|
|
|
11. Literatuur Geschreven door Ilse Steel (klik op de plaatjes om ze te vergroten)
Een nieuw cultureel tijdperk Onder jonge kunstenaars heerste een grote vrijheidsdroom "land bevrijd, kunst bevrijd". Daar leek na de oorlog echter weinig van terecht te komen. Het culturele leven van voor de oorlog herstelde zich alsof er niets gebeurd was. Uit boosheid over een nieuwe wereld die de oude bleek te zijn, richtten de jonge schilders Appel, Corneille en Constant in 1948 de 'Experimentele Groep Holland' op. De ontwikkelingen in de moderne kunst hadden na de oorlog een nieuwe impuls nodig. De kunst moest nieuwe wegen inslaan om vorm te kunnen geven aan de waanzin van de Tweede Wereldoorlog. Alle traditionele opvattingen over kunst, die de ontwikkeling van een nieuwe, ongebonden creativiteit in de weg stonden, moesten worden opgeruimd. Samen met gelijkgezinde kunstenaars uit Kopenhagen en Brussel vormden zij in datzelfde jaar de Cobra (Copenhagen, Brussel, Amsterdam) beweging. Voor het tijdschrift van de Experimentele Groep ‘Reflex’ probeerden ze in contact te komen met gelijkgestemde dichters. Dichters die net als de schilders beschikten over een jeugdig en onverdeeld optimisme. De Beweging van Vijftig, een nieuwe literaire stroming De Vijftigers of Experimentelen erkennen geen scheiding tussen kunst en leven, zijn anti-esthetisch en anti-intellectueel. "De experimentele kunst stoort zich aan geen enkel formalisme, niet van vorm en niet van idee. Zij is een spontane vitale uiting, die niet wil reproduceren, maar suggereren" aldus Gerrit Kouwenaar in 1949. In november van dat jaar werd in het Stedelijk Museum in Amsterdam een Cobra tentoonstelling gehouden, waarin ook voor de poëzie van een aantal jonge Nederlandse dichters een plaats was ingeruimd. Het was het begin, van wat later bekend zou worden, als de 'Beweging van Vijftig'. Hiertoe behoorden: Johannes G. Elburg, Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek, Lucebert, Hans Andreus, Remco Campert, Hugo Claus, Jan Hanlo, Rudy Kousbroek, Sybren Polet, Paul Rodenko en Simon Vinkenoog. De groep jonge experimentele dichters die zich bij Cobra aansloten, wilde een einde maken aan de overheersende positie die het logisch denken volgens hen in de traditionele poëzie innam. Gevestigde versvormen, rijm- en metrumschema´s en een logische tekstopbouw werden terzijde geschoven. Kunst moest direct en spontaan zijn, niet via logica maar door middel van associatie tot stand komen. Nachten lang werd er poëzie geschreven en getypt. Een opvallend moment in de ontwikkeling van de 'Beweging van Vijftig' was in 1951 het verschijnen van een drietal bloemlezingen. In de inleiding bij "Atonaal", waarin Simon Vinkenoog poëzie van elf jonge dichters samenbracht, schrijft hij onder meer over het chaotische bestaan van die tijd, waarbij geen overzichtelijke poëzie paste: "Een veel misbruikt woord kan niet uitblijven: Wij leven in de chaos, als men wil de zinloosheid. Het signaal staat niet rood, het staat niet groen, het brandt niet. Er is geen reden meer, er is geen uitweg, wij kunnen niet springen en evenmin struikelen." Als groep hebben de Vijftigers maar een kort bestaan gekend. Nadat de rumoerige jaren van de revolte van Vijftig voorbij waren en de onderlinge contacten minder hecht waren geworden, ontwikkelden de dichters zich steeds meer in verschillende richtingen. Schrijvers en dichters Jan Hanlo (1912-1969)
Terugkerende thema's in zijn werk zijn: de liefde, de poëzie, de schoonheid, de humor en de jeugd. Jan Hanlo baarde in 1954 opzien met zijn klankdicht 'Oote boe'. Dit leidde tot Eerste-Kamervragen van de VVD over dit 'infantiel gebazel', die de subsidie aan het blad waar het gedicht in verschenen was ter discussie stelde. De rest van Hanlo's oeuvre is over het algemeen minder avant-gardistisch dan 'Oote boe'. Vanaf het einde van de jaren vijftig legde hij zich vooral toe op proza. Literaire prijzen: Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam 1957 voor 'Niet ongelijk'. Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam 1959 voor 'Verzamelde gedichten'. Jan Hanlo kreeg op 14 juni 1969 een motorongeluk met zijn Vincent 1000 cc bij Berg en Terblijt, Hij knalde tegen een tractor die linksaf sloeg zonder richting aan te geven. Op 16 juni 1969 overleed hij aan een longembolie. Een groot deel van het werk van Jan Hanlo verscheen pas na zijn dood. Bert Schierbeek (1918-1996)
Wel is hij present in 'Vijf 5-tigers', een bloemlezing die voortkwam uit de lezingenavonden door Remco Campert, Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar, Lucebert en Schierbeek die De Bezige in het hele land organiseerde. Inmiddels had Schierbeek ook naam gemaakt als vernieuwer van het proza. "Het boek ik" (1951) is een roman zonder verhaallijn, geheel opgebouwd uit associaties met woorden en gedachten. "Woordkakkerij", zo kenschetste Gerard Reve het boek, maar W.F. Hermans had er wel waardering voor. Jan Elburg (1919-1992)
Meer dan de andere Vijftigers is hij trouw gebleven aan zijn uitgangspunt: het op losse schroeven zetten van de taal om op deze manier in te kunnen spelen op zich steeds weer voordoende clichés en bedreigende normen. Hierdoor kenmerkt zijn taalgebruik zich o.a. door woordenspel. Zijn 'Klein t(er)reurspel' (1947) werd in 1948 bekroond met de eerste Jan Campert prijs en in 1976 ontving hij voor zijn hele werk de Constantijn Huygens prijs. Zijn groot verbaal talent, gevoed door de dagelijkse omgangstaal, komt zeer goed tot zijn recht in 'Praatjeskijken' (1960), een verzameling aforismen, kanttekeningen en verhalen bij visuele gegevens. Aan het slot van zijn 'Gedichten 1950-1975', een verzamelbundel, treedt in een paar nieuwe reeksen een versobering van taal op, die zich ook in latere, ongebundelde poëzie ('Huiselijk leven') manifesteert. Die grotere beheersing (typerend is de titel 'Kaalslag') komt zijn werk zeer ten goede. Paul Rodenko (1920-1976)
Van Rodenko’s poëzie wordt gezegd dat het vol staat met vlijmscherpe, langgerekte en vooral prikkelende beelden. Rodenko was één van de propagandisten van de experimentele poëzie uit de jaren vijftig. Hij is van groot belang geweest voor de acceptatie van de poëzie van de Vijftigers. Rodenko schreef vele essays en kritieken over de rol en plaats van poëzie in zijn tijd. In 1954 verschijnt de bloemlezing 'Nieuwe griffels, schone leien'. 'De poëzie der Avant-garde, Van Gorter tot Lucebert, Van Gazelle tot Hugo Claus'. In zijn inleiding gaat hij in op het begrip Avant-garde en geeft talloze voorbeelden van 'experimentele poëzie'. Gerrit Kouwenaar (geb. 1923)
Aan de andere kant wordt in Kouwenaars gedichten evengoed verslag gedaan van zijn experimenten met de taal, die volgens hem de werkelijkheid nooit écht kan benaderen of vastleggen. Dat verklaart waarom zijn poëzie koel en onpersoonlijk kan overkomen. Zijn poëzie wordt vaak gecompliceerd genoemd, maar toch wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandse dichters van zijn tijd. Hij won de VSB-poëzieprijs. Kouwenaar heeft een groot aantal vertalingen op zijn naam staan van toneelstukken van onder anderen Brecht, Goethe, Schiller, Weiss, Sartre en Dürrenmatt. In 1967 kreeg hij voor zijn vertaalwerk de Martinus Nijhoffprijs. Lucebert (1924-1994)
De poëzie van Lucebert wordt gekenmerkt door de overweldigende kracht van de taal. Ritme en klank hebben in zijn gedichten een betovering die aan de betekenis van de woorden voorbijgaat. In 1954 ontving hij de 'literatuurprijs van de stad Amsterdam'. In 1965 kreeg hij de Constantijn Huygens prijs voor zijn poëzie. In 1968 kreeg de P.C. Hooft prijs. Na de jaren zestig viel de dichter in Lucebert stil en concentreerde hij zich op de schilderkunst. In 1981 brak met 'Oogsten in de dwaaltuin' een nieuwe creatieve periode aan, waarin zijn poëzie zwarter en toch ook socialer was. In 1994 overleed Lucebert op 69-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. Hij wordt beschouwd als één van de grootste Nederlandstalige dichters van de twintigste eeuw. Sybren Polet (geb. 1924)
Zijn proza (romans en verhalen) had een sterk experimenteel/vernieuwend karakter, waarbij hij de grenzen tussen genres en de conventies betreffende structuur en chronologie doorbrak: droom en werkelijkheid staan naast elkaar op hetzelfde niveau; heden, verleden en toekomst lopen in elkaar over; personages hebben geen vaste eigenschappen. Daarmee trachtte hij de complexiteit van het bestaan, dat allesbehalve statisch en rechtlijnig is, te verwoorden. In 1959 kreeg Polet de Jan Campert prijs en In 2003 werd Sybren Polet onderscheiden met de Constantijn Huygens prijs. Hans Andreus (1926-1977)
Hij noemde zichzelf 'dichter'. Naast proza en poëzie voor volwassenen, schreef hij een groot aantal versjes- en verhalenbundels voor kinderen. Het laatste vormde zelfs het grootste deel van zijn oeuvre. Voor de versjesbundel 'De Rommeltuin' ontving hij in 1971 de zilveren griffel en werd: 'Meester Pompelmoes en de mompelpoes' in 1969 door de CPNB onderscheiden als 'Kinderboek van het jaar'. Het bekendst zijn de Pompelmoesboeken geworden, waarin Meester Pompelmoes en zijn huisgenoten Joachim de Geleerde Kater en De Fleurige Hond de hoofdrol spelen. Simon Vinkenoog (1928-2009)
Later schreef hij vaker over levensbeschouwelijke onderwerpen als mystiek, occultisme en parapsychologie. Zijn gedichten werden onder invloed van Jack Kerouac, William S. Burroughs, Allen Ginsberg en het gebruik van geestverruimende middelen steeds spiritueler van aard. Over de kosmos, liefde, wetenschap, religie, spiritualiteit, innerlijke bewustwording en de dood, schreef hij associatieve en bezwerende gedichten. In 1998 verscheen 'Vreugdevuur' (gedichten en tekeningen) en op 10 september 2000 'De ware Adam', gedichten rond de eeuwwisseling. In 2006 werkte hij samen met eenmansband Spinvis met als resultaat het album 'Ja !', waarop Vinkenoog gedichten voorleest. Vinkenoog stond bekend om zijn affiniteit met geestverruimende middelen. Zo schreef hij regelmatig over drugs in esoterisch magazine 'Bres' en was hij in 2006 lijstduwer voor 'Groen Vrij'!', een partij die staat voor de complete legalisering van cannabis. Gewonnen prijzen: In 1993 de Johnny van Doorn prijs voor de gesproken letteren. Bekroond werk: zijn benadering van literatuur waarbij het experiment een centrale rol vervult. In 1986: de G.H. ’s- Gravesande prijs Bekroond werk: zijn stimulerende activiteiten op het terrein van de literatuur, in het bijzonder van de poëzie. Simon Vinkenoog overleed 12 juli 2009 aan de gevolgen van een hersenbloeding. Remco Canpert (geb. 1929)
Naast gedichten schreef Campert korte verhalen en romans. Remco Campert debuteerde als romanschrijver in 1961 met 'Het leven is verrukkulluk'. Het boek werd onmiddellijk een groot succes. In 1985 schreef hij het boekenweekgeschenk: 'Somberman's actie'. Dit verhaal werd in 1999 verfilmd. Ook andere verhalen werden verfilmd, zoals 'Het gangstermeisje' (1965). Van 1996 tot 2006 schreef Campert samen met Jan Mulder dagelijks onder de naam CAMU een column in De Volkskrant. Deze columns werden ook in bundels uitgebracht. Remco Campert werd in 1976 onderscheiden met de P.C. Hooft prijs. Hugo Claus (1929-2008)
Hij ontving veel literaire prijzen: waaronder, de Henriette Roland Holstprijs voor zijn toneelwerk in 1963, de Constantijn Huygensprijs in 1979, diverse keren de Belgische Staatsprijs, de August Beernaertprijs van de Koninklijke Vlaamse Academie, de cultuurprijs van de stad Gent, de VSB-poëzieprijs in 1984, de Prijs der Nederlandse Letteren in 1986, de Preis für Europäische Poesie 2001, en 2002 – Leipziger Buchpreis zur Europäischen Verständigung voor zijn gehele oeuvre, en nog veel meer prijzen ! Rudy Kousboek (geb. 1929)
Kousbroek is een van de bekendste Nederlandse schrijvers, vooral door zijn briljante en humorvolle essays over de meest uiteenlopende onderwerpen. Hij debuteerde met de dichtbundel 'Begrafenis van een keerkring' in 1953. In 1978 ontving hij de Staatsprijs voor Letterkunde, de P.C. Hooftprijs, voor zijn beschouwend proza. Vanaf de jaren zestig publiceerde hij essays in onder meer Hollands Maandblad, NRC Handelsblad en Vrij Nederland, waarin hij fel van leer trok tegen waandenkbeelden in uiteenlopende vakgebieden: filosofie, politiek, natuurwetenschap en geschiedschrijving. In 1975 krijgt hij de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistische werk. Kousbroek is eredoctor in de filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ferdinand Bordewijk (1884-1965)
Hij viel de critici voor het eerst op bij het verschijnen van de novelle 'Blokken' in 1931. Daarna volgden ;Knorrende beesten;, 1933 en 'Bint', 1934. Dit drieluik vormt samen met de verhalenbundels 'Fantastische vertellingen' en 'De wingerdrank', en de romans 'Karakter' en 'Rood paleis' het bekendste deel van zijn oeuvre. Maatschappelijke verschijnselen van de jaren dertig zijn daarin tot in het absurde toe doorgevoerd. F. Bordewijk werd
op 10 oktober 1884 in Amsterdam geboren. Op 10-jarige leeftijd verhuisde hij naar Den
Haag, het gezin zou nog vaak verhuizen. Zelfs zo vaak, dat het verhaal de ronde
doet dat zijn vader toen hij weer een nieuwe woning betrad, zei: "Volgens mij
heb ik hier al eens gewoond." In 1914 trouwde hij met Johanna Roepman, een
Nederlandse componiste. In 1919 werd Bordewijk zelfstandig advocaat, een beroep
dat voor hem altijd op de eerste plaats kwam. Het schrijven heeft hij altijd als
tijdverdrijf naast zijn werk beschouwd. Alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog
(maart 1945) verliet hij Den Haag tijdelijk omdat zijn huis bij een bombardement
werd vernield,
Simon Vestdijk (1998-1971)
Vestdijk heeft in veel van zijn romans getracht zijn leven in kaart te brengen. Dat geeft die boeken een autobiografisch karakter. Hij baseerde zijn beschrijvingen op zijn ervaringen en herinneringen. Sinds zijn besluit in 1932 definitief schrijver te worden, schrijver van beroep, heeft hij gemiddeld twee romans per jaar afgeleverd en grote hoeveelheden gedichten, verhalen, essays, kritieken en vertalingen. Menig schrijver heeft hij daarmee respect afgedwongen. Nagenoeg alle Nederlandse literaire prijzen zijn hem toegekend, onder meer de P.C. Hooft prijs in 1950; de Constantijn Huygens prijs in 1955; en de Staatsprijs der Nederlandse Letteren in 1971. Belcampo (1902-1990)
Bij terugkomst schreef hij 'De zwerftocht van Belcampo' (1938), een boek dat zijn literaire doorbraak betekende. Omdat Belcampo niet wilde leven als advocaat of als notaris, en besloten had niet van zijn verhalen te gaan leven, om voor zijn plezier te kunnen blijven schrijven, begon hij in 1938 met de medicijnenstudie, die hij in 1949 afrondde. Hij was huisarts in Bathmen en vanaf 1967 studentenarts in Groningen. In 1935 verscheen zijn eerste bundel: 'Verhalen'. Zijn beroemdste verhaal is 'Het grote gebeuren' (1958), dat zich afspeelt in het stadje Rijssen op de dag van het Laatste Oordeel. Het verhaal werd door Jaap Drupsteen in 1975 voor de televisie bewerkt. Belcampo schreef een omvangrijk oeuvre van fantastisch-romantisch proza. Belcampo werd in 1960 onderscheiden met de cultuurprijs van de stad Groningen en in 1983 met de Tollens prijs. Anton van Duinkerken (1903-1968)
Toen sommige vrienden zich ontwikkelden in fascistische richting, koos hij onvoorwaardelijk voor de democratie. Omdat hij door de Duitsers als gevaarlijk werd beschouwd vanwege zijn publicaties waarin hij het nationaal-socialisme veroordeelde werd hij in 1942 bijna acht maanden geïnterneerd in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel. Zijn zeer omvangrijke werk omvat gedichten, kritieken, essays, cultuurhistorische beschouwingen en literair-historische studies. In zijn poëzie, die uiteenloopt van verliefd tot hekelend, van vroom tot joviaal, spreekt zijn bewogenheid zich uit in een eenvoudige vorm. In 1966 ontving hij de P.C. Hooft prijs voor zijn gehele oeuvre. Anna Blaman (1905-1960)
Prijzen: Literatuurprijs in 1949 van de gemeente Amsterdam voor 'Eenzaam avontuur'. Anna Blaman weigerde deze prijs, omdat ze gekwetst was door de (kleinburgerlijke) kritiek op haar werk en op de oprechtheid daarvan. Literatuurprijs in 1956 van de gemeente Amsterdam voor 'Op leven en dood'. De P.C. Hooft prijs in 1956 voor haar hele oeuvre. Hella Haasse (Geb. 1918)
Aan haar werk werden verscheidene literaire prijzen toegekend: in 1958 de Nationale Atlantische prijs voor 'De ingewijden'; in 1960 de Internationale Atlantische prijs voor dezelfde roman; in 1962 de Visser Neerlandiaprijs voor het toneelstuk 'Een draad in het donker'; in 1977, de Littéraire Witte Prijs voor 'Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven'. Zij ontving in 1981 de Constantijn Huygens prijs, in 1984 de P.C. Hooft prijs, in 1985 de dr. J.P. van Praag prijs, en in 2004 ontving ze de prestigieuze Prijs der Letteren. Na dertig jaar lang beschouwd te zijn geweest als een talentvolle verteller, en vooral als de schrijfster van 'Oeroeg', krijgt zij nu alom erkenning als een van de grootste nog levende Nederlandse auteurs. Theun de Vries (1907-2005)
Dat gold evenzeer
voor zijn persoon. Als communist en ex-verzetsman werd de auteur zowel geprezen
als verguisd. In de jaren vijftig, tijdens de Koude Oorlog, wilden sommige
boekverkopers zijn werken zelfs helemaal niet wegens diens sympathie voor
Moskou. De
De nadruk in veel van zijn werk ligt op het sociale element in de samenleving, dat hij bij voorkeur tekent in tijden van verandering. In 1962 werd Theun de Vries bekroond met de P.C. Hooft prijs. In 1979 werd hem een eredoctoraat in de geschiedenis aangeboden aan de Rijksuniversiteit in Groningen. Theun de Vries was ook actief als toneel- en hoorspelschrijver en schreef biografieën en essays. W.F. Hermans (1921-1995)
Daarna volgden recensies, essays en verhalen. Zijn romandebuut was 'Conserve' in 1947. Hermans is medewerker en redacteur van talloze periodieken (tijdschriften) geweest. Als criticus en essayist (schrijver van literaire opstellen) geniet hij dan ook grote faam. Het meest berucht werd hij door zijn polemieken (strijdschriften) in 'Mandarijnen op zwavelzuur': felle kritieken op welhaast alle belangrijke Nederlandse auteurs van de vorige eeuw. Overigens deed hij dit - naar eigen zeggen - uit bezorgdheid om het bedroevend lage niveau van onze literatuur. Veel van zijn kritisch-essayistisch werk is verzameld in lijvige bundels. Literaire Prijzen. Essayprijs van de stad Amsterdam in 1949 voor 'Fenomenologie van de pin-up girl'. Prijs van de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945, 1957 voor zijn verdiensten op het gebied van het korte verhaal (geweigerd). Vijverberg-prijs in 1966 voor 'Nooit meer slapen'. Hermans bestemde het geld voor de actie 'Eten voor India'. De P.C. Hooft prijs in 1971 weigerde hij, omdat in een eerste brief van het ministerie d.d 22-12-1972, gemeld werd dat de geldprijs 18.000 gulden bedroeg, maar men in een excuusbrief van 11-01-1973 schreef dat dat een tikfout was. Het bedrag was 8.000 gulden. Vervolgens meldde Hermans minister P.J. Engels dat 'hij niet bekroond wenste te worden door een minister wiens handtekening van de ene op de andere dag 10.000 gulden in waarde daalt'. Wel aanvaardde hij de Prijs der Nederlandse Letteren 1977 voor zijn gehele oeuvre. Gerard Reve (1923-2006)
Hij publiceerde novellen die tot zijn beste werk gerekend worden, 'Werther Nieland', 'De ondergang van de familie Boslowits' en 'De laatste jaren van mijn grootvader'. Reve zelf zocht naar een andere vorm voor zijn schrijverschap. Die vond hij niet zozeer in de bundels 'Tien vrolijke verhalen' en 'Vier wintervertellingen' maar wel in de zeer succesvolle brievenboeken 'Op weg naar het einde' en 'Nader tot U' uit de jaren zestig, waarin hij feitelijk zijn eigen genre creëerde en voor het eerst na 'De avonden' veel succes had bij een groot publiek. Dit hing samen met de publieke manifestatie van zijn homoseksuele geaardheid, ongehoord in die tijd, en de opzienbarende toetreding tot de katholieke kerk. Reve slaagde erin op een of andere wijze de cultus rond zijn persoon te stimuleren: door eigen taalgebruik en humor maar ook door zijn thematiek tot een soort van roeping te verheffen. Reve en W.F.Hermans hielden zich verre van letterkundige kringen en kliekjes. Reve is, kortom, een uitzonderlijk fenomeen geweest in de recente, Nederlandse letterkunde. Prijzen: Mr. H.G. van der Vies prijs 1960 voor 'Het Moorlandshuis'. Prozaprijs van de gemeente Amsterdam 1963 voor 'Tien vrolijke verhalen'. Prozaprijs van de gemeente Amsterdam 1966 voor 'Op weg naar het einde'. P.C. Hooft prijs 1968 voor proza voor zijn gehele oeuvre (bij de uitreiking zoent hij minister Marga Klompé). Prijs der Nederlandse Letteren 2001.De Belgische koning weigerde de prijs uit te reiken vanwege een onderzoek naar mogelijke strafbare handelingen van zijn partner Schafthuizen met een minderjarige. Dit ontlokte Remco Campert in de volkskrant van 12-11-2001 de uitspraak: 'Liever omhangen regeringen en hoven de grootste moordenaars met de versierselen van een of andere huisorde, in plaats van een schrijver met het hem toekomend respect te behandelen’. Harry Mulisch (Geb. 1927)
Mulisch krijgt in 1957 de Bijenkorf Literatuurprijs, voor 'Het Zwarte Licht' - en ook in 1957 de Anne Frank prijs voor 'Archibald Strohalm'. In zijn latere jaren viel Mulisch regelmatig in de prijzen o.a: 1961 Athos prijs voor zijn gehele oeuvre, 1963 ANV-Visser- Neerlandia prijs voor 'Tanchelijn' - 1963 Vijverberg prijs voor 'De zaak 40/61'. In 1977 de Constantijn Huygens prijs en de P.C Hooft prijs voor zijn gehele oeuvre. Nog veel meer prijzen kreeg Mulisch. Op Internet kunt U de chronologische lijst van al zijn gewonnen prijzen vinden. Louis Paul Boon (1912-1979)
Behalve als een sociaal bewogen en maatschappijkritisch auteur geldt Boon ook als een van de grote vernieuwers van de naoorlogse roman in Vlaanderen en Nederland. Daarnaast valt Boon op door zijn onorthodoxe schrijfstijl: hij put uit het volkse taalgebruik en laat de traditionele literaire stijl volledig ontsporen. Op een volstrekt unieke manier combineert hij een volkse taal met een complexe vorm en een doorwrochte wereldbeschouwing. Door zijn politieke engagement, zijn pessimistisch wereldbeeld en zijn kritiek aan het adres van kerk en burgerij maakte Boon in het overwegend katholieke Vlaanderen al snel vijanden.
Prijzen In 1942 - Leo J. Krynprijs voor, 'De voorstad groeit', In 1957 – de Henriette Roland Holst prijs voor, 'De kleine Eva uit de kromme Bijlstraat', in 1966 - Constantijn Huygens prijs voor zijn gehele oeuvre, in 1972 - Multatuli prijs voor 'Pieter Daens, of Hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht'. Ward Ruyslinck (Geb. 1929)
Het eerste proza kwam in 1957 uit: 'De ontaarde slapers'. Groot succes had de auteur met 'Wierook en tranen' (1958). In deze korte roman gaat het over de oorlogsherinneringen van kinderen uit de Tweede Wereldoorlog. Hij was een veelgelezen auteur, omdat hij op de verplichte literatuurlijst van talloze middelbare scholen voorkwam. In vrijwel het hele werk van Ruyslinck zit maatschappijkritiek verweven naar aanleiding van zijn vernietigde jeugd. Hij stelt zich vragen bij de grote onderdrukkende systemen als het kapitalisme, de (katholieke) godsdienst en de staat met zijn militaire apparaat. Toch wordt, alles bij elkaar genomen, die maatschappijkritiek te gevoelig tot sentimenteel geuit, soms lees je een pathetische aanklacht. Daardoor komt zijn stijl in onze 21e eeuw wat bombastisch over, toch blijven de vragen actueel. Aangezien Ruyslinck zich niet opwerpt als de grote hervormer of beeldenstormer en zijn vertellingen gesitueerd kunnen worden binnen het kleinburgerlijke zwoegende bestaan van de meerderheid, stuit hij niet op afwijzing van het Belgische establishment. Hij behoort eind de jaren 60 en begin de jaren 70 tot het kransje van auteurs dat werd uitgegeven door Angèle Manteau. Prijzen in de jaren vijftig: in 1956 - Poëzieprijs der Algemene Kunstkamer in België voor 'Fanaal in de mist', in 1958 de Romanprijs der Provincie Antwerpen voor 'De ontaarde slapers', in 1958 de Literatuurprijs van de gemeente Hilvarenbeek voor 'De ontaarde slapers'. Er zouden nog vele prijzen volgen voor Ward Ruyslinck Enkele belangrijke buitenlandse schrijvers Jean-Paul Sartre (1905-1980)
Sartre liet zich uit over tal van Politieke onderwerpen. De belangrijkste boeken van Jean-Paul Sartre verschenen ook in een Nederlandse vertaling. Jean-Paul Sartre werd in 1964 onderscheiden met de Nobelprijs voor literatuur, maar hij weigerde die in ontvangst te nemen. Sartre overleed in april 1980 in een ziekenhuis in Broussais bij Parijs. De Franse filosoof Jean-Paul Sartre was één van de invloedrijkste denkers uit de twintigste eeuw. Zijn filosofie van de vrijheid was erg populair in het naoorlogse Frankrijk. Heinrich Böll (1917-1985)
Kort na de oorlog bood de toen nog onbekende auteur Heinich Böll, zijn eerste roman, 'De Engel Zweeg', tevergeefs aan bij de uitgever die eerder zijn verhalen had gepubliceerd. De toen geldende bezwaren tegen deze roman, zou men kunnen zien als het klassieke excuus: het volk zat niet te wachten op oorlogsliteratuur in een tijd van wederopbouw. In 1992 gaf de weduwe van Böll het volledige manuscript vrij voor publicatie. De roman, waarvan alleen al in de maand na verschijnen meer dan 50.000 exemplaren werd verkocht, werd in Duitsland onthaald als de literaire sensatie van de jaren negentig. Aanvankelijk schreef Böll vooral verhalen waarin de oorlog een grote rol speelde, maar vooral na 1960 ging hij ook omvangrijke romans schrijven waarin, net als in zijn korte verhalen, kritiek op de maatschappij een grote rol speelde.
Bölls verhouding met de katholieke kerk is altijd erg problematisch geweest. Hoewel hij wel gelovig was, verwierp hij de onfeilbaarheid van de paus. Bovendien stond hij erg wantrouwig tegenover de officiële kerk en haar autoriteiten, die hij verweet geen weerstand te hebben geboden tegen het (Nazi)regime, wel integendeel, en dus mee verantwoordelijk achtte voor de menselijke problemen in een miserabele Duitse maatschappij. Naast verhalen en romans schreef Böll ook hoorspelen, drama en maatschappijkritische bespiegelingen. Heinrich Böll verloor zijn tenen in de Tweede Wereldoorlog, toen hij voor de Nazistische troepen aan het oostfront moest vechten. 'Der Zug war pünktlich' (1949), zijn eerste gepubliceerde roman gaat dan ook over de oorlogservaringen van een jonge soldaat die naar het oostfront wordt gestuurd. Zijn werk is in meer dan 30 talen vertaald en hij is een van de meest gelezen schrijvers in Duitsland. Böll ontving in 1972 de Nobelprijs voor de Literatuur. Albert Camus (1913-1969)
In 1957 werd de Nobelprijs voor literatuur aan hem toegekend. In 1960 kwam Albert Camus door een auto-ongeluk om het leven. J.D. Salinger (1920-2010)
In Nederland verscheen het boek onder de titel 'De vanger in het graan'. In de jaren na de publicatie van zijn debuutroman bevestigde Salinger met verscheidene verhalenbundels zijn reputatie, maar in 1965 werd het stil rond hem.
Aan het einde van de jaren veertig werd de verandering op literair gebied al merkbaar. De schrijvers, net als de dichters, weken vaker af van vaste patroon. Men ging spelen met de taal! Dat leverde soms verrassende resultaten op en soms ontstond er verwarring; wat heeft de schrijver bedoeld. Ook de lezer groeide mee met deze ontwikkeling en omarmde de nieuwe stijl. Schrijver en lezer vonden elkaar en beide beleefden er veel plezier aan. Bronnen: Bulkboek Literatuurkrant Nederlandse literatuur 1900-2000 Literatuurgeschiedenis 20ste eeuw Inghist / Wikipedia Boeken VPRO / Schrijvers info Uitgeverij van Oorschot Ga naar het volgende hoofdstuk (Literatuur) Terug naar het overzicht van de Jaren 50
|
|