Met de liefde is 't gedaan,
Niemand kijkt je dan meer aan,
Niets zal je dan meer gebeuren.
Haast je want de tijd is kort,
Voor je oud en lelijk wordt,
Laat de liefde vroolijk binnen.
Waarom ben je altijd bang,
Overweeg maar niet te lang,
Als je jong bent moet je minnen.
Terug
naar overzicht |
| Jubilaris
(J.H. (Koos) Speenhoff
13 februari 1915)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Geëerd
publiek, ik wil mijn dank
U
in een liedje hooren laten.
Omdat
ik vlotter zingen kan
Dan
voor de vuist tot u te praten,
Eerst
zag ik tegen feesten op,
Nu
merk ik dat het niet zoo zwaar is.
De
zaal is vol, ik ben tevreê,
Ik
voel me best als jubilaris.
De
feestcommissie was zoo goed
Om
mij te helpen jubileeren.
Het
resultaat is onverwacht,
Ik
dank de dames en de heeren.
En
als na twaalf en 'n half jaar,
De
tijd van jubelen weer daar is,
Gun
ik ze clandisie weer,
Dat
zweer ik ze als jubilaris.
Mijn
kleinste meid vroeg van de week
Toen
ze de kamer moest verlaten,
"Waarom
moet ik toch altijd weg,
Wanneer
er heeren komen praten.
Mag
ik nu gauw weer bij u zijn
En
als 't feest nu morgen klaar is,
Wordt
u mijn eigen pap dan weer
Of
blijft u altijd jubilaris ?
Wanneer
ik aan mijn vaderland
Iets
van belang heb mogen geven.
En
als mijn liedjes in ons volk,
Nog
vele jaren mogen leven.
En
als ik iets gaf wat nodig was,
Wanneer
dit alles waar is,
Dan
heb ik eerst mijn doel bereikt,
En
jubel pas als jubilaris.
Terug
naar overzicht |
| |
|