|
|
|
16. Kunst in de jaren vijftig Geschreven door Ilse Steel (klik op de plaatjes om ze te vergroten)
Parijs bruist in de jaren vijftig ! Parijs was na de oorlog het onbetwiste middelpunt van de Europese kunst. Kunstenaars vanuit de gehele wereld vertrokken naar de Franse hoofdstad om hun horizon te verbreden op het gebied van kunst en te genieten van wat het leven hen daar bood. Vaak wonend in de heuvelwijk Montmartre, bevolkt door schilders, componisten schrijvers en dichters. Vele bekende kunstenaars, Pissarro, Toulouse Lautrec, Vincent van Gogh, Matisse en Picasso hebben in Montmartre gewoond. Montmartre was tot in de 19e eeuw een boerendorp, gebouwd tegen een heuvel (La Butte) buiten Parijs. Dat het een afzonderlijk dorpje was is nu nog te zien aan de kronkelige straatjes, de landelijke huisjes en de verschillende molens (Moulin de Galette). Rond 1890 lag de bebouwing van Montmartre al zo dicht tegen Parijs aan dat de wijk Montmartre werd opgenomen door Parijs. Jonge schilders zochten hun inspiratie op de Place Pigalle en leefden er als bohémiens in het gezelschap van modellen en modinettes. Een bonte verzameling van kunstenaars die Montmarte extra charme gaf. Tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef de Butte het artistieke en literaire centrum van Parijs.
Het Place Pigalle vormt het centrum van de wijk Pigalle, dat van oudsher een uitgaanscentrum is dat gespecialiseerd is in het nachtleven. Hier bevinden zich veel cafés, cabarets en nachtclubs. De beeldhouwer Jean Baptiste Pigalle (1714 – 1785), beroemd om zijn graftombe voor de maarschalk De Saxe en het beeld van de naakte Voltaire dat nu in het Louvre staat, leeft voort in de naam van dit plein. Aan dit plein en de omliggende straten waren aan het einde van de 19de eeuw talloze ateliers en literaire cafés gelegen, waarvan het beroemdste het Nouvelle Athènes was. Vele kunstenaars voelden zich als een vis in het water en genoten hiervan, vaak zonder een cent op zak scharrelden ze hun kostje bij elkaar door schetsen te verkopen of een voordracht te houden. De componist Erik Satie speelde in Nouvelle Athènes (literair café) op de piano. Place du Tertre, (Heuvelplein) is een beroemd pleintje in het hart van de Parijse wijk Montmartre en gelegen op korte afstand van de basiliek Sacre-Coeur, waar schilders, portrettekenaars en silhouetknippers aan het werk zijn. Het herinnert aan de tijd toen vele bekende kunstenaars hier leefden. Fauvisme Stroming in de Franse schilderkunst die rond 1904 ontstond. Het betrof de eerste belangrijke avant-gardestroming van de 20e eeuw. Kenmerken hiervan zijn: felle kleuren (vaak onvermengd), een ruwe penseelvoering, vereenvoudigde vormen, en gedurfde vertekeningen. Wanneer er gebruik gemaakt werd van licht en schaduw was dat gewoonlijk zonder tussentinten en zonder zachte overgangen. De fauvisten experimenteerden veel en zij wilden de schilderkunst bevrijden van artistieke conventies. Het centrale perspectief, en andere academische ingrepen werden achterwege gelaten. Ze hadden geen gemeenschappelijk programma, er was slechts sprake van een samenwerkingsverband. Dit stimuleerde individualistische stijlen binnen de stroming. Vooral het subjectieve kleurgebruik van het fauvisme is belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de twintigste-eeuwse kunst. Kleur had voorheen een beschrijvende functie. De kleur werd door hen als een autonoom beeldend middel aangewend. De vereenvoudiging van de vorm en het benadrukken van het 2-dimensionale vlak van het schilderij was eveneens van groot belang. De briljante kleurvlakken, niet de voorstelling, zijn het onderwerp van het schilderij. De Fauvisten schilderden vooral landschappen, zee-, stadsgezichten en mensen in de natuur of in de stad. Deze hadden geen symbolische betekenis maar dienden uitsluitend als uitgangspunt om tot een persoonlijke manier van schilderen te komen. Matisse was de belangrijkste en meest getalenteerde kunstenaar onder hen. Het werk van Derain en De Vlaminck was eveneens van groot belang. Andere kunstenaars zijn: Georges Roualt, Marquet, Friesz, Dufy en Van Dongen. Cobra (1948-1951)
De teksten van het Cobra tijdschrift werden voornamelijk in het Frans geschreven. Zowel artikelen als afbeeldingen van kunstwerken, verhalen en gedichten verschenen in het tijdschrift. Bekende namen zijn: Asger Jorn uit Denemarken, Christian Dotremont en Pierre Alechinsky uit België, Karel Appel, Corneille, Eugène Brands, Anton Rooskens, Theo Wolve-camp en Constant uit Nederland. De beweging was een reactie op het esthetisme van de surrealisten. De schilders zochten een spontane, experimentele en uitbundige schilderwijze. Inspiratiebron was het ongerepte van de kunst van de natuurvolken, de volkskunst en de naïviteit van de kindertekeningen. Woordvoerders waren de schrijver Dotremont en de schilders Asger Jorn en Constant. De eerste Cobra-tentoonstelling was in 1948 te Kopenhagen, de tweede in maart 1949 in Brussel, onder de naam 'La fin et les moyens'. Het Stedelijk Museum in Amsterdam, het Stedelijk Museum in Schiedam, het Cobra Museum in Amstelveen en de musea in Ålborg en Humleback, Denemarken, bezitten veel werk van de Cobra beweging. In 1951 zijn gebrek aan financiële middelen en de ziekte van Asger Jorn en Christian Dotremont er de oorzaak van dat Cobra officieel wordt ontbonden. De Cobra-beweging heeft, ondanks het korte bestaan, een grote invloed gehad op de moderne kunst Enkele leden van de Cobra-groep
Asger Jorn (1914-1973)
Zijn werk bevat vaak angstaanjagende, mythische wezens. Hij wilde in zijn beeldtaal een verbinding leggen tussen de Noord Europese oude mythologie en zijn eigen moderne tijd; de dieren waren daarbij een afspiegeling van de wereld van de mensen. Belangrijke kenmerken van dit werk zijn zware vormen en donkere kleuren. In de jaren vijftig ontstond de stijl, waarmee Jorn wereldberoemd werd. Op deze schilderijen beeldde Jorn schimmige wezens en wazige visioenen uit. Al tijdens de oorlogsjaren was hij actief schilder in de Deense abstract-expressionistische beweging en was o.a. actief medeoprichter van de Cobra-beweging. Constant (Constant Anton Nieuwenhuys) (1920-2005)
Constant vestigde zich in 1950 in Parijs. In deze periode ontstonden de oorlogsschilderijen, waarin hij een vernielde wereld toonde. Aan het einde van de jaren vijftig ontwikkelde hij zijn ideeën over de ideale stad, die hij "Nieuw Babylon" noemde. Constant wordt algemeen beschouwd als de theoreticus van de Cobra-groep. Vergeleken met het werk van Karel Appel, toont het werk van Constant meer maatschappijkritiek. Zijn werken hebben titels als "De oorlog" en "Verschroeide aarde". De bron voor deze werken ligt in een bezoek aan het naoorlogse Londen. Constant schreef talloze artikelen en manifesten, waarin hij de maatschappelijke rol van de kunstenaar benadrukte. Creativiteit en fantasie zouden volgens Constant in dienst moeten staan van de cultuur. Karel Appel (1921-2006)
Karel Appel was vooral een doener. Hij had weinig op met de theorieën van Constant en anderen. De internationale doorbraak van Karel Appel begon rond 1953, toen zijn werk te zien was op de Biënnale van São Paulo. In 1954 kwamen er solotentoonstellingen van Appel in Parijs en New York. Appel was een veelzijdige kunstenaar die zich naast schilderen bezig hield met het maken van assemblages, beeldhouwwerken, het schrijven van gedichten en tegels. Karel Appel overleed op 3 mei 2006 en ligt begraven op het beroemde kerkhof Père Lachaise in Parijs. Corneille (Guillaume Cornelis Beverloo) (1922-2010)
Corneille trok in de daarop volgende jaren nog verder naar Zuid-Amerika, de Verenigde Staten en Midden-Afrika. In zijn doeken, vaak landschappen en steden gezien vanuit 'vogelperspectief', kwam meer beweging door de versterking van kleurcontrasten en compacte vormen. Vanaf de late jaren zestig krijgt Corneille's werk (schilderijen, gouaches en tekeningen) een figuratiever karakter en treden de grote kleurvlakken op de voorgrond. In een lyrische stijl schildert Corneille wat hij gezien en meegemaakt heeft, visioenen van tropische landschappen en tuinen, bevolkt door planten, dieren en vrouwen. Inmiddels is Corneille uitgegroeid tot een van de populairste Nederlandse schilders van zijn tijd en geniet zijn werk een grote internationale bekendheid. Christian Dotremont (1922-1979)
Dotremont werkte veel samen met schilders, onder andere Asger Jorn en Pierre Alechinsky, waarbij teksten en werken op doek gecombineerd werden, de zogenaamde Peinture-mots. In 1959 organiseerde Christian Dotremont de tentoonstelling "10 jaar na Cobra" in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Kenmerkend voor zijn werk is het gebruik van zijn eigen handschrift, om daarmee zelfverzonnen tekens in zwarte inkt te maken, de zogenaamde logogrammen. Een vorm van visuele poëzie. Theo Wolvecamp (1925-1992)
In 1949 verliet hij na de tentoonstelling in het Stedelijk Museum de Cobra-beweging, maar werd 1951 toch weer lid. Doordat Wolvecamp zeer kritisch was op zijn eigen werk, zijn vooral uit de Cobra-tijd weinig werken over gebleven. Wolvecamp vernietigde een groot deel van zijn schilderijen en schilderde andere later weer over. De buitenmens Wolvecamp, die nooit goed heeft kunnen aarden in de stad, keerde na het internationale Cobra-avontuur terug naar zijn geboorteplaats Hengelo. Vanuit een sterke beleving van de natuur werkte hij daar in afzondering aan een sterk persoonlijk expressionisme met karakteristieke vormen en kleuren, voortbouwend op de tijdens de Cobra-periode ontwikkelde symbolentaal van vlekken en strepen en wervelende lijnen. Pierre Alechinsky (geboren in 1927)
Hij reisde naar het buitenland om contact te leggen met andere Cobra kunstenaars. Hij nam deel aan de beide Cobratentoonstellingen, in 1949 en 1951. De laatste, gehouden in Luik, werd zelfs door Alechinsky georganiseerd. Hij hield zich in deze periode echter dusdanig bezig met de organisatie van allerlei Cobra-evenementen en met de redactie van het tijdschrift van de Cobrabeweging, dat hij zelf zeer weinig produceerde. Zijn productie kwam pas goed op gang na het uiteenvallen van Cobra. In de winter van 1951, vestigde hij zich in Parijs. Vanaf 1951 neigde zijn werk meer naar het expressionisme, waar het daarvoor vooral beïnvloed was geweest door het surrealisme. Art Informel (1945-1960) Het Franse woord ‘informel’ dient in dit verband eerder als ‘vormloos’ dan als informeel te worden opgevat. In de jaren vijftig zochten kunstenaars van deze stroming naar een nieuwe manier om beelden te scheppen zonder gebruik te maken van herkenbare vormen, zoals hun voorgangers dat hadden gedaan, kubisme en expressionisme. Hun streven was erop gericht de geometrische en figuratieve vormen op te geven en een nieuwe artistieke taal te ontdekken. Ze bedachten vormen en werkwijzen die al improviserend ontstonden. Het werk van de art-informelkunstenaars is zeer gevarieerd, maar komt overeen in de toepassing van de vrije penseelvoering en de dikke lagen verf. Evenals het abstracte expressionisme dat zich in dezelfde tijd in Amerika ontwikkelde, is art-informel een zeer ruime begripsaanduiding waaronder zowel figuratieve als non figuratieve schilders gevat kunnen worden. Hoewel de stroming hoofdzakelijk in Parijs was gecentreerd, reikte zijn invloed over heel Europa en vooral in Spanje, Italië en Duitsland. Vertegenwoordigers: Alberto Burri, Jean Fautrier, Hans Hartung, Jean Paul Riopelle en Antoni Tàpies. Jean Fautrier (1898-1964)
De intensieve preparatie van het doek met lijm, zand en dikke verf waarmee hij mede de aanzet gaf tot de materieschilderkunst, verleende aan zijn stijl een mysterieuze allure. Jean Fautrier geldt als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de stroming die bekend staat als tachisme of informele kunst. Hans Hartung (1904-1989)
Hartung behoorde tot de avant-gardistische groep der zogenaamde Art Informel kunstenaars in Parijs, die zich begin jaren vijftig wenste te ontworstelen aan de traditionele schoonheidscriteria van de belle peinture, zoals die door de École de Paris werden gepropageerd. Hartung werd vooral bekend door zijn doeken met bundels agressief neergezette “gekraste” penseelstreken, geïnspireerd door gravure-lijnen, die hij “psychische improvisaties“ noemde. Antoni Tàpies (geboren 1923)
Jean Paul Riopelle (1923-2002)
Daar leerde hij vertegenwoordigers kennen van diverse kunststromingen, zoals het Surrealisme (in het bijzonder André Breton, wiens vertrouweling hij werd), het Tachisme en de informele schilderkunst. Alle stromingen hadden een grote invloed op zijn werk. Hij kreeg als bijnaam de 'wild Canadian' en cultiveerde die reputatie nog. Zijn stijl ontwikkelde zich naar het abstract expressionisme en action painting. Internationaal werd hij gezien als een van de vertegenwoordigers van deze stijl. Les fauves (de wilde dieren) In 1905 ging de eerste groepstentoonstelling van deze Franse schilders door in het Salon d'Automne de Paris en verwekte meteen een schandaal. De kunstcriticus Louis Vauxcelles gebruikte de term "les fauves", wat hen de bijnaam "Fauvisten" opleverde. Bij deze eerste groep waren o.a. Henri Matisse, André Derain, Albert Marquet, Georges Rouault, Maurice de Vlaminck en Kees van Dongen. Aanvankelijk schilderen de meeste van hen nog in impressionistische stijl. Tegen 1905 keerden zij deze stijl rug toe en gebruikten felle, contrasterende kleuren in grote kleurvlakken. Vaak waren hun figuren met zware, zwarte contourlijnen afgebakend, wat de dieptewerking, en dus de illusie van een derde dimensie, vanzelfsprekend grotendeel teniet deed. Kees van Dongen was een van de eersten die deze stap zette en hij beef ook zeer lang zo schilderen. Henri Matisse (1869-1954)
Matisse werkte lang aan zijn schilderijen. Na de Eerste Wereldoorlog had Matisse een grote reputatie opgebouwd als internationaal beroemd schilder. In 1917 verliet hij Parijs en vestigde zich in Nice. Matisse maakte niet alleen schilderijen maar ook muurschilderingen, etsen, ontwierp kostuums en boekillustraties. Matisse was leider der Fauvisten. In 1952 werd in Le Cateau-Embrésis het Musée Matisse geopend. Op 3 november 1954 stierf hij als een wereldberoemde schilder. Maurice de Vlaminck (1876-1958)
Tijdens één van de bezoeken maakten De Vlaminck en Derain kennis met Henri Matisse en nodigden hem uit om in Chatou hun werk te bekijken. Maurice de Vlaminck ontwikkelde zich tot één van de Fauvisten, die tijdens de Salon d’Automne van 1905 beroemd werden. Het belangrijkste thema in het werk van Maurice de Vlaminck is het landschap aan de Seine en het Île-de-France. Na de Eerste Wereldoorlog schilderde hij ook veel op het platteland. De Vlaminck was een veelzijdige kunstenaar: naast schilderijen, prenten en gedichten, maakte hij ook keramiek en boekillustraties en schreef hij zijn memoires. Bovendien was hij een van de eerste verzamelaars van de Afrikaanse kunst, die veel invloed zou hebben op de ontwikkelingen in de schilderkunst en met name het kubisme. Kees van Dongen (1877-1968)
Hij exposeerde bij Druet en Vollard. Hij deelde een atelier in Le Bateau-Lavoir met Picasso en zijn schilderijen zijn minstens zo kleurrijk en spannend. Onder invloed van Jasmy Jacob en anderen ontwikkelde hij een fauvistische stijl. Hij portretteerde in een onbarmhartige stijl met felle kleuren, maar dit bezorgde hem toch een grote faam in de mondaine kringen van Parijs. KubismeMet het kubisme wordt bedoeld dat de vorm niet meer direct in verhouding staat tot de werkelijkheid. Het kubisme is daardoor een stap in de richting van de abstracte schilderkunst. Pablo Picasso (1881-1973)
In de zomer van 1906 verbleef hij in het afgelegen Noord-Spaanse dorp Gosol, waar hij zijn eerste stappen zette op de weg naar het kubisme. Geïnspireerd door Cézanne en Afrikaanse beelden experimenteerde hij met geometrische vormen. Eind 1906 begon Picasso aan een groot schilderij dat later bekend werd als Les Demoiselles d’Avignon, met daarop een groep prostituees met gedeformeerde lichamen en maskerachtige gezichten. De zomer van 1909 bracht hij door in het Catalaanse Horta de Sant Joan. Samen met Georges Braque ontwikkelde hij in de daarop volgende jaren het kubisme, waarbij zij het gebruikelijke perspectief verlieten en objecten vanuit verschillende gezichtspunten weergaven. In 1912 maakten Picasso en Braque hun eerste collages, waarbij zij krantenknipsels en andere materialen in hun schilderijen integreerden. In 1917 bezocht Picasso Italië en werkte hij met Sergej Diaghilev aan het ballet Parade. Vanaf ongeveer 1917 tot midden jaren twintig is het werk van Picasso traditioneler. Hij keert terug naar de figuratie; een periode die ‘neoclas-icistisch’ wordt genoemd. Daarna verschijnen bizarre, gedeformeerde en soms agressieve wezens in het werk van Picasso, die de invloed van het surrealisme laten zien. In 1937 schildert hij zijn beroemde schilderij Guernica, een aanklacht tegen de wreedheid van de oorlog. Picasso bleef ook na de Tweede Wereldoorlog, tot aan het eind van zijn leven, onverminderd productief en innovatief. Hij maakte variaties op schilderijen van oude meesters, sculpturen in allerlei materialen en hield hij zich een tijd lang bezig met een voor hem nieuw terrein, de keramiek. Daarnaast was hij politiek actief: hij nam deel aan vredesconferenties en was vanaf 1944 tot aan zijn dood lid van de communistische partij. Ferdinand Léger (1881-1955)
In 1950 betrok hij in Biot een atelier om keramiek te maken, maar verhuisde in 1952 naar Gif-sur-Yvette. In hetzelfde jaar maakte hij een wandschildering in het gebouw van de Verenigde Naties in New York. Ondanks zijn nauwe verwantschap met het kubisme richtte Léger zich niet zozeer op de analytische defragmentatie van het beeldvlak, maar eerder op de ontvouwing van de kunst in uitbundige, pure kleuren en ritmes. In 1968 werd een museum en een groot deel van zijn werk aan de Franse staat geschonken. Georges Braque (1882-1963)
Braque schilderde graag stillevens met vruchten, muziekinstrumenten en flessen, waarbij hij ook letters en cijfers toevoegde. Na zijn kubistische tijd ging hij over naar het Franse landschap in een sterk vereenvoudigde schilderwijze. In Antwerpen schilderde Braque scènes van de haven. Vanaf ongeveer 1939 ging Braque ook beeldhouwen. In de jaren vijftig beschilderde Georges Braque het plafond van de Henry II zaal in het Louvre in Parijs en maakte hij gebrandschilderde ramen voor de kerk in Varengeville. Georges Braque kreeg in 1962 ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag een tentoonstelling in het Louvre te Parijs, waarmee hij de eerste levende kunstenaar was wie een dergelijk eerbetoon te beurt viel. Joan Miró (1893-1983)
Miró begaf zich in de juiste kringen, kreeg al snel erkenning voor zijn kunst en werd wereldberoemd. Zijn schilderijen, tekeningen en sculpturen werden in vele landen geëxposeerd. Het begin van de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) was tevens het begin van Miró´s ´wilde periode´, waarin hij enkele van zijn meest choquerende, pessimistische en vertoornde schilderijen maakte. In 1958 ontwierp Miro een keramische muur voor het gebouw van de UNESCO in Parijs. Miro was vooral geïnteresseerd in beeldhouwen en keramiek, maar in 1945 nam hij voor het eerst in jaren toch weer een penseel in de hand. In de jaren vijftig probeerde hij met brons te beeldhouwen en muurschilderingen en straattekeningen te maken. De werken van Joan Miró zijn gemakkelijk te herkennen dankzij zijn unieke stijl met felle kleuren en kenmerkende vormen. Thema en kleurgebruik veranderden echter naar gelang zijn stemming, die vooral beïnvloed werd door de politieke gebeurtenissen die hij meemaakte. Hoewel de meeste mensen Miró als een surrealist beschouwen, kan hij in werkelijkheid niet met één stijl geassocieerd worden, aangezien hij zijn hele leven verschillende stijlen uitgeprobeerd heeft. Miró´s werk bleef niet beperkt tot galerijen, maar was toegankelijk voor iedereen, doordat Miró er de gebouwen en straten mee opfleurde. Een voorbeeld is Pla l'Ós gelegen aan Las Ramblas in Barcelona. Bronnen: Vollmer Kunstbücher Picasso, Eingeleitet von André Leclerc Uitgeverij de Spaarnestad, Geïllustreerde encyclopedie A. van Grevenstein, La Grande Parade, hoogtepunten van de schilderkunst na 1940 Boek: Kunst van de 20ste eeuw Artcyclopedia Wikipedia Kunstbus
Schilderijen – Tentoonstelling (klik op de afbeeldingen om te vergroten)
Op Internet zijn prachtige kunstwerken te zien en te downloaden!! Zo kunt u een eigen kunstverzameling aanleggen. Musée de Montmartre Musée de Montmartre is gevestigd in : 12 Rue Cortot, Metro Lamarck - Caulaincourt. Open: Dinsdag t/m Zondag, Maandag gesloten. www.museedemontmartre.fr (Franse site) www.stadsverkenner.com/parijs/ (Nederlandse site met heel veel informatie over Parijs) www.frankrijk.nl/parijs (Nederlandse site: Reizen naar Frankrijk + veel informatie) |
|