|
| |
|
De
rooie Burgemeester (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Die
gladde sociaal,
Hi
ha ho,
Heeft
maling aan ons allemaal,
Hi
ha ho.
De
burgerij die schrok zich lam,
Toen
hij zijn postje in Zaandam
Als
burgemeester nam.
Hi
ha ho !
Hi
ha ho !
De
rechtsche pers roept nijdig uit:
Hi
ha ho
Hij
heeft geen burgemeesterssnuit.
Hi
ha ho.
Maar
hij bewees als Kamerlid,
Dat
't niet in je facie zit
Maar
in je kersepit.
Hi
ha ho !
Hi
ha ho !
Hoe
kan dat nou zoo'n democraat,
Hi
ha ho,
Als
Burgemeester in de raad ?
Hi
ha ho.
Ter
Laan trekt zich er niks van an,
Die
maakt er, zeker als ie kan,
Parijgenooten
van !
Hi
ha ho !
Hi
ha ho !
En
maken ze me 't te kwaad,
Hi
ha ho,
Dan
doe 'k als m'n Delftsche kameraad !
Hi
ha ho.
Ik
maak de poppenkast op slot,
En
vaardig af, wanneer 't mot,
Een
Spaansche Vlieg verbod ! (1)
Hi
ha ho !
Hi
ha ho !
Hoe
komt 't dat zoo'n rooie vent,
Hi
ha ho,
Als
Burgemeester wordt erkend ?
Hi
ha ho.
Voor
hem was er geen hinderpaal
Hij
is, dat weet u allemaal,
Een
Haagsche sociaal.
Hi
ha ho !
Hi
ha ho !
Maar
als er nu 's staking is,
Hi
ha ho,
Dan
schieten de soldaten mis,
Hi
ha ho.
Hij
trekt z'n galapakkie aan,
Gaat
rustig bij de stakers staan,
Dan
is de zaak gedaan.
Hi
ha ho !
Hi
ha ho !
Naar
't rooie Burgemeesterschap,
Hi
ha ho,
Is
heelemaal geen groote stap,
Hi
ha ho.
Want
menig Burgemeestershart,
Is
in ons land wel voor drie kwart,
Al
veel meer rood dan zwart !
Hi
ha ho !
Hi
ha ho !
(1)
Toneelstuk dat veel aanstoot gaf
Terug
naar overzicht |
|
De
Rotterdamsche beurs (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Op
de beurs daar loopen heeren,
Met of zonder hoogen hoed,
Die daar van elkander leeren,
Hoe men geld verdienen moet.
Op de beurs daar doet men zaken,
In effecten en in graan,
Door de herrie die ze maken,
Kan men niemendal verstaan.
Op de beurs mag men niet rooken,
Rooken is daar onbekend.
Wordt er toch eens opgestoken,
Dan verschijnt de president.
De president maakt je 'n standje
En de man heeft groot gelijk,
Daarna geeft ie je een handje,
Of hij lacht 's vriendelijk.
Op de beurs mag men niet zingen,
Niemand tapt een vuile mop,
Of vertelt gemeene dingen,
Op de beurs gaat dat niet op.
Nergens hoort men ruzie zoeken,
Alles gaat er vredig toe,
Staat er iemand hard te vloeken,
Dan houdt men zijn ooren toe.
Op de beurs daar loopen schippers,
En die spoegen op de grond,
Pruimtabak en vieze snippers,
Vliegen overal in 't rond.
Bij de beurs daar vliegen musschen,
En die tjilpen van plezier,
Maar ze smijten ondertusschen,
Op je jas een souvenir.
Bij de beurs daar loopen vrouwtjes,
's Middags tusschen twee en drie,
En die dames krijgen douwtjes,
Enkel uit galanterie.
Al de ouwe beursmeneeren,
Roepen hm, en roepen och,
Doen alsof ze zich geneeren,
Maar die snoepers ze kijken toch.
Bij de beurs daar koopt men kranten,
Van een brave, zwarte meid,
Vele heeren zijn haar klanten,
Ieder zegt een geestigheid.
Als dat meisje ging noteeren,
Al die moppen groot en klein,
Zou men zien dat beursmeneeren,
Lang niet allen heeren zijn.
Na de beurs drinkt men 'n sherry,
Of 'n glaasje port met spuit,
Die verdient heeft die maakt herrie,
Die verloor die houdt zijn snuit.
Op de beurs zijn soms schandalen,
Menigeen wordt er besmet,
Die er streken uit wil halen,
Wordt er van de beurs gezet.
Rond de beurs daar is 't leven,
Rond de beurs daar groeit 't goud,
Rond de beurs wil ieder streven,
Jood en Christen, jong en oud.
Terug
naar overzicht |
|
De
Rotterdamsche bruggewachter (J.H. (Koos) Speenhoff) |
|

Wanneer
je aan het Maasstation
Je
treintje nog wil pakken
Dan
sta je voor de Leeuwenbrug
Een
heelen tijd te plakken
En
als je dan de Spaansche Ka
Nog
haastig om wil loopen
Dan
is je trein natuurlijk weg
En
gaat de brug net open
Blijf
voor de hekken staan
't
Is toch niet eer' gedaan
Zing
tot ze open gaan:
Refrein:
Bruggewachter,
bruggewachter
Draai
'm nou terug
Bijt
's op je tanden
Spoeg
's in je handen
Trek
's aan de slinger
Aan
de slinger van,de brug
Wanneer
je naar de Beurs toe gaat
Dan
kan 't je gebeuren
Dat
je soms voor de Koningsbrug
Een
uurtje loopt te zeuren
Maar
als je dan 't bootje neemt
En
nog de Beurs wilt halen
Dan
kun je voor je haast en spoed
Nog
boete ook betalen
Refrein
Wanneer
je vrouw een kleintje wacht
Ga
j`om de dokter loopen
De
bruggewachter draait de brug
Dan
juist toevallig open
En
als je aan 't schelden gaat
Van
ezels en van ploerten
Dan
krijg je 'n proces-verbaal
'n
Kind en een beroerte
Refrein
Wanneer
d'r brand is bij je thuis
En
je de spuit gaat halen
Dan
kan je voor een open brug
Een
dik kwartier staan dralen
Wanneer
ze dan op d'r gemak
Dat
ding weer dicht gaan draaien
Dan
is de heele boel verbrand
En
ligt je vrouw gebraajen
Refrein
Wanneer
je al een uur of twee
'n
Meisje na bleef loopen
Dan
zet zoo 'n kerel voor je neus
De
brug tusschen je open
Ze
lacht zich aan de overkant
Een
aap om al je jachten
En
gaat er arm in arm van door
Met
'n vent die op d'r wachtte
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
De
Rotterdamsche kuischheid (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Rotterdammer
wil ik wezen,
Rotterdammer
wil ik zijn.
Waar
op aarde vindt men steden,
Even
kuisch en even rein ?
Nergens
meer verdachte huizen.
Al
die ontucht is gedaan.
Nu
Van Staveren de deuren
Op
't nachtslot heeft gedaan.
Alle
oorden van verleiding,
Waar
men knijpt en waar men vrijt,
Raken,
door de vrees voor boete,
Langzaam-aan
hun klanten kwijt.
Ook
het Park en de Plantage,
Freriks,
Blaak en Vrouw Romein,
Zelfs
de nette Dieregaarde,
Moet
dus gesloten zijn.
Rotterdam
moet rijker worden,
Heeft
Van Staveren gezeid.
Hij
zal altijd blijven waken
Voor
de eigen nijverheid.
Rotterdam
voor Rotterdamsters
Heeft
hij bij zich zelf gedacht,
Weg
met vreemde concurrentie !
Leve
eigen arbeidskracht !
Voor
een jaar of twee geleden
Ging
de kermis naar de maan.
En
't zal niet lang meer duren
Of
de Zandstraat is gedaan.
Zeker
wordt dan nog de kraamzaal
Zendelingen-societeit.
En
die arme brave bakers
Zijn
hun dikste klanten kwijt.
Melksalons
en taartjeswinkels
Worden
ook al dicht gedaan.
Circus,
Schouwburg en Casino,
Komen
alle leeg te staan.
Bioscoop
wordt ook verboden,
Niet
om wat er is te doen,
Maar
omdat er in den donker
Zooveel
tijd is voor een zoen.
Als
een vrijer 's avonds kuiert
Met
z'n meisje aan z'n zij,
Kan
een diender aan hem vragen
Zijn
verlof van vrijerij.
Als
men voortaan wil gaan vrijen
Moet
men eerst examen doen,
Moet
men z'n diploma halen
In
het Rotterdamsch fatsoen.
Terug
naar overzicht |
|
De
Rotterdamsche paardetram (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
’t
Gekste ding van Rotterdam,
Is
die goeie paardetram.
Als
je niet meer lachen kan,
Kijk
die paardetram eens an.
Als
je dat mirakel ziet,
Lach
je of je wil of niet.
Iemand
met een haastig lijf,
Vloekt
de tram geregeld stijf.
’t
Is een groote ergernis,
’t
Lijkt wel een begravenis.
Mot
je ergens gauw naar toe,
Klim
dan liever op een koe.
Rotterdam
wordt wereldstad,
Na
een duizend jaar of wat.
Naar
den Haag rijdt men dan fijn,
In
een electrischen trein.
t
Wordt een wonderlijke pracht,
Als
je lang genoeg maar wacht.
Voor
die nieuwerwetsche baan,
Ging
Boneski naar de maan.
Maar
dat heeft niet lang geduurd,
Want
de zaak is weer gehuurd.
En
nu drink je 'r met plezier,
Weer
je lekker potje bier.
Paarden
zijn dan uit den tijd,
Alles
electriciteit.
Maar
de stoomtram naar Schiedam,
Wordt
een hazewindentram.
Als
't regent dat 't giet,
Is
de tram er lekker niet.
Roep
je dan “daar heb je hem !”,
Is
't nog een open trem.
Als
je voor de hitte zwicht,
Is
de tram gewoonlijk dicht.
Conducteurs
zijn zeer beleefd,
Als
je maar een fooitje geeft.
De
koetsiers zijn desperaat,
Als
de tram de rails uit gaat.
Al
de paarden van de tram,
Zijn
als schutters net zoo tam.
‘s
Morgens wordt zoo 'n tramwaypeerd,
Opgewonden
en gesmeerd.
Als
‘t niet meer sjouwen hoeft,
Wordt
uit elkaar geschroefd.
Zijn
ze afgebeuld en moe,
Gaan
ze naar den vilder toe.
A's
je uit den vreemde komt,
Sta
je van de tram verstomd.
Iedereen
vraagt dan gewis,
Of
‘t een kinderwagen is.
't
Lolligste van Rotterdam,
Is
die goeie paardetram.
Kom
je ‘s nachts aan 't Maasstation,
Keer
dan maar gerust weerom.
Wat
je zoekt en waar je spiedt,
Maar
die tram die vindt je niet.
't
Is een zootje, 't is een kruis,
Want
je moet te voet naar buis.
d’
Aandeelhouders zijn tevreê,
Want
ze doen er zaakjes mee.
Ieder
zit er voor zijn lol,
Want
de tram gaat nooit op hol.
Terug
naar overzicht |
|
De
schutterij (J.H. (Koos) Speenhoff)
(muziek: John F. Pala) |
|
Daar
komen de schutters
Met
vaandels en pluimen
Zij
lopen in de rij
Zij
kauwen op d'r pruimen
Wat
zijn ze in hun sas !
't
Is of hun neuzen krullen !
Zij
lopen in de pas
Als
lieve, zoete knullen
Refrein:
Daar
komen de schutters
Zij
lopen zich lam
De
mannetjesputters
Van
Rotterdam !
O,
wat een geschitter !
Wat
maken ze lef !
Dat
komt van de bitter
En
't plichtsbesef
De
generaal die gromt
En
geeft de vent een lijpie
Die
op de vlakte komt
Met
'n sigaar of pijpie
Maar
schutters zijn zo gaar
Ga
ze niet koejeneren
Ze
stoppen d'r sigaar
In
d' loop van hun geweren
Refrein
Wanneer
de generaal
De
troep gebiedt te zwijgen
Dan
roept er een brutaal:
"Kijk
jij maar naar je eigen
Jij
kan, wat mij aangaat
Wel
naar de donder lopen
Als
jij zo'n toon aanslaat
Kom
'k nooit jouw kaas meer kopen!"
Refrein
De
schutter is 't beeld
Der
Nederlandse natie
Maar
dat 'm dat verveelt
Dat
merk je an zijn facie
Nooit
heeft-ie bloed vermorst
Liefst
staat hij naast zijn wapen
Voor
vaderland en vorst
Een
uur of drie te gapen
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
De
sierplanten (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Met
z'n hoog beladen wagen,
Trok
de tuinman door de stad,
Met
z'n vrachtje groene planten,
Dat
hij weg te brengen had.
Dikwijls
dacht hij bij z'n eigen,
Als
zoo'n plant vertellen kon,
Schreef
ik van die vreemde praatjes
Elken
dag een feuilleton.
's
Morgens staan ze bij een doode,
Naast
de toegedekte baar,
Hoe
deelnemend en aandachtig
En
hoe ernstig doen ze daar.
Zie
ze dan hun ranken buigen,
Als
er angstig wordt gesnikt,
Als
er achter hunne blaâren,
Tranen
worden ingeslikt.
's
Middags gaan ze naar 'n bruiloft
Bloemen
en champagnewijn,
Kijken
dan maar goed en oolijk
Of
die planten kunnen zijn.
Komt
'n paartje naast ze vrijen,
Zoen,
zuchten, minnesmart,
Sluiten
ze hun lichte blaâren,
Planten
hebben ook een hart.
Dan
weer gaan ze op 'n wagen
Naar
een feestvergadering,
Sprekers,
zangers, eereleden,
Zitten
in de groene kring.
Bij
de vurigste betoogen
Blijven
zij nog rustig staan
En
ze hooren heel wat onzin
Zwijgend
en geduldig aan.
's
Avonds naar een fijn soupeetje,
Op
een ouwe-heeren kroeg,
Tusschen
rook en sterke dranken,
Staan
zij daar tot 's morgens vroeg.
Als
de ouwe heeren zwaaien
En
verheugd zijn van de wijn,
Drinken
zij alleen maar water,
Omdat
planten wijzer zijn.
Terug
naar overzicht |
|
De
slanke lijn (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

In
de kranten is gewezen
Op
gemis aan slanke lijn.
Dat
er bij de toneelisten
Zulke
dikke menschen zijn.
Aan
't Neêrlandsch in 't bijzonder
Zijn
de luitjes te gerond,
Nergens
loopen op de planken
Zulke
dikke menschen rond.
Waarom
zorgt toch zoo'n gezelschap
Dat
het niet wat slanker wordt,
Waarom
blijft 't altijd zwellen
Waarom
doet het niet aan sport ?
Waarom
gaan ze niet wat boksen,
Waarom
rijde ze geen fiets,
Waarom
spelen ze comedie
En
niet voetbal of zoo iets ?
Als
De Vos nu eens ging boksen
In
een tricot voor de deur,
Of
Meunier een hoogstand maken,
Op
de rug van Pa de Leur.
Of
als Bouwmeester kon werken
Aan
de ringen of de brug,
Nam
misschien nog de Direktie
Hem
als akrobaat terug.
Wat
zou dat 'n menschen trekken
Naar
ons Koninklijk Tooneel,
Als
er stond op de billetten
Schoonhoven
springt door z'n keel.
Als
Van Dijk ging slangemenschen
En
Meijin met Schultze vocht,
Was,
't zonder Strauss of Ibsen
Elken
avond uitverkocht.
Nouhuys
laat de kranten praten,
De
Direktie boft er mee,
Mag're
menschen zijn te lastig,
Dikke
zijn al gauw tevreê.
En
de toneelisten denken
Als
ze op hun buiken slaan:
Het
publiek wil ons niet anders
En
de rest gaat niemand aan.
Terug
naar overzicht |
|
De
stille zwabber (J.H. (Koos) Speenhoff) |
|
Als
's middags laat de stille zwabber z'n brandende ogen open heeft
Dan
wordt 'ie wakker als een zieke, die zich verbaast dat 'ie weer leeft
Dan
suist er door z'n doffe oren een stukje van een melodie
Dat
iemand in een nachtkroeg brulde, maar hij weet niet waar en hij niet wie
Al
suffend kruipt 'ie uit z'n deken, gaat 'ie duizelig op z'n benen staan
Hij
wacht en placht zich overdadig en trekt z'n kleren keurig aan
Dan
stapt 'ie soesend naar z'n kapper, zoals 'ie iedere middag doet
De
zeep, de poeder en 't scheren doen dan zo'n stille zwabber goed
En
als 'ie door de straten slentert, dan voelt 'ie wel een soort berouw
Hij
loopt te vloeken in ze eigen, om z'n ellendige gesjouw
Dan
gaat 'ie lopen als een burger, dan kijkt 'ie alles ernstig aan
Dan
hoopt 'ie dat de mensen denken, dat 'ie al vroeg is opgestaan
En
als 'ie moe is van 't lopen, dan stapt 'ie in een net café
Daar
gaat 'ie dan z'n krantje lezen en drinkt 'ie een simpel koppie thee
Dan
wil 'ie dat de kelners weten, hoe weinig 'ie om borrels geeft
En
dat de vrouwen 't waarderen, dat 'ie nog niks gedronken heeft
Maar,
dan begint z'n stille kater, eerst in z'n maag dan door z'n kop
Dan
trekt 'ie naar z'n bittertafel en slokt z'n eerste borrel op
Dan
komt de trek naar een sigaretje, naar een Zoute Bol of naar een Peer
En
bij z'n vijfde Ouwe Katsje, is 'ie de stille zwabber weer
Dan
gaat 'ie gauw wat zitten eten in een hoekie van een restaurant
Dan
prikkelende biertjes drinken, in een bekend café-chantant
Dan
is 'ie lekker in de sales, en heel de avond onder dak
En
hij verteert z'n kapitaaltje, zo stiekum uit z'n vessiezak
En
eindelijk naar z'n muffe nachtkroeg, een Whisky of een potje wijn
Met
z'n brutale, halve vrinden, die steeds verstandig dronken zijn
En
is 'ie 's morgen afgelaaien, dan smeert 'ie 'm met de eerste tram
En
zo krepeert de stille zwabber, omdat hij niks dan zwabberen ken
Terug
naar overzicht |
|
De tango (J.H. (Koos)
Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Oome
Jan was afgevaardigd
Door
de dansclub: "Vriendenkring"
Om
eens in Den Haag te kijken
Hoe
of toch zoo'n tango ging.
Of
het waar was wat ze zeien
Dat
die nieuwerwetsche pas
Veel
te erg en te opwekkend
Voor
dat zedig clubje was.
Oome
Jan was zestig jaren
Wel
wat stijf, maar danste toch
Uren
kon hij blijven walsen
Als
hij klaar was floot hij noch.
Met
de dikste boerenmeiden
Van
soms honderd tachtig pond
Tolde
hij als varkensblazen
Onvermoeid
mee in 't rond
Deftig
vroeg hij aan een diender:
"Zeg
's weet U ook misschien
Waar
ik eigenlijk moet wezen
Om
'n tango goed te zien ?"
"Zeker"
zei de diender ernstig
"In
't Scheveningse duin,
Anders
in de Tweede Kamer
Of
de Haagsche Dierentuin."
Daarom
vroeg hij aan 'n burger:
"Ach
meneer ik wist zoo graag
Waar
ze hier onzedig dansen
Daarvoor
kwam ik naar Den Haag !"
"Mij
zoo iets te durven vragen
Is
toch wel wat al te kras !"
Oome
Jan zag vol ontzetting
Dat
't Abram Kuyper was.
Oome
Jan ging zich verschoonen
Net
als op 'n zaterdag,
Want
hij dacht: "Ik moet daar ginder
Vast
en zeker aan de slag."
Met
zijn mooie, zwarte trouwpak
En
zijn hooge laarzen aan
Zijn
insigne in zijn knoopsgat
Is
hij naar Den Haag gegaan
Daarna
vroeg hij 't aan 'n dienstman
Die
zei: "Kijk 's wie ik ben !
Dacht
jij dat ik al die meisjes
Van
de Haagsche vlakte ken ?"
Als
jij tangoën moet hebben
Zoek
jij die dan zelf maar op
Ouwe,
grijze grappenmaker
Krijg
de tango in je kop."
Daarna
vroeg hij aan een kelner:
"Tango,
zeg waar zie ik die ?"
"Wel
meneer da's heel eenvoudig
Kom
straks op de tango-tea."
Ied'ren
middag tegen vijven
Hebben
wij 'm in de zaak,
Je
bestelt een lekker theetje
En
dan tango je maar raak."
's
Middags kwam hij tegen vijven
Kijken
hoe die tango ging,
En
hij zag wel dat 't niks was
Voor
de dansclub "Vriendenkring".
Stel
je voor dat Tante Mietje
Zoo
met de dominee ging doen,
Had
je kans op moord en doodslag
Door
't vrijen en 't gezoen.
Terug
naar overzicht |
|
De
twee gelieven (J.H. (Koos) Speenhoff) |
|
Daar
waren twee gelieven
Die
voeren naar de Oost
Ze
zochten in de vreemden
Naar
liefde en naar troost
Naar
liefde en naar troost
Ze
zochten in de vreemden
Naar
liefde en verstand
Omdat
ze die niet vonden
In
't ouwe vaderland
In
't ouwe vaderland
't
Schip ging langs de baren
Van
boven naar beneê
Hun
harten klopten sneller
Hun
magen deden mee
Hun
magen deden mee
Geliefde,
zei de vrijer
Ik
ben zo in mijn schik
Ik
zal je eeuwig minnen
Tot
in mijn laatste snik
Tot
in mijn laatste snik
't
Schip ging op de golven
Ze
waren in hun sas
De
vrijer liep te zuchten
Omdat
ie zeeziek was
Omdat
ie zeeziek was
Ze
hadden weinig koffers
Maar
des te meer plezier
Ze
droegen op hun harten
Een
klaverblad van vier
Een
klaverblad van vier
Daar
waren twee gelieven
Die
voeren over zee
Ze
namen als bagage
Een
ruiker bloemen mee
Een
ruiker bloemen mee
Ze
dachten aan de toekomst
Aan
al hun goed en geld
Ze
hadden hunne duiten
Al
dikwijls opgeteld
Al
dikwijls opgeteld
Toen
kwamen zware stormen
Met
donderend gedruis
Het
schip liep op de rotsen
En
zonk met man en muis
En
zonk met man en muis
Ze
spoelden met de golven
Ver
langs de hoge zee
Ze
kusten hunne lippen
En
zonken naar beneê
En
zonken naar beneê
Daar
waren twee gelieven
Die
zaten eens in nood
Ze
vonden in de vreemden
De
liefde en de dood
De
liefde en de dood
Terug
naar overzicht |
|
De
vijf equipages van een schooier (J.H. (Koos) Speenhoff) |
|
De
eerste keer dat 'ie ging rijen, was met z'n moe
Ze
gingen samen naar 't armhuis, naar opoe toe
Hij
werd geknuffeld en geknepen, z'n koontjes rood
Dan
deed 'ie stil een kleine boodschap in opoes schoot
En
was 'ie moe of had 'ie dorst, of lag 'ie maar even te klagen
Dan
gaf z'n moeder 'm de borst en reed 'm in z'n kinderwagen
Dat
was z'n eerste equipage
De
tweede keer dat 'ie ging rijen, was met z'n meid
Naar
het stadhuis, om te gaan trouwen, een bange tijd
Hij
kon de koets niet eens betalen, 't ging op de pof
En
de portier dacht bij z'n eigen: Dat wordt me een sof
Toen
'ie niet wist wat 'ie zou doen en wat 'ie de koetsier wel zou zeggen
Liet
'ie z'n botterbrieffie toen als fooitje in de trouwkoets leggen
Dat
was de tweede equipage
De
derde keer dat 'ie ging rijen, was op een dag
Dat
'ie met drie gebroken ribben te kermen lag
Hij
had een ongeluk gekregen met een machien
Omdat
'ie met z'n dronken ogen geen steek kon zien
Z'n
lichaam scheurde van mekaar, hij vloekte en wilde gaan pleien
De
dienders brachten een brancard, om 'm naar 't gasthuis toe te rijen
Dat
was de derde equipage
De
vierde keer dat 'ie ging rijen, was 'ie gesnapt
Toen
had 'ie stiekem, bij een tapper, een fles gegapt
Hij
was kapot van de ellende en van de drank
Hij
had genoeg van al z'n kind'ren en hun gejank
De
wanhoop sloeg 'm naar z'n kop, zo'n leven dat kon 'ie niet dragen
De
rijkspolitie pikte 'm op, toen ging 'ie in een gevangeniswagen
Dat
was de vierde equipage
De
vijfde keer dat 'ie ging rijen, was 's morgens vroeg
Hij
had delirium gekregen, 's nachts in een kroeg
Hij
werd begraven van de armen, omdat 't mot
Van
al 't sjouwen en 't drinken ging 'ie kapot
En
toen de buurt 't nieuws vernam, zat niemand te snikken en klagen
Totdat
z'n sjofele doodskist kwam, toen reed 'ie in een dodenwagen
Dat
was de laatste equipage
Terug
naar overzicht |
|
De
Vos ontsnapt (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
De Vos dat is een leuke guit,
Hi, ha, ho,
Hij is en blijft er tusschen uit
Hi, ha, ho.
Al zoeken ze hem dat en nacht,
Ze hebben van de vossenjacht
Nog niets naar huis gebracht,
Hi, ha, ho,
Hi, ha, ho.

De dienders van de stad Parijs,
Hi, ha, ho,
Die raakten leelijk van de wijs
Hi, ha, ho.
Omdat die knul uit Rotterdam
Ze lekker in de maling nam
En toch de bak uit kwam,
Hi, ha, ho,
Hi, ha, ho.
Ze maakten z'n signalement,
Hi, ha, ho,
De heele wereld door bekend,
Hi, ha, ho,
Geen snor, geen baard, 'n gladde koon,
Met neus en mond en haar gewoon,
Een dood gewoon persoon,
Hi, ha, ho,
Hi, ha, ho.
Ik raad de mannen allen aan,
Hi, ha, ho,
Laat baard en snor dus liever staan,
Hi, ha, ho,
Want op 'n middag sta je paf,
Een diender haalt je voor je straf,
Van 't pennybootje af,
Hi, ha, ho,
Hi, ha, ho.
De dienders hebben reuzen-pech,
Hi, ha, ho,
't Vosje is en blijft maar weg,
Hi, ha, ho,
Straks hoor je weer: ,, d'r is
gegapt",
Dat heeft meneer de Vos gelapt,
En weer is tie ontsnapt,
Hi, ha, ho,
Hi, ha, ho.
Ze worden 'm maar niet gewaar,
Hi, ha, ho,
Dan zit ie hier, dan zit ie daar,
Hi, ha, ho,
Die Vos is zoo geducht brutaal,
Hij zit misschien wel in de zaal,
En linkt ons allemaal,
Hi, ha, ho,
Hi, ha, ho.
(linkt = fopt)
Terug
naar overzicht |
|
De vrijer
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|
Daar
was een meisje van fatsoen,
Tra
la, la, la, la, lom.
Die
had een jonge man van doen.
Tra
la, la, la, la, lom.
Maar
nooit werd zij ter trouw gevraagd,
Dus
bleef zij veel te lang een maagd.
Tra
la, la, la, la, lom.
Ze
droomde bijna elken nacht,
Tra
la, la, la, la, lom.
Dat
haar vrijer haar had bedacht.
Tra
la, la, la, la, lom.
Maar
wat ze in haar dromen zag,
Dat
zag ze nimmer overdag.
Tra
la, la, la, la, lom.
Ze
sprak d'r moeder wel eens an,
Tra
la, la, la, la, lom.
Zeg
moeder wat is toch 'n man.
Tra
la, la, la, la, lom.
De
moeder was een booze vrouw,
Die
sloeg dat meisje bont en blauw.
Tra
la, la, la, la, lom.
Wou
jij al vrijen, dolle meid,
Tra
la, la, la, la, lom.
Jij
hebt nog zeven jaar den tijd.
Tra
la, la, la, la, lom.
Wat
wil je toch, onnozel ding,
Dacht
jij dat vrijen zoo maar ging.
Tra
la, la, la, la, lom.
Toen
vroeg zij aan haar vaartje raad,
Tra
la, la, la, la, lom.
Waarom
is vrijen toch zoo kwaad.
Tra
la, la, la, la, lom.
De
vader was een wijze man,
En
zag zijn dochter zwijgend an.
Tra
la, la, la, la, lom.
Toen
vroeg ze aan haar vaders knecht,
Tra
la, la, la, la, lom.
Waarom
is vrijen toch zoo slecht.
Tra
la, la, la, la, lom.
De
knecht dat was een leepe guit,
En
legde haar 't vrijen uit.
Tra
la, la, la, la, lom.
En
toen ze wist wat vrijen was,
Tra
la, la, la, la, lom.
Verloor
ze traantjes in het gras.
Tra
la, la, la, la, lom.
Ze
weende hare koontjes nat,
Omdat
ze nu een vrijer had.
Tra
la, la, la, la, lom.
Die
arme, onbezonnen meid,
Tra
la, la, la, la, lom.
Was
weldra al haar tranen kwijt.
Tra
la, la, la, la, lom.
En
daar ze toch wel vrijen wou,
Toen
nam die knecht haar tot zijn vrouw.
Tra
la, la, la, la, lom.
De
moeder voelt nu groote spijt,
Tra
la, la, la, la, lom.
Dat
zij niet alles heeft gezeid.
Tra
la, la, la, la, lom.
Zoo'n
les is duizend gulden waard,
Voor
al de moeders hier op aard.
Tra
la, la, la, la, lom.
Terug
naar overzicht |
|
De
zedige Haagsche dierentuin
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst)
|
|

In
Den Haag wordt opgepast
Voor
de zedigheid,
Alles
wat niet netjes is
Wordt
er streng vermeid.
Daarom
kwam er ruzie van
In
den Dierentuin,
Want
een paar habitueés
Houden
niet van schuin.
Refrein:
Dat
is niks voor die leden, die leden, die leden,
Dat
is niks voor die leden van de Haagschen Dierentuin.
Als
de zaal door 't gezeur
Dikwijls
leeg blijft staan,
En
dus de vereeniging
Op
de flesch moet gaan,
Komt
er dan een groot tekort
In
de boekerij,
Leggen
die habitueés
Elk
duizend pop er bij.
Refrein
In
't wapen van Den Haag
Staat
'n ooievaar,
Deze
postillion d' amour
Wordt
dus 'n gevaar.
Daarom
moet dat prikkeldier
Met
z'n lange snuit,
Die
de Hagenaartjes brengt,
De
collectie uit.
Refrein
Ook
de apen moeten weg
Als
die er nog zijn,
Of
je mag ze voortaan zien
Achter
'n gordijn.
Stel
je voor dat zoo'n papa
Tuurde
door z'n bril,
En
hij zag 'n stukkie bloot
Bloote
apen .. been.
Refrein
Stukken
met 'n pepersmaak
Mogen
niet meer gaan,
Rooyaards
speelt er Adam dan
Met
'n zwembroek aan.
Als
die leden fuiven gaan
Doen
ze 't in Parijs,
Maar
daar gaan ze Eva zien
Achter
't Paradijs.
Refrein
Zomers
ziet zoo'n lid z'n vrouw
Geen
kermesse d' été,
,,Waarom,"
roept ze nijdig uit
,,Mag
ik nu niet mee ?"
Scheldt
ze hem voor vrouwenbeul
Die
met z'n bedil,
Wel
vermenigvuldigen
Maar
niet deelen wil.
Refrein
De
plantsoentje weg ermee
Zoengelegenheid,
's
Avonds als het donker is
Wordt
er maar gevrijd.
Nergens
duister kreupelhout
Alles
vlak terrein,
God
weet hoeveel Hagenaars
Daar
geboren zijn.
Zonder
verlof dier leden, dier leden, dier leden,
Zonder
verlof dier leden van den Haagschen Dierentuin.
Terug
naar overzicht |
|
De
zeven plichten van een vrouw
((J.H. (Koos) Speenhoff)
(met dank aan Anton Drenth voor het
verbeteren van de tekst) |
|
De eerste plicht van elke vrouw, is
manlief toe te staan
Om zonder haar van tijd tot tijd, alleen es uit te gaan
Een Vrouw die zegt: "Je neemt me mee, of anders blijf je hier"
Is niet jaloers op de persoon, maar wel op z'n plezier
De tweede plicht van elke vrouw, is zwijgen op 'r tijd
Omdat die juist het meeste zegt, in haar stilzwijgendheid.
Een vrouw die altijd praatjes maakt en altijd kletsen wil
Is erger dan een fonograaf, die staat nog eenmaal stil
De derde plicht van elke vrouw, is dat ze koken kan
Want als ze eenmaal opoe is, dan heeft ze daar wat an
Omdat een man die ouder wordt en jaren is getrouwd
Toch veel meer van zijn eigen
maag, dan van een opoe houdt
De vierde plicht van elke vrouw, is nooit geleerd te doen
Dat komt bij liefde niet te pas: een zoen is maar een zoen
Wat geeft 't of ze met een boek, haar lieve hersens krenkt
Een vrouw die denkt bij wat ze zegt, zegt zelden wat ze denkt
De vijfde plicht van elke vrouw, is houden van 'r man
te zorgen dat ze met een zoen, hem steeds verleiden kan
Want als ze daar geen slag van had en altijd kuis wou zijn
Dan waren wij er allen niet en dat zou jammer zijn
De zesde plicht van elke vrouw, is goed gekleed te zijn
Al heeft ze helemaal geen geld, voor rokken van satijn
Al draagt ze bloesjes van katoen, ze moeten aardig staan
Een vrouw kan zeer lieftallig zijn, al heeft ze weinig aan
De zevende en mooiste plicht, is steeds gehoorzaam zijn
En altijd onderdanig doen, al is het maar in schijn
Wanneer ze aardig vleien kan, dan volgt haar man gedwee
De vrouw regeert de wereld toch, we weten wel waarmee
Terug
naar overzicht |
|
Dorussie
uit het armenhuis (J.H.
(Koos) Speenhoff)
|
|
Dorus
had al heel wat jaren in het armenhuis uitbesteed
Dorus
was een ouwe snoeper die zo graag een grappie deed
Altijd
zindelijk en netjes, altijd opgepoetst en knap
Ging
ie op zijn uitgaansdagen met twee dubbeltjes op stap
Dan
zei zijn kameraad
Die
naast 'm liep op straat
Refrein:
Dorussie
mot er nou herrie van komme
Dorussie,
Dorussie hou je nou stijf
Morgen,
dan hoor je de dokter weer bromme
Morgen,
dan heb je weer pijn in je lijf
Eerst
ging Dorus naar de Kruiska en daar kocht ie negeret
En
een dubbeltje sigaren en die deed ie in zijn pet
Dan
ging Dorus aan het pruimen en hij rookte een sigaar
Maar
hij pruimde en hij rookte heel de rotzooi door mekaar
De
jongens van de Ka
Die
riepen 'm na
Refrein
Dikwijls
ging ie naar een kroegie waar een hoopie jongens zat
En
die vroegen dan al daad'lijk of ie zin in 'n klaartje had
Dan
kwam Dorussie naar buiten door de proppies aangedaan
En
dan ging ie voor 'je-weet-wel' even bij een boompie staan
Een
diender op de hoek
Zei
met een grote vloek
Refrein
Dorus
zag een aardig meisje dat het stoepie stond te doen
Dorus
keek 'es naar d'r kuiten... he, hoe dik... dacht Dorus toen
Toen
die zich niet goed kon houwen gaf de meid een harde gil
Want
hij kneep haar in 't voorbijgaan effe stiekum in 'r... arm
Een
bakker, die het zag
Riep,
stikkend van de lach
Refrein
Soms
ging Dorus ook des Zondags met zijn oudje ervandoor
En
daar kocht ie pepermuntjes en een onsie koffie voor
In
het park en op een bankie was ie in zijn element
En
dan zeit ie tot zijn oudje: "Ik ben nog een jonge vent!"
Maar
zijn oudje lachte dan
En
zei: "Stel je niet an..."
Refrein
Dan
werd Dorus zondagsavonds aangeschoten thuisgebracht
En
als altijd door de vader met een standje opgewacht
Zijn
tabak en zijn sigaren haalden ze dan uit zijn pet
En
na al zijn uitgaansdagen moest ie voor z'n straf naar bed
En
het hele armenhuis zong
Als
ie zijn bed in sprong
Refrein
Terug
naar overzicht |
|
Dronken Bet
(J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Inez voor het sturen van de tekst) |
|

Bet was in d'r jonge jaren
'n Mirakel van 'n meid;
In 'n dienst bij nette menschen
Raakte ze d'r onschuld kwijt.
Met d'r kasie en d'r kindje
Werd ze aan de deur gezet,
En 't kon der niks meer schelen
Of ze riepen vuile Bet.
Refrein:
Daarom wou Bet maar dronken zijn
Van de jenever, van de jenever,
Daarom wou Bet maar dronken zijn
Van de jenever en brandewijn.
Niemand in 't hofje snapte
Hoe ze an de centen kwam,
Want ze had geen eens de duiten
Voor een drooge boterham.
Maar als Bet geen drank kon krijgen,
Geen citroen of brandewijn,
Kocht ze van d'r arremoedje
Spiritus of terpentijn.
Refrein:
En zoo kon Bet nog dronken zijn
Zonder jenever, zonder jenever,
En zoo kon Bet nog dronken zijn
Zonder jenever maar van terpentijn.
Niemand had in twintig jaren
Naar de dronken Bet getaald,
Want 'n diender had d'r jongen
Op 'n morgen weggehaald.
In de nor kwam ze te weten
Dat ie nou op zee moest zijn,
En dat ie geen groeten stuurde
Was het ergste chagrijn.
Refrein:
Daarom wou Bet maar dronken zijn
Van de jenever, van de jenever,
Waarom wou Bet maar dronken zijn
Van de jenever en brandewijn.
Als ze weer 's veertien dagen
In de bak gezeten had,
Liep ze met d'r schone schort an,
Werkt te zoeken door de stad.
Als geen mensch ze kon gebruiken,
Trok ze naar d'r kroegje toe,
En daar kocht ze dan 'n taaie
Zoo vergat ze d'r gedoe.
Refrein:
Daarom wou Bet maar dronken zijn
Van de jenever, van de jenever,
Waarom wou Bet maar dronken zijn
Van de jenever en brandewijn.
Dikwijls werd ze door 'n diender
Met 'n standje opgebracht,
Op 't bureau had ze d'r plaatsje
Om te slapen voor 'n nacht.
Eerst begon ze dan die diender
Uit te schelden voor 'n aap.
Als ze moe was van 't razen,
Huilde ze zichzelf in slaap.
Refrein:
Daarom wou Bet maar dronken zijn
Van de jenever, van de jenever,
Waarom wou Bet maar dronken zijn
Van de jenever en brandewijn.
Toen ze weer 's op 'n avond
Ziek was in mekaar gezakt,
En door jongens van de vlakte
Als 'n beest werd opgepakt,
Was 'r 'n bedaarde zeeman
Die d'r in z'n armen nam,
't Was der eigen lieve jongen
Die zoo net van boord af kwam.
Refrein:
Waarom moest Bet nou dronken zijn
Van de jenever, van de jenever,
Waarom moest Bet nou dronken zijn
Van de jenever en brandewijn.
Die nog an d'r lijf wou komme
Of z'n mond nog open dee,
Zei die, dat ie godvergeefme,
Met z'n mes in riemen snee.
,,Moeder", zei die ,,jij blijft bij me,
Met je ouwe, grijze kop.
Hou dan met je schandeleven
En je lamme drinken op.
Refrein:
En toen wou Bet niet meer dronken zijn
Van de jenever, van de jenever,
En toen wou Bet niet meer dronken zijn
Van de jenever en brandewijn.
Terug
naar overzicht |
|
Dronken
Tienus (J.H. (Koos) Speenhoff)
(met
dank aan Jeanne Albers voor het sturen van de tekst) |
|
Tienus was een toffe jongen,
Met een sjokkie petje op
En een neus die net zo rood was
Als 'n hete nagelkop.
En wanneer ze an 'm vroegen
Hoe die an die kokkert kwam,
Zei die dat ie die moest hebben
Voor zijn standbeeld in Schiedam.
Refrein
Tienus wat loop ie te zwaaien,
Hou de lantarenpaal vast.
Tienussie laat je nou raaien,
Of je gaat weer in de kast.
Tienus wat loop ie te zwaaien,
Hou de lantarenpaal vast.
Tienussie laat je nou raaien,
Of je gaat weer in de kast.
Als tie 's morgens met 'n kater
Naar z'n karrewei toe moest,
Kocht ie onderweg 'n dikkop
Voor de krampen en de hoest.
Als dan 's avonds tegen tienen
Z'n gestel geen pijn meer dee,
Bracht ie voor z'n vrouw 'n bloemkool
Of 'n kachelpijpie mee.
Refrein
Op 'n avond kwam die weer 's
Met z'n schone handen thuis
En hij zwaaide in de keuken
Van de buurvrouw per abuis.
Maar die sloeg 'r, toen ie aaide
Even met de trekpot op,
En z'n eigen vrouw die haalde
Nog 'n haarspeld langs z'n kop.
Refrein
Zondags ging die met z'n jongen
Netjes aangedaan op straat.
En dan had tie 't over drinken
Met 'n natte kameraad.
Tot ie na z'n tiende taaie
Over blauwe knopen dacht
En dan werd ie door z'n dreumes
Als 'n tol naar huis gebracht.
Refrein
Onlangs werd ie door 'n diender
Wegens kennelijke staat
Aangemaand om door te lopen
Met z'n natte kameraad.
Diender riep ie, wij zijn nuchter
't Is voor 't eerst van deze week,
Juist omdat we nog zo schoon zijn
Zijn we allebei van streek.
Refrein
Terug
naar overzicht |
| |
|