|
| |
(klik op de plaatjes om ze te vergroten en op de blauwe titel van de
liedjes om ze te horen en te zien)
(TIP: mocht uw internetverbinding niet snel genoeg zijn, klik dan links onder op
II)
(er
ontstaat dan een driehoekje met de punt naar rechts)
(laat u het filmpje downloaden en klik dan op het driehoekje)
Nederlandse literatuur in de jaren veertig
| Het was niet gemakkelijk tijdens de tweede wereldoorlog om schrijver te zijn. De
bezetter hield alles in de gaten en richtte daartoe De Nederlandse
Kultuurkamer op. De praktische zaken en uitvoerende taken van de Duitse
cultuurpolitiek kwamen in handen van een zelfstandig opererende afdeling van
het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Deze afdeling, de
Nederlandsche Kultuurkamer (NKK) genaamd, werd op 22 november 1941 ingesteld
en trad op 19 februari 1942 met de verordeningen betreffende het pers- en
het theatergilde in werking. De belangrijkste beroepsgroepen op het gebied
van kunst en cultuur waren in de Kultuurkamer, waarvan T. Goedewaagen
president was, opgenomen via zogeheten ‘gilden’. |

Toby Goedewaagen
1895-1980
|
Dat waren er zes: Beeldende Kunst, Muziek, Literatuur, Theater en Dans, het Filmwezen en het Perswezen. Wie naar het oordeel van de bezetter tot een van de zes beroepsgroepen behoorde, diende zich via het desbetreffende gilde aan te melden bij de NKK, Joden waren hiervan uitgesloten. De belangrijkste taak van deze instelling was de nationaal-socialistische gedachte te propageren en de kunstenaars en journalisten te controleren. Wie zich niet bij de Kultuurkamer had aangemeld, had geen toestemming om te werken. Wie iets wilde publiceren moest daar lid van zijn. Veel auteurs wezen een lidmaatschap af en wensten hun creativiteit niet ondergeschikt te maken aan de (uiterst) verwerpelijke politieke ideeën van de bezetter. Wie toch wilde publiceren deed dat clandestien. Een uitgeverij als De Bezige Bij dankt daaraan haar bestaan.) Zo ontstond er een periode waarin de literatuur volkomen stilstond. Aan het begin van de oorlog overleden drie grote Nederlandse schrijvers: Henri Marsman, Menno ter Braak, en Edgar du Perron (de oprichters van het tijdschrift Forum).
|
|

Dagboek van Anne Frank |
Veel dagboeken werden tijdens de oorlog geschreven en daarna gepubliceerd. Het bekendste is het dagboek van Anne Frank: Het Achterhuis. (1947) Professor Jan Romein zag onmiddellijk de waarde ervan in toen hij het in 1946 in handen kreeg. Hij zocht contact met verschillende uitgevers en vond tenslotte een uitgever bereid het boek uit te geven. Het dagboek van Anne Frank is op dit ogenblik het meest in andere talen vertaalde Nederlandse boek. |
|
We bezitten in de Nederlandse literatuur vele verzetsgedichten. Deze werden in de oorlog gebundeld in het Geuzenliedboek. (1941) Zeer bekend hieruit is, Het lied der achttien doden, door Jan Campert. De Tweede Wereldoorlog heeft zeker ook zijn stempel gedrukt op de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie.
Waar in de oorlog het proza vooral een thema was (vaak traumatische oorlogservaringen), in de poëzie heeft de oorlog in eerste instantie de vorm van de gedichten beïnvloed: zij mocht niet meer alleen maar mooi zijn.
|

Geuzenliedboek
1940-1945 |
|

P.L. Boon,
Mijn kleine oorlog,
1946
|
Veel mensen wilden de oorlog het liefst zo snel mogelijk vergeten, maar in de literatuur was daar geen sprake van. In de literatuur van de jaren veertig en vijftig speelt WO II een prominente rol. Heel veel boeken in romanvorm hadden als thema de Tweede Wereldoorlog. Voor veel auteurs was de oorlog een onontkoombaar thema. Louis Paul Boon, bijvoorbeeld, riep in de reportageachtige verhalen van, Mijn kleine oorlog, de sfeer van de oorlogsjaren op. Voor veel jonge auteurs, die volwassen werden in de oorlog, blijken de oorlogservaringen bepalend te zijn geweest voor hun schrijverschap. |
Zo zei W.F. Hermans in een interview: ‘Mijn hele jeugd stond in het
teken van de oorlogsdreiging. Ik had als jongen nogal een beperkte
bewegingsvrijheid. Zeer strenge ouders. Toen na mijn eindexamen gymnasium
mijn studententijd had moeten beginnen, brak de oorlog uit en werden ook die
jaren verpest.’ Hermans verhalend proza is inderdaad niet van de oorlog los
te zien, zoals Het behouden huis uit 1951. Hetzelfde geldt voor belangrijke
naoorlogse auteurs als Gerrit Kouwenaar (die in 1951 de oorlogsroman, Ik was
geen soldaat publiceerde), en Gerard Reve. Over het boek, De avonden van
Reve (toen nog Simon) uit 1947, is vaak opgemerkt dat de oorlog er niet
voorkomt op een enkele toespeling na. Maar terecht tekent de schrijver K.
Schippers daarbij aan: ‘als ik het boek herlees is die oorlog voor mij op
iedere bladzijde aanwezig. Het boek is een monument van het verzwijgen.’
Romans en verhalen hebben sinds 1945 in niet geringe mate bijgedragen aan de
beeldvorming rond de oorlog.
|
|

W.F. Hermans,
Het behouden huis boek
1951 |

Gerrit Kouwenaar,
Ik was geen soldaat,
1951 |

Simon van het Reve,
De avonden,
1947
|
|
Enkele dichters & schrijvers
|
|

Willem Elsschot,
pseudoniem van Alphonsus
Josephus de Ridder
1882-1960
|
Pas na 1928 werd Elsschot echt ontdekt in Noord-Nederland, vooral door de stimulerende invloed van Ter Braak en Du Perron. Illustratief daarvoor is het gegeven dat de roman Lijmen in 1914 werd gepubliceerd en Elsschot pas veertien jaar later, in 1928 een vervolg op deze roman, Het Been, liet verschijnen. Vooral Ter Braak moedigde hem aan dit vervolg te schrijven (op een literatuurlijst dienen beide boeken als een geheel gezien te worden).
De stijl van Elsschot is cynisch. Dat komt het beste tot uiting in het
verderop volgende begin van de roman Kaas. Deze roman wordt op veel
scholierenliteratuurlijsten vermeld. Elsschot zelf vond dat hij bij geen
stroming behoorde (hij zei dat hij nooit romans van anderen las om niet te
worden beïnvloed) kunnen we hem toch heel goed indelen bij de groep rondom
het tijdschrift Forum, dus de Nieuwe Zakelijkheid. Immers zijn woordgebruik
is zakelijk, direct, zonder versieringen. Hij bezigt de gewone spreektaal.
Zeer bekend werden zijn romans, Lijmen/Het Been, Kaas, Een Ontgoocheling en
Het Dwaallicht. |
| De Nederlandse dichter, J.C. Bloem, boeide veel lezers. Hij studeerde rechten in Utrecht, was ambtenaar, journalist en griffier aan enkele kantongerechten. In zijn eerste bundel, Het verlangen (1921), getuigt de dichter van een ‘goddelijke onvervuldheid’ die door haar spanning en stuwkracht het leven draaglijk maakt. In zijn latere werk verdiepte zijn gevoel zich tot een aanvaarde weerloosheid ten opzichte van eenzaamheid, ouderdom en dood.
In de serie ‘Stemmen van schrijvers’ verscheen bij Querido een
45-toerenplaat, waarop J.C. Bloem uit eigen werk voorlas. Aan de andere kant
stond A. Roland Holst. Zijn Verzamelde gedichten verscheen in 1947, en werd
al spoedig enige malen herdrukt. En daarmee kwam eindelijk ook de officiële
erkenning van zijn dichterschap. Literaire prijzen: Constantijn
Huygens-prijs in 1949 voor zijn gehele oeuvre, de P.C. Hooft-prijs in 1952
voor ‘Avond’ en de Grote Prijs der Nederlandse letteren 1965 voor zijn
gehele oeuvre.
|

J.C. Bloem
1887-1966
|
| J.C. Bloem publiceerde niet veel, zijn totale oeuvre telt slechts 161gedichten. Wel zijn uit dit kleine oeuvre zijn diverse regels klassiek geworden. Op het monument op de Grebbeberg staat een tekst van J.C. Bloem: ‘Vijf dagen - en de vrijheid ging verloren, Vijf jaren - en eerst toen werd zij herboren - zo moeizaam triomfeert gerechtigheid - Aan dit besef zij deze grond gewijd’. De herkenbare invloed van Bloems poëzie is gering geweest. Hij was een zeer persoonlijk en traditionele dichter en zijn heldere, doorzichtige zorgvuldigheid is vrijwel onnavolgbaar. Te dikwijls heeft men voor simpele eenvoud versleten, wat in werkelijkheid het resultaat is van een buitengewoon vakmanschap.
|
|

Roland Holst 1888-1976 |
Roland Holst, was een Nederlandse dichter. Hij had een gedragen,
plechtige stijl, waarin hij echter op onverwachte momenten spreektaal
gebruikte. In zijn werk vormt de mythische verbeelding van de ideale
situatie van de mens en diens botsing met de werkelijkheid een terugkerend
thema. A. Roland Holst gebruikte veel aan de Keltische en Griekse sagen
ontleende symbolen als: de zee, de wind, de sterren. |
Roland Holst won vele literaire prijzen waaronder: D.A.
Thieme-prijs 1938 voor ‘Een winter aan zee’. Verzetsprijs voor
letterkundigen 1945 voor ‘Helena’s inkeer’. Constantijn Huy-gens-prijs 1948
voor zijn gehele oeuvre. P.C. Hooft-prijs 1955 voor ‘Late telgen’. In het
juryrapport van de prijs der Nederlandse Letteren 1959 werd hij ‘de prins
van onze dichters’ genoemd. Eens in de drie jaar wordt de Adriaan Roland
Holst Penning uitgereikt, een oeuvreprijs voor beeldende kunst en poëzie. De
prijs wordt toegekend door de Stichting Adriaan Roland Holst Fonds, door
hemzelf in 1958 in het leven geroepen om kunstenaars in Bergen te
ondersteunen.
Een fragment van A. Roland Holst uit: Voor de bijl.
Tweede Wereldoorlog. Een volk van knechten komt de wereld knechten,
aangevoerd door een brallende onderkaak. |
| Jan Campert, een Nederlandse dichter, journalist,
toneelcriticus en schrijver van verhalen. Hij was ook actief betrokken bij
het Nederlandse verzet in de Tweede Wereldoorlog. Hij werd in de Tweede
Wereldoorlog gearresteerd omdat hij joden had geholpen. Geschat wordt dat
hij ongeveer 20 joden heeft helpen ontsnappen naar België Hij werd naar het
concentratiekamp Neuengamme (in Duitsland bij Hamburg) gebracht. Daar
overlijdt hij op 12 januari 1943. |

Jan Campert 1902-1943 |
| Het bekendst werd Jan Campert door de twee gedichten die hij
tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef: ‘Het lied der achttien dooden’. Het
gedicht werd door Jan Campert geschreven naar aanleiding van de executie van
18 mannen: 15 verzetsstrijders en 3 februaristakers. Deze executie vond op
13 maart 1941 plaats op de Waalsdorpervlakte. Pas na zijn dood kreeg Jan
Campert de erkenning waar hij zijn leven lang naar snakte, als dichter van
‘De achttien dooden’ en verzetsheld. |
|

Menno ter Braak 1902-1940 |
Menno ter Braak ontwikkelde zich na zijn studie Geschiedenis tot een
gezaghebbende criticus. Hij bepaalde voor een groot deel het gezicht van de
Nederlandse literatuur na de jaren dertig.
Uitgangspunt van Ter Braak was de kracht van het gewone woord. Samen met Du
Perron en enkele anderen richtte hij het tijdschrift Forum (1932 - 1936) op.
De oude strijd over vorm en inhoud werd door Forum laconiek opgelost door de
leus: ‘Niet de vorm maar de vent’. Dit Ventisme had bewondering voor een
literair werk waarin een persoonlijkheid werd uitgebeeld, een vent dus. |
| Naast publicaties als, Politicus zonder partij en Afscheid
van domineesland, werd Ter Braak bekend door zijn vele kronieken in het
dagblad Het Vaderland. In zeven delen werd zijn Verzameld proza gebundeld,
terwijl er aparte uitgaven zijn van zijn brieven. Persoonlijk zette Ter
Braak zich in om het fascisme te bestrijden door kort voor de Tweede
Wereldoorlog het Comité van Waakzaamheid op te richten. Toen in mei de
Duitsers ons land binnenvielen maakte Ter Braak een einde aan zijn leven.
Dit, nadat hij nog getracht had om naar Engeland uit te wijken. |
 |
| Later bleek dat hij hoog genoteerd stond op een soort zwarte
lijst die de bezetter hanteerde om hun belangrijke tegenstanders te
elimineren. Op literair gebied is het vooral de verdienste van Ter Braak
geweest dat hij onmiddellijk signaleerde welke auteurs belangrijk waren en
welke niet. Zo stimuleerde hij Willem Elsschot om door te gaan met
publiceren. Diens boek, Lijmen, is aan Ter Braak opgedragen. |
|

1943 |

1938 |

1945 |
| Na de oorlog werd er een commissie benoemd die Nederlandse
auteurs moest zuiveren van hen die met de vijand hadden samengewerkt. In
deze commissie (de Ereraad genoemd) zaten schrijvers als M. Nijhoff en F.
Bordewijk. Een aantal schrijvers kreeg een publicatieverbod van enige jaren
opgelegd. (Voorbeeld: Jo van Ammers - Küller, Werumeus Buning, J. van
Oudshoorn, Albert Kuyle). |
| De veroordeling van de dichter Werumeus Buning werd aangevochten door enkele collega’s. In de meeste gevallen konden de veroordeelde schrijvers na korte tijd weer publiceren. Onmiddellijk na de oorlog verschenen verhalen, gedichten, romans en dagboeken. In plaats van de opbeurende boeken waar de kritiek op zat te wachten, verschenen er ook veel ontluisterende romans na de oorlog. De hoofdpersonen daarin geloven nergens meer in, hebben geen belangstelling voor kunst of wetenschap, en zijn geobsedeerd door lichamelijk verval. |
| Hoe teleurstellend de naoorlogse roman in Nederland ook was voor de oudere generatie, heeft zij wel een zeer indringend beeld geschetst van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. Zeker op de generatie die in de oorlogsjaren volwassen werd. De avonden, (Reve) Eenzaam avontuur, (Anna Blaman) en W.F. Hermans), Ik heb altijd gelijk. Het zijn romans die de ontreddering tonen van een generatie die in 1945 nog niet in staat bleek een antwoord te formuleren op de bijzonder prangende vraag: wat nu? |
| Aan het einde van de jaren veertig begon een groep jonge
schrijvers die er vrijpostige politieke ideeën op na hielden, te denken om
werk in eigen beheer uit te geven en zelf promotie te voeren. Een manier om
niet meer van afwijzing naar afwijzing te moeten toeleven (van vermaarde
uitgevers) bestond erin hun werk te publiceren in zogenaamde chapbooks,
goedkope paperbacks die ergens het midden hielden tussen een boek en een
tijdschrift. Dichters (naast Lucebert ook bijvoorbeeld Gerrit Kouwenaar,
Remco Campert en in Vlaanderen Hugo Claus) gaan op zoek naar een (vorm) taal
die een duidelijke breuk markeert met de vooroorlogse esthetica. |
| Het naoorlogse proza wordt wel ‘existentialistisch’ genoemd
Een kenmerk dat zijn herkomst vindt in het Franse existentialisme, (van o.m.
Sartre en Camus). Een stroming met als centraal idee: de mens en zijn
bestaan, waarbij essentieel ( wezenlijk) is dat de mens de vrijheid heeft,
maar ook verplicht is in elke nieuwe situatie te kiezen, als gevolg waarvan
hij echter louter zelf de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven draagt,
en niet bijvoorbeeld God of een andere metafysische (bovennatuurlijke)
macht. De mens leeft daarbij in een gruwelijke wereld, maar houdt toch zijn
lot in eigen hand. |
|
Krantenstrips, strips en een klein boekje |
|

1947 |

1947 |

1948 |
|

1948 |

1948 |

Karel Kwiek |
| De oorlogsperiode in de jaren veertig beïnvloedde op
verschillende manieren de ontwikkeling van de Nederlandse strips. De meeste
tekenaars werkten gewoon door en pasten zich aan aan de nieuwe situatie. De
invoer van Amerikaanse en Engelse stopt, de drukpers komt vrijwel geheel in
dienst te staan van propagandadoeleinden en de censuur wordt verscherpt.
Toen de oorlog voorbij was stond het tekenaars weer vrij zelf te bepalen wat
ze wilden maken. Veel tekenaars begonnen zich toe te leggen op detective
strips. Voor de oorlog is de strip een geaccepteerd verschijnsel. In 1948
besluit de overheid ineens dat bepaalde beeldlectuur schadelijk wordt geacht
voor de tere kinderziel. Op scholen worden daarom bepaalde strips verboden. |

Thijs IJs |
| In 1943 debuteert Marten Toonder met de strip Thijs IJs. Hij
zal later door de Bommelstrips een van de belangrijkste striptekenaars van
Nederland worden. |
| Toonder en zijn studio hebben een grote invloed gehad op het
Nederlandse beeldverhaal. De eerste tekstballonnetjes verschenen in de serie
Dick Bos, gemaakt door Alfred Mazure. Mazure was voor de oorlog al actief
als tekenaar, maar pas met de serie Dick Bos bereikt hij een groot publiek.
De actieheld die op exotische locaties avonturen beleefde en de gevechten
altijd won met zijn jiujitsutechniek werd zo populair dat zijn verhalen al
snel in losse boekjes werden gepubliceerd. De papierschaarste na de oorlog
noopte tot inventiviteit. De beeldroman vond het licht: een boekje met een
minimum aan papier, zo groot als een pakje sigaretten. |

1941 |
|

Krantenstrip 1941 |
Een ander belangrijk zelfstandig stripblad van direct na de
oorlog was Sjors van de Rebellenclub (verscheen eerst als Sjors), als
bijlage bij Panorama) en Ketelbinkie verscheen als krantenstrip. Sjors werd
voornamelijk gevuld met Engelse strips, waarbij Billie Turf de
kostschoolstrip zeer populair werd. In 1946 viel het weekblad Kuifje in
menig brievenbus, de Nederlandstalige versie van het Franse Tintin, was hèt
blad voor de liefhebber van de betere (Belgische) strip. |
| Onder enkele jeugdbladen uit de jaren veertig. |
|
|
| Tijdschriften en weekbladen. De nationaal-socialistische tijdschriften
houden het uiteraard het langste uit. Zoals het blad Jeugd, met veel gezond
Arisch gedachtegoed. Na de oorlog vinden de Nederlandse week- en jeugdbladen
gretig aftrek. Het is afgelopen met de censuur en dat geeft de schrijvers en
tekenaars weer de gelegenheid om in alle vrijheid voor veel lees- en
kijkplezier te zorgen. |
|
|
| De huisvrouw las in de jaren veertig, De vrouw en haar huis en het rijk der
vrouw. In 1948 stond Nederland aan de vooravond van economische, sociale en
culturele veranderingen; in datzelfde jaar kreeg het familieblad (en het
voormalige verzetsblad), Ons vrije Nederland, een meer verstrooiend
karakter. |
|
|
| Het introduceerde het de bijlage Vrouwenstem: ‘Er zijn nu
eenmaal specifiek vrouwelijke belangen, die het leven van alle dag en het
zielenleven raken. Hierover te praten is het doel van Vrouwenstem’. Mode,
royalty, huishouden en relaties waren terugkerende onderwerpen. In dit
nummer waarschuwt de rubriek ‘Hij en zij in moeilijkheden’ voor de gevaren
van verlovings-sleur. Ook is er in het blad een recept te vinden voor
spritskoekjes de geheimen van de spuitzak; verder een zelfmaakmode-idee (‘Ik
ben "sweet seventeen’ en brei dit vest!') en aandacht voor een revolutionair
Zwitsers concept: de oppascentrale. Kortom, het aangename werd met veel
nuttigs verenigd, want: ‘Als U een vriendin zoekt, zoek er dan een aan wie U
iets hebt, die U iets van zichzelf geeft. Zulk een vriendin wil Vrouwenstem
zijn’. |
| Okido was een ontspanningstijdschrift voor het hele gezin.
Op de omslag, in zwart-wit met rode steunkleur, staat telkens een cartoon en
in de O van Okido een foto van een aantrekkelijke jonge dame. Vaste
rubrieken waren: ‘Grappen en grollen’, ‘Praatjes en plaatjes’, ‘Misdaad en
straf’ en ’Het gebeurde op Moeder Aarde’. Verder aangevuld met foto's van
filmsterren, ruimte voor sport, puzzels en stripverhale n en vaak uit het
Amerikaans vertaalde (vervolg) verhalen. De cartoons en moppen geven een
tijdsbeeld met stereotype afbeeldingen van zwarte mensen en vaste patronen
voor mannen en vrouwen. |
| De Week in Beeld verscheen van 1935 tot 1953 en in deze
periode bepaalden de crisis, het nationaal-socialisme en de koude oorlog de
actualiteit. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zag de Duitse bezetter erop toe
dat de publieks-tijdschriften geen anti-Duitse of onwelgevallige berichten
publiceerden. De Week in Beeld had geen binding met een politieke of
kerkelijke groepering, en de redactie had geen uitgesproken beginselen om te
verloochenen. De toonzetting was luchtig: het leven ging gewoon door. Er was
binnenlands nieuws, waarbij de Duitse prominenten in ons land in beeld
kwamen. |
| Maar ook de de publieke activiteiten van de NSB. Het
buitenlandse nieuws ging onder meer over het voorspoedige verloop van de
strijd aan het oostfront. De lezer trof reportages aan over het platteland
of de elfstedentocht. Door de advertenties voor surrogaten was merkbaar dat
sommige artikelen schaars werden; de Nederlandse handel werd immers
belemmerd. De talloze lokale edities van het illegale verzetsblad Vrij
Nederland leiden na de Duitse bezetting tot de oprichting van een landelijk
Vrij Nederland: een 'onafhankelijk, cultureel, sociaal en politiek
weekblad'. |
|

1941
|

1941
|

1948
|

Kookboek jaren 40
|
|
| Pin-Up magazine. In de eerste helft van de twintigste eeuw
waren filmsterren misschien wel de populairste volkshelden en -heldinnen.
Zij konden dagelijks bewonderd worden in bioscopen en filmzaaltjes, die ook
op het platteland alom te vinden waren. Vooral filmactrices, mooie en sexy
geklede vrouwen met een reputatie van losse zeden, spraken tot de
verbeelding. Glamourfoto's van actrices in nauwsluitende jurken of in badpak
waren gewilde objecten. |

1948 -1950 |
| Deze foto’s werden vaak met punaises opgehangen en
ontleenden daaraan hun naam: pin-ups. Het tweewekelijks verschijnende blad
Pin-up magazine creëerde, met deze foto’s als basis, een sfeer van erotiek
en savoir-vivre, wars van kleinburgerlijkheid. Ondeugende’ cartoons en
verhalen, vaak geschreven onder Frans- of Engelsklinkend pseudoniem, droegen
aan deze sfeer bij. Soms waren er problemen met de censuur. De cover, met
een ‘gewaagde’ afbeelding, was typerend voor het blad. |
Ilse Steel
Bronnen:
Lexicon van de moderne Nederlandse literatuur (1978)
Winkler Prins lexicon van de Nederlandse letterkunde (1986)
P.H. Dubois, hedendaagse Nederlandse kunst, letterkunde (1956)
Geïllustreerde Encyclopedie Uitgever Spaarnerstad
Koninklijke bibliotheek
Het collegenet
Digitale bibliotheek Nederlandse letteren
www lambieknet
Het geheugen van Nederland
Eigen knipselarchief
Naar volgend hoofdstuk
Terug naar het overzicht van de
De na-oorlogse jaren 1945-1950
Terug
naar vorige deel van dit hoofdstuk
| |
|