|
Joris Ivens

(Klik
op de plaatjes van dit artikel om ze te vergroten)
Filmmaker Joris
Ivens werd als George Henri Anton Ivens op 18 november 1898 geboren in Nijmegen,
als tweede van vijf kinderen. Zijn vader bezat een aantal fotozaken (de CAPI
winkels). Hij kwam dus uit een bemiddeld milieu. Al in 1912, hij was toen 13
jaar oud, maakte hij zijn eerste film, "De Wigwam". Nadat hij enkele
cowboy- en Indianenfilms had gezien schreef hij zelf het script, waarin een
goede Indiaan, Brandende Straal genaamd en door hemzelf vertolkt, de hoofdrol
speelt. Nadat een slechte Indiaan, Zwarte Adelaar, een jonge dochter van een
blanke boerenfamilie ontvoert, helpt Brandende Straal het kind terug te brengen,
waarna aan het einde van de film bij zijn wigwam de vredespijp wordt gerookt. De
familie Ivens speelde alle rollen en waarschijnlijk maakte vader Kees Ivens of
een van de medewerkers van zijn vaders fotozaak de opnames.
Zijn middelbare
schooltijd volgde hij van 1911 tot 1917 op de HBS in Nijmegen. Daarna moest hij
in militaire dienst van 1917 tot 1919. Hij diende bij de veldartillerie te
paard.
Om later zijn
vader te kunnen opvolgen ging hij van 1919 tot 1921 Economie studeren aan de
Hogere Handelsschool in Rotterdam. En om zich verder in het fotovak te bekwamen
vertrok hij naar Duitsland van 1921 tot 1924 om daar fototechniek te studeren
aan de Technische Hochschule in Berlijn. Hij volgde stages over het fabriceren
van camera's in Dresden en het vervaardigen van lenzen in Jena.
In
die tijd ontmoette hij in Berlijn de radicaal socialistische Duitse fotografe
Germaine Krull die jarenlang zijn geliefde was. Zij was het die hem in contact
bracht met het internationaal communisme. Eigelijk was ze zelf al tot de
conclusie gekomen dat het communisme in de Sovjet Unie uiteindelijk zou leiden
tot een autoritaire dictatuur. In april 1927 trouwden ze. Eigelijk was voor haar
de verhouding al voorbij, maar als statenloze had zij een Nederlands paspoort
nodig. Het huwelijk hield toch nog stand tot augustus 1943.
Toen hij in 1924
terugkeerde in Nederland om de fotozaak te gaan leiden in Amsterdam was hij
onder de indruk van het artistieke leven dat hij in Berlijn had meegemaakt en
waar films een groot deel van uitmaakten. Hoewel ook Amsterdam een rijk
cultureel leven had was het niet altijd mogelijk om de nieuwste experimentele
films te zien. Samen met vrienden richtte Ivens daarom de Filmliga op. Het doel
was om films te tonen die om artistieke of politieke redenen niet in Nederland
vertoond werden. Zo kwam Ivens in contact met veel regisseurs van bijvoorbeeld
abstracte films.
Ivens besloot
zelf ook films te gaan maken. In 1927 en 1928 maakte hij experimentele films om
de filmtechnieken onder de knie te krijgen. Daartoe behoorden een film waarbij
de binnenkant van een bar gefilmd werd, gezien door de onderkant van een
bierglas en een poging om de bewegingen te volgen bij het lopen en het
schaatsen. Daarnaast was er ook sprake van gewone speelfilms, hoewel die het
stadium van een screentest van een bevriende acteur of actrice nooit
voorbijkwamen.
Zij eerste echte
film was "De Brug" (1928). Deze film geeft een systematische analyse
van de bewegingen van een spoorbrug in Rotterdam, namelijk de hefbrug over de
Koningshaven. Deze ging naar boven om de schepen door te laten om daarna weer te
zakken zodat de trein er weer overheen kon rijden. Hij koos dit onderwerp omdat
hij dit mooi kon combineren met zijn werk in de winkel. De bewegingen van de
brug waren steeds hetzelfde en als hij dan eens een uurtje over had kon hij snel
een paar meter film schieten. De film bevat opnames van de brug uit
verschillende richtingen, de torens van de brug, de rails van de brug, enz.
Zijn
volgende film is "Regen" uit 1929. Visueel gezien is het een abstracte
studie van het vallen van water op water. Regen valt op de natte straten van
Amsterdam, in de grachten op autodaken, enz.
Een gevolg van
wat ze zagen bij de Filmliga was dat jonge filmmakers de geweldige mogelijkheden
van film zagen zonder dat ze gehinderd werden door genres of conventies. Terwijl
Nieuwsfilms werden gemaakt door camera's die op eerbiedige afstand van het
onderwerp stonden zagen zij meer mogelijkheden in het maken van close-ups en het
meebewegen in de actie, of het nu om fictie films ging of over abstracte films.
Dat gold ook voor
Ivens. Zo'n benadering is te zien in zijn film "Branding" (1929) die
hij tussen "De Brug" en
"Regen" maakte, samen met Mannus Franken die het script schreef naar
de novelle met dezelfde naam van Jef Last en die voor de acteurs zorgde. Ivens
deed alleen het camerawerk. Hij filmde twee geliefden die over het strand liepen
en met een benadering als in het bioscoopjournaal filmde hij mensen die op
zondag naar de kerk gaan. Hij volgt een visserman naar de zee die zelfmoord wil
plegen omdat zijn verloofde bij hem is weggegaan en die vrijwel al het andere
ook verloren heeft en een plaatselijke pandjesbaas. In deze film is voor het
eerst Ivens gevoel voor sociale thema's te zien.
Doordat de films
"De Brug" en "Branding" zowel nationaal als internationaal
een groot succes waren werd Ivens, terwijl hij nog bezig was met zijn film
"Regen", benaderd door de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond (ANBB)
om ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de bond een film over de bouw
voor hen te maken. Hij zag in dat dit teveel werk was voor één man en daarom
richtte hij binnen het fotobedrijf van zijn vader een aparte film productie unit
op. Hij nam een team van medewerkers in dienst die hij rekruteerde uit zijn
vriendenkring. Onder hen bevonden zich Helene van Dongen (waarover hierna meer)
en John Fernhout die later zelf een carrière in de filmindustrie opbouwden.
Ivens maakte een
serie van films voor de ANBB die samen bekend zijn als de film "Wij
Bouwen" (1930). In totaal duurt deze film enkele uren. Het doel was om het
werk van de bond te promoten, het werk van de Nederlandse bouwvakkers te prijzen
en de solidariteit tussen de leden van de bond te vergroten. Sommige van de
delen van deze film tonen eenvoudigweg de bouwmethodes, zoals het storten van
beton om een vloer te maken of het heien van palen. In andere delen worden de
activiteiten op het hoofdkantoor van de bond getoond,een zomerkamp dat
georganiseerd werd door de bond en een overzicht van de meest recente
ontwikkelingen in de Nederlandse architectuur. De film bevat saaie passages,
maar ook opvallende scènes van berooide werklui die in de rij staan om financiële
bijstand van de bond te ontvangen.
Een van de films
uit de reeks "Zuiderzee" rouleerde ook apart van "Wij
bouwen". De film toont hoe land herwonnen wordt van de Zuiderzee door het
bouwen van dijken en er vervolgens water uit te pompen zodat een nieuwe polder
ontstaat. Het handwerk uit die tijd ziet er voor deze dagen zwaar uit, maar was
in die tijd minder shockerend. Een van de belangrijkste scènes is die waar
arbeiders zinkstukken vlechten uit takken, dit "vlot" vervolgens
vervoerd wordt en het afzinken van dit zinkstuk door het te verzwaren met
honderden rotsblokken die erop gegooid worden vanaf de platbodems die ernaast
liggen. Het zinkstuk vormt dan de onderlaag voor de dijk die erop komt. Het
spannendste deel is het afsluiten van het laatste stukje van een dijk, een
gevecht van de mens met zijn machines tegen het water.
In
"Wij Bouwen" zorgde Ivens ervoor dat de camera het gezichtspunt aannam
van de arbeiders zelf. Hij was altijd zeer gelukkig als arbeiders hem na het
zien van de films vertelden dat ze inderdaad de realiteit van het werk aangaven.
Opmerkelijk aan de films is ook dat Ivens de arbeiders laat zien als ze eten,
slapen, hun gereedschap neerleggen en van het werk vertrekken. Het toont zijn
sympathie voor de werkende klasse.
De
meest geprezen film uit die periode is "Philips Radio" (1931). Het is
een portret van het werk in een Philips fabriek. De film toont het hele proces
van het blazen van glas voor de radiobuizen en het assembleren van de complete
radio, tot het onderzoek in de laboratoria van Philips en een groep van
typejuffrouwen. De film heeft ook een bijzondere soundtrack, een combinatie van
het lawaai op het werk, muziek en het geluid van radio-uitzendingen.
Eind twintiger
jaren bracht zijn minnares, de beeldende kunstenares Anneke van der Feer, Ivens
in contact met de Vereniging voor Volkskultuur, de Nederlandse afdeling van de
Internationale Rode Hulp. Dit was een van de vele door de Duitse communist Willi
Münzenberg geleide organisaties waarmee de bolsjewistische leiders in Moskou
poogden internationale propaganda te bedrijven voor hun proletarische revolutie.
Midden in deze
drukke periode van het maken van films ging Ivens daardoor naar de Sovjet Unie
op uitnodiging van Pudovkin. Hij toerde met zijn films door het land en werd
daarbij blootgesteld aan de commentaren en de kritieken van de arbeiders. Ivens
raakte er van overtuigd dat de Sovjet Unie hem meer mogelijkheden voor het maken
van films bood dan Europa en hij vond filmen leuker dan het leiden van zijn
vaders fotozaak. Hij beloofde om terug te komen naar de Sovjet Unie en deed dit
inderdaad. In 1932 bracht hij de film "Pesn o Gerojach" (Het Lied van
de Helden) uit. Het verhaal gaat over het construeren van een nieuwe smeltoven
in de stad Magnitogorsk in de Oeral. Als lardering speelt het verhaal van een
boer die van wanten weet en die in het begin van de film verschijnt en die
tenslotte meewerkt aan het bouwen van de oven. Het is de eerst keer dat Ivens
een acteur gebruikt, al is het er een uit de wereld die hij aan het filmen is.
Filmtechnisch gezien blijft de film goed, maar de menselijke elementen klinken
nogal hol. De glimlachende arbeiders lijken in tegenstelling tot het werk dat ze
doen, terwijl de Nederlandse dijkenbouwers in zijn film veel echter waren.
De film werd in
Moskou zwaar bekritiseerd omdat die niet de "Socialistisch
Realistische" lijn volgde. Niettemin was Ivens ervan overtuigd dat dit de
wereld was waarin hij wilde werken. Hij keerde terug naar Europa waar hij een
radicalere versie van het heroveren van land uit de Zuiderzee produceerde. In
plaats van het project en de zware werkzaamheden die dit mogelijk maakten toe te
juichen, veroordeelde hij met zijn film "Nieuwe Gronden" het idee om
meer land te creëren en meer graan te laten groeien terwijl er een overschot
was op de wereldmarkt. In deze film verwerkt Ivens stukken bioscoopjournaal en
maakt zelf zo'n stukje als er iets niets voor zijn doeleinden aanwezig is.
Zijn eerste
project als geradicaliseerde filmmaker was dat over een mijnstaking in de
Borinage in België. De staking was al voorbij, maar Ivens en zijn mederegisseur
Henri Storck documenteerden de leefomstandigheden van de arbeiders en de druk
die op hen uitgeoefend werd door de mijndirectie. Ze kregen mijnwerkers zo ver
dat ze stukken van gebeurtenissen tijdens de staking gingen naspelen, zoals de
straatbijeenkomsten en het uiteendrijven daarvan. Het probleem bleek te zijn dat
geen mijnwerker zich wilde kleden als gendarme of
bedrijfsleider. Ivens verdedigde zich later op de kritiek dat alles in scène
was gezet door te vertellen dat dit echt gebeurd was en dat deze reconstructies
werkelijk waren zoals het gebeurd was. Het beroemdste stuk is het overspelen van
een mars waarbij de voorste man een portret van Karl Marx met zich meedraagt.
Terwijl de opnames van deze mars plaatsvonden kwamen mensen spontaan hun huizen
uit om het portret met gebalde vuist te begroeten en vervolgens met de mars
verder mee te lopen. Aan het eind werd de mars uiteengejaagd door de echte
gendarmes.
Deze film uit
1934 heet "Misère au Borinage" (Ellende in de Borinage).
En weer keerde
hij terug naar de Sovjet Unie, maar dat ging niet zo goed. Hij maakte een
Russische versie van "Misère au Borinage". De opzet was om het te
brengen als een verhaal dat door Belgische mijnwerkers aan hun Russische
collega's verteld werd en daarin stukken op te nemen van de vooruitstrevende
manier waarin men in de Sovjet Unie leefde en werkte. Maar alle inspanningen om
het project van de grond te krijgen liepen stuk op de Sovjet bureaucratie. Om
zich hier uit te redden verzocht hij de studio in Moskou waar hij aan verbonden
was om hem naar de Verenigde Staten te sturen. Zijn missie daar was het geven
van lezingen, het maken van nieuwe contacten en kennis op te doen van nieuwe
technieken. En als hij daar een filmproject van de grond kon tillen kon hij er
blijven.
En dat project
kwam er in 1937 in de vorm van "The Spanish Earth" (De Spaanse Grond).
Dit was een film die bedoeld was om fondsen te werven voor ziekenwagens die naar
Spanje gestuurd zouden worden tijdens periode van de Spaanse burgeroorlog. Ivens
en John Fernhout reisden naar Spanje om de strijd tussen de Republikeinen en de
Nationalisten in de buurt van Madrid en de effecten van een luchtbombardement te
filmen. Om structuur aan de film te geven besloot Ivens om er een menselijk
element aan toe te voegen over een soldaat afkomstig uit een dorp in de buurt
van Madrid waar irrigatiewerken werden aangelegd om meer gewassen te laten
groeien voor de belegerde stad. Deze verhaallijn werd geen succes omdat de
filmcrew moeite had om deze soldaat weer op te sporen, nadat hij naar het front
vertrokken was. Maar het verhaal over de irrigatie en van mensen die het land
claimden dat aan de aristocratie had toebehoord vormde een sterk tegenwicht
tegenover de grimmige scènes uit de stad. Het commentaar in de film werd
overigens gesproken door Ernest Hemmingway, die met Ivens meereisde.
Zoals al te zien
was in de film "Zuiderzee" keerde Ivens in zijn thema's vaak terug
naar de relatie van de mensen met het land, het water en irrigatie. Sommige van
zijn critici vinden dat zijn voornaamste thema en daardoor wordt Ivens soms
minder gezien als maker van politieke films maar meer als een
"gefrustreerde dichter" die een beschrijving geeft van de natuur. In
"The Spanish Earth" zijn de elementen land en water wel van politiek
belang omdat ze deel uitmaken van de strijd. Een ander thema dat voor het eerst
voor komt in "The Spanish Earth" is dat van het verslag van een oorlog
terwijl men onder vuur ligt en de dood vanuit de lucht komt. Dat komt later
terug in zijn Vietnam films.
De
drie films "Nieuwe Gronden", "Misère au Borinage" en
"The Spanish Earth" vormen de basis voor Ivens reputatie als militant
filmmaker. Deze films nemen cinematografisch stelling bij een politiek item door het
combineren van documentaire, reportage, tussenmontage van bioscoopjournaals en
fictie.
Gesterkt door
het succes van "The Spanish Earth" probeerden Ivens en Fernhout dit
succes te evenaren door het filmen van het gevecht van de Chinezen tegen de in
hun land binnengevallen Japanners. Maar het leger van China wilde geen
westerlingen toelaten tot hun eigen frontlinie en nog minder tot het Rode Leger
van Mao en Ivens keerde vrijwel zonder ruw filmmateriaal terug naar de Verenigde
Staten. Niettemin monteerde hij uit het weinige dat hij beschikbaar had in 1939
de film "The 400 Million" (De 400 Miljoen) voordat hij zich weer met
andere projecten ging bezighouden.
Gedurende de
Tweede Wereldoorlog ontwikkelde hij filmprojecten als ondersteuning van de
oorlogsinspanningen. Vele daarvan waren onrealistisch. Ivens vond het werken in
Hollywood net zo moeilijk als het werken in de studio's in Moskou.
Een onbetwist
succes uit deze periode is de film "Power and the Land" (Elektriciteit
en het Platteland) uit 1941 over de manier waarop het platteland in de Verenigde
Staten voorzien wordt van elektriciteit. Eindelijk kon hij een film maken die
gedragen werd door de menselijke karakters, de hard werkende familie Parkinson
uit de staat Ohio. In werkelijkheid had deze familie al lang elektriciteit, maar
Ivens kon hen ervan overtuigen om hun harde leven van de tijd voordat ze
elektriciteit hadden voor een deel van de film weer op te pakken. Geholpen door
de regeringsinstelling die daar over ging (en tevens sponsor was van de film)
lukte het de familie Parkinson en hun buren om aansluiting te krijgen
op het elektriciteitsnet. Het werd een zelfde soort propagandafilm als
hij vroeger in Oost Europa maakte.
Aan het eind
van de oorlog bood de Nederlandse regering hem een baan als
regeringsvertegenwoordiger van de film in Nederlands Indië. Hij zou met de
Australische troepen mee optrekken om de bevrijding van Nederlands Indië te
filmen. Verder moest hij een er film productie maatschappij opzetten. Ivens
accepteerde de opdracht en reisde naar Australië om het eind van de
vijandelijkheden af te wachten. En daarmee viel de deur naar de Verenigde Staten
achter hem dicht. Omdat ze Verenigde Staten ongelukkig waren met zijn
communistische connecties werd een visum om weer terug te keren geweigerd.
In 1944 kwam
ook een eind aan zijn verhouding met Helene van Dongen. Met deze ex-secretaresse
van zijn vaders bedrijf Capi had hij sinds het begin van de dertiger jaren niet
alleen een professionele verhouding, maar ook een liefdesverhouding, terwijl hij
nog met Germaine Krull getrouwd was. Zij monteerde in Nederland al de films
"Zuiderzee" en "Nieuwe Gronden". Zij volgde hem naar China,
Spanje en Moskou en ten slotte ook naar de Verenigde Staten. Daar bouwde zij als
filmmonteuse een zelfstandige carrière op in de filmindustrie.
Hans Schoots
schreef in 1995 een biografie over Ivens met als titel "Gevaarlijk
leven". Hij kwam in het bezit van een document waarin het einde van de
verhouding tussen Ivens en Helene van Dongen wordt beschreven door de ogen van
een FBI-agent die de communist Ivens schaduwde op de laatste dag van zijn
verblijf in de Verenigde Staten, vlak voor zijn vertrek naar Australië. De
agent beschrijft eerst het afscheid van de echtelieden en constateert vervolgens
dat Ivens een andere vrouw afhaalt in een hotel, om met haar de reis aan te
gaan. Die andere vrouw was Marion Koblitz (als fotografe bekend onder de naam
Marion Michelle), met wie Ivens twee dagen na zijn huwelijk met Van Dongen (op
Nieuwjaarsdag 1944) een verhouding was begonnen. Helene van Dongen, die dacht
dat zij met de cineast mee mocht naar Australië, moest aanzien dat hij daarvoor
een ander had verkoren. Ivens informeerde Van Dongen per brief over de nieuwe
situatie. En vanaf die tijd ging Marion Michelle Ivens assisteren als
cameravrouw en scenariste. Hun verhouding duurde tot 1951.
Eenmaal in
Australië werd het duidelijk dat de Nederlandse plannen met betrekking tot
Nederlands Indië waren om de oude orde te herstellen, indien nodig met militair
geweld, nam Ivens ontslag uit sympathie met de jonge republiek Indonesië. Hij
filmde een blokkade door een vakbonden van havenarbeiders van schepen die
Nederlandse soldaten en voorraden naar Indonesië moesten brengen en die de
bemanningen probeerden over te halen om het werk te weigeren. "Indonesia
Calling" uit 1946 is een vreemde film, hoewel door critici geprezen als
grondlegger van de multiculturele film. Omdat hij de werkelijke gebeurtenissen
gemist had, reconstrueerde Ivens de gebeurtenissen met een grotere
nauwkeurigheid dan hij ooit in zijn vorige films had gedaan. Vakbondsleiders
herhaalden hun toespraken op precies dezelfde plaatsen en voor dezelfde
toehoorders. Activisten bekogelden vertrekkende vrachtschepen vanaf hun
motorboten en toch leek het onrealistisch. Omdat ze alles voor de tweede keer
deden ging alles minder spontaan.
Omdat hij niet
welkom was in Nederland en hij ook de Verenigde Staten niet meer in mocht stond
Ivens voor de moeilijke keuze waar hij heen zou gaan na de Tweede Wereldoorlog.
Hij had nog steeds sterke banden met de Sovjet Unie en hoewel hij zich
ideologisch aan hen verwant voelde vond hij het moeilijk om in Moskou te werken.
Een compromis was om zich dan maar in andere hoofdsteden van het Oostblok te
vestigen, in Praag, vervolgens in Warschau en dan in Oost Berlijn, in een poging
om opdrachten te verkrijgen van satellietorganisaties van de Communistische
Partij. Op die manier hoopte hij een buffer te plaatsen tussen hemzelf en de
politiek in Moskou waar hij zo moeilijk mee om kon gaan.
Een
aanvankelijke poging om direct samen te werken met de regeringen van de Oosblok
landen was weinig bemoedigend. Bij "The First Years"
(De Eerste Jaren) uit 1949 was het de bedoeling er afleveringen in te
verwerken afkomstig uit vier landen over de manier waarop zijn bouwden aan een
nieuwe socialistische toekomst. Maar de Bulgaarse regering vond de opnames van
hun tabaksarbeiders te primitief en eiste een substantiële aanpassing. De
uitsluiting van Joegoslavië uit de Sovjet familie in 1948 zorgde ervoor dat
deze bijdrage buiten het kader viel. Ivens had meer geluk met de opdrachten van
communistische satellietorganisaties. In 1951 behandelde hij in "Pókoj
Zwyciezy Swiat" (De vrede overwint de oorlog) de vredesbeweging, in "Freunschaft
Siegt" (Vriendschap overwint) uit 1952 de jeugdbeweging en in "Das
Lied der Ströme" (Het lied van de Rivieren) uit 1954 de vakbeweging. In
"Wyscic Pokoju Warszawa-Berlin-Praga" (Vredeskoers
Warschau-Berlijn-Praag)uit 1952 volgt Ivens een bizarre wielerwedstrijd. Het is
het verslag van een wielerwedstrijd voor amateurs, waaraan ook enkele
Nederlandse wielrenners deelnamen. De koers was georganiseerd als betoging voor
de vrede. In de proloog wordt de verwoesting van Warschau getoond, met 700.000
slachtoffers, en de opbouw van de stad na de oorlog. In propagandistische stijl
worden eveneens andere belangrijkste plaatsen, waar doorheen wordt gefietst, in
optimistische wederopbouwstijl in beeld gebracht.
Al deze films
benadrukken voor extern gebruik de samenwerking en kameraadschap en voor gebruik
binnen Oost Europa anti-Amerikanisme en de verering van Stalin. En deze films
tonen een verdere ontwikkeling van de vervlechting van bioscoopjournaals en
fictie.
In de herfst
van 1950, tijdens de opnames voor in "Pókoj Zwyciezy Swiat", werd
Ivens tijdens een receptie geïntroduceerd aan de toen vierentwintigjarige Maria
Fiszer, een vertaalster en schrijfster die schreef onder de naam Ewa Fiszer. Hij
begon een verhouding met haar en in 1951 maakte Ivens een einde aan zijn
verhouding met Marion Michelle en trouwde hij met Eva Fiszer. Ze hadden speciaal
huwelijk want Ivens woonde in Berlijn en reisde in het weekend naar Warschau
waar Fiszer was blijven wonen. Eva Fiszer schreef het commentaar voor de film
" Wyscic Pokoju Warszawa-Berlin-Praga". Verder was zij niet betrokken
bij zijn werk. Ivens was niet tevreden over zijn projecten in Oost Europa. In
1956 besloot hij daarom om naar Parijs te gaan. Daarover zei hij zelf dat hij
dat deed omdat hij weer de volledige beschikking had over zijn Nederlandse
paspoort, na de moeilijkheden die hij hiermee had gehad na zijn Indische
periode, maar de keus was geheel aan hem. In die tijd liet hij Eva Fiszer
jaarlijks een paar maanden overkomen naar Parijs. In 1958 reisden ze samen nog
een tijd naar China waar Ivens werkte aan een filmproject. Maar uiteindelijk
hield ook dit huwelijk geen stand en ze scheidden formeel in 1967. Hij woonde
toen tijd al enkele jaren samen met de Française Marceline Rozenberg, als
filmmaakster bekend onder de naam Marceline Loridan, die hij in 1963 had
ontmoet.
De opkomst van
nieuwe politieke bewegingen eind vijftiger en zestiger jaren gaven Ivens nieuwe
mogelijkheden om films te maken op de manier waarop hij dit zelf wilde. Door in
Afrika en Zuid Amerika te filmen kon hij meer ruimte creëren tussen hem en de
machtsstructuren in het Oostblok, terwijl hij toch hun support behield. Hij kon
gebruik maken van de hulpmiddelen in de landen waar hij filmde: samenwerking met
filmstudenten was een favoriet trucje en in het algemeen verwachtte hij dat de
regering van het land waar hij werkte voor voedsel, onderdak en transport zou
zorgen. Daarbij kon hij gewoonlijk ook rekenen op de betrokkenheid van een
Franse producent die geïnteresseerd was in de mix van kunst en politiek die
Ivens kon bieden en op subsidies van de overheid voor korte films van hoge
kwaliteit. Door de grotere distributie van zijn films werd Ivens geleidelijk
gerehabiliteerd als mondiale filmmaker.
Ivens films
uit deze tijd kenmerken zich door een persoonlijke volwassen stijl. Zijn films
behandelen onderwerpen
die niet openlijk politiek van aard zijn en ze zijn vaak een mix van sociaal
bewustzijn, een verkenning van de elementen en een bepaalde geografische
locatie. In " La Seine a rencontré Paris" (De Seine
ontmoet Parijs) uit 1957 volgt hij de rivier door de Franse hoofdstad. Opgenomen
in zwart-wit, voornamelijk vanaf het dek van een
boot, geeft de film een indruk van constante beweging als de camera mensen filmt
die aan het werk zijn op een boot of liggen te rusten op de oever. Jacques Prévert,
dichter en eenmalig scenario-schrijver voor Marcel Carné en Jean Renoir,
verzorgden het commentaar.
Ivens had ook
een prima schrijver voor "A Valparaiso" (Naar Valparaiso) uit 1963,
namelijk Chris Marker die het commentaar verzorgde voor de verkenning van deze
Chileense haven. Ook in deze film speelt beweging weer een grote rol doordat de
camera zich voortbeweegt trap op trap af en in liften die de verschillende
heuvels van de stad met elkaar verbinden. Zijn sociale gevoel toont Ivens door
het in beeld brengen van de moeilijkheden om water naar de hoogste en armste
dorpen te krijgen. Het politieke commentaar staat meer stil bij het koloniale
verleden van Chili dan bij het heden. Een meer eigentijdse film is "Carnet
de viaje" (Reisdocument, officiel getiteld Cubaanse Reisbrief) uit 1961,
een persoonlijke film van een rondreis die Ivens maakte na de revolutie in Cuba.
Tijdens dezelfde reis maakte hij ook een meer militante film "Pueblo
Armada" (Gewapend Volk), over de volksmilities van boeren en arbeiders op
Cuba en de actie om zo'n duizend aanhangers van Batista in Escambray uit te
schakelen door ze te arresteren.
Ivens
interesse in experimentele films blijkt weer uit zijn films uit de zestiger
jaren.
In "L'Italia
non è un paese povero" (Italië is geen arm land) uit 1960 een filmserie
die Ivens maakte voor het Italiaanse staatsgasbedrijf neigt Ivens naar
neo-realisme, een serie dromen en het inzetten van de interviewers op het
scherm.
In
"Pour le Mistral" (Voor de Mistral) uit 1965 jaagt Ivens op deze
legendarische wind uit het zuiden van Frankrijk in een poging het onzichtbare
zichtbaar te maken.
In 1966 krijgt
hij opdracht op een film over de haven van Rotterdam te maken "Rotterdam
Europoort". Een voorlichtingsfilm over de grootste haven ter wereld, met
hybride vorm, waarin bekende thema's van Ivens terugkeren, o.a. in het
fictie-gedeelte van de Vliegende Hollander, die na eeuwen terugkeert in het
moderne Rotterdam, dat zich na de rampzalige bombardementen in de oorlog
nijverig had hersteld.
Er zijn twee
wat ongewone films uit die periode. In 1956 en 1957 keerde Ivens terug naar
China. Dit resulteerde in 1958 in de film "Before Spring" (Vóór de
Lente) een drieluik met een lyrische impressie van het Chinese platteland,
gemaakt in samenwerking met Chinese filmstudenten. Deel één opent met nomaden
op de besneeuwde steppen van Binnen-Mongolië; deel twee toont het leven in de
landbouwcoöperatie Dingsjan aan de oever van de Yang-tse bij Nanjing. Deel drie
sluit het drieluik af met het Drakenfeest in een vissersdorp bij Sjanghai, een
feest voor de lente. Men kan zich afvragen hoeveel het de film van Ivens film en
hoeveel dit het werk was van de studenten waarmee hij samenwerkte. Tijdens
dezelfde reis maakte hij een tweede film die eveneens in 1958 uitkwam "Six
Hundred Million With You" (600 Miljoen met U), een zeer korte film over een
demonstratie in Peking tegen de Britse politiek in het Midden Oosten, te weten
de inval in Libanon. Een schier eindeloze rij van demonstranten loopt lang de
Britse ambassade. De demonstranten schreeuwen hun protest, zwaaien met papieren
en schreeuwen tegen Engelse bewakers die bij het hek staan. De muren en het
plaveisel worden snel bedekt met papier terwijl de Chinezen steeds bozer worden,
maar het leidt niet tot een handgemeen.
De tweede film
is "Demain à Nanguila" (Morgen in Naguila) uit 1960. Dit is een film
over het onafhankelijk worden van de Malifederatie (Mali en Senegal). Het
verhaal is opgehangen aan een jonge man die een snel leven leidt in de hoofdstad
Bamako en die in aanraking komt met de politie en voor straf naar een landbouw
trainingskamp gestuurd wordt. De enige manier om hier uit te komen is om naar
zijn familie te gaan in zijn geboortedorp waar hij wordt gegrepen door de
komende onafhankelijkheid en de modernisering die dat met zich mee zal brengen.
De film geeft zo goed de stemming van het land weer dat het in Mali nog steeds
als de beste film beschouwd wordt, terwijl hij in Europa nauwelijks vertoond is.
Terwijl Ivens
al veel projecten onder handen had, werd hij aangetrokken door een nieuwe
politieke passie: de Vietnam oorlog. Hij bezocht het land in 1964 en keerde een
jaar later terug naar Frankrijk om van het materiaal een korte protestfilm te
maken "Le Ciel, La Terre" (De Hemel, De Aarde). Documentaire naar
aanleiding van Ivens' eerste bezoeken in 1965 aan Vietnam, waar de eerste
tienduizenden Amerikaanse mariniers aan land waren gebracht om het regime in
Zuid-Vietnam te steunen. De film wilde het Westen informeren hoe het conflict
tussen Noord-en Zuid-Vietnam zich snel ontwikkelde toto een van de
gewelddadigste ooit. Vanuit Noord-Vietnam, de gebombardeerde hoofdstad Hanoi en
het platteland, laat de film zien hoe het alledaagse leven zich instelt op de
voortdurende dreiging van de B-52 bommenwerpers.
In Parijs
voerde hij campagne tegen de oorlog en probeerde hij fondsen te werven voor de
aankoop van apparatuur voor de verarmde Vietnamese filmindustrie. Hij was een
van de makers van de door een collectief gemaakte film "Loin de
Vietnam" (Ver Van Vietnam) uit 1967. Documentaire over de reacties in
Frankrijk en Amerika op de oorlog in Vietnam, gezien door de ogen van enkele
bekende filmmakers, die elk op een persoonlijke wijze een bijdrage leverden.
Ivens' bijdrage toont opnames uit Hanoi en Amerikaanse bombardementen op
Noord-Vietnam, gemaakt door Marceline Loridan. De film ademt de sfeer van
intellectueel-links in Frankrijk aan de vooravond van '1968'.
In "Le
Dix-Septième Parallèle" (De 17e breedtegraad) uit 1968
gebruikt Ivens lichte 16 mm camera's en
voor het eerst gesynchroniseerd geluid. Zijn film is nog steeds geconstrueerd
rond centrale karakters. Maar
het is een krachtige verfilming in zwart-wit van het Noord Vietnamese leger dat
in ondergrondse dorpen leeft, de landbouw rond de bomkraters en het wachten op
de komende bombardementen. Er komt een neergeschoten Amerikaanse
piloot in voor die door het dorp gevoerd wordt en kinderen die leren "Hands
up" in het Engels te roepen.
"Le
Peuple et ses Fusils" (Het Volk en zijn Geweren) (1968-1969) was een poging
om het filmen van de frontlinie naar Laos te verplaatsen. Ivens gezondheid liet
hem echter in de steek en hij moest veel van het werk aan zijn medewerkers
overlaten. Eenmaal terug in Parijs werden zijn medewerkers opgenomen in de
radicale film beweging die ontstaan was. De uiteindelijk montage van de film
werd uitgevoerd door een Maoistisch collectief. Deze radicale vorm van de film
hielp Ivens om de zeventiger jaren binnen te treden als een held in plaats van
een oude Sovjet aanhanger.
Ivens volgende
project was een 12-deligen serie die hij maakte in China en die in 1976
verscheen onder de titel "Comment Yukong déplaça les montagnes" (Hoe
Yukong de Bergen verzette). De film gaat over het leven na de Culturele
Revolutie. De filmvorm lijkt in cinema vérité-stijl, waarin de Chinezen
uitgebreid, spontaan en ongekunsteld aan het woord komen, waardoor de indruk
wordt gewekt dat de film dicht op de huid van de alledaagse realiteit zit.
Hoewel de mensen voor de camera niet logen en geloofden in wat ze zeiden, laat
de film niets zien van de uitwassen, de terechtstellingen, hongersnoden,
dwangarbeiders en vele slachtoffers. Daarom werd Ivens ervan beschuldigd dat hij
kritiekloos de lijn van de Chinese communistische partij volgde, temeer daar de
film gemaakt was in opdracht van de toenmalige premier Zhou En-Lai.
In China
speelt ook Ivens laatste film "Une Histoire de Vent" (Het verhaal van
de wind) uit 1988. De
film werd grotendeels geregisseerd door Marceline Loridan-Ivens, zijn vrouw met
wie hij in 1977 in het huwelijk getreden was en zijn medewerkster sinds de
Vietnam films. De film vertelt het verhaal van een oudere regisseur die de wind
wil filmen in de woestijn van Mongolië. Terwijl hij op de top van een duin zit
te wachten droomt hij van het leven dat hem hier gebracht heeft. Herinneringen
uit zijn kindertijd worden gemixt met fantasieën over mystieke Chinese
karakters. In een aardige scène zien we hem bezig met lange moeizame
onderhandelingen met een museum dat een leger van terracotta beelden heeft.
Omdat hij die niet kan filmen op de manier hij dat wil kopen zijn assistenten
replica van deze beelden die als souvenir verkocht worden en deze worden gefilmd
in plaats van de originelen.
Het voorgaande
is slechts een greep uit de vele films die Ivens gemaakt heeft.
Slechts een
paar dagen nadat hij in Parijs had deelgenomen aan protesten tegen de massamoord
op het Tianamen Plein stierf Ivens op 90-jarige leeftijd op 28 juni 1989.
Uit geen van
zijn vier huwelijken zijn kinderen geboren.
Hij werd
wereldwijd geroemd en gelauwerd om zijn films. Een greep uit de onderscheidingen
die hij ontving: de Wereld Vredesprijs, een Gouden Palm, een Golden Gate Award
in San Francisco, de Internationale Lenin Prijs voor Wetenschap en Cultuur, een
eredoctoraat van De Royal College of Art in Londen, Commandeur van de Legion
d'Honeur (Franse ridderorde), een Gouden Kalf, Groot Officier van de Republiek
Italië, de gouden medaille voor "grote verdiensten voor de Schone
Kunsten" van Spanje, de "Che Guevarra Prijs" in Cuba, een Gouden
Leeuw voor zijn gehele oeuvre op het filmfestival van Venetië, ereburger van
zijn geboortestad Nijmegen, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
(gedecoreerd door koningin Beatrix).
Ivens had in
1985 laten weten dat hij het door hem gewonnen Gouden Kalf niet wilde ophalen
als de Nederlandse overheid niet eerst zou toegeven dat ze hem in het verleden
niet goed behandeld hadden. De toenmalige
minister van WVC, Elco Brinkman, reisde echter met het Gouden Kalf naar Parijs.
In het Institut Néerlandais overhandigde hij met veel mooie woorden deze prijs
aan Ivens en door iedereen werd dit gezien als het inlossen van een ereschuld.
In zijn autobiografie stelt Ivens dat hij door zijn communistische sympathieën
en zijn botsing met de koloniale autoriteit door het maken van de film "Indonesia
Calling" een tijd lang geen Nederlands paspoort kreeg. Dat is niet helemaal
juist. Hij kreeg telkens een paspoort voor drie maanden en moest dan weer naar
het consulaat om dit te laten verlengen. En één keer, in 1950, zat hij voor
een half jaar zonder paspoort omdat naar alle gezantschappen een bevel was
uitgegaan om hem alleen een "laissez passer" document te verstrekken
voor een reis naar Den Haag. Hij heeft deze reis nooit ondernomen,
waarschijnlijk bang dat hij gearresteerd en veroordeeld zou worden vanwege zijn
film "Indonesia Calling". Eind 1950 kreeg hij weer gewoon een
paspoort.
Sinds 1988
wordt op het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA), dat in elk
jaar in november plaatsvindt, de Joris Ivens Award uitgereikt. De prijs wordt
toegekend aan de beste documentaire. Vanaf 2002 dingen niet alleen documentaire
films maar ook documentaires op video mee naar deze Award. Momenteel bestaat
deze uit een geldprijs van 12.500 euro en de garantie dat de film wordt
uitgezonden op televisie door de VPRO.
De Award is
een ode aan deze bijzondere filmmaker.
Geraadpleegde
bronnen o.a.:
Beeld en Geluid
Biosstars
Gemeente Nijmegen
Inghist
Joris Ivens.nl
Kunstbus
Noviomagus
NRC Handelsblad december 1995
Senses
of Cinema
Spits
Wikipedia
Terug naar Nostalgie
|