|
|
|
Enkele andere beroemde schilders Alberto Giacometti (1901-1966)
Al snel kreeg Giacometti enkele belangrijke exposities, waaronder in de Pierre Matisse Gallery in New York. Tijdens de Biënnale van Venetië van 1926 ontving Giacommetti de Grote Prijs van de Beeldhouwkunst. Alberto Giacometti is beroemd geworden met zijn lange, uitgerekte sculpturen en met een soortgelijke stijl van schilderen. Hij beeldde zijn modellen af in existentiële houdingen, beangstigend, eenzaam. In zijn sobere schilderijen van wit-, grijs- en bruintinten probeerde hij vast te leggen "hoe de wereld werkelijk in elkaar zit, ook als het maar een klein stukje is, zoals een menselijke figuur". Met zijn sombere stijl gaf hij blijk van een pessimistische levensvisie, in aansluiting op de visie van de existentialistische filosoof Jean-Paul Sartre. Jean Bazaine (1904-2001)
Bazaine werd beroemd met de in 1958 vervaardigde mozaïeken voor het hoofdkantoor van de Unesco in Parijs. Jean Bazaine publiceerde verschillende boeken over kunst. Ook schreef hij kunstkritieken. Francis Bacon (1909-1992)
Bacon ontwikkelde een geheel eigen stijl, waarin surrealistische elementen zijn terug te vinden. Hij maakte portretten van personen, waarvan het gezicht of het lichaam misvormd was om een betere indruk van hun psychische en emotionele gesteldheid te geven. Bacon portretteerde niet de buitenkant van de personen, maar de binnenkant. Zijn schilderijen hebben vaak een groteske, duistere en angstaanjagende uitstraling. Het werk van Bacon wordt vaak tot het expressionisme gerekend, maar er zijn ook raakvlakken met het surrealisme. Bacon vond zichzelf een ‘persoonlijk realist’ omdat hij zijn ervaringen en waarnemingen schilderde op zijn eigen manier en zoals hij zelf wilde. Kinetische Kunst De kinetische kunst is een richting in de moderne kunst, waarin er met bewegende objecten wordt gewerkt. Natuurkrachten (m.b.v. wind, water), mechanische krachten (m.b.v. motoren, magneten) en krachten van de mens zelf, sturen het kunstwerk aan. Deze stroming fungeerde als een soort van uitlaatklep voor het toepassen van de moderne technologie. Veel kunstenaars hebben zich met de kinetische kunst bezig gehouden, zonder echt een kinetische kunstenaar te willen zijn. In de jaren vijftig begon een aantal kunstenaars zich te specialiseren in bewegende kunst. De stroming kwam pas écht op gang begin vorige eeuw.
Als een overgangsvorm tussen kinetische kunst en op art, kan men de werken beschouwen waarbij de ‘beweging’ ontstaat doordat de toeschouwer zich verplaatst. Deze werken zijn zo vervaardigd dat zij sterke of minder sterke optische effecten teweegbrengen naarmate men er snel of minder snel langs loopt. Andere belangrijke kinetische kunstenaars: - Jesus Raphaël Soto, Vasarely en Tinguely. Na een zekere stagnatie komt de kinetische kunst opnieuw tot bloei, na de oorlog, vanaf jaren vijftig, met Victor Vasarely als onbetwist de opmerkelijkste figuur. Marcel Duchamp (1887-1968)
Duchamp kreeg de smaak te pakken en bleef kunstwerken maken die discussie opriepen. Duchamp was een voorloper van zowel Dada, als surrealisme, en van zowel conceptuele art als pop-art. Hij was weinig productief, maar ieder werk van hem had een immense uitwerking, vooral als 'succès de scandale'. Duchamp is het meest bekend door zijn zogenaamde readymades, alledaagse voorwerpen, die hij door ze te exposeren verhief tot museumkunst. Maar hij verdiepte zich ook in de schilderkunstige weergave van beweging en van thema’s uit de psychoanalyse. Weinig kunstenaars slagen erin een aardverschuiving in de kunstgeschiedenis teweeg te brengen. De Fransman Marcel Duchamp deed het begin vorige eeuw. Hij verplaatste als eerste de aandacht van het kunstobject naar de idee. "Fountain" was zijn meest omstreden readymade. Zijn visie op het kunstenaarschap en op de betekenis van kunst oefenden een enorme invloed uit op de moderne kunst. Alexander Calder (1898-1976)
Zijn fascinatie met het fenomeen circus was al begonnen in New York, waar hij als student schetsen van het Ringling Brothers Circus en het Barnum & Bailey Circus maakte. Eenmaal in Parijs maakte hij zijn eigen kleine circus waarvoor hij houten diertjes creëerde, evenals een ruiter, een clowntje, een gewichtheffer en vele andere circusfiguurtjes van draadstaal en textiel. Het miniatuurcircus was een hit in het Parijs van de jaren twintig. In 1943 vond een belangrijke tentoonstelling van zijn werk plaats in het Museum of Modern Art in New York. Calder maakte ook kunstwerken die het tegendeel vormden van de mobiles: zware, rigide vormen die zijn collega Jean Arp heel spitsvondig 'stabiles' noemde. Calder was bevriend met kunstenaars als Miró, Leger, Arp en Mondriaan. Na een ontmoeting met Mondriaan maakte Alexander Calder de eerste van zijn mobiles. In de jaren zestig was zijn werk te zien in de belangrijkste musea van de wereld, zoals de Documenta in Kassel, het Guggenheim in New York en het Musée d'Art Moderne de la Ville in Parijs. Daarnaast werkte Calder regelmatig in zijn atelier in het Amerikaanse Roxbury.
Gedeelten van het miniatuurcircus van Alexander Calder (Op You Tube kan men het circus van Alexander Calder bekijken !)
Jean Tinguely (1925-1991)
Hoewel de Zwitser Tinguely pas veel later zijn fascinerende machines maakte, wortelt zijn werk in het Dadaïsme. Tinguely was teleurgesteld, niet alleen in de wereld, maar ook in de Zwitserse precisie en de jacht op economisch rendement. Een kunstenaar kan gestalte geven aan zijn verzet tegen de beschaafde wereld door een hoop afval te presenteren als kunstwerk, maar hij kan er ook een draai aan geven door van de hoop afval iets vrolijks maken. Dat laatste is wat Jean Tinguely heeft gedaan met zijn creaties. Tinguely werd wereldberoemd om deze kunstwerken; bewegende sculpturen van roestig ijzer en afvalmateriaal. Van schroot vervaardigde hij door motoren aangedreven metaalsculpturen, waarvan de onderdelen ronddraaiden en heen en weer slingerden en zich steunend, stampend en knarsend voortbewogen. De creaties werken als machines maar hebben geen zinvolle functie. Tinguely’s grote ratelende constructies en kleurrijke objecten zijn vitaal en vrolijk, maar ook poëtisch en soms ironisch. Met zijn oeuvre dat knarst, piept, spuit en bonkt, heeft hij sinds de jaren vijftig in de kunstwereld en vooral daarbuiten een onuitwisbare indruk achtergelaten. De installaties van Jean Tinguely komen zowel door de toeschouwer als automatisch in beweging, bijvoorbeeld door de wind. In Basel is een museum, ontworpen door Mario Botta, gewijd aan het leven en werk van de belangrijke ijzerkunstenaar Jean Tinguely. Beeldhouwers (een selectie) Aanvankelijk werkten de Nederlandse beeldhouwers figuratief en traditioneel. Vanaf de jaren vijftig echter gingen een aantal beeldhouwers abstract werk maken. Dat veroorzaakte nogal wat tumult, maar de abstractie ontwikkelde zich tot een definitieve stijl in de beeldhouwkunst. Jan Snoeck (geboren in 1927)
Het werk van Jan Snoeck moet als autonoom keramiek worden beschouwd, waarin hij een hoog technisch en artistiek niveau heeft weten te bereiken. De mens staat centraal in zijn werk. Zijn wakkere, parmantige figuren ontplooien meestal een activiteit. Zij kenmerken zich door eenvoud, felle primaire kleuren en zijn vrolijk en speels van karakter. Zijn recente werk toont de ontwikkeling die zich in zijn lange carrière als professioneel kunstenaar nog steeds duidelijk manifesteert. Jan Snoeck is vooral bekend om zijn monumentale keramische sculpturen. Jean Arp (1886-1966)
Gedurende de 30 jaren tot het eind van zijn leven ging hij echter ook door met het schrijven van essays en gedichten. In 1949 had Jean Arp een solotentoonstelling in New York, bij de Buchholz Gallery. In 1950, werd hij uitgenodigd om een reliëf uit te voeren voor een centrum van de Harvard University in Cambridge, Massachusetts. Verder kreeg hij opdracht, net als Karel Appel, voor een muurschildering in het Unesco gebouw in Parijs. In 1954 won Arp the Grote Prijs voor de Sculptuur op de Biënnale van Venetië. In 1958 werd een overzichtstentoonstelling gehouden van zijn werk in het Museum of Modern Art in New York. Henry Moore (1898-1968)
Hij gebruikte het concept van het mysterieuze karakter van tunnels en grotten, uitgehold door de zee of andere natuurlijke processen veelvuldig in zijn oeuvre. In 1953 begon Moore te werken aan een belangrijke cyclus van grote gedrapeerde figuren waarvan het bronzen oppervlak lijkt te bewegen, in tegenstelling tot zijn vroegere stenen en metalen werk dat glad gepolijst was. Moore gaf er de voorkeur aan zijn beelden, die zelf landschappelijke vormen hebben in het landschap te plaatsen. Moore maakte onder meer het beeld voor het Unesco gebouw in Parijs en dat voor de Universiteit van Chicago. In 1968 ontving Moore de Erasmusprijs. Joseph Beuys (1921-1986)
In de jaren 50 ontstaan er duizenden tekeningen waarbij Beuys de meest uiteenlopende materialen gebruikt. Hij was lid van de kunstenaarsbeweging Fluxus. Na een crisis in 55-56 ontwikkelde hij zijn eigen kunstopvatting. Leven en kunst zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden: het leven was kunst en de kunst het leven. Beuys was gefascineerd door het leven, dat hij als een voortdurend voorbijgaand karakter/actie beschouwde. In januari 1986, enkele dagen voor zijn dood, werd Joseph Beuys onderscheiden met de Wilhelm-Lehmbruck-Prijs. Neo-realisme en Pop-Art in de kunst
Enkele voorbeelden van de Pop-Art kunst De internationale beweging die halverwege de jaren vijftig ontstond in Engeland en Amerika en gekenmerkt wordt door de gedachte dat de werkelijkheid wonderlijker is dan de fictie, wordt met een algemene term Neo-Realisme genoemd. Pop-Art is een van de bekendste vormen van neorealisme. In het Neo-Realisme is niet het persoonlijke gevoelsleven maar de dagelijkse realiteit een belangrijke inspiratiebron. Daarbij gaat het niet om een zich koesteren in het vertrouwde van alledag. De nadruk ligt juist in het effect van de vervreemding. Door algemeen bekende voorwerpen en afbeeldingen te isoleren of uit hun bekende omgeving te halen valt er opeens een nieuw licht op. Pop-Art heeft een verandering in kunstbeleving tot gevolg. Kunst verplaatst zich naar de straat of haalt haar inspiratie uit het straatbeeld en is toegankelijk voor een grote groep de massa: De mensen kunnen kunst nu begrijpen omdat de beelden herkenbaar zijn. Deze vermenging van kunst met een grote K en de beelden uit de massacultuur wordt 'high and low culture' genoemd. De thema's van de Pop-Art zijn ontleend aan stripverhalen, reclame, televisie, kranten en tijdschriften. Pop-Art is het in beeld brengen en de verheerlijking van de consumptiemaatschappij met behulp van alledaagse afbeeldingen en triviale voorwerpen. Het merendeel van de pop-artstijl bestaat uit schilderijen met grote tot zeer grote afmetingen maar ook uit sculpturen, collages en assemblages. Twee belangrijke vertegenwoordigers van de Pop-Art Victor Vasarely (1908-1997)
In 1944 begon hij zich weer op de schilderkunst te richtten. In de jaren ’50 schrijft hij een aantal manifesten over het gebruik van optische fenomenen in de kunst. Vanaf 1955 maakte hij meerdere grote kunstwerken die tot doel hadden de architectuur en of het stadsbeeld een positieve impuls te geven. Het betrof muurschilderingen en reliëfs in keramiek en aluminium. Deze kunstvormen vond hij interessant omdat ze zeer geschikt zijn voor de openbare ruimte en dus zichtbaar voor een groot publiek. Opvallend was zijn streven om ook de driedimensionale kunst en kinetische kunst reproduceerbaar te maken. Hij was één van de pioniers van de Op-Art en inspireerde vele andere kunstenaars met zijn ideeën. Richard Hamilton (geboren in 1922)
Hamilton maakte voor deze tentoonstelling de eerste pop-collages 'Just what is it that makes today’s homes so different, so appealing?' De collage is een icoon van de Britse pop art geworden. Hamilton werd geïnspireerd door de beeldcultuur van de massamedia en de consumptiemaatschappij. In tegenstelling tot zijn Amerikaanse collega’s becommentarieerde hij de moderne maatschappij veelvuldig. Richard Hamilton gebruikte allerlei technieken om zijn ideeën te verwezenlijken. Naast olieverfschilderijen, maakte Hamilton fotocollages en grafieken, maar hij gebruikte de verfspuit en metaal om zijn kunst te verwezenlijken. Het belangrijkste thema in het werk is erotiek, reclame en het leven in een moderne samenleving met zoveel aandacht van de mens voor de media. Vanaf 1980 is hij bezig met computerkunst. Er veranderde veel op het gebied van kunst in de jaren vijftig. Nieuwe technieken en nieuwe stijlen deden hun intrede. Gedurfde voorstellingen in de schilder- en beeldhouwkunst verwonderde de mensen. Bij het bezoeken van een tentoonstelling probeerde men vaak te raden wat het tentoongestelde voorstelde. Men moest anders naar kunst leren kijken, wat de een mooi vond, vond de ander lelijk en vice versa. Over smaak valt niet te twisten en dat is nog steeds zo. Er zijn natuurlijk nog meer kunstenaars die in de jaren vijftig furore hebben gemaakt. Dit is een slechts een selectie daar het te veel is om alle kunstenaars uit de jaren vijftig te behandelen. Als uw interesse gewekt is er zijn veel kunstboeken en op Internet kunt u ook heel veel vinden. Bronnen: Uitgeverij de Spaarnestad, Geïllustreerde encyclopedie A. van Grevenstein, La Grande Parade, hoogtepunten van de schilderkunst na 1940 Boek: Kunst van de 20ste eeuw Artcyclopedia Wikipedia Kunstbus Cultureel woordenboek Kunst - Galerij (klik op de afbeeldingen om te vergroten)
Terug naar het overzicht van de Jaren 50 Ga naar de vorige pagina van dit hoofdstuk Kunst in de jaren 50
|
|