SeniorPlaza

De achturige werkdag (H.J. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Wanneer men hier eens door de stad,

Zoo tegen schooltijd gaat,

Dan schrikt men van de kinderen,

Die men zoo ziet op straat.

En als men dan een diender ziet,

Die door hen wordt geplaagd,

Die zegt dat hij geen baker is

Wanneer men aan hem vraagt:

 

Refrein:

Waar komen al die kinderen,

Die kinderen vandaan,

Waar komen al die kinderen,

Die kinderen vandaan ?

 

En komt er dan 'n sjouwerman

Die naar zijn werk toe gaat,

En die ons half en half vertrouwt

Wanneer men met 'm praat.

Die liever maar geen antwoord geeft

Wanneer men hem beklaagt,

Die zegt: ,,Wat gaat 't mij nou an. "

Wanneer men an 'm vraaagt:

 

Refrein

 

En komt er dan 'n Moeder an

Met zestien stuks aan kroost,

Die als men naar d'r boezem kijkt

Van moederschaamte bloost.

Die juist haar zeventiende spruit

Naar d' ooievaar toe draagt,

Die scheldt on voor 'n stommerd

Wanneer men an haar vraagt:

 

Refrein

 

Maar als je Troelstra tegen komt,

De groote sociaal,

De vijand van de burgerij

En van 't kapitaal.

Die zegt met zestien uren rust

Is nergens meer een maagd,

Dat komt van d' achtuur werkdag

Wanneer men 't an me vraagt:

 

Refrein

 

Daar komen al die kinderen,

Die kinderen vandaan,

Ze hebben zestien uren tijd

Voor 't volksvoortbestaan.

 

Terug naar overzicht

De arme meid (H.J. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Daar was eens 'n arme meid,

Die wou gaan draaien en pierewaaien.

Daar was eens 'n arme meid,

Die wel eens graag een hoed op heit !

 

't Ouwe moertje lag in 't graf,

Onder de kluiten tranen met tuiten.

't Ouwe moertje lag in 't graf,

En daar wist niemand meer wat van af.

 

En toen ging ze naar de stad,

Onder de bomen liep ze te dromen.

En toen ging ze naar de stad,

't Was voor die arme meid al heel wat.

 

Maar ze had geen daalder meer,

Om te verteren och Lieve Heere.

Maar ze had geen daalder meer,

,,Meisje wat doe je ?" vroeg toen een meneer.

 

,,Ach meneer 'k ben zoo alleen,

Eenzaam verlaten loop ik door de straten.

Ach meneer 'k ben zoo alleen,

‘k Zou wel wat lopen, maar ik weet niet waarheen."

 

,,Ga dan met me mee in huis"

Zei 't meneertje voor een keertje.

Ga dan met me mee in huis,

Onder de boomen daar is 't niet pluis."

 

Z' is toen met 'm meegegaan

Ze kreeg er een ruiker en klare met suiker.

Z' is toen met 'm meegegaan.

D' arme meid was gauw naar de maan.

 

Terug naar overzicht

De bedelaar met duizend gulden (J.H. (Koos) Speenhoff)

Een ouwe, afgetobte schooier kreeg eens van een zonderling

Een bankbiljet van duizend gulden, voor hij zich verdrinken ging

De stumper keek naar 't papiertje, nooit had hij zoiets gezien

Hij dacht: "Het is bepaald een grapje, of het is wel vals misschien"

 

Hij ging, om zich te vergewissen, naar de zaak van een bankier

Daar toonde hij voor 't loketje z'n verdachte stuk papier

De achterdochtige bediende belde om een rechercheur

Die bracht die afgetobte schooier voor meneer den inspecteur

  De arme stakker riep wanhopig, toen ie 't bureau in ging

"Ik wil dat bankbiljet niet hebben, hou 't maar, dat valse ding"

De inspecteur zei onverschillig: "Hier geen druktemakerij

Wat of 't is, kan ons niet schelen, vals of echt; je bent d'r bij"

 

De drenkeling werd na een poosje ergens buiten opgevist

En uit z'n dikke portefeuille, werd dat bankbiljet gemist

't Nummer klopte met 't briefje, dat bij de biljetten zat

De erfgenamen waren zeker dat ie 't gestolen had

 

Verdacht van diefstal en nog erger, werd de bedelaar verhoord

De rechter ging natuurlijk verder en betichtte 'm van moord

En hoe de man zich ook verweerde, negen jaren kreeg hij straf

En hij vervloekte dat biljetje, en de dwaas die 't 'm gaf

 

En de moraal van het lied, zeer belangstellenden, is deze:

 

Als iedereen eens moest bewijzen dat z'n geld 't zijne is

Dan zaten heel wat nette mensen in de strafgevangenis

En de moraal van de historie, is en blijft maar altijd waar

Een arme sul met duizend gulden is een dief of moordenaar

 

Terug naar overzicht

De bioscoop (Brief van kleine Piet) (J.H. (Koos)Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Lieve Tante, goeiemorgen,

Heeft u al mijn brief geleest ?

Gist'ren ben ik met m'n Mammie

Naar de bioscoop geweest.

Bioscoopen dat zijn dingen

Die zoo gaan op 'n gordijn,

Als u hier komt, gaan we kijken,

Maar u hoeft niet bang te zijn.

 

't Eerste dat was van 'n dame

En toen kwam er nog 'n man,

En die zoenden toen elkander

En toen kwam er iemand an.

Maar die gaf die dame stompen

En toen viel ze in de sloot,

Maar toen klapten al de menschen

Want toen was die dame dood.

 

En toen zag je weer soldaten,

Maar die deden toch zo raar,

Want die vielen van de bergen

En toen schoten ze elkaar.

En toen kwamen er weer paarden

En die joegen ze toen vort.

Maar waar blijven die soldaten

Als 't dan weer donker wordt.

 

En toen kwam er weer 'n jongen,

Die z'n hond was doodgegaan,

Maar toen keek-tie naar den hemel

En daar zag ie 'm weer staan.

Als u dood bent, lieve Tante,

Weet u wat ik dan maar hoop,

Dat ik ook naar u kan kijken

Op die mooie bioscoop.

 

Terug naar overzicht

De diender van het Calandmonument (J.H. (Koos)Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Caland heeft een monument

Op het Calandplein.

In een waterbak van steen

Boven 'n fontein.

Met een tweeling moddervet

Zonder broekies an,

En een engel in d'r hemd,

Die niet vliegen kan.

 

En daarom loopt de diender, de diender, de diender,

En daarom loopt de diender van het Calandmonument.

 

Dag en nacht marcheert ie rond,

Handen op z'n rug.

Als een musch er lang naar kijkt,

Jaagt ie 'm terug.

Als er iemand visschen wil,

Of zijn voeten wascht,

Of een kleine boodschap doet,

Gaat ie in de kast.

 

En daarvoor zorgt de diender, de diender, de diender

En daarvoor zorgt de diender van het Calandmonument

 

Wordt er ergens in de buurt,

Moord en brand gegild,

Is er ergens op de straat,

'n Matroos gevild,

Krijgt een heer in 't ziekenhuis,

Op zijn kersepit,

Zelfs wanneer een keukenmeid,

An z'n snorren zit.

 

Dan nog loopt de diender, de diender, de diender

Dan nog loopt de diender van het Calandmonument

 

Als je vraagt wie Caland was,

Zegt de goede man:

,,Caland regardeert men niet,

Dat gaat mij niet an.

Caland is een monument,

Op het Calandplein,

In een waterkom van steen,

Boven een fontein !"

 

En ik ben maar de diender, de diender, de diender

En ik ben maar de diender van het Calandmonument

 

Hij wordt aan de vreemdeling

Als een held vertoond,

Door de Raad van Rotterdam

Met een kruis beloond.

Komt ie net als iedereen

Eenmaal an z'n end,

Sterft ie met een aanzichtkaart

Van z'n monument

 

Want hij was de diender, de diender, de diender

Want hij was de diender van het Calandmonument

 

Terug naar overzicht

De eerste klant (J.H. (Koos) Speenhoff)

Er waren twee zoete gelieven

Die vonden de wereld te klein

Toen trouwden ze gauw met elkander

Om baas van hun eigen te zijn

Ze deden het maar op een koopje

Het zat er niet meer bij hen aan

En als ze er nu nog aan denken

Dan hadden ze 't nimmer gedaan

 

Ze zouden een zaakje beginnen

Een winkeltje buiten de stad

De buurt was nog nieuw en verlaten

De kalk van hun huis was nog nat

Ze kochten een wagentje groenten

Wat kroten en uien en peen

Die stalden ze uit voor de glazen

Met kropsla en kool er doorheen

 

Ze werkten en plasten en stoeiden

Ze zoenden elkander zo teer

De vloeren die blonken als spiegels

Ze boenden hun ruggen op zeer

Het vrouwtje zat achter de toonbank

Zij prijsde de mandjes met fruit

De man nam een kijkje van buiten

En lachte haar toe door de ruit

 

Zo leefden ze enige dagen

Maar niemand had trek in hun sla

Geen mens kwam de winkel eens binnen

Er was nog geen cent in de la

En toen ze geen stuiver verdienden

Ondanks hun gewerk en getob

Toen aten ze maar van de honger

Hun uien en bloemkolen op

 

En toen ze geen groente meer hadden

Geen bieten, geen kool en geen peen

En toen ze elkaar niet meer zoenden

Zoals ze dat deden voorheen

Toen kwam er een meisje naar binnen

Een briefje van tien in haar hand

Die vroeg of de baas dat kon wisselen

En dat was hun enigste klant

 

Terug naar overzicht

De geschiedenis van twee aardige mensen (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Het waren twee aardige mensen

Die dachten van niemendal kwaad

Zij dachten alleen aan zichzelven

Zoals dat gewoonlijk dan gaat

Het waren twee aardige mensen

Nog zonder verstand en gezond

Die hielden zoveel van elkander

Alsof er geen wetboek bestond

 

Die ene, die leerde voor dokter

Zijn vader had duiten er voor

De andere zat voor haar broodje

Als schrijfstertje op een kantoor

De een, die zat rijk in zijn kleren

Droeg vesten en sokken van zij

De ander had bijna geen hemd aan

En toch was ze dapper en blij

 

Hij wachtte haar op tegen achten

Dan had ze gedaan op kantoor

Ze sprongen elkaar in de armen

En gingen er zingend vandoor

Dan kreeg ze een ruikertje rozen

Een doosje met zeep, of met reuk

En eens gaf hij haar als verrassing

Een grappige hoed met 'n deuk

 

Zo werd 't hoe langer hoe mooier

Ze hadden voor werken geen tijd

Haar penhouder had ze vergeten

En hij was zijn leerboeken kwijt

Toen huurden ze ergens 'n kamer

Omdat er geen uitkomst meer was

Daar kregen ze samen 'n kindje

En dat kwam volstrekt niet te pas

 

De vader riep: "Aap van 'n jongen

Ga gauw bij dat schepsel vandaan

En geef haar een bankje van honderd

Dan is er de zaak mee gedaan"

Toen bleef ze alleen met haar kindje

Geen mens die haar hielp in de nood

Ze beefde van angst en van schande

En maakte d'r kindje toen dood

 

Het waren twee aardige mensen

Nog zonder verstand en gezond

Die hielden zoveel van elkander

Alsof er geen schande bestond

De een is gevestigd als dokter

En werkt voor een deftig bestaan

De ander zucht in 't spinhuis

En daar denkt nou niemand meer aan

 

Terug naar overzicht

De goedgezinde meid (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Hij was een man van niemendal

Om eer en plicht gaf hij geen bal

Hij was zijn tranen en zijn duiten kwijt

Maar hij had een goedgezinde meid

 

Hij was een kniezerige sul

Van vlijen had hij geen benul

Hij had een hekel aan menslievendheid

Maar hij had een goedgezinde meid

 

Hij had geen huis, hij had geen licht

Hij had geen lach op zijn gezicht

Hij had een leven als een hond geleid

Maar hij had een goedgezinde meid

 

Hij had geen hemd, hij had geen hoed

Hij had geen wilskracht en geen moed

Hij had nog nooit een eerlijk mens benijd

Maar hij had een goedgezinde meid

 

Hij had geen kat, hij had geen kind

Hij had geen trouwe bittervrind

Hij zong nooit liedjes in de eenzaamheid

Maar hij had een goedgezinde meid

 

Hij at geen oesters en geen paté

Hij nam geen baden in de blauwe zee

Hij voelde nooit de sociale nijd

Want hij had een goedgezinde meid

 

Hij dronk geen koffie met een pousse

Had nooit een whisky soda roes

Hij at geen havermout bij zijn ontbijt

Maar hij had een goedgezinde meid

 

Ze was zo groot, ze was zo rond

Ze was zo sterk en zo gezond

Hij werd soms vierkant in ’t bed geleid

Door die goedgezinde meid

 

Hij is tevreden met zijn lot

Hij zal wel doodgaan als ie mot

Dan zoekt hij eenzaam door de eeuwigheid

Naar zijn goedgezinde meid

 

Terug naar overzicht

De hoge hoed (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Er was een lelijke meneer, waar niemand graag naar keek

Omdat ie met z'n scheef gezicht een slechte kerel leek

Maar, toen 'ie op een goeie dag ook graag een meisje kreeg

Toen maakte 'ie, om mooi te zijn, z'n hele spaarpot leeg

Voor een hoge hoed, voor een hoge hoed

 

Hij liep een kleine winkel in en kocht een hoge dop

Toen even nog naar den barbier, die knapte 'm wat op

Door steegjes snapte 'ie naar huis, z'n hoed bracht 'm van streek

Het was of iedereen 'm zag, en spottend naar 'm keek

Om z'n hoge hoed, om z'n hoge hoed

 

Eerst ging die naar z'n moeder toe, en vroeg hoe of ze 't vond

Die zei, omdat ze van 'm hield, dat hem zoiets wel stond

Maar toen ze 'm zo opgeruimd er mee op straat zag gaan

Toen keek ze 'm verlegen aan en ging voor 't raam vandaan

Om z'n hoge hoed, om z'n hoge hoed

 

Toen vroeg 'ie aan z'n beste vrind, hoe die er over dacht

Die zei: "Jij wordt nog met dat ding naar 't gekkenhuis gebracht

Jouw kop is voor zoiets te lomp, te pokkig en te boers"

Toen dacht die lelijke meneer: "M'n vrind wordt al jaloers

Op m'n hoge hoed, op m'n hoge hoed"

 

Maar hij ging naar 't meisje toe waarmee 'ie trouwen wou

Hij dacht dat zij hem nou misschien niet lelijk vinden zou

Eerst liep 'ie nog een straatje rond, bleef hier en daar wat staan

Toen sloop 'ie 't stoepje schuchter op, en belde zachtjes aan

Met z'n hoge hoed, met z'n hoge hoed

 

Z'n meisje keek door 't raampje heen, en lachte in de gang

Maar niemand kwam 'm open doen, toen werd 'ie rood en bang

Hij zag haar, gillend van de lach, weer in de kamer gaan

Ze liet die lelijke meneer toen op 't stoepje staan

Om z'n hoge hoed, om z'n hoge hoed

 

Terug naar overzicht

De Hollandsche vloot (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Holland hebt je 't begrepen,

Hou je voor de toekomst maar klaar.

Steek je geld in oorlogschepen,

Bouw 'n kruiser ieder jaar.

Laat ze maar van stapel loopen,

Geef je werven wat te doen.

Laat ze allen Holland doopen,

Zieniet op 'n paar millioen.

 

Refrein:

Holland blijf je vloot bewaren,

Zoek je welvaart over zee.

Holland laat je schepen varen,

Want ze brengen zegen mee.

Holland blijf je vloot bewaren,

Zoek je welvaart over zee.

Holland laat je schepen varen,

Want ze brengen zegen mee.

 

Holland laat je vlag dan waaien,

Net zoo als je vroeger dee'.

Laat je vloot weer zijn te praaien,

Langs de wij'e wereldzee.

Laat je vlag niet onklaar hangen,

Strijk 'm nooit en sta je man.

Zorg dat voor je volksbelangen,

Ieder schip 'm hijschen kan.

 

Refrein

 

Laat je Jantjes passagieren,

Laat ze zien op elke reê.

Geef ze beste officieren,

En je beste zeelui mee.

Geef ze snelle, stijve schepen,

Welbemand en handelbaar.

Holland, heb je 't begrepen ?

Hou je voor de toekomst klaar !

 

Refrein

 

Als je vrinden gaat begeeren

Geef de Belgen dan de hand.

Wat je dan nog mocht ontbeeren,

Vin-je in 't Vrindenland.

Want ze geven staal en ijzer,

Holland zorgt voor beider vloot.

Samen rijker, samen wijzer,

Ieder klein, maar samen groot.

 

Refrein

 

Geef geen stukje grond uit handen,

Nog zoo duur en nog zoo klein.

Laat de Pamaroekan-landen,

Geen begin van rotheid zijn.

Neem 'n voorbeeld aan de Boeren,

Engelsch geld voor diamant.

Denk 'r om, ze zijn aan 't loeren,

Engelsch geld voor rubberland.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De idealisten (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Ze gaan langs de straat als geranselde honden,

Ze kijken de mensen zo nederig aan,

Ze loopen te koop met hun dierbare zonden,

Ze spreken van zielen die blijven bestaan.

 

Ze plagen ons allen met geldidealen;

Modelmaatschappij, waarin elk produceert,

Ze wijzen ons overal wonden en kwalen,

Ze zijn zoo menschlievend, naïef en geleerd.

 

Ze spelen den Christus in krotten en kroegen,

Ze eeren den werkman, ‘t volk is hun God,

Ze laten ‘t volk en den werkman waar zwoegen,

Omdat ‘t op aarde nu eenmaal zoo moet.

 

Ze maken zich druk over stemmen en kiezen,

Ze stellen zich overal graag candidaat,

Ze hebben gewoonlijk geen stook te verliezen,

Ze krijgen den kost van ‘t volk en den staat.

 

En als ze dan eenmaal als Kamerlid zitten,

Dan doen ze brutaal, onbeschoft, familiaar,

Ze zitten op alles en ieder te vitten,

Alles wat geld heeft is smerig en naar.

 

En wat er op aarde zooal wordt geleden,

Daar kijken ze nuchter en kalm overheen,

Ze willen geen betere menschen en zeden,

Ze willen regeeren en dat maar alleen.

 

Ze willen partijen de menschen verdeelen,

Ze kweeken slechts vijandschap, afgunst en haat,

Totdat ‘t de menschen te zeer gaat vervelen,

Dan zetten ze d’ idealisten op straat.

 

We kunnen ze missen die idealisten,

We haten hun zoet en menschlievend gezeur,

We krijgen genoeg van hun snoeven en twisten,

En van hun onmanlijk en futloos getreur.

 

We willen weer leven voor lachen en springen,

Voor liefde, voor vrouwen, voor hartstocht en wijn,

We willen luidruchtig weer juichen en zingen,

We willen de Goden op aarde weer zijn.

 

Terug naar overzicht

De juffrouw van de retirade (J.H. (Koos) Speenhoff)

De mensen denken dat m'n vak toch zo verschrikkelijk vies moet wezen

Maar dat is werkelijk niet waar, ik zit de krant d'r bij te lezen

Ik eet er fijn m'n prakkie op, ik smul d'r van m'n karbonade

Het gaat er net zo gladjes in, al zit ik bij de retirade

 

Ik heb m'n hele leven lang al menigeen bedrukt zien komen

En daarna opgeruimd zien gaan, en dan de fooitjes aangenomen

Wanneer ik ook 'es schrijven kon, dan kwam 't in de grote bladen

Wat ik van 't mensdom heb gezien als juffrouw van de retirade  

 

En als m'n dochter ouder wordt, ga ik ze alle kunsies leeren

Hoe of je aan de dameskant en hoe je doen moet aan de heeren

M'n ondervinding in me vak die komt haar dan toch goed te stade

Je ziet en hoort zoo machtig veelals juffrouw van de retirade

 

Want als het eenmaal zomer is, dan gaat het prachtig met de zaken

Dan heb ik soms niet eens de tijd, om zelf gebruik d'r van te maken

Dan zegen ik de groenteboer, voor al z'n vruchten en salade

Dan heb je pas plezier d'r van, als juffrouw van de retirade

 

Eens was ik ziek van reumatiek, m'n benen konden haast niet lopen

Toch bleef ik vlijtig op m'n post en deed de deuren kreunend open

Tot dokter me verandering van lucht beslist had aangeraden

Toen ging ik da'lijk er op uit, en pachtte 'n andere retirade

 

En daarom trek je neus niet op, je weet niet wat er kan gebeuren

Een mensch z'n buik dat is 'n ding dat je soms maanden lang doet treuren

  Al ben je Keizer, Vorst of Prins je hoeft me heusch niet te versmaaden

Soms ben ik meer dan schatten waard als juffrouw van de retirade

 

En als ik eenmaal sterven moet, wat iedereen toch kan gebeuren

Dan hoop ik dat nog menig klant om mijn afwezigheid zal treuren

En als ik in den hemel kom, schenkt Petrus me direct genade

Stelt ie me daarboven zeker aan als juffrouw van de retirade

 

En nu de moraal:

 

Ik schaam me niet dat ik m'n brood verdien met sleutels af te geven

Die anders denkt heeft geen verstand, en snapt geen steek van heel dit leven

Er zijn d'r in de wereld veel die zich in grote weelde baden

Maar die 't verdienden, viezer nog, dan ik 't op de retirade

 

Terug naar overzicht

De Koningin op wijkbezoek (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Heel ons land was opgetogen

Toen het uit de krant vernam,

Dat de Koningin ging kijken

In het duister Amsterdam.

Dat ze zelf wou onderzoeken

Of het waar was wat men zei,

Dat er Nederlanders hokten,

Menschen zoo als Zij en wij.

 

Wat kan mij dat volkje schelen,

Dacht meneer de palfrenier,

Hoe kan men zich nou bemoeien

Met dat schorriemorrie hier

Dat van armoe en ellende

Vieze honden-krengen eet.

Van 't sjouwen en 't werken

Stinken ze maar naar 't zweet.

 

Maar hij schrok zich 'n beroerte

Toen 't rijtuig stil bleef staan;

Wilhelmina van Oranje

Wou zoo'n smerig krot in gaan.

Zoo iets mag toch niet gebeuren

't Is met 't Koningschap gedaan.

Buigend bood hij haar een doosje

Met insectenpoeder aan.

 

Met haar welbekende glimlach

Stapte toen de Koningin

Als 'n heel eenvoudig vrouwtje

Moedig 't portaaltje in.

Ik hoef lekker niet naar boven,

Dacht de knecht bij 't portier,

Koninginnen zijn heel anders

Dan zoo'n nette palfrenier.

 

Snap je nou wat dat moet worden,

Vroeg hij stil aan den koetsier,

Kijk 's wat een boeve-tronies,

Ik vertrouw die lui geen zier.

Morgen zingen z' in de kroegen

Weer 't een of and're vers

En we hebben in de kranten

Weer 'n heel slechte pers.

 

Strakjes vraagt zoo'n wijf daarboven:

"Nou mefrouw de Konigin

Lussie soms 'n bakkie koffie

Met 'n kussentje d'r in ?"

Of dan zegt ze an d'r wurmen

Dat ze liefjes moeten doen

"Toe geef tante maar 'n handje

Geef de Koningin 'n zoen !"

 

En wat geeft nou al die drukte

Beter maken kan ze 't nooit.

Dat de Koningin haar goedheid

Aan dat slechte volk vergooit.

Als ze al die armoedzaaiers

Wou bezoeken gaan of zoo

Kon ze jaren bezig blijven

Kwam ze nooit meer op 't Loo.

 

Terug naar overzicht

De leege schoolbank (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Voor de vacantie was begonnen,

Was heel de klasse al tevreê.

De jongens schreven op de leien,

Ik ga met Pa in auto mee;

Ik krijg 'n hond of 'n konijntje;

Ik ga logeeren in het Gooi

En allen hadden ze wat anders

En alles was maar even mooi.

 

De kleine Jan had honderd plannen

Wat of hij al dien tijd zou doen,

Hij zou zijn zusje fluiten leeren

Of touwtje springen voor een zoen,

Hij zou gaan teekenen en knippen,

Soldaatje spelen met met zijn vlag,

In 't bad zijn scheepje laten varen,

En alles doen wat of maar mag.

 

Toen de vacantie was verstreken

Zat heel de klas weer bij elkaar

Met bruine, vroolijke gezichten,

En al het huiswerk netjes klaar.

Ze hadden allemaal verhalen,

Ze raadden wie 't meeste kreeg,

Konijnen, spoortjes, scheepjes, boeken,

De bank van kleine Jan was leeg.

 

Z'n leitje en z'n sponzedoosje

Die stonden op z'n plaatsje klaar,

Z'n potlood en z'n schoone schriften

Die lagen in z'n lessenaar.

De jongens keken naar z'n bankje,

Toen werd het stiller in de klas.

De juffrouw zei dat kleine Jantje

Voor altijd met vacantie was.

 

Terug naar overzicht

De leesles (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Er was 'n moeder en 'n kindje,

Die hielden enkel van elkaar,

De kleine was 'n bijdehandje,

'n Meisje van pas zeven jaar.

De moeder was 'n droevig vrouwtje,

Dat voor de kost zich zelf verdoet,

Dat overdag wat zit te droomen,

En 's avonds laat de straat op moet.

 

De kleine kon al dapper lezen

Wat of er in hun krantje stond,

De namen van de boodschapzakjes

Die z' in het tafellaatje vond.

Eens vroeg ze, toen ze zat te lezen:

,,Dat woordje, wat beteekent dat ?"

Toen zei 't moedertje verlegen:

,,Ik kan niet lezen, lieve schat."

 

De moeder ging toen aan 't leeren.

De kleine zei: ,,Ik ben tevreê."

En als ze 's nachts vermoeid naar huis kwam,

Dan leerde ze 't A-B-C.

En telkens zei de kleine wijsneus:

,,Hier is al weer een lesje, hoor,

Kom maar 's liefjes naast me zitten,

En lees me dat 's netjes voor."

 

Toen ze d'r moeder hoorde klagen,

Zei gauw die bijdehante snoes:

,,Kom maar 's bij je kleine kindje,

Die zal je leeren lezen, moes.

Nu moet u netjes naar me hooren,

Dan geef ik u de eerste les,

't Woordje ,,Moes" zal ik u leeren,

Dat is 'n ,,m", 'n ,,oe", 'n ,,s"."

 

En in dat lesje stond geschreven:

Wanneer ik groot geworden ben

Ga ik voor moessie straks de straat op,

Omdat ze zelf niet werken ken.

Ik hou het meest van mijn moeder,

'k Wou dat ik ze 's nachts maar bij me had,

Ze is van heel de heele wereld,

M'n snoezemoezepoeze-schat.

 

En toen de moeder had begrepen,

Het lesje dat haar kind verzon,

Toen ging ze zachtjes zitten schreien,

Omdat ze dat nu lezen kon.

Toen ging ze 's nachts niet meer naar buiten,

Toen bleef ze van de straten af.

Toen werd ze pas 'n brave moesje

Door 't lesje dat haar kindje gaf.

 

Terug naar overzicht

De Liberty meisjes (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Op elke tentoonstelling zweven ze binnen,

Vreezen leelijke, zoeken 't mooi.

Ze vinden 'n Maris, 'n Mesdag, 'n Mauve,

Minder dan Toorop, Van Gogh en Van Looy.

Ze turen en wijzen en denken en prijzen,

Ze praten van stemmig, van kleur en van lijn,

Impressionisme, pointille en kroeten,

Net of ze Rembrandt met rokken aan zijn.

 

Refrein:

'n Bruintje, 'n zwartje, 'n grijsje,

't Liberty meisje, soepel en poezelig zacht,

Fluister en lacht, fluistert en lacht.

 

De Liberty-meisjes zijn liberty-raadsels,

Al wat ze doen is maar liberty-schijn.

Ze willen geen vrouwtjes of mannetjes wezen,

't Hindert ze juist dat ze vrouwelijk zijn.

Ze noemen 't huwelijk bijster bedroevend;

't Is altijd gezegende ontucht geweest.

Ze vinden de liefde sociaal onbelangrijk

En 'n man op z'n meest 'n bedenkelijk beest.

 

Refrein

 

 Ze loopen op straat met 'n boek van Van Eeden,

Ze kijken naar gevels door Cuypers gebouwd,

Ze blijven voor kerken en bloemwinkels droomen,

Alles wat kunst is wordt ernstig beschouwd.

En waar ze concerten en lezingen geven,

Hooren en denken en en zwijgen ze mee;

Ze spreken van Wagner en Bolland en Troelstra;

Velen zijn lid van de S.D.A.P.

 

Refrein

 

't Is of ze de wereld en alles vertrouwen

En of ze 't doen om een langzame zoen;

Ze zijn om in eens om d'r middel te pakken,

Ze schuiven voorbij in fluweel of katoen.

Ze zijn niet verdedigd door stijve concerten,

Ze reizen ,,niet rooken" alleen op den trein.

En of ze de heeren daar graag doen vergeten

Dat ze nog schuchter en maagdelijk zijn.

 

Refrein

 

Toch ziet men ze graag, al die Liberty-meisjes,

Ze praten niet veel, maar ze spreken gezond.

Ze zouden geen liberty-poppetjes wezen,

Als er geen liberty-mode bestond.

We laten ze doen, wat ze aangenaam vinden,

't Leven is prachtig, want alles is schijn,

En als ze d'r liberty-kleedjes verlaten,

Schiet er iets over dat aardig kan zijn.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De liefde (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

De liefde is de grootste straf,

Die God ons heeft gegeven,

Maar die niet weet wat liefde is,

Heeft nooit iets aan zijn leven.

 

De liefde maakt ons allen dol,

We vechten om elkander,

En als we moe van 't vechten zijn,

Dan nemen we een ander.

 

De liefde geeft ons moed en kracht.

En lust in onze oogen,

Juist als we vol vertrouwen zijn,

Dan worden we bedrogen.

 

De liefde is een ongeluk,

En zit soms in een hoekje,

De liefde kost aan menigeen,

Zijn gansche spaarbankboekje.

 

Terug naar overzicht

De mens alleen (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Als een mens geen raad meer weet

Dagenlang maar kropsla eet

Gaat ie om zijn maag te stoppen

Hier en daar om duiten kloppen.

O! O! O, wat een pech

Heb je geen geld dan ben je weg.

 

Ieder mens heeft één papa

Gaat hij bij zich zelve na

Daarin kan men zich vergissen

Want papa kan zelf niets missen.

O! O! O, wat een pech

Heb je geen geld dan ben je weg.

 

Ieder mens heeft ook een vrind

Die hem als het lukt bemint

Maar die vrind is vaak afwezig

Of juist met zijn dienstmeid bezig.

O! O! O, wat een pech

Heb je geen geld dan ben je weg.

 

Ieder mens heeft wel een tiep

Dat de klap soms bij hem liep

Vraagt de mens zo’n tiep om duiten

Dan begint ie gauw te fluiten.

O! O! O, wat een pech

Heb je geen geld dan ben je weg.

 

Ieder mens heeft een vriendin

Maar daar steekt geen voordeel in

Als de duiten zijn gevlogen

Wordt de mens terstond bedrogen.

O! O! O, wat een pech

Heb je geen geld dan ben je weg.

 

Ieder mens heeft wel een hond

Die hij hier of daar eens vond

Heeft de mens geen geld voor brood

Hond en baas gaan samen dood.

O ! O ! O !, wat een pech

Ben je alleen dan ben je weg.

 

Terug naar overzicht

De mode (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Om de mode bij te blijven,

Alles even nieuw en fijn;

Doen de Heeren alle moeite

Om maar goed gekleed te zijn.

Weken passen ze hun jassen,

Maanden zijn zij in de weer,

En wanneer die eind'lijk klaar is,

Is zoo'n jas geen mode meer;

 

Refrein:

O, o, o, de mode, de mode,

O, o, o, die koejeneert je zoo.

 

Om maar naar de laatste mode

Laatste smaak gekleed te gaan,

Doen de dames dwaze dingen

Kunnen ze niet gaan of staan.

Om maar alles nieuw te hebben

Wou ze dat ze toov'ren kon,

Ze vergeet de man en kind'ren

Voor 'n kachelpijpjapon.

 

Refrein

 

Als zoo'n modeheer wil zoenen,

Staat hij duizend angsten uit,

Die geïnfecteerde lippen

Zijn nadeelig voor de huid.

Zou z'n das misschien verschuiven

Of z'n broek raakt uit de plooi,

Goffiemoppie, nee niet zoenen

Want z'n snor zit net zoo mooi.

 

Refrein

 

Als je met zoo'n modevrouwtje

Over minnemallen spreekt

En je wilt haar stevig pakken

Is 't net alsof ze breekt.

Alles kraakt en knarst en rammelt

En je houdt nog op 't lest

In je eene hand de boezem

In de andere de rest.

 

Refrein

 

Vader worden, nee dat gaat niet,

Trouwen is al bar geweld,

Kind'ren brengen nare zorgen

Trouwen doe je om 't geld.

Kind'ren ruiken altijd leelijk,

Zoiets knoeit wanneer 't eet,

En verbeeld je dat zoo'n viespeuk

Op je schoen 'n grapje deed.

 

Refrein

 

Kind'ren krijgen heerejeetje

Moeder worden, dank je man,

Speentjes, luiers, dotjes, potjes,

Krijg je vieze nagels van.

Met zoo'n schunnig karreweitje

Raak je gauw je taille kwijt.

Als er voortgeplant moet worden,

Bel je om de keukenmeid.

 

Refrein

 

Eten durft ze niet te wagen,

D'r corset is veel te nauw,

Van een half vanilletaartje

Valt ze van benauwdheid flauw.

Om maar slank en dun te blijven

Doet ze met azijn 'n kuur,

En ze lijkt na 'n paar maanden

Op een paling in 't zuur.

 

Refrein

 

Eten, rooken, drinken smullen,

Durft meneer niet voor z'n bloed.

Met 'n slechte spijsverteering

Zit z'n overhemd niet goed.

Dikwijls gaan z'n wangen kleuren

Na zoo'n uitgebreid diner,

Gaat z'n neus wat rooder worden

En daar kleurt z'n das niet mee.

 

Refrein

 

Om maar naar de laatste mode

Laatste smaak gekleed te gaan,

Trekken vele modedames

Zelfs geen onderrokken aan.

Gaat 't van de winter vriezen,

Is dat griezelig en kil.

En wanneer d'r rok mocht scheuren

Zie je 'n bevroren --- been.

 

Refrein

 

Als ie loopt dan moet ie zorgen

Dat ie let op elke plas,

Als ie zit dan moet denken

Aan de plooien van z'n jas.

Als ie slaapt dan moet ie droomen

Hoe zijn onderbroek moet staan.

Als ie sterft wordt ie begraven

Met z'n nieuwste hempje aan.

 

Refrein

 

Terug naar overzicht

De moderne muziek (J.H. (Koos) Speenhoff)

(met dank aan Inez voor het sturen van de tekst)

Heel 't leven is veranderd, ook op muzikaal gebied

Al dat laffe ouwerwetse, slikt men tegenwoordig niet

Weg die suikerzoete walsjes, weg met Wagner en Colo

Zoiets noemen de modernen, muzikale rommelzooi

Hoe sierlijk en hoe fijn klonk weleer dit refrein

 

    (Franstalig refrein gezongen door Caesarina Speenhoff-Prinz)

 

Maar, dat is nu voorbij, luister even naar deze razernij

 

Dat is, geacht publiek, de moderne pracht muziek

Dat is, geacht publiek, de moderne pracht muziek

 

Onze mooie instrumenten raken langzaam uit den tijd

Fluiten, celli en violen, zijn hun klankenwaarde kwijt

Een orkest ziet men verworden, al 't schone gaat omlaag

Mengelberg en z'n getrouwen, spelen Mahler op de zaag

Hoe simpel en hoe fijn klonk vroeger dit refrein

 

    (Franstalig refrein gezongen door Caesarina Speenhoff-Prinz)

 

Maar, dat is nu voorbij, hoor deze razernij

 

Zo gaat alles naar de lommerd toe

Zo gaat alles naar de lommerd toe

 

Dat is, geacht publiek, 't eind van de muziek

Dat is, geacht publiek, 't eind van de muziek

 

Terug naar overzicht