|
| |
Liedjes van
Den Bond voor Staatspensioeneering
|
De klacht eens armen
(tekst:L.W.de Groot/wijze: Op de
groote, stille heide)
(met dank aan Jan van der Zee
voor het sturen van de tekst) |
|
Oud van jaren, zonder krachten,
Dun gekleed en slecht gevoed,
Dwaal ik rond langs straten, grachten,
Zonder doel, waar ‘k zet mijn
voet.
Dagen en ook nachten lang,
Heb ‘k geen thuis, waar ‘k rusten kan,
‘k Ben oud en vergeten,
‘k Ben oud en vergeten,
Vergeten !
‘k Was als werkman vroeger jaren,
Steeds vol lust bij mijn patroon,
‘k Werkte vlijtig, doch te sparen,
Kon niet van ‘t verdiende loon.
Maar toen ‘k oud werd, zestig jaar,
Viel het werken mij te zwaar,
Mijn krachten verdwenen,
Mijn krachten verdwenen,
Verdwenen.
Mijn ontslag is mij gegeven,
‘k Werd te oud, ‘t is mijne schuld ?!
Dat is na mijn werkzaam leven,
‘t Loon voor arbeid, vlijt, geduld,
Zonder hulp en arm en oud,
Zonder krachten, moegesjouwd,
Verlang ik naar het einde,
Verlang ik naar het einde,
Naar ‘t einde.
Neêrland kunt gij mij niet geven,
Nu ‘k ben oud en krachteloos,
In den winter van mijn leven,
Ziekelijk en hulpeloos,
Staatspensioen waarvan ik dan,
Net, fatsoenlijk leven kan,
‘t Is billijk, rechtvaardig,
‘t Is billijk, rechtvaardig,
Rechtvaardig !
Terug naar overzicht
|
|
De
millioenen
(tekst: D. Kool /wijze: Weet ge
hoeveel held're sterren)
(met
dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst) |
|
O, daar gaan zooveel millioenen,
Op het oorlogsveld terloor,
En wij zouden willen vragen,
Wat ontvangt het volk ervoor ?
Rouw in duizenden gezinnen,
Honger sluipt de huizen binnen !
DAT ontvangt het volk er voor,
DAT ontvangt het volk er voor.
O, daar gaan zooveel millioenen,
Nog aan sterken drank terloor,
En wij zouden willen vragen,
Wat ontvangt het volk daarvoor ?
Armoe troef in veel gezinnen,
Ruzie buiten, ruzie binnen,
DAT ontvangt het volk ervoor,
DAT ontvangt het volk ervoor.
O, had men toch die millioenen,
Voor het Staatspensioen bewaard,
Hoeveel armoe kon voorkomen,
Hoeveel zorg en leed bespaard,
Hadden wij slechts die millioenen,
‘t Was genoeg voor de Pensioenen,
Van al d’ armen op deez’ aard,
Van al d’ armen op deez’ aard.
Terug naar overzicht
|
|
Het is
hun recht
(tekst:? /wijze: Kent gij dat Volk
vol heldenmoed)
(met
dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst) |
|
Wij strijden voor het Staatspensioen,
Met kracht en energie !
Want als er een zaak heilig is,
Dan is het zeker die !
Wij kunnen ‘t langer niet gedoogen,
Dat de oude werkman lijdt,
Dat hij in kommer en ellende,
Zijn laatste dagen slijt,
Komt, strijden wij en rusten niet,
Voordat aan allen recht geschiedt !
Zij hebben ‘t Staatspensioen verdiend,
Het komt hun rechtens toe,
Zij gaven kracht en levensvreugd,
En zijn nu oud en moe !
Men mag het oude paar niet scheiden,
Dat God tezaam verbond,
De laatste vreugd hun niet ontnemen,
In s’levens avondstond,
Komt strijden wij en rusten niet,
Voordat aan allen recht geschiedt !
Een eigen thuis, een eigen haard,
Dat vragen zij alleen,
Al is de bete broods ook droog,
Het hart is dan tevreên,
Zij zullen niet zoo lang genieten,
Hun welverdiende rust,
Bij velen wordt de levensvlamme,
Helaas, te vroeg gebluscht !
Komt, strijden wij en rusten niet,
Voordat aan allen het recht geschiedt.
Terug naar overzicht
|
|
Leve het Staatspensioen !
(tekst:? /wijze: De Loreley)
(met
dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst) |
|
Men ziet in ons land oude menschen,
Gebogen en kreupel en stijf,
Zij hebben om werk te verrichten,
Geen krachtige armen aan ‘t lijf,
En vragen wij nu aan die oudjes,
Is er voor U geheel niet te doen ?
Zij antwoorden allen te zamen,
Wel ja man, het Staatspensioen !
Komt menschen, komt opent de oogen,
Zie rond U wat daar al geschiedt,
Ik wed, in Uw oog wellen tranen,
Bij ‘t zien van der ouden verdriet,
Hij werkt en hij ploetert gestadig,
Komt, mag dat zoo’n oude man doen ?
Neen, Neen ! Immers roept ge nu luide,
Lang leve het Staatspensioen !
Daar zit er een steenen te kloppen,
Hier bedelt er een langs de straat,
En ginds staat er een met “negotie”,
Niet een, die er acht op hem slaat,
De stumperds, de stakkers verhong’ren,
Weet gij, wat daaraan is te doen ?
“Komt !” strijden we allen tezamen,
Voor ‘t heerlijke Staatspensioen !
‘k Behoef ‘t U niet verder te zingen
Wat d’ oudente wachten nog staat,
Hij moet van den honger wel sterven,
Als hij de bedeeling versmaadt.
Hij moet zijn liefdadigheid beed’len,
Weg zijn dan zijn recht en fatsoen,
Dat mag toch niet langer gebeuren ?
Sluit U aan bij ons Staatspensioen !
Terug naar overzicht
|
|
Neerland geeft recht
(tekst:L.W.de Groot/wijze:”Fier van
Geest” of“Dat was Holland eens ter veld”)
(met
dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst) |
|
Vrienden gaat uw krachten wijden,
Schaart U allen zij aan zij,
Om voor ‘t Staatspensioen te strijden,
Voor de Oudjes, die zoo lijden,
Die hun plichten
Steeds verrichten,
Tot het heil der Maatschappij.
Die hun plichten
Steeds verrichten,
Tot het heil der Maatschappij.
Arm en oud, gesloopt de krachten,
Dat is vaak des werkmans deel,
Steun nog hulp kan hij verwachten,
Niemand gaat zijn leed verzachten,
Zwak en hulploos,
Dak en broodloos,
Is hij overal te veel.
Zwak en hulploos,
Dak en broodloos,
Is hij overal te veel.
Kent gij dat nog steeds gedoogen ?
Gij, mijn volk van Nederland ?
Dat vol fierheid, opgetogen,
Op uw rechtsgevoel blijft bogen,
En vol blijheid,
Roemt op vrijheid,
En op welstand in uw land.
En vol blijheid,
Roemt op vrijheid,
En op welstand in uw land.
Terug naar overzicht
|
|
Niet oud en arm, maar oud
en rijk !
(tekst:?/wijze: De
Vierkleur van ons dierbaar land die waait weer over Transvaal)
(met
dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst) |
|
Ik heb mijn leven lang geslaafd,
In ‘t dienst van ‘t algemeen,
Nu is mijn oude rug gekromd,
En stram zijn al mijn leên !
Ik win mijn eigen brood niet meer,
Die tijd is lang voorbij !
Nu hang ik van mijn kind’ren af,
En van het medelij !
Toen ik nog jong en krachtig was,
Deed ik mijn plicht getrouw,
Ik bracht mijn loon niet naar de
kroeg,
Maar gaf het aan mijn vrouw !
En drukte soms de zorg mij neer,
Bij ziekte of tegenspoed,
Dan dacht ik:”Eenmaal wordt het licht,
En dan komt alles goed”.
Ik zag in mijn verbeelding reeds,
Mij zelven oud en blij,
In ‘t vriend’lijk hoekje van den
haard,
Mijn oudje aan mijn zij !
De kind’ren allen goed verzorgd,
En wij ons eigen baas !
Hoe anders is de werkelijkheid,
Hoe wreed en droef, helaas !
Dat ‘s Heeren zegen daal’ op hen,
Die moeite voor ons doen,
Die stellen hun talent en tijd,
In dienst van ‘t Staatspensioen !
Is eenmaal ‘t doel zoo schoon bereikt,
Als ‘t streven van den Bond,
Dan voelen wij ons oud en rijk,
Tot onzen laatsten stond !
Terug naar overzicht
|
|
Om mee
te zingen
(tekst: ?/muziek: J.H. Coenen)
(met
dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst) |
|
Geen zang klinkt zo schoon en geen
toon wordt gehoort,
Die meer ons begeestert, die meer ons
bekoort,
Geen lied klinkt zo krachtig, zo innig
gemeend,
Als 't lied van de ouderen, als
vrienden vereend,
Hier is geen hoogmoed of afgunst in 't
spel,
Wij zijn A.O.W ers, dat weten wij wel,
De één krijgt niet minder, de ander
niet meer,
En iedere maand brengt de post het ons
weer.
Hier drukken w' elkander als vrienden
de hand,
Bij ons is geen sprake van rang of van
stand,
Wij kennen geen armoe, wij voelen ons
rijk,
In 't kleed van de ouderen zijn w'
allen gelijk,
Wat ook verander' of wat ook verkeer,
Een beetje gezondheid, wij wensen niet
meer,
Een feestje in 't centrum, een feestje
zo fijn,
't Is bijna te groots om een oudere te
zijn.
Hoe zwaar hadden Vader en Moeder het
niet ?
Bij kinderen in, was hun lot in 't
verschiet,
Nu kunnen de ouden als 't heus niet
meer gaat,
Naar vele instanties om hulp en om
raad,
Nu is het duister verdwenen voor 't
licht,
En zijn vele huizen voor ons
opgericht,
Nu davert de juichtoon vol vuur en vol
gloed,
Wat hebben de ouderen het allen nu
goed.
4 Met moed en volharding dan voort op
het pad,
Dat voor ons zo menig oudere
betrad,
Onze status te benijden, het
uitzicht zo schoon,
Want straks aan het eind wacht ons
blijdschap en kroon,
Zò gaan wij voort onvervaard op ons
pad,
Zo goed hebben wij het nog nimmer
gehad,
De zwakken en zieken staan wij
steeds terzij,
Zo maken we and'ren gelukkig en
blij.
Terug naar overzicht
|
|
Ons onafhankelijkheidslied
(tekst: ?/wijze: 't Is plicht dat
ied're jongen)
(met
dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst) |
|
‘t Is plicht dat ied’re jong’re,
Voor de “onafhankelijkheid”,
Van hen, die oud en moede zijn,
Van ganser harte strijdt.
Refrein:
Hoezee, strijd mee, voor ‘t
Staatspensioen,
Hoezee, hoezee, hoezee,
Voor Staatspensioen strijd mee.
Geen aalmoes en geen liefdegaaf,
Zij ‘t wat men d’ ouden biedt,
Maar recht van elk op ‘t
Staatspensioen,
Dat zij ‘t, en anders niet.
Geen sabels en geweren,
Behoeven wij ten strijd,
Door woord en beeld, geschrift en
lied,
Word’ onze idee verbreid.
Refrein
De echte vaderlanders,
Zijn allereerst toch zij,
Die onrecht bannen uit het land,
Zij maken ‘t land eerst vrij.
Refrein
Terug naar overzicht
|
|
Onze vraag
(tekst: L.W.de Groot/wijze: De
Zilvervloot)
(met
dank aan Jan van der Zee voor het sturen van de tekst) |
|
Heb je wel gehoord van den machtigen
bond,
Den Bond voor Staatspensioeneering ?
Die voor de oudjes op Nederlands
grond,
Vraagt om recht aan de regeering ?
Hoezee, hoezee,
Doet allen daar aan mee,
Doet wat uw hart U zegt,
Denkt, dat het is des werkmans recht !
Doet wat uw hart U zegt,
Denkt, dat het is des werkmans recht !
Toen voor vele jaren die vraag werd
gedaan,
De Bond telde weinig leden,
Zag men die menschen vol minachting
aan,
En noemde hen ontevreden,
Zoo’n vraag, zoo’n vraag,
Die hoort men niet graag,
Men noemde die brutaal,
Of op zijn minst toch abnormaal.
Men noemde die brutaal,
Of op zijn minst toch abnormaal.
Spoedig werd ‘t anders, de vraag werd
herhaald,
Doch krachtiger dan tevoren,
Niet langer werd op ons beginsel
gesmaald,
Men moest onze eisch wel hooren,
‘t Was taal, ‘t was taal,
Van mannen, hecht als staal,
De vraag, eens zoo veracht,
Dat werd een eisch, vol fierheid en
kracht !
De vraag, eens zoo veracht,
Dat werd een eisch, vol fierheid en
kracht !
Thans werd openbaar, dat ten deele
reeds,
Iets uit die vraag is geboren,
Al zijn ook de vruchten nu nog niet
veel,
Toch zal eens de morgen gloren,
Dat ‘t recht, dat ‘t recht,
Wordt d’ oudjes toegezegd,
Dat ieder, vrouw en man,
Het Staatspensioen dan krijgen kan !
Dat ieder, vrouw en man,
Het Staatspensioen dan krijgen kan !
Terug naar overzicht
|
|
Op
den 9den December
(tekst:?/wijze: De nieuwe haring)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Triumf, de vreugde stijgt ten top,
Uit ‘t volk stijgt thans een juichtoon
op,
Een toon die klinkt van Dollard tot aan
Scheldestrand,
De eerste vrucht wordt nu geplukt,
Veel oudjes houên nu verrukt,
‘t Pensioentje in de hand,
‘t Pensioentje in de hand.
Hoezee, voor ‘t eerst sinds langen tijd,
Gaan w’ even rusten van den strijd,
En zien terug den weg zooeven afgelegd,
Maar spoedig treden we weer aan,
Om strijdend voorwaarts weer te gaan,
Op dan voor aller recht,
Op dan voor aller recht.
Hoezee, hoezee, viert vroolijk feest,
Zingt met een opgeruimden geest,
De moed en ‘t vast geloof, dat voert
naar zege heen,
‘t Pensioen, nog op bescheiden schaal,
Zal leiden tot ons ideaal,
Pensioen voor iedereen,
Pensioen voor iedereen.
Terug naar overzicht
|
|
Op
! Voor de grijsheid !
(tekst: H. Koster/wijze: Nader, mijn
God, bij U)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Nog heerscht in Nederland, Ouderdomsnood
!
Nog wordt de zucht geslaakt: ”Was ik
maar dood”,
Nog vraagt er menigeen:”Waar moet ik
eenmaal heen”,
Als ‘k niet meer winnen kan ‘t dagelijks
brood ?
Nog vloekt het schrijnend leed, van ‘t
“arm en oud”,
Tegen de weelde die, baadt zich in ‘t
goud !
Ach, d’ arme, oud en grijs, heeft vaak
geen dek, geen spijs !
En ‘t Christelijk Nederland, laat
zooiets koud !
Moet van ‘t reeds karig loon, nog premie
af,
Dan is zoo’n “gunstbetoon” veeleer een
straf,
Zoo’n wet maakt ‘t leven bang, wijl
menigeen al lang,
Voor hij er van geniet, rust in het graf
!
Geen wet met premie baat, neen, driewerf
neen !
Helpen kan slechts de Staat, de Staat
alleen !
Hij heeft zijn plicht te doen, wij
eischen Staatspensioen,
Zoowel voor vrouw als man, voor iedereen
!
Terug naar overzicht
|
|
Proeve van een Bondslied nr 1
(tekst: Perio/wijze: Lieve lente
schenk uw zegen)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Flinke mannen, fiere vrouwen,
Sluit u aan bij onzen bond !
‘t Zal U nooit of nimmer rouwen,
Dat uw hand te doen iets vond.
Smelt’ uw stemmen dan ineen:
Staatspensioen voor iedereen !
Smelt uw stemmen dan ineen,
Oud en arm, geen een !
Of ge rood of groen of blauw zijt,
Wit of zwart in politiek,
‘t Is de vraag maar of ge mensch zijt,
Niet een pop met mechaniek.
Sluit u allen dan aaneen,
Eischt het recht voor iedereen !
Sluit u allen dan aaneen,
Oud en arm, blijv’ geen.
Op ons streven rust de zegen,
Van een plichtsgetrouw gemoed,
Onze kreet klinkt allerwegen,
Wekt in oude harten gloed.
Laat het hooren overal,
Ouderdomdellend’, ten val
Dat het schalle door het land,
Oud en arm, aan kant.
Terug naar overzicht
|
|
Proeve van een Bondslied nr 2
(tekst:?/wijze: Kweekelingenbondslied)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Het staatspensioen is thans gekomen
Dank zij het krachtig werken van den
Bond,
Voor hen werd ‘t leven weer wat lichter,
Die men naar ‘t armhuis zond.
Als is ‘t bedrag nog klein,
‘t Zal weldra groter zijn,
De Bond zal luide steeds zijn stem doen
hooren,
Opdat in ‘t eind,
‘t Spook:”Oud en Arm” verdwijnt !
Nog hebben wij met kracht te strijden,
Voor ‘t recht, dat men den ouderdom
onthoudt,
Opdat zij ‘t Staatspensioen slechts
krijgen,
Die heeten “arm en oud”.
Wij strijden onversaagd,
Tot eens de morgen daagt,
De zegepraal wordt slechts na strijd
verkregen,
Komt sluit u aan,
Volgt allen onze vaan !
Slechts door eendrachtig samenwerken,
Bereiken wij dat “arm en oud” verdwijn’.
En dat het recht zal zegevieren,
Al is ons aantal klein !
Wij geven dag en nacht,
Al onze arbeidskracht,
Aan de gemeenschap die zich dus moet
voelen,
Verplicht, dat z’ onzen,
Ouden dag verlicht !
Terug naar overzicht
|
|
Proeve van een Bondslied nr 3
(tekst:?/wijze: In naam van Oranje
doe open de poort)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Op vrienden ten strijde, voor ‘t heilige
doel,
Vol geestkracht, vol strijdlust, vol
vuur,
De oudjes, zij kunnen, wij weten ‘t te
goed,
Niet wachten, geen dag, ja geen uur !
‘t Is plicht van den Staat om de Hoeder
te zijn,
Van allen, die oud zijn, behoeftig en
klein,
‘t Is plicht voor ons allen ook ‘t onze
te doen,
Op mannen, voor ‘t Staatspensioen.
Beseffen we ‘t allen, welk onrecht ‘t
is,
Een zorg’lijk armoedig bestaan,
Voor hen, die zoolang hun de kracht niet
begaf,
Hun plicht immer hebben gedaan,
Als loon voor hun werken, vaak moeilijk
en zwaar,
Daar past geen misere, zij hebben
voorwaar,
Het recht om te vragen, gelijk wij thans
doen,
Ja eischen, het Staatspensioen.
Millioenen, zij worden besteed jaar op
jaar,
Voor leger, voor vloot enzoovoort,
Vergeet bij dit alles dan de oudjes toch
niet,
Men zorge voor hen zoo ‘t behoort.
Weg mandjes met koopwaar, weg bedelarij,
Hoe zielig, hoe wreed is zoo’n
scharrelpartij,
Dit langer te dulden, we kunnen ‘t niet
doen;
Wij eischen het Staatspensioen.
Regeerders gelooft ons, wij nemen geen
rust,
Voor ‘t doel, ‘t ideaal is bereikt,
Wij vormen een stroom, voor welks
krachtigen drang,
Een dam van bezwaren dra wijkt.
Wij houden het recht van de oudjes
omhoog,
Wij willen een tint’ling van vreugd’ in
hun oog,
Regeerders, wilt recht aan die oudjes
thans doen,
En schenkt hun het Staatspensioen.
Terug naar overzicht
|
|
Strijdzang
(tekst:?/wijze: Boven de sterren zal
't licht ons eens dagen)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Vrienden, zeg, hebt gij de leuz’ al
vernomen,
Die door geen macht wordt gedempt of
gesmoord ?
Hebt gij die stemmen, die nader steeds
komen,
Vragende recht tot hun beê is verhoord !
Vraagt gij dan nog, wat die stemmen
bedoelen ?
Kent gij den Bond, noch zijn streven en
doel ?
Kunt gij voor d’ ouden geen deernis
gevoelen ?
Blijft bij hun leed dan uw harte nog
koel ?
Zoudt gij dan dralen, den strijd mee te
strijden ?
Wachten, terwijl nog zooveel valt te
doen ?
Ziet gij dan niet hoeveel ouden nog
lijden ?
Strijdt dan met ons voor het
Staatspensioen.
Op dan, ten strijde ! Met moed en
vertrouwen,
Dan zal men d’ ouden nog recht eens gaan
doen,
Op dan gij allen, zoo mannen als
vrouwen,
Dan komt er spoedig een Staatspensioen.
Terug naar overzicht
|
|
Ten strijd
(tekst:?/wijze: Wij leven vrij, wij
leven blij)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Komt leden van den Bond, ten strijd,
Ten strijd voor ‘t Staatspensioen,
Ten strijd voor een beet’ren tijd,
De leuze klinke wijd en zijd,
Wie oud is, is niet arm er bij,
O, dat het eens zoo zij,
O, dat het eens zoo zij.
Wie heel zijn leven, vroeg of laat,
Aan ‘t werk zijn krachten gaf,
Dien hoort, als de arbeid niet meer
gaat,
De rug hem krom van ‘t werken staat,
Een Staatspensioen van premie vrij,
O, dat het eens zoo zij !
O, dat het eens zoo zij !
Geen cent mag van het karig loon,
Voor dwangverzeek’ring af,
Te sparen, ‘t lijkt wel op een hoon,
Waar armoe meestal zit ten troon,
Neen ! Staatspensioen van premie vrij,
Dat recht, dat eischen wij !
Dat recht, dat eischen wij !
Komt vrienden sluit U bij ons aan,
Want eendracht maakt ons groot,
Het kan zoo langer toch niet gaan,
En Holland mag niet achter staan,
Kom, laat het ons weergalmen doen,
Op ! Voor het Staatspensioen !
Op ! Voor het Staatspensioen !
Terug naar overzicht
|
|
Voorheen en thans
(tekst:D. Kool/wijze: Van pastoor en
z'n koe)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Sprak men een twintig jaar geleên,
sidewit Jan Bom,
Van Staatspensioen voor iedereen,
sidewit Jan Bom,
Keek elk met groote oogen j’ aan,
sidewit Jan Bom,
Als had men je niet goed verstaan,
sidewit Jan Bom.
Refrein:
Gloria Victoria, Staatspensioen is er
ja, ja,
Gloria Victoria, leve ‘t Staatspensioen
!
De heeren van de politiek, sidewit Jan
Bom,
Die lachen om “die malle kliek”, sidewit
Jan Bom,
Maar met het groeien van den Bond,
sidewit Jan Bom,
Werd ook de Bondsidee gezond, sidewit
Jan Bom.
Refrein
De ouden vonden ‘t niet zoo kwaad,
sidewit Jan Bom,
Maar ze zeien: " ’t Komt voor ons te
laat”, sidewit Jan Bom,
Maar Piet en Kees en Jaap en Trijn,
sidewit Jan Bom,
Ze hebben pensioen, al is ‘t nog klein,
sidewit Jan Bom.
Refrein
Wat nooit zou komen werd een feit,
sidewit Jan Bom,
Dat geeft ons moed voor nieuwen strijd,
sidewit Jan Bom,
Want dankbaar zijn we, niet tevreên,
sidewit Jan Bom,
Eerst Staatspensioen voor iedereen,
sidewit Jan Bom.
Refrein
Terug naar overzicht
|
|
Vooruitgang
(tekst: L.J. de Vries/wijze: Een
karretje op de zandweg reed)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Een Staatspensioen voor een iedereen,
Leek dwaasheid in ‘t oog van ‘t
algemeen,
Nog niet zoo lang geleden,
Maar ‘t was toch zoo dwaas niet, als het
scheen,
Want kijk hoe staat het heden ?
Een Bond is ontstaan, die groeit en
bloeit,
Een Bond is ontstaan, die bloeit.
Tienduizenden leden zijn wij sterk,
Daarmee gaat de Bond met kracht aan het
werk,
In de verkiezingsdagen,
Dan is het in den regel het eerste werk,
Den Candidaat te vragen,
“Wat denk gij met Staatspensioen te doen
?
Wat denk gij van Staatspensioen ?”
Meer invloed krijgt steeds de Bond in ‘t
land,
Door ‘t werken met ijver, takt,
verstand,
Vooral bij Kamerleden,
En winnen doen wij langzamerhand,
De strijd is haast volstreden,
Wij gaan goed vooruit van jaar tot jaar,
Wij gaan goed vooruit elk jaar.
Toch zijn wij nog niet geheel aan ‘t
end,
In de kamers van het Parlement,
Blijft men zich fel verzetten,
Daarheen voortdurend het oog gewend,
Om dat te gaan beletten,
Wij houden dus aan, met moed, vol gloed,
De toekomst is ons, dat moet !
Werkt rustig maar voort, gij kloeke
Bond,
Breidt verder u uit, gansch Neërland
rond,
De wet wordt dan gauw aangenomen,
Reeds ziet men ‘t gloren van d’
ochtendstond,
Een blijde dag gaat komen,
Geen oud mensch lijdt dan ooit meer
gebrek,
Geen oud mensch lijdt dan gebrek.
Terug naar overzicht
|
|
Welkomstlied
(tekst: I.Kaastra-Bakker/wijze: Onze
duinen scharen, ca. 1930)
(met dank aan Jan van der Zee voor
het sturen van de tekst) |
|
Welkom wakk’re strijders, leden van den
Bond,
Laat uw vreugdelied weerklinken, ver
in ‘t rond !
‘t Is één doel, één streven, dat ons
samenbrengt,
“Weg met oud en arm”, is wat een
ieder denkt,
“Weg met oud en arm”, is wat een
ieder denkt
Wat wij zijn in godsdienst, politiek of
stand,
Bij dit heilig streven gaan wij hand
in hand.
Arm en oud, het mag niet, daarop ‘t
oog gericht,
Liefde tot den naaste, dat is
Christenplicht,
Liefde tot den naaste, dat is
Christenplicht.
Welkom, wakk’re strijders, sluit u vast
aaneen,
‘t Is ons aller leuze, oud en arm
niet een !
Wat moog’ vall’ of wijken, immer
staan wij pal,
Totdat eens de Staat, pensioen ons
geven zal,
Totdat eens de Staat, pensioen ons geven
zal.
Terug naar overzicht
|
| |
|