|
|
|
7. Rampen Geschreven door Ilse Steel (klik op de plaatjes om ze te vergroten) Watersnoodramp 1 februari 1953 Het weerbericht van zaterdag 31 januari 1953
Een depressie ten zuiden van IJsland ontwikkelde zich op vrijdag 30 januari 1953 tot een storm. De volgende dag sneuvelden miljoenen bomen in het noorden van Schotland. Toen de kern van het lage drukgebied afboog naar Denemarken kwam het stormveld midden boven de Noordzee terecht. Hierdoor draaide de westenwind in de loop van zaterdag naar het noordwesten. Plotseling werd de enorme watermassa van de Noordzee opgestuwd richting Nederland.
De Stormwaarschuwingsdienst van het KNMI liet aan het eind van zaterdagmiddag een waarschuwingstelegram uitgaan. Het telegram bereikte veel autoriteiten niet. Zij hadden geen abonnement. Na de weersverwachting van 18.00 uur las de nieuwslezer het bericht voor: "boven het noordelijke en waterrijke deel van de Noordzee woedt een zware storm tussen noordwest en noord." Het KNMI waarschuwde voor 'gevaarlijk hoog water'. Gedurende de daarop volgende nacht kon de radio geen waarschuwingen meer uitzenden, de Nederlandse radio zond tussen 12 uur 's nachts en 8.00 uur 's ochtends niet uit. Toen het zaterdagavond donker was geworden had het water weer moeten gaan zakken. Rond 22.30 uur moest het volgens de watertabellen laag water zijn. Het water trok zich echter niet terug, maar bleef staan. De stuwende kracht van de storm doorbrak de getijbeweging. Velen hadden bij eb het water nog nooit zo hoog zien staan. Enkele gewaarschuwden ondernamen actie, sommigen zagen zelf het gevaar en gingen aan het werk, velen gingen slapen.
De storm bleef met windkracht 11 tot 12 woeden uit het noord-noordwesten. Langs de kust traden windstoten van 135 kilometer per uur op. Al voordat het vloed was ging het op vele plaatsen fout.
Juist de lagere en minder goed onderhouden dijken aan de zuidzijden van de polders liepen als eerste over. Bij Kruiningen, Kortgene en Oude Tonge braken de dijken als eerste. Bij Stavenisse sloeg het water in een keer een gat van 1800 meter. Maar ook in Noord-Brabant, bij Willemstad, Heijningen en Fijnaart, hielden de dijken het niet. Evenzo in de Zuid-Hollandse Hoeksche Waard, bij 's- Gravendeel, Strijen en Numansdorp. Het grootste deel van Schouwen-Duiveland overstroomde.
Het duingebied op de kop van Schouwen en enkele polders bij Zonnemaire bleven droog. Ook Goeree-Overflakkee was, op de duinzijde en enkele polders bij Melissant en Dirksland na, geheel door het water bedekt. Huizen stortten in en werden meegesleurd met de stroom. Het wassende water vernietigde zelfs gehele gehuchten. In Schuring bij Numansdorp en Capelle bij Ouwerkerk werden alle huizen weggevaagd. Er was niets meer van over. Andere plaatsen hadden geluk. In Colijnsplaat hielden mannen enige tijd de op breken staande vloedplanken tegen toen plotseling een losgeslagen binnenschip redding bracht en als golfbreker voor de coupure terechtkwam. Ook andere plaatsen bleven gespaard. De Schielandse Hoge Zeedijk, de dijk tussen Schiedam en Gouda langs de Hollandse IJssel die drie miljoen inwoners tegen het water moest beschermen, hield het maar net. Overal waar het water kwam vluchtten de mensen naar hoger gelegen plaatsen. Naar het dorp, naar de dijk, naar de zolder, naar het dak. Daar wacht men in angst de zondagochtend af.
De eerste telexberichten, uit Zwijndrecht en Willemstad, bereikten de lege redacties rond halfvijf. Die waren leeg, want er verschenen 's zondags geen kranten. Alleen bij de Radionieuwsdienst van het ANP had men dienst. Daar lazen medewerkers vanaf kwart over vijf de gestaag binnenkomende mededelingen. In de loop van de zondagochtend werd de omvang van de ramp langzaam duidelijk. Het morgenlicht op zondag 1 februari maakte de volle omvang van de ramp ook zichtbaar. "Ik keek uit over een waanzinnig grote watervlakte", zei een ooggetuige. Hier en daar waren nog daken, een boomkruin of een afgebrokkelde dijk te zien. Verder was er alleen maar water. Aanvankelijk daalde het water, het werd immers weer eb. Sommige mensen gebruikten dat moment om naar beter gelegen plekken te vluchten. Individuele reddingsacties kwamen op gang. Particulieren gingen met bootjes langs de huizen om mensen op te pikken en op hoger gelegen delen af te zetten. Grootscheepse, van buiten het getroffen gebied opgezette reddingsacties waren nog niet aan de orde. En na de ochtend ging het water weer stijgen. De tweede vloed
Het allerergste was de
zondagmiddag toen de tweede vloed kwam. Het water kwam toen nog hoger dan 's
nachts. Voor velen bleef maar
Gedurende de gehele zondag was er nog weinig hulp van buitenaf. Over de randgebieden werden slechts enkele verkenningsvluchten uitgevoerd. Enkele autoriteiten bezochten Dordrecht en West- Brabant. De volle omvang van de ramp was echter na een dag nog steeds niet doorgedrongen. Dat Schouwen-Duiveland, Goeree-Overflakkee en Tholen vrijwel volledig onder water stonden was onbekend. De redding Op maandag 2 februari kwamen meer reddingsacties op gang. De eerste dorpen aan de randen van het rampgebied werden geëvacueerd. Op de eilanden waren het nog steeds alleen particulieren die met bootjes op weg gingen om mensen te redden. Vooral vissers wisten veel mensen uit hun benarde posities te bevrijden. Pas 's middags vloog het eerste verkenningsvliegtuig over Schouwen-Duiveland. Wel konden bij Sommelsdijk de eerste hulpgoederen gedropt worden. Toch gingen de vele mensen op Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee maandagavond in geïsoleerde huizen, kerken en boerderijen de derde nacht en de vijfde vloed tegemoet.
Dinsdag 3 februari was het keerpunt Pas toen kwam de redding goed op gang. De slachtoffers werden uit het rampgebied geëvacueerd. Hulpverleners kwamen op honderden schepen het rampgebied binnen. Op diverse plaatsen ging de coördinatie van de redding over in de handen van de autoriteiten. Voedsel werd gedropt en helikopters werden ingezet. In feite was de ramp dinsdagavond voorbij. Er zaten nog wel mensen geïsoleerd, maar er vielen geen slachtoffers meer. De balans kon worden opgemaakt en het dijkherstel beginnen. De trieste balans Als gevolg van de ramp overstroomde een gebied van circa 150.000 hectare in de provincies Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant, bewoond door ongeveer 600.000 personen. In totaal verloren 1835 mensen het leven, waarvan 873 in Zeeland, 254 in Noord-Brabant en 22 in de rest van het land. Het Rode Kruis bracht in 1953 een lijst uit met de namen van alle slachtoffers. Hieruit bleek duidelijk dat Schouwen-Duiveland het zwaarst was getroffen. 534 mensen verloren hier het leven. Drie dorpen werden zwaar getroffen: Ouwerkerk 91 slachtoffers, Nieuwerkerk 288 slachtoffers, Oosterland 65 slachtoffers. Ook Stavenisse op het eiland Tholen behoorde met 156 slachtoffers tot de zwaarst getroffen dorpen. Circa 72.000 inwoners uit het zuidwestelijke rampgebied moesten voor langere tijd worden geëvacueerd.
Foto's van de ramp
Voorgeschiedenis Sinds 1937 verrichtte studies van Rijkswaterstaat toonden aan dat Nederland niet voldoende veilig was bij zeer hoge waterstanden die gemiddeld éénmaal per paar eeuwen voorkomen. Vooral in het dichtbevolkte zuidwesten van het land, waar Rijn, Maas en Schelde uitmonden in de Noordzee, bleek het lastig en duur om de dijken te verhogen. Daarom werd gedacht aan het verbinden van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden door dammen. Deze plannen werden aangeduid als het Deltaplan. De zorgelijke toestand van de tuinbouw op Voorne, dat een gebrek aan zoet water had, leidde tot een eerste begin van uitvoering van dit plan door afdamming van Brielse Gat en Botlek. Zo werd de Brielse Maas van 1950 af een zoetwaterbekken. De omvang van de werken voor het Deltaplan was zo groot en er moesten zulke grote technische problemen worden opgelost, dat men begin 1953 nog aan een zeer geleidelijke uitvoering dacht. Toen op 1 februari 1953 een stormvloed van ongekende hoogte optrad, waardoor 1.835 mensen het leven lieten en ruim 150.000 hectare onder water kwam te staan, groeide het besef dat de veiligheid van het zuidwesten van het land op zo kort mogelijke termijn verhoogd moest worden. Daarom werd al twintig dagen na de ramp de Deltacommissie geïnstalleerd.
Al vanaf de jaren dertig waarschuwde van Veen in publicaties voor zijn werk, en in publicaties onder het pseudoniem 'dr. Cassandra' voor de te lage dijken in Zuidwest Nederland, en dat bij stormvloed een ramp dreigde Vooral onder dit pseudoniem kon hij allerlei gedachten lanceren die politiek gezien nogal gevoelig lagen, zonder zelf in problemen te komen.. De Deltacommissie, met Van Veen als secretaris, die besloot tot de enorme, technisch loodzware ingreep die Van Veen al decennia gepassioneerd bepleitte: de kust moest worden gesloten, met een soort Maginot-linie van drie dammen. In de buitenlandse pers, vooral de Amerikaanse, werd Van Veen halverwege de jaren vijftig geroemd. Ze noemden hem, de voor- en wegbereider van de Deltawerken. Zij verbaasden zich erover dat deze waterstaatsingenieur in Nederland niet op handen werd gedragen. Een man met dergelijke verdiensten moest toch op alle mogelijke manieren worden geëerd ? In de VS zou zo’n genie bejubeld worden, was de ondertoon. Blijft de vraag waarom Nederland deze eminente waterstaatsingenieur zo miezerig eert. Van der Ham, die een biografie over Johan van Veen schreef, denkt het te weten. "Omdat het een vreselijk lastige man was. Omdat er bij Rijkswaterstaat veel ambtelijke rivaliteit, veel haat en nijd heersten. Ook in de Deltacommissie gunden sommigen elkaar het licht in de ogen niet."
Het Deltaplan, Het begin Op 21 februari 1953 werd een Deltacommissie ingesteld om een betere beveiliging tegen de zee voor te bereiden. Uitgangspunt was, dat alleen de Rotterdamse Waterweg en de Westerschelde in verband met de scheepvaartbelangen open zouden blijven. Kort nadat de Deltacommissie met voorlopige aanbevelingen was gekomen werd met de uitvoering van de eerste werken begonnen. Het was echter wenselijk, gezien de omvang en de vele juridische aspecten van dit project, een wettelijke basis te scheppen. Deze Deltawet werd in 1958 afgekondigd. Als eerste Deltawerk werd in 1958 een beweegbare stormvloedkering in de Hollandse IJsel bij Krimpen in gebruik genomen. Dit verschafte het hart van de Randstad Holland de zo noodzakelijke extra bescherming. Er volgden, in een snel tempo, projecten van fabelachtige omvang met een kostenomvang dat de tien miljard gulden overschreed. Eind jaren 50 werd gestart met de afsluiting van het Haringvliet en het tegenhouden van de zoutwater toevoer vanuit de Noordzee naar de Haringvliet en het Hollands Diep. Het afsluiten van de kleine zeegaten en de bouw van de Haringvlietdam en sluizen was gereed in 1968, en de toevoer van zout water werd definitief stopgezet in 1970. De afwateringssluizen in het Haringvliet, met 17 openingen van elk 56,5 m wijdte, werden in 1971 in gebruik genomen. De afdamming van het Veerse Gat en die van de Zandkreek kwamen in 1961 gereed, hierdoor ontstond het Veerse Meer.
De dam in het Veerse Gat verbond, samen met de dam in de Zandkreek, de eilanden Noord- en Zuidbeveland en Walcheren met elkaar. Hier werd zo vroeg mogelijk mee begonnen om ervaring met werken op zanderige bodem en met een groot getijverschil op te doen. In 1961 werd deze afsluiting voltooid. De Brouwersdam in het Brouwershavense Gat kwam in 1972 gereed. Omdat de Grevelingendam de Grevelingen al aan de oostkant had afgesloten, ontstond door de bouw van de Brouwersdam het Grevelingenmeer. De Brouwersdam was geen makkelijke dam. Omdat het te dichten gat tussen Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland maar liefs 6,5 kilometer lang was. De Brouwersdam in het Brouwershavense Gat kwam eind 1971 gereed. Bij de bouw van de Brouwersdam werden zowel caissons als een kabelbaan gebruikt. Oosterschelde
De enorme pijlers zijn in dokken gebouwd en met een schip naar de plaats van bestemming gebracht. De stormvloedkering in de mond van de Oosterschelde, die uiteindelijk ƒ 5,5 miljard (= € 2,5 miljard) heeft gekost, is op 4 oktober 1986 ingewijd. Maeslantkering
In het kader van de Deltawet zouden ook diverse dijken worden verhoogd en verzwaard. Dat gold vooral voor dijken langs de Nieuwe Waterweg en de Westerschelde, waarin eerste instantie geen dammen waren gepland. Maar ook de dijken achter de nieuwe dammen zijn op veel plaatsen verbeterd. Ze vormen een tweede verdedigingslinie, mocht onverhoopt een van de hoofdwaterkeringen bezwijken. Belang van de Deltawerken Behalve een verkorting van de totale lengte aan zeewerende dijken met 700 km verschaffen de Deltawerken nog verscheidene andere voordelen. Vooral in droge zomers is er een tekort aan zoet water voor de landbouw en de drinkwatervoorziening. De afsluitingen van Haringvliet en Volkerak voorkomen dat het zoete water van Rijn en Maas rechtstreeks naar zee afstroomt. Het vloeit dan door de Noord of Oude Maas naar de Nieuwe Waterweg, waardoor de grens tussen zoet en zout water hier meer in de richting van de zee verschuift. Het zoete water van de Lek is dan hiervoor niet meer nodig. Dit kan nu via de Gelderse IJssel naar het IJsselmeer worden geleid, waardoor ook in het noorden van het land meer zoet water beschikbaar is. Waterhuishouding in het Deltagebied Voor een goed beheer van de kwaliteit van het oppervlaktewater, en daarmee van het milieu, was het nodig het Deltagebied in een aantal bekkens te verdelen. Voor de vorming hiervan kon mede gebruik worden gemaakt van de secundaire dammen die tijdens de afsluiting van de zeearmen te hoge getijstromen in de tussenwateren moesten voorkomen. In deze compartimenteringsdammen zijn, naast schutsluizen voor de scheepvaart, al naar behoefte, doorlaat- en uitwateringssluizen opgenomen om nieuw water aan te voeren, respectievelijk overtollig of vervuild water te lozen. De recreatievaart profiteert doordat gevaarlijke getijstromen zijn verminderd. Ook vallen hierdoor vooroevers droog, die gedeeltelijk voor de recreatie kunnen worden ingericht. Andere zandplaten en vooroevers, vooral in de Oosterschelde, vervullen een belangrijke rol als natuurgebied. Bij de bouw van de Deltawerken zijn aannames gemaakt over hoe hoog het water zou kunnen komen tijdens een stormvloed. Recent onderzoek wijst echter uit dat rekening moet worden gehouden met een onverwacht grote zeespiegelstijging. Dat betekent dat er opnieuw moet worden nagedacht over de bescherming van de Nederlandse kust. Museum
Er is ook een bibliotheek met foto’s, boeken en ander documentatiemateriaal. Weg van de buitenlandse pers 5, Ouwerkerk, tel. 0111-644382. www.watersnoodmuseum.nl. Binnen en Buitenland Rampen in de jaren vijftigEen selectie 1950 Op de grens tussen Assam en Tibet veroorzaakt op 25 augustus een zware aardbeving zeer grote veranderingen in het stroomgebied van de Brahmaputra. Het wordt gezien als de zwaarste beving van de laatste halve eeuw. 1951 Op 14 maart wordt Nederland getroffen door een 10 minuten durende aardbeving. 1952
Op 3 december 1952 ontspoort in Wilsele een trein met Duitse voetbalsupporters. Uit de harmonicavormige berg staal worden 23 doden en meer dan 50 gewonden gehaald. Vanaf 4 december hangt er lange tijd boven Londen een zeer dichte mist die uiteindelijk aan 4.000 mensen het leven kost. Hierna worden er maatregelen getroffen om deze smog tot het verleden te laten behoren en van Londen een schonere stad te maken.
1955 Britse onderzeeboot vergaan in de Zuid-Engelse havenplaats Portland. De oorzaak was een torpedo-explosie, hierbij kwamen dertien bemanningsleden om. Een deel van de bemanning wist zich bijtijds op nabij gelegen schepen in veiligheid te brengen. De Sidon werd aan stukken gereten door een ongeluk met een experimentele torpedo die werd aangedreven door waterstofperoxide. Dat is een kleur- en geurloze vloeistof die in een stalen pijp in de torpedo werd bewaard. Deze stalen behuizing bleek echter barsten te vertonen en na grondig onderzoek werd besloten dat zich hierin de oorzaak van de ramp met de Sidon verschool. Wat het precieze mechanisme achter de ontploffing was, bleef echter onduidelijk. Vierenveertig mensen vonden de dood toen een Amerikaans lijnvliegtuig in de lucht ontplofte. De bom die de explosie veroorzaakte bevond zich in de bagage van een van de slachtoffers, Mevrouw Graham. Haar zoon had het projectiel in haar koffer gestopt. Als reden gaf hij op: geldgebrek. Kort tevoren had hij een hoge verzekering op het leven van zijn moeder afgesloten. Toen hij in Denver voor de rechter verscheen verklaarde hij zichzelf voor niet toerekeningsvatbaar. 1956
Rond acht uur 's morgens, besloot Antonio Ianetta, een mijnwerker, op een diepte van 975 meter in de verseluchtkoker een volgeladen kolenwagen in de liftkooi te plaatsen. Hierdoor moest er aan de andere kant van de liftkooi een leeg wagentje weg worden geduwd. Hij wist niet dat de liftkooi niet op zijn niveau in de mijnschacht mocht stoppen. Een defecte nok blokkeerde de uitstoot van de lege wagen en toen de liftkooi bruusk werd opgehaald rukten de wagens een balk van de laadplaats af. De telefoonlijnen, twee hoogspanningskabels, de oliedrukleiding van de hydraulische balans en de persluchtleiding die het ondergronds ingezette pneumatisch materieel voedde braken af. Hierdoor brak er bijna ogenblikkelijk een felle brand uit. Door het ventilatiesysteem konden giftige gassen zich verspreiden over andere mijnschachten. In minder dan een uur was alle communicatie tussen boven- en ondergrond onmogelijk geworden. Ianetta kwam naar boven en sloeg alarm om 8.25 uur. Op hetzelfde moment namen zeven mannen plaats in het bovenste compartiment van een kooi. Ze gaven een sein om naar boven te gaan, maar de kooi bewoog niet. Marceau Caillard stapte uit om aan het touw van de bel te trekken, maar daarna vertrok de kooi zonder dat hij had kunnen instappen.
Later werd Antonio Ianetta ervan beschuldigd de oorzaak te zijn van de ramp. Men vreesde voor zijn leven; hij werd naar Canada gestuurd. Pas drie jaar later, in 1959, volgde een proces over de verantwoordelijkheid voor de grootste mijnramp in de Belgische geschiedenis en een van de rampzaligste mijnongelukken in de Europese historie. Ingenieur Demeuse klaagde de regering aan, want aan de wettelijke veiligheidseisen was in 1956 voldaan in Marcinelle. De enige die werd veroordeeld was Adolphe Calicis, de ‘directeur des travaux’ van de mijn. Hij kreeg in 1961 een voorwaardelijke straf van zes maanden en een geldboete, omdat hij niets had gedaan aan signalen die verkeerd konden worden begrepen. Niettemin had juist hij na de ramp zoveel mogelijk gedaan om mijnwerkers het leven te redden. Hij wordt gezien als een zondebok die moest hangen om hogere verantwoordelijken buiten schot te houden. De infrastructuur van de mijn in Marcinelle was in alle opzichten verouderd. Het hydraulisch systeem werkte in Marcinelle nog op olie terwijl in vele andere mijnen al op water was overgeschakeld. De mijnschachten en de tussendeuren waren van hout en (nog) niet van staal. Toch voldeed Marcinelle aan de wettelijke voorschriften van die tijd. Pas na de ramp werden de veiligheidsregels grondig bijgesteld. Het werk in de mijn van Marcinelle werd gewoon voortgezet, zij het in een trager tempo. Niemand wilde er werken, maar elders in de streek was er geen werk te vinden. De mijn sloot op 15 januari 1961. Bij de sluiting en ontmanteling stuitten de mijnwerkers echter op een nieuwe, rijke laag steenkool en men ging opnieuw aan de slag. In december 1967 werd de rampmijn definitief opgedoekt. De mijn doet nu dienst als museum en herdenkingsplaats. Een bezoek aan Le Bois du Cazier is even indrukwekkend als deprimerend.
Ook in 1956 Eindhoven stort in Eindhoven een straaljager neer op een volkrijke buurt, omdat de piloot van zijn route afweek. 1957 In de Waalhaven van Rotterdam ontplofte op 16 april plotseling de stoomketel van de sleepboot 'Gunnard'. De brokstukken vlogen honderden meters door de lucht en vernielden onder meer een motorfiets, waarvan de berijder ernstig werd verwond. Vier mensen kwamen om en elf raakten gewond. Drie mensen werden vermist, die later eveneens bleken te zijn omgekomen. Stilte na de storm. Op 27 juli raast de orkaan 'Audrey' met een snelheid van honderdzestig kilometer per uur over het Amerikaanse vissersdorp Cameron. Ruim zeshonderd mensen kwamen om en dertigduizend stuks vee werden door een enorme vloedgolf verzwolgen.
1958 Op 6 februari stortte het vliegtuig, met aan boord de Britse voetbalploeg Manchester United, kort na de start in München neer en explodeerde. Van de 44 passagiers vonden er 23 de dood, waaronder 7 spelers van de Britse topploeg.
De piloten deden twee pogingen om op te stijgen en moesten die beide keren afbreken wegens trillingen in de motor. Ze wilden niet in München overnachten en deden een derde poging om op te stijgen. Tegen die tijd was het echter gaan sneeuwen en daardoor was een laag halfgesmolten sneeuw ontstaan aan het eind van de startbaan. Toen het vliegtuig in deze sneeuwlaag kwam verloor het zijn snelheid waardoor het onmogelijk kon opstijgen. Het vliegtuig schoot door een hek aan het eind van de startbaan en en vervolgens raakte een van de vleugels een nabijgelegen huis en brak af. Van de 44 mensen aan boord werden er direct 21 gedood en verschillende anderen waren buiten bewustzijn. Uit vrees dat het vliegtuig zou ontploffen zorgde de captain, die de crash overleefd had, ervoor dat de passagiers zo ver mogelijk bij het vliegtuig vandaan kwamen. Maar de keeper van Manchester United, Harry Greg, bleef achter om zoveel mogelijk overlevenden uit de wrakstukken te halen. Een onderzoek van de Duitse vliegveldautoriteiten wezen aanvankelijk de captain aan als de schuldige, omdat hij verzuimd zou hebben om de vleugels van het vliegtuig ijsvrij te laten maken (het zogenaamde de-icing), hoewel getuigen dit tegenspraken. Later werd vastgesteld dat de laag halfgesmolten sneeuw aan het eind van de startbaan de werkelijke oorzaak was. Uiteindelijk werd de captain in 1968, tien jaar na de crash van alle blaam gezuiverd.
Zeven mijnwerkers vonden daarbij de dood. Elf andere kompels wisten nog bijtijds te ontvluchtten. Pas na zeer veel moeite slaagden de reddingsploegen erin de lijken van de slachtoffers te bergen. Met daverend geweld stortten in 1958 plotseling de schachten en gangen in van een tot champignonkwekerij ingerichte oude mergelgroeve op de 'Rozenburgberg' in Rozenburg. Negentien arbeiders vonden de dood en een tiental anderen raakten min of meer ernstig gewond. Ruim zeventig arbeiders wisten zich bijtijds in veiligheid te brengen. Ondanks uitgebreide reddingspogingen, die echter wegens slechte weersomstandigheden en het gevaar voor nieuwe instortingen meermalen moesten worden onderbroken, gelukte het niet alle bedolven arbeiders te bereiken. Slechts de lijken van zes slachtoffers werden teruggevonden. 1959 Op 19 september brak er brand uit in de 'Auchengeichmijn' te Chryston in Schotland. Oververhitting van een ventilator schijnt de oorzaak te zijn geweest. Het apparaat dat zich op een diepte van dertig meter in de liftschacht bevond vloog in brand vlak nadat de honderdvijftig man sterke ochtendploeg in de mijn was afgedaald. Het vuur vrat zo snel om zich heen dat slechts een deel van hen zich in veiligheid kon brengen. Vijfenveertig kompels verloren bij deze ramp het leven.
Met oergeweld sloeg eind 1959 de orkaan 'Mexico' neer op Colima en Jalisco, twee Mexicaanse kuststaten aan de Grote Oceaan. Hele dorpen bezweken onder de kracht van het onstuitbare wassende water. Bij deze stormramp met catastrofale gevolgen kwamen ongeveer tweeduizend mensen om. Bronnen: Zeeuws archief Onze vaderlandse geschiedenis, K.Jansma & M.Schroor Encarta encyclopedie Wikipedia Spectrum encyclopedie Terug naar het overzicht van de Jaren 50
|
|