|
|
|
6. Ruimtevaart, Techniek en Wetenschap Geschreven door Ilse Steel (klik op de plaatjes om ze te vergroten) Ruimtevaart Heel de wereld las meer dan vijftig jaar geleden vol verbazing de kranten. De Russen waren er, eerder dan de Amerikanen, in geslaagd om een raket succesvol in de ruimte te sturen. Op een congres in Wenen (november 1953) onthulde de Russische hoogleraar Nesmejanov voor het eerst Russische ruimtevaartplannen. Maandag 26 augustus. De Sovjet-Unie heeft een geslaagde lanceerpoging ondernomen met een uit verscheidene trappen samengestelde intercontinentale raket. Hij is zeer accuraat, de eventuele afwijking bedraagt tien tot twintig kilometer. Op 4 oktober 1957 lanceerde de Sovjet-Unie de Spoetnik 1 en bracht deze in een baan om de aarde. Dit was de start van het ruimtetijdperk. De eerste kunstmaan, Spoetnik 1, werd gelanceerd op 4 oktober 1957. Aan boord van een omgebouwde intercontinentale R-7 raket – bedoeld om kernwapens te vervoeren – vertrok de 80 kilo wegende bol van aluminium naar de ruimte. Radio-ontvangers over de hele wereld pikten de piepjes van Spoetniks radiobaken op en met scherpe ogen was de tweede trap van Spoetnik raket zichtbaar. Na de Spoetnik 1 volgden de Russische ruimtesuccessen elkaar in hoog tempo op.
Een maand later werd het arme hondje Laika in de Spoetnik 2 in een baan rond de aarde gebracht. Laika was een Siberisch hondje dat oorspronkelijk de naam “Kudryavka” had maar later de naam “Laika” kreeg, twee jaar oud was en een gewicht had van ongeveer 6 kilogram. Laika overleefde de reis in de ruimte niet, maar de Russen hadden wel bewezen dat ze ook iets levends de ruimte in konden schieten. De missie van de Spoetnik 2 duurde iets meer dan 5 maanden en op 14 april 1958 viel de kunstmaan uit elkaar. De grondregels van de ruimterace waren duidelijk, het ging voortaan alleen nog om prestaties waarbij levende wezens betrokken waren. De volgende stap was een logische: de eerste mens in de ruimte. Ook dit was een Rus: Joeri Gagarin. De Russen gingen onverstoorbaar verder en boekten veel successen. Op 2 januari 1959 werd de Loena-1 als eerste raket naar de maan gezonden. Deze eerste vlucht naar de maan miste de maan echter op 5955 kilometer. Niet lang daarna werd de Loena-2 dezelfde kant op gestuurd, maar deze sloeg neer op het maanoppervlak. Begin oktober 1959 kwamen de eerste foto’s van de maan, van Loena-3. Hierbij waren ook foto’s van de achterkant van de maan die tot die tijd volkomen onbekend waren geweest.
Maar ondertussen zat Amerika niet stil, ook dit land hield zich volop bezig met de ruimtevaart. In 1953 was uit de V-2 een nieuwe krachtige raket ontwikkeld, de Redstone. Een tweede model, Redstone-II, legde in 1957 een afstand van 2.400 km af. Later kreeg deze raket de naam Jupiter. Op 31 januari 1958 lanceerden de Amerikanen de eerste kunstmaan, Explorer 1, de ruimte in. Er was tot die tijd grote concurrentie geweest om de ruimtevaart tussen landmacht, luchtmacht en marine, maar de Amerikanen kwamen er nu achter dat dit eigenlijk belachelijk was. Daarom gaf president Eisenhower de opdracht om de National Aeronautics and Space Administration (NASA) op te richten. Dit gebeurde op 29 maart 1958. De NASA, een instelling die de verantwoordelijkheid kreeg voor alle civiele ruimtevaartontwikkelingsprogramma’s, had als eerste doel om een man in de ruimte brengen. Dit project ging op 5 oktober 1958 van start als het 'Mercury project'. Het Mercury project is het eerste programma van de Verenigde Staten voor bemande ruimtevaart en had als doel de eerste Amerikaanse ruimtevaarders in een baan om de aarde te brengen, het bestuderen van functioneren en gedrag van de mens in die omgeving, en na afloop capsules en astronaut veilig op aarde te laten terugkeren. In het kader van het Mercury ruimtevaartprogramma zijn een aantal bemande en onbemande ruimtevaartuigen gelanceerd.
De onbemande lanceringen betroffen testvluchten met in enkele gevallen chimpansees aan boord. Om dit doel te bereiken, werden zeven astronauten opgeleid, wiens namen op 1 april 1959 werden bekendgemaakt: Alan Shepard, Virgil Grissom, John Glenn, Scott Carpenter, Walter Schirra, Gordon Cooper en Donald Slayton. Alan Shepard was de eerste die de ruimte in zou gaan. Daarnaast vonden 20 onbemande lanceringen plaats, die niet allemaal slaagden.
Later werd hij directeur van de Development Operations Division van The Army Ballistic Missile Agency (ABMA). Von Brauns team ontwikkelde toen de Jupiter-C, een aangepaste Redstone raket. Von Braun werd echter vanuit Washington (het Pentagon en de Senaat) behoorlijk tegengewerkt, deels vanwege zijn nazi verleden en deels omdat hij zich meer bezighield met ruimtevaart dan met het ontwikkelen van raketten voor de landsverdediging. Hij kreeg echter zijn gelijk toen de Russen een onbemande satelliet (Spoetnik) lanceerden en daarna een satelliet met een levend wezen (het hondje Laika) in een baan om de aarde brachten.
Project Orion
Het doel van Project Orion was goedkoop en effectief interplanetair reizen mogelijk maken. Om het project Orion van de grond te krijgen werd een team van wetenschappers gevormd, waar ook Freeman Dyson deel van uitmaakte. Het onderzoek vond plaats bij General Atomic, destijds een divisie van General Dynamics.
Het Orion-project is mede door het verbod op atoomproeven in de atmosfeer (1963) tot stilstand gekomen. Ook op andere gebieden werd vooruitgang geboekt, men was druk bezig met wetenschappelijk onderzoek op vele fronten. De gedrevenheid en vasthoudendheid van de wetenschappers werd uiteindelijk beloond, en nieuwe projecten volgden elkaar snel op. Hieronder volgt een selectie.
De ARRA II, de opvolger van de ARRA I, was in feite een volledig nieuwe machine. Deze heeft wel met groot succes gedraaid en deed onder andere zogenaamde 'flutter' berekeningen voor Fokker, berekeningen voor het ontwerp van vliegtuigvleugels.
Met Amerikaanse opticaspecialisten en de firma Zeiss ontwikkelde Zernike een microscoop met een kleurfasecontrast. Hiermee worden de structuren van een preparaat contrastrijker, dus beter zichtbaar. Voor zijn wetenschappelijk werk op verschillende gebieden van de natuurkunde heeft Zernike naast de Nobelprijs in 1953, talrijke wetenschappelijke onderscheidingen, erelidmaatschappen en eredoctoraten verworven in binnen- en buitenland. 1953. In het blad 'Nature' maken Francis Crick en James D. Watson hun onderzoek naar de structuur van het DNA bekend. 1954. Eerste Ford Thunderbird (T-bird) wordt aan het publiek gepresenteerd en is onmiddellijk een doorslaand succes. Een gepolijste, razendsnelle bolide met handmatige versnelling en automatisch open- en dichtgaande ramen. De auto is voor ruim drie mille verkrijgbaar als cabriolet of met uitschuifbaar dak. De Thunderbird is vernoemd naar de vogel die volgens een Indiaanse legende verantwoordelijk was voor wind en donder.
In oktober 1955 wordt de eerste 'La Déesse' (Citroën DS) geïntroduceerd. Een revolutionaire auto die op bijna alle fronten afwijkt van wat men gewend is een auto te noemen. Een gestroomlijnd uiterlijk, hydropneumatische vering en een halfautomatische versnellingsbak. Eén week na de introductie zijn er al tachtigduizend besteld. Deze auto werd ook wel de snoek of spottend het strijkijzer genoemd
Het plan voorzag bovendien in de bouw van olieraffinaderijen en opslagplaatsen voor stukgoederen. Op 13 september 1958 gaf koningin Juliana door een druk op de knop het sein dat de werkzaamheden aan het Europroject konden beginnen.
De Zuidpool, de ontoegankelijkste plek van de wereld. De meest spectaculaire gebeurtenis tijdens de wetenschappelijke onderzoekingen in het kader van het geofysisch jaar 1957-1958 was wel de wedloop over land naar de Zuidpool. De strijd werd gewonnen door Sir Edmund Hillary, de bedwinger van de Mount Everest. Op 3 januari kwam Hillary op de Zuidpool aan, zeventien dagen eerder dan zijn Britse rivaal Vivian Fuchs.
In februari 1958 toonde DAF de wereld een volwaardige, fraaie 4 à 5 personen auto met automatische transmissie, de beroemde Variomatic, en met een zelf ontwikkelde 2-cilinder 4-taktmotor. In 1975 eindigt de officiële personenauto productie van DAF.
Daarmee was Kilby dus één van de grote uitvinders van de vorige eeuw. In 2000 ontving Kilby de Nobelprijs voor natuurkunde. Medisch Op medisch gebied zat men ook niet stil. Er werd veel onderzoek gedaan in de jaren vijftig. Een paar voorbeelden: polio (kinderverlamming), TBC, hart en longziekte hadden hoge prioriteit en er werd hard gewerkt om de landelijke medische diensten (GGD) uit te breiden en te verbeteren.
Hij wordt erelid van de Amerikaanse 'Academy of Art and Sciences'. De laatste twee decennia van zijn leven sprak hij zijn bezorgdheid uit over de wapenwedloop in de wereld en het gevaar van een atoomoorlog. Albert Schweitzer sterft op 4 september 1965 op negentigjarige leeftijd. Hij wordt begraven op het kerkhof van Lambarene naast zijn overleden vrouw. In Deventer bij de Brink is in 1974 een bronzen standbeeld van Albert Schweitzer onthuld van Pieter de Monchy.
In 1959 begon de Nederlandse hartchirurg I. Boerema met open-hartoperaties in een tank onder verhoogde druk. Hoe hoger de druk, redeneerde hij, hoe meer zuurstof de bloedplaatjes opnemen. Zo kon het hart twaalf minuten worden stilgezet. Die tijd is tot uren opgerekt sinds de uitvinding van de hart-longmachine. In 1959 was hartchirurg I. Boerema de eerste die het kunsthart in gebruik nam (hart-longmachine). De hart-longmachine bestaat uit twee verschillende onderdelen, waarvan we als belangrijkste onderscheiden de pomp die als kunsthart fungeert, zodat de bloedcirculatie in het lichaam in stand wordt gehouden in de periode dat het eigenlijke hart van de patiënt ten behoeve van een chirurgische correctie wordt stilgelegd en de oxygenator die het bloed buiten het lichaam van zuurstof voorziet. Bij dat laatste onderdeel stroomt het bloed langs (kunststof) membranen waarover aan de andere zijde zuurstof wordt gevoerd. Via het membraan vindt dan de uitwisseling van zuurstof en koolzuur plaats. Deze methode benadert het principe van de echte levende long het meest. Waarbij men dient te bedenken dat de totale membraanoppervlakte van de menselijke long zo groot is als een tennisveld, zodat de membraanlongen nooit dezelfde uitwisselingscapaciteit zal hebben. Omdat de patiënt in rust is, dus een geringere hoeveelheid zuurstof gebruikt dan bij beweging, is de functie van de kunstlong toch toereikend bij deze toepassing.
Een beslissende stap voorwaarts deed de Fransman Jean Dausset in het jaar 1952, toen hij op het bestaan van meer dan 30 “kenmerken” in het menselijk bloed wees. Deze bevinden zich op de witte bloedlichaampjes, de bloedplaatjes, het bloedserum enz. Jean Dausset was een immunoloog. Hij kreeg in 1980 de Nobelprijs voor Fysiologie of geneeskunde samen met zijn collega's Baruj Benacerraf en George Davis Snell voor hun ontdekking en karakterisering van Major Histicompatibility Complex genen. Ze ontdekten genetisch voorbestemde cellulaire oppervlaktestructuren. Zo kan nu nagegaan worden of het weefsel van een donor verenigbaar is met het lichaam van de ontvanger, en of het lichaam een (levensnoodzakelijk) orgaan zal aanvaarden. Tuberculose oftewel TBC is een besmettelijke infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium Tuberculosis. Deze verspreidt zich via druppels die in de lucht terechtkomen wanneer een patiënt niest of hoest. De TBC- bacterie zorgt ervoor dat je organen verteren. Daarom wordt TBC ook wel de tering genoemd. TBC wordt vaak pas heel laat en daarmee soms ook te laat bij een patiënt ontdekt. Er waren twee soorten, te weten open of longtuberculose, die zeer besmettelijk was en de beender- of gewrichtstuberculose, die niet of in veel mindere mate besmettelijk was.
In de paar sanatoria die ons land rijk was kon slechts een klein deel van de patiënten worden verpleegd. Vurige pleitbezorgers van de volkssanatoria in ons land waren H.A. Kooijker en J.J. Homoet. Zij stonden bovendien voor de opgave fondsen te werven voor de stichting van sanatoria. Daarna of daarnaast werd TBC bestreden met antibiotica. Tuberculose begint meestal in de longen, maar kan zich uitbreiden naar andere organen. De ontdekking van de tuberkel bacil door de Duitse bacterioloog Robert Koch in 1882 gaf de tuberculosebestrijding inmiddels wel een wetenschappelijke basis. Eind jaren ‘50 was het aantal tbc-patiënten in Nederland sterk afgenomen. Eind jaren vijftig werd door wetenschappelijk onderzoek ontdekt dat astma een longziekte was, voorheen dacht men dat astma alleen een psychisch probleem was, en dat ontstekingsremmende medicijnen invloed hadden op de ziekte. Dit was de basis voor verder onderzoek en heeft geleid tot meer kennis en ontwikkeling van goede medicijnen. In de jaren vijftig werden vele ontdekkingen gedaan wat betreft de hersen- en hormoonfunctie. Neurologie werd een medisch specialisme, neurochirurgie deed haar intrede.
GGD. De afkorting GGD kent verschillende betekenissen. Vroeger stond het vaak voor Gemeentelijke Geneeskundige Dienst. Amsterdam, Den Haag en Utrecht waren de eerste gemeenten die een GGD oprichtten. In eerste instantie hadden deze GGD's een functie op terrein van de infectieziektebestrijding en de armenzorg. In de jaren die daarop volgden, namen veel grotere steden het voorbeeld van Amsterdam over. Tot de Tweede Wereldoorlog was er nog steeds geen wettelijke verplichting om een gezondheidsdienst in stand te houden. Ook werden er tal van organisaties in het leven geroepen, die zich bezig hielden met aanverwante onderwerpen, zoals zuigelingenzorg, tuberculosebestrijding, wijkverpleging en drinkwatervoorziening. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hier de jeugdgezondheidszorg aan toegevoegd. Dit leidde tot de oprichting van veel schoolartsendiensten. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog waren er 28 GGD's. Tilburg had de twijfelachtige eer van de laatste pokkenepidemie in Nederland. In april 1951 sloeg de GGD-directeur alarm na een pokkenuitbraak in een gezin. De volgende maanden beleefde de GGD hectische tijden: de GGD vaccineerde 106.000 Tilburgers, verpleegde 55 patiënten in een quarantainebarak en isoleerde ‘directe contacten’. Gelukkig hadden de gemeente en de GGD de zaak goed onder controle. Op 30 mei werd Tilburg besmettingsvrij verklaard. Schoolarts. In 1904 werd in Zaandam de allereerste schoolarts aangesteld. In de begintijd was niet iedereen voor de schoolarts die eigenlijk gewoon een bijklussende huisarts was. De schooljeugd werd door de schoolarts periodiek geneeskundig onderzocht op gezicht, lengte, gezichtsscherpte en gehoor. Daarnaast hielden zij toezicht op de hygiënische toestand in de scholen. In de jaren dertig ontstonden de eerste districts-schoolartsendiensten. Nieuw waren de massale inentingen van schoolkinderen begin jaren vijftig en de schooltandarts.
Tussen 1949 en 1951 werden vooral in de steden kinderen op grote schaal gevaccineerd tegen difterie door huisartsen en schoolartsen. In 1952 en 1953 werd tegen difterie gevaccineerd door middel van een combinatievaccin met kinkhoest en tetanus (DKT). In de jaren vijftig werden veel 'bleekneusjes' op advies van de schoolarts voor 6 weken of 3 maanden naar onder meer de gezondheidskolonie Prinses Beatrix te Egmond aan Zee gestuurd om aan te sterken. Hier heerste een streng regime. En sinds die tijd is er heel wat veranderd. Ziekenhuizen in de jaren vijftig Aan het hoofd stond een geneesheer-directeur. De verpleging bestond voor het grootste gedeelte uit religieuzen, nonnen. De inrichting van de ziekenhuizen was totaal anders dan nu het heden ten dage. Grote zalen met lange rijen bedden met weinig tussenruimte, er kon net een nachtkastje tussen, en zo goed als geen privacy voor de patiënt. Mannen en vrouwen lagen uiteraard op aparte zalen. De nonnen waren strenge maar goede verpleegsters en namen hun beroep zeer serieus. De regel: rust, orde en regelmaat stond hoog in het vaandel. Op de kraam-, baby- en kinderafdeling ging het er niet veel anders aan toe. De nonnen waakten over de baby’s en moeders en voor de zieke kinderen waren de nonnen zorgzaam en streng, maar ook verzonnen ze van alles om de kinderen bezig te houden, zoals: voorlezen, spelletjes doen, verkleedpartijen en met de jongens een potje voetballen op de gang. Nu wordt het ziekenhuis vaak geleid door managers en die staan toch verder van de patiënten af dan vroeger de geneesheer-directeur.
Eind jaren vijftig kwam de vraag op of religieuzen op dezelfde basis betaald moesten worden als leken. Na een intensieve en langdurige gedachtewisseling werd deze vraag bevestigend beantwoord. Binnen anderhalve eeuw zijn de condities waaronder de zusters werken fundamenteel veranderd. De werkzaamheden waarvoor de congregaties waren opgericht vallen nu onder staatszorg. De zusters werden gesalarieerde krachten in loondienst en moesten het bestuur overdragen aan leken. Deels omdat de overheid een steeds groter vinger in de pap wilde hebben, en omdat er bijna geen religieuze arbeidskrachten meer waren die de opengevallen plaatsen konden opvullen. Financieel bleek deze regeling voor de congregaties niet onvoordelig omdat heel wat zusters een vast inkomen binnen brachten. Dit, in combinatie met de sobere leefstijl, resulteerde dat in niet onaanzienlijke verdiensten, die voor een belangrijk deel als giften de congregatie weer verlieten. Ook in de jaren vijftig waren er dus al veel veranderingen op zowel wetenschappelijk, technisch als medisch gebied gaande. De komende jaren zouden er nog vele volgen. De ene ontdekking na de andere vond plaats in hoog tempo. De medische opleidingen werden beter en aangepast aan de moderne tijd. De techniek werd steeds geavanceerder en de consument was er blij mee. Al met al zijn de jaren vijftig interessanter dan menigeen dacht. Bronnen: Ruimtevaartencyclopedie Het aanzien 1955-1959 Onze vaderlandse geschiedenis K. Jansma & M, Schroor Universiteitsmuseum geschiedenis UMC Radboud A. van Heyst. Zusters, vrouwen van de wereld. Aktieve religieuzen en haar emancipatie. |
|