|
|
De na-oorlogse jaren 1945-1950 Geschreven door Ilse Steel (klik op de plaatjes om ze te vergroten) Drie aspecten waren van doorslaggevend belang bij de wederopbouw van Nederland:
Vele verwoestingen De oorlogsschade in Nederland was groter dan in andere landen. De materiële schade bedroeg 10 à 15 miljard gulden. Ongeveer een derde van de industrie was vernietigd, alle transportmiddelen waren voor zestig procent uitgeschakeld en veel huizen waren onbewoonbaar. Er volgde een streng toezicht op de distributie van goederen en op de ontwikkeling van lonen en prijzen. De materiële wederopbouw verliep voorspoedig. De Nederlands industriële productie bereikte in 1947 weer het peil van 1938. Een jaar later was de laatste oorlogsschade aan gebouwen en infrastructuur hersteld. Dit ondanks het feit dat Nederland steeds verder verwikkeld raakte in een duur conflict in Indonesië. En er waren andere factoren die de wederopbouw van Nederland en Europa bemoeilijkten. De strenge winter van 1946-'47 leidde tot een tekort aan steenkolen. De zomer die volgde was zo heet dat de Europese graanvelden verdroogden in de zon. Terug naar het overzicht van de De na-oorlogse jaren 1945-1950 De Marshall-hulp kwam geen dag te vroeg en had een belangrijk aandeel in de Nederlandse wederopbouw. Dit omvangrijk materiële hulpplan trad drie jaar na de Tweede Wereldoorlog in werking. Via het Amerikaanse Marshall-plan ontving Nederland ruim 1 miljard dollar aan economische steun. Deze hulp werd efficiënt gebruikt en ingezet om de productiviteit te herstellen. Toen in West-Duitsland, Nederlands belangrijkste handelspartner, zich het Wirtschaftswunder voltrok, kon Nederland daar mede van profiteren. Nederland kon weer gaan werken aan zijn welvaart al zou het nog minstens tien jaar duren voor de meerderheid van de bevolking écht het idee had dat het beter werd.
Eind juni organiseerde de Britse minister van Buitenlandse Zaken Bevin in Parijs een drie-mogendheden conferentie. De Russische minister Molotov verzette zich tegen het Marshall-plan dat hij beschouwde als een 'bedreiging voor de soevereiniteit van de kleine Europese landen.' Voorwaarde voor dit plan is steeds geweest nauwe samenwerking tussen de Europese landen. Op een conferentie in Parijs, die in juli 1947 plaatsvond, waren zestien Europese landen vertegenwoordigd om het plan te bespreken. Spanje (dat onder Franco formeel neutraal was gebleven) en de Sovjet-Unie waren niet uitgenodigd. Het versterkte de band met de Verenigde Staten in een tijd waarin de internationale spanningen tussen oost en west toenamen. Het welvaartspeil droeg er toe bij dat de lust tot socialistische experimenten sterk afnam. Nederland kreeg naast de 1 miljard dollar ook de mogelijkheid te profiteren van Amerikas kennis in wetenschap en techniek. Het plan heeft er toe bijgedragen dat in 1949 bijna de gehele rantsoenering werd afgeschaft in ons land. Nederland is een van de weinige landen die de 20% lening heeft terugbetaald aan de V.S. Voor Nederland dreigde de Marshall-hulp twee keer voortijdig te eindigen. In 1949 dreigde de Verenigde Staten met het intrekken van de Marshall-hulp naar aanleiding van de politionele acties in Nederlands-Indië. Toen Amerika in 1950 de Koreaanse Oorlog tegen het communisme begon, vroeg het aan Nederland om troepen te sturen. Toen Nederland dit weigerde, dreigde Amerika opnieuw de Marshall-hulp op te zeggen. Ook in Frankrijk en Italië werden duidelijke voorwaarden aan de hulp gesteld. In mei 1947 werden de communisten, onder druk, uit de Franse regering gezet. Een maand later kreeg ook de Italiaanse regering een anticommunistisch gezicht.
De kapitein van het schip, Koster, overhandigt aan de minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, ir. S.L. Mansholt, symbolisch een klein zakje tarwe. Een elevator zuigt tarwe uit het ruim van de Noordam en stort het in het ruim van kleinere binnenvaartschepen. Terug naar het overzicht van de De na-oorlogse jaren 1945-1950 3. Het tientje van Lieftinck Een klein deel van de Nederlanders had tijdens de oorlog een enorm fortuin vergaard. Vooral tijdens de Hongerwinter, toen eten zo schaars was dat veertig kilo tarwe een jaarsalaris opbracht. Na de bevrijding was er een enorme hoeveelheid van het zogenoemde oorlogsgeld in omloop, ook de hoeveelheid aan zwart geld was gigantisch. Uiteraard stond er geen enkele bankgarantie tegenover al dat foute geld. De nieuwgevormde regering had meteen al de moeilijke taak om het geldverkeer weer onder controle te krijgen. Dit kon het best opgelost worden door het kapitaal van iedereen te bevriezen. Onder leiding van minister Lieftinck werden er drastische maatregelen doorgevoerd.
De naam van de Nederlandse oud-minister van Financiën Piet Lieftinck is voor veel mensen nog steeds bekend door het "tientje van Lieftinck". Vlak na de Tweede Wereldoorlog kregen alle Nederlanders tien gulden tijdens de grote geldzuivering die Lieftinck op touw zette. In de week waarin alle oude bankbiljetten en munten moesten worden ingeleverd - om vervolgens te worden geruild voor nieuw geld - moest men rondkomen van deze tien gulden. Deze geldzuivering was nodig om een einde te maken aan de geldcirculaties, die tijdens de Duitse bezetting werden uitgezet. Het was een goede en doordachte oplossing voor het zwarte geld probleem. Iedere Nederlander moest een week lang zien rond te komen van deze tien gulden. Heel even was iedereen even rijk. Door deze maatregel kreeg men grip op heel de financiële wereld. Vanaf 3 oktober 1945 werd het geblokkeerde geld geleidelijk vrijgegeven. Het bankbiljet groot 10 gulden van 7 mei 1945 werd Lieftinck tientje genoemd naar de toenmalige minister van financiën Peter Lieftinck. Het beleid van minister van Financiën Lieftinck werd dikwijls met humor gehekeld. Een Apeldoornse fabrikant liet in 1949 spaarpotten maken naar het hoofd van Lieftinck. In Muiderberg werd in 1991 een beeldje onthuld ter nagedachtenis aan het tientje van Lieftinck. Terug naar het overzicht van de De na-oorlogse jaren 1945-1950 De wederopbouw was een periode van hard werken. Er heerste grote woningnood en de economie lag stil. Onder de bevolking bestond, ondanks de problemen, grote eensgezindheid en een groot idealisme. Om de wederopbouw goed te laten verlopen werd van de werkgevers en werknemers gevraagd de harmonie te bewaren die nodig was om het economische herstel goed te laten verlopen. Die harmonie kwam tot stand in gestructureerd overleg via de in 1945 opgerichte 'Stichting van de Arbeid', waarin werkgeversorganisaties en vakbonden samenwerkten. De regering zorgde voor een streng loon- en prijsbeleid. Binnen een paar jaar werd heel Nederland weer opgebouwd en groeide de economie. Het leven na de Tweede Wereldoorlog werd steeds beter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in totaal 80.000 huizen vernietigd. De door het oorlogsgeweld vernielde huizen werden gerepareerd en in 1945 werden 400 nieuwe woningen gebouwd, om de dakloos geworden oorlogsslachtoffers onderdak te bieden.
Noodwoningen van net na de Tweede Wereldoorlog
Glas, dat schaars was, werd tijdens landelijke campagnes overal ingezameld. In 1950 was het aantal nieuw gebouwde woningen gestegen tot 50.000. Snel en goedkoop bouwen was het devies. Ook de snelle bevolkinggroei noopte tot het bouwen van nieuwe woningen. Er zou in Nederland nog lang sprake zijn van woningnood ! Ook werden er tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland meer dan 8000 boerderijen verwoest. Na eerste verwoestingen in 1940 (vooral in de Grebbelinie) gingen de meeste boerderijen tijdens gevechtshandelingen en bombardementen in de twee laatste oorlogsjaren verloren. Het Bureau Wederopbouw Boerderijen, een overheidinstelling, was vanaf juli 1940 verantwoordelijk voor de wederopbouw van de verwoeste boerderijen. Het liet boerderijen in regionale vormentaal bouwen die een moderne agrarische bedrijfsvoering toelieten. Veel wederopbouwboerderijen dragen een gevelsteen met een uit het vuur springende leeuw. Overal in het land was men bezig met heien, metselen etc. Ook de spoorwegen moesten na de oorlog hersteld worden. Dit was belangrijk voor de wederopbouw want ander vervoer was er vrijwel niet. Bij de spoorwegen hadden de Duitsers 11.866 goederenwagons, 900.000 dwarsliggers en 70 miljoen kilo rails gestolen; 655 stoomlocomotieven waren niet meer te gebruiken. Ook het materieel en tramnet verkeerde in een deplorabele staat. Een vijfde deel van het wagenpark was weggevoerd en de rest had te lijden gehad onder zware overbelasting.
In de Hongerwinter van 1944-1945 was een deel van het net onklaar geraakt. Dit kwam doordat de Amsterdamse bevolking op grote schaal de houten blokjes onder de tramrails vandaan had gehaald om er hun kachels mee te stoken. In de Centrale Werkplaats toog men direct na de bevrijding hard aan het werk om de achterstand in te halen en in juni 1945 kon de tramdienst weer hervat worden. Begonnen werd met het voorlopige herstel van bruggen met overspanning uit Engeland en noodbruggen Op 7 oktober reden treinen en bussen weer in vrijwel alle delen van het land. Het herstel van de vloot was van groot belang voor het aanvoeren van de nodige grondstoffen. Rotterdamse rederijen waren in de oorlog meer dan de helft van hun koopvaardijcapaciteit kwijtgeraakt. De binnenvloot en de Rijnvloot, was van vijf tot drie miljoen ton gereduceerd. En er was veel schade aan kaden, kranen en machines in de havens, ook hier gold: handen uit de mouwen ! Voor de wederopbouw kwamen zelfs buitenlandse studenten naar Nederland om mee te helpen. De contacten met deze studenten en het contact met de bevrijders zorgden er voor dat men meer belangstelling kreeg voor het buitenland. Terug naar het overzicht van de De na-oorlogse jaren 1945-1950 De jaren 1945-1949 staan geheel in het teken van de Indonesische kwestie. Direct na de Japanse capitulatie roepen Soekarno en zijn nationalistische medestanders de onafhankelijke Republiek Indonesië uit. Nederland erkent de Republiek niet en zet alles op alles om Nederlands-Indië te behouden, desnoods met militaire consequenties. Het parlement en het overgrote deel van de bevolking steunt het kabinetsbeleid. Perioden van diplomatie en onderhandeling wisselen elkaar af met perioden van strijd. Uiteindelijk haalt Nederland, onder zware druk van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties, bakzeil.
Op 27 december 1949, tekende koningin Juliana in het Paleis op de Dam het document waarin de soevereiniteit, met uitzondering van Nieuw-Guinea, over werd overgedragen aan de Republikeinse regering. De Indonesische delegatie stond onder leiding van Mohammad Hatta. Met de overdracht kwam een einde aan het gewelddadige conflict rond de onafhankelijkheid van de voormalige kolonie Nederlands-Indië. Er waren zeer veel doden gevallen, zowel aan Indonesische (150.000) als aan Nederlandse zijde (5.000). Terug naar het overzicht van de De na-oorlogse jaren 1945-1950 Na de Tweede Wereldoorlog begon de bevolking flink te groeien. Het aantal huwelijken steeg alleen maar, met als gevolg heel veel babys. In 1946 werden er 284.000 babys geboren: een recordaantal. Dit was de babyboomgeneratie, de generatie van degenen die tijdens de geboortegolf na de Tweede Wereldoorlog geboren zijn. Deze generatie heeft een aantal gemeenschappelijke ervaringen. Ze maakte kennis met de stijgende naoorlogse welvaart, en ging studeren in de woelige periode tussen 1965 en 1975. De bevolking steeg ook door immigratie.
Na de soevereiniteitsoverdracht van 1949 kozen 3.468 Molukse militairen met hun gezinnen voor emigratie naar Nederland. Ze werden de eerste tijd opgevangen in kampen, later kregen ze aparte wijken. De voormalige KNIL'ers werden ontslagen uit het Nederlandse leger, wat velen als een belediging hebben ervaren. Aanvankelijk was hun verblijf tijdelijk. Ze hoopten op terugkeer naar een eigen Molukse republiek. Toen bleek dat het als tijdelijk bedoelde verblijf van de Molukkers een langduriger status zou krijgen, veranderde ook het overheidsbeleid van een opgelegd isolement in woonoorden naar een gedwongen integratie in de vorm van kleine Molukse woonwijken binnen een nieuwbouwwijk van een gemeente. In totaal werden er 65 woonwijken in Nederland gebouwd. In de periode 1945-1949 keerden veel Nederlanders terug naar Nederland. Ook veel Indo-europeanen, kinderen met een Europees en Indonesische ouders, vertrokken naar Nederland. Zij brachten een stukje Indonesië mee naar Nederland: Indisch eten en invloeden in de muziek (Indo-rock) maken sindsdien deel uit van de Nederlandse cultuur. In totaal kwamen in de periode 1945-1957 ongeveer 300.000 repatrianten en migranten naar Nederland, een immigratiegolf van enorme omvang. Terug naar het overzicht van de De na-oorlogse jaren 1945-1950 In de naoorlogse jaren was er nog lang gebrek aan gevarieerd voedsel. Er heerste grote schaarste en veel levensmiddelen waren nog op de bon. Ook belangrijke vervoermiddelen zijn vlak na de oorlog trouwens uitsluitend via de distributie te krijgen. De overheid bepaalt wie ze het hardst nodig heeft. Gelukkig was de zeevisserij in staat om op grote schaal vis te vangen. Walvis was een welkome aanvulling in die tijd. Zowel het (vlees dat taai was) als de levertraan werden als gezond beschouwd. Welk kind herinnert zich niet de dagelijkse verplichte lepel levertraan!!!!!
Van den Tempel was minister van Sociale Zaken in het Kabinet - De Geer 2. In de meidagen van 1940 wist hij naar Engeland te ontkomen en gedurende de Tweede Wereldoorlog was hij in Londen minister van Sociale Zaken in de kabinetten Gerbrandy 1 en 2. Wat er aan voor af ging ! Minister Van den Tempel wil iets doen voor de schrijnendste gevallen die hij na de bevrijding denkt aan te treffen. Hoe hij precies op het idee is gekomen, is niet helemaal na te gaan. In het archief van Jan van den Tempel zit een folder van de YPOC. Het Britse ontvangst comité voor Young People from Occupied Countries (jonge mensen uit bezette landen), dat in 1942 is opgericht, heeft tot doel na de bevrijding de kinderen, die geleden hebben onder de Duitse bezetting, een aantal maanden in Groot-Brittannië op te nemen om te herstellen. Binnen een jaar zijn door heel Groot-Brittannië plaatselijke comités opgericht die gezinnen zoeken voor het onderbrengen van deze kinderen. Misschien heeft dit Van den Tempel op een idee gebracht. Het opnemen van buitenlandse kinderen, die slachtoffer zijn geworden van een oorlog, is voor Van den Tempel niet onbekend. Nederland had na de Eerste Wereldoorlog zelf veel Oostenrijkse en Hongaarse kinderen opgenomen. In maart 1943 heeft hij zijn plannen rond. In de ministerraad van 4 april 1943 ontvouwt Van den Tempel zijn plannen. Niet iedereen staat positief tegenover zijn plannen. Minister president Gerbrandy deelt mee dat koningin Wilhelmina niets voelt voor dergelijke initiatieven vanuit de regering en dat zij niet wil dat er geld beschikbaar wordt gesteld voor dit doel. Ze heeft wel veel sympathie voor het denkbeeld, maar vindt dat de initiatieven na de bevrijding op gang zullen moeten komen vanuit particuliere hoek. Daar moet ook het geld vandaan komen, vindt zij, met hooguit een aanvulling door de overheid. Wilhelmina vindt het plan te duur voor de overheid en on-Nederlands, omdat de Nederlanders hun kinderen niet naar buiten sturen. Verder vindt zij dat dergelijke aangelegenheden na de bevrijding aan de Nederlanders zelf moeten worden overgelaten. Van den Tempel maakt duidelijk dat de voorbereidingen veel tijd zullen vergen en dat niet gewacht kan worden tot de bevrijding. Maar de koningin is niet onder indruk en blijft bij haar standpunt. Van den Tempel neemt het hoog op en schrijft een brief aan Gerbrandy waarin hij zijn twijfel uitspreekt of hij onder deze omstandigheden wel aan kan blijven als minister.
Selectie-criteria! Niet alle kinderen die op een of andere manier geleden hebben, kunnen op korte termijn worden uitgezonden. De gezamenlijke commissies hebben de artsen, die de kinderen moeten selecteren, regels gegeven. Uitgezonden mogen worden: - kinderen die door de oorlogsomstandigheden in meerdere mate hebben geleden, - kinderen die herstellend zijn van acute ziekten, - kinderen met ondervoeding, - kinderen met nerveuze verschijnselen als angst en slapeloosheid. Er is nog een voorwaarde waaraan de kinderen moeten voldoen. Zij mogen niet uit een gezin komen dat tijdens de oorlog fout is geweest. Dat betekent dat vader niet aangesloten mag zijn geweest bij de NSB of bij het Arbeidsfront en dat hij de Winterhulp niet mag hebben ondersteund. Er is een aantal kinderen om die reden afgewezen, ook al hadden ook zij de uitzending dringend nodig. Terug naar het overzicht van de De na-oorlogse jaren 1945-1950 1945 kabinet Schermerhorn Drees Na de oorlog probeert een deel van de politieke elite de Nederlandse verzuiling van de maatschappij en de politiek te doorbreken. De vorming van een grote progressieve volkspartij op christelijk-sociale grondslag mislukt. Bij de verkiezingen in 1948 blijven de kiezers de oude partijen trouw en keerden de zuilen terug. Twee jaar later ging Nederland opnieuw naar de stembus in verband met het zelfstandig worden van Indonesië.
Het kabinet treedt op 24 juni 1945 aan. Nadat op 16 mei 1946 de Tweede Kamerverkiezingen hebben plaatsgevonden, vraagt het kabinet ontslag. Na de vorming op 3 juli 1946 van het kabinet Beel 1 verleent de Koningin dat ontslag. Een jaar na de oorlog (mei 1946) werden er voor het eerst weer algemene verkiezingen gehouden, die resulteerden in het kabinet Beel 1. Het eerste kabinet-Beel, bestaat uit ministers van KVP en PvdA, alsmede drie partijloze personen. Minister-president Beel is afkomstig uit de KVP. De samenwerking tussen KVP en PvdA staat bekend als 'het nieuwe bestand' en legt de basis voor een gematigd progressief beleid. De wederopbouw van Nederland na de Duitse bezetting wordt door dit kabinet verder ter hand genomen. Verder worden eerste stappen gezet op weg naar de verzorgingsstaat. Onderhandelingen over een Nederlands-Indonesische Unie en de daaruit voortvloeiende onrust in Nederlands-Indië vragen de nodige aandacht. Het kabinet trad af vanwege ontbinding van de Tweede Kamer, en vervroegde verkiezingen, (1946) naar aanleiding van een Grondwetswijziging.
Het kabinet, Drees - Van Schaik, moest had deze 'brede basis' nodig om Grondwetsherziening mogelijk te maken. Dat was wenselijk vanwege de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. In 1948 geeft de regering opdracht tot een tweede politionele actie in Indonesië, maar onder internationale druk, vooral van de Verenigde Staten, moeten onderhandelingen worden gestart, die op 27 december 1949 leiden tot de Soevereiniteitsoverdracht die uiteindelijk in december 1949 na veel strijd tot stand komt. Als in januari 1951 de VVD-fractie met een (overigens verworpen) motie van afkeuring komt over het Nieuw-Guineabeleid, vraagt minister Stikker (VVD) van Buitenlandse Zaken ontslag. Omdat hiermee de basis onder het kabinet wegvalt, volgen zijn collegae. Het kabinet bestaat uit ministers van de PvdA, KVP, VVD, CHU en twee partijloze ministers. Minister-president Drees is afkomstig uit de PvdA. Het kabinet treedt op 7 juli 1948 aan, wordt op 24 januari 1951 demissionair en op 15 maart 1951 opgevolgd door het tweede kabinet Drees. In 1949 treedt Nederland toe tot de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Verder komen enkele grenscorrecties met Duitsland tot stand. Het koningshuis
Gedurende de oorlogsjaren kon koningin Wilhelmina in Londen een grote persoonlijke invloed uitoefenen op staatszaken. Vanuit Engeland was ze nauw betrokken bij het verzet en de plannen voor de wederopbouw van Nederland na de oorlog. Ze koesterde zelfs verwachtingen voor een ander staatsbestel waarbij de macht van het Oranjehuis zou worden vergroot. De werkelijkheid na 1945 was een grote teleurstelling voor haar. Ze was gedurende de oorlogsjaren een lichtend voorbeeld voor haar onderdanen geweest en had een grote wilskracht getoond, waarvoor zelfs de president van de Verenigde Staten, Roosevelt, ontzag had. Ook de snelheid waarmee Nederlands-Indië zich van het moederland had losgerukt stemde haar bitter. Op 4 september 1948 maakte ze de weg vrij voor haar dochter Juliana. Het was de dag van haar vijftigjarig jubileum als koningin der Nederlanden. Op 6 september 1948 werd Juliana in de Nieuwe Kerk in Amsterdam ingehuldigd als de nieuwe vorstin. Juliana werd door haar sociale bewogenheid en haar gemoedelijke optreden door het Nederlandse volk op handen gedragen. Terug naar het overzicht van de De na-oorlogse jaren 1945-1950 Foute Nederlanders. De zuivering ! Na de oorlog werden foute Nederlanders - zij die vanwege hun pro-Duitse opvattingen een bedreiging vormden voor de geallieerde oorlogsinspanning - op last van het Militair Gezag gearresteerd en geïnterneerd. Het werd verboden om vrouwen en kinderen in bewaring te nemen, tenzij individuele daden daartoe aanleiding gaven. Als een kostwinner werd gearresteerd kon zijn gezin een beroep doen op ondersteuning. Als zowel de vader als de moeder gearresteerd waren, werd voorzien in opvang voor de kinderen. Anderen werden na een rechtszaak veroordeeld, bijvoorbeeld de drie van Breda. Weer anderen bleken onterecht te zijn gearresteerd, en werden na soms lange periodes van voorarrest vrijgesproken.
Ongeveer 120.000 foute Nederlanders worden gevangen gezet. Hun berechting duurt enkele jaren. Tenslotte worden 34 Nederlanders geëxecuteerd, onder wie NSB-leider Mussert. Met de bevrijding van Nederland diende zich het probleem aan wat er zou moeten gebeuren met hen, die onder landverraders werden geschaard. Op grote schaal werd iedereen, die verdacht werd de bezetter behulpzaam te zijn geweest, opgepakt en in afwachting van berechting geïnterneerd. Deze 'politiek delinquenten' werden ondergebracht in geïmproviseerde kampen, die verspreid over Nederland speciaal voor dit doel waren ingericht of die een voortzetting waren van tijdens de bezetting bestaande kampen en gevangenissen, zoals Westerbork, Vught en Scheveningen. Het Interneringskamp Westerbork was één van de meest bijzondere kampen. Op het moment dat de eerste foute personen het kamp betraden, werd Westerbork nog door ongeveer 850 bevrijde Joden bevolkt. Een aanzienlijk deel van hen, die jaren hadden moeten leven met de constante spanning van een mogelijk transport naar het Oosten, werd in die eerste bevrijdingsmaanden ingezet bij de bewaking van de geïnterneerden. In de zomer van 1945 was de toestand in het Interneringskamp Westerbork chaotisch. Naast de Joden waren er de bewakers van de Binnenlandse Strijdkrachten, het voormalige verzet, en een aantal vertegenwoordigers van het Militair Gezag (MG) die elkaar de macht betwistten. Slechte leefomstandigheden en psychische en lichamelijke misstanden waren aan de orde van de dag. Op 1 december 1948 werd het interneringskamp gesloten. Een groot deel van de gevangenen was in de voorgaande periode al vrijgelaten.
Op de Veluwe, op het terrein van het militaire schietterrein "De Harskamp", werd in mei 1945 een kamp ingericht, waar meer dan vierduizend Nederlanders die bij verschillende onderdelen van de SS hadden gediend, onder erbarmelijke omstandigheden werden samengepakt. Veel politieke delinquenten zijn in deze periode doelbewust omgebracht, zoals de honderd krijgsgevangen Nederlandse SSers die onbeschermd de mijnenvelden in Brabant werden ingejaagd. Het merendeel van de geïnterneerden was alleen maar lid geweest van de NSB. Ongeacht leeftijd of geslacht werden de foute Nederlanders soms als beesten behandeld. De zogeheten zuivering werd een chaos. In hoog tempo werden grote aantallen mensen van huis gehaald en opgesloten. Mishandelingen kwamen herhaaldelijk voor. 'Landverraders' werden op straat door menigtes vernederd. Er werden ook veel onschuldige opgepakt. Bovendien keerde het op wraak beluste deel van het volk zich tegen 'moffenmeiden', vrouwen die volgens dat volk seksuele relaties met Duitse militairen hadden onderhouden. De vrouwen werden te kijk gezet met bordjes met vernederende opschriften, kaalgeknipt, met menie besmeurt, enzovoort. Deze hele ontwikkeling, met massale arrestaties, mishandelingen, vernedering van een machteloze groep en het weer in gebruik nemen van concentratiekampen, weliswaar met een ander doel, deed menigeen denken aan de naziemethoden. Met herstel van de rechtsstaat had het in ieder geval niets te maken. Het Militaire Gezag wilde of kon niet tegen de wantoestanden optreden. Veel kamparchieven werden al snel vernietigd en veel sterfgevallen gingen de boeken in als natuurlijke dood Vijf jaar na de bevrijding zijn er bijna 140.000 mensen na hun voorarrest vrijgelaten en zijn er 66.000 veroordeeld. Geschat wordt dat zo'n 15.000 tot 20.000 mensen tijdelijk hun Nederlanderschap hebben verloren.
Op 13 januari 1948 staat Ans voor het vuurpeloton. Haar verzoek om gratie wordt door koningin Wilhelmina afgewezen. Zij werd door de marechaussee in Fort Bijlmer in Weesperkaspel geëxecuteerd. Haar laatste wens om toe te mogen treden tot de Rooms-katholieke kerk werd ingewilligd. Kinderen van foute ouders De kinderen van foute Nederlanders werden na de oorlog gezien als politiek besmette jeugd. Ze waren bijvoorbeeld lid geweest van de Nationale Jeugdstorm of hadden als jonge knapen tijdens de oorlog in Duitsland gewerkt. Na de bevrijding vond de overheid dat deze jongeren alsnog opgevoed moesten worden als vaderlands-lievende burgers. Ze werden ondermeer in tehuizen geplaatst. In Goirle kregen deze jeugdigen tot juni 1948 onderdak in het tehuis Villa Blanca.
Het BBJ, dat deel uitmaakte van het ministerie van Justitie, richtte zich op de heropvoeding van de jeugd met als achterliggende gedachte dat de kinderen het verschil dienden te leren tussen goed en fout. Als afstand kon worden genomen van het verleden en van de oude NSB-identiteit was volgens het BBJ integratie in de samenleving mogelijk. De praktijk bleek echter vaak lastiger: Veel kinderen vonden het moeilijk de opvattingen van hun ouders af te vallen en voelden zich onbegrepen. Na 1950, toen vele ouders terugkeerden uit interneringskampen en herstel van het gezinsleven weer mogelijk was, bleek integratie in de maatschappij niet vanzelfsprekend.
Van de 110.000 uit Nederland gedeporteerde joden kwamen na de oorlog slechts iets meer dan 5.000 terug. De meeste teruggekeerde joden voelden zich allesbehalve welkom en moesten veel slikken, aan onbegrip, botheid en zelfs vijandigheid. Voor de 5.200 joodse overlevenden van kampen als Auschwitz, Bergen-Belsen en Theresienstadt kwam die kilte extra hard aan. Over het algemeen is de terugkeer in Nederland voor veel Joden geen bevrijdingsfeest geworden, hun huizen werden door anderen bewoond en hun bezittingen waren weg. De banktegoeden van omgekomen Joodse landgenoten waren een halve eeuw later nog onderwerp van procesgang. De meeste Nederlanders waren zo vervuld van hun eigen oorlogservaringen dat ze maar weinig interesse toonden voor wat zich buiten de landsgrenzen had voltrokken. Gelukkig waren er ook veel Nederlanders die de Joden menslievend tegemoet traden en probeerden hen te helpen. Jonge mensen vonden het na de oorlog vaak moeilijk hun studie weer op te pakken. Onder die omstandigheden trokken vele overlevenden naar Israël, anderen probeerden ondanks alles hun leven in Nederland weer voort te zetten. Terug naar het overzicht van De na-oorlogse jaren 1945-1950
|