Klik
op een knop voor meer informatie
(met dank aan Liesbeth de Nijs voor het
geleverde materiaal)
(klik op de plaatjes om ze te vergroten)
Volkscultuur herfst
Vadertje Herfst
Prent van
Jan Lievens
Vadertje Herfst is de
verpersoonlijking van het jaargetijde herfst in de prentkunst. In een
invloedrijk handboek op het gebied van de iconografie van de hand van de
Italiaan Cesare Ripa komt deze figuur voor.
De uitbeelding van de
seizoenen was een populair thema vanaf de Middeleeuwen. Deze seizoenen
speelden een grote rol in de tijdsbeleving, werkzaamheden en dagindeling van
de gewone mensen op het platteland en, in mindere mate, ook in de stad.
Welke maand wordt
herfstmaand genoemd ?
September heet
herfstmaand, omdat op 21 september de herfst begint. De zon staat eind september
boven de evenaar. Vanaf dan worden de dagen weer korter. Andere benamingen voor
september zijn fruitmaand en gerstmaand.
Weer
Ook al begint in september de
herfst, het kan nog zeer aangenaam weer zijn. Weerspreuken van 1 september (Sint
Egidius) en 8 september (Geboorte van Maria) vertellen iets over het weer in de
rest van de herfst.
Bijvoorbeeld:
Op 1
september heel mooi weer, de herfst zal mooi zijn evenzeer.
Is Sint Egidius heet, 't geeft schone herfst met zweet.
Mooi weer op Maria's geboorte duurt acht weken voort.
Met Sint
Lambertus (7 september) moeten de werkzaamheden op het land afgerond worden. Het
werk verplaatst zich van buiten naar binnen.
Bijvoorbeeld:
Sint
Lambertus brengt het spinnewiel bij de haard.
Bron:
Volkscultuur
Terug naar het
overzicht
Herfstspreuken
In het najaar veel wind uit het
westen,
Even lang zal hoge wind ons in 't voorjaar pesten.
Veel nevel in de herfst, veel sneeuw in de
winter.
Is in de herfst het weer lang klaar, vroeg is een
strenge winter daar.
De herfst met nevel doortrokken, toont een winter
met sneeuwvlokken.
Vallen de bladeren niet vroeg, dan wordt de
herfst niet oud.
Brengt de herfst ons laat nevelvlagen, dan zal
sneeuw ons in de winter plagen.
Worden de bladeren, geel en krom, kijk naar uw
kachel om.
Brengt het najaar helder weer, ’t zal des winters
stormen op het meer.
Verdwijnt de boer van de akker, worden jager en
hond wakker.
Als de zwaluwen vertrekken voor de noten rijp
zijn en de ganzen vroeg beginnen over te vliegen,
Is een vroege winter te verwachten.
Verdwijnt de boer van de akker, dan wordt de
snoeker wakker.
Veel noten, harde winter.
Komt van het land de veldmuis, breng dan turf en
hout in huis.
Veel harde noten op het hout, maakt de winter
hard en koud.
Kruipen de muizen in de grond, ze maken een
strenge winter koud.
Als de bomen twee keer bloeien, zal de winter tot
mei zich met ons bemoeien.
Kruipen de muizen in de aard, weer voor een
strenge winter vervaard.
Bloeien de bomen tweemaal op een rij, zal de
winter zich rekken tot in mei.
Hebben katten in de herfst een heel dikke vacht,
dan wordt een strenge winter verwacht
Houden de bomen hun bladeren lang, weest voor een
strenge winter bang.
Houden de kraaien school, zorg dan voor hout en
kool.
Als laat in de herfst bij het hakken het sap nog
uit de berk vloeit, zal een een winter komen die niet streng is.
Draagt de haas nog een zomerkleed, dan is de
winter nog niet gereed.
Volgt de eerste sneeuw op regen, houdt een harde
winter tegen.
Terug naar het
overzicht
Gedichten over de herfst
Najaarslaan
Ik keek in de gouden heerlijkheid
Van een najaarslaan,
Het was of ik de goudene deuren wijd
Zag openstaan,
Het werd mij, toen ik binnen ging,
Of ik door gouden gewelven liep:
Ik aarzelde even, ik ademde diep,
Diep van verwondering.
Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout
Doet wat verboden is;
Ik sprak: "Zijn voor mij die gewelven gebouwd?
Ben ik zoo rijk, dat van louter goud
De gang mijner woning is?"
Toen sprak ik: "Deze gouden grot
Is immers geen menschenpaleis."
Ik sprak: "Het is een betooverd slot,
Dat lang op sprookjeswijs
Geslapen heeft en stil gewacht,
Op één, die de poorten ontdekken zou,
De doode gewelven wekken zou
Van 't huis, dat ieder menschenhuis
Te boven gaat in pracht."
Ik sprak: "Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk!
Hoe ben ik zoo rijk, mijn God!
Welke aardsche woning is gelijk
Aan dit, mijn sprookjesslot?"
Trotsche, of ik een prinsesje waar,
Ging ik door 't goud;
Aan beiden zijden stond daar,
Schragend de gangen, hoog en zwaar,
De zuilen opgebouwd.
Waar gouden de portalen zijn,
Hoe zullen daar de zalen zijn!
Ik zag aan 't einde van mijn pad
Een kleine ronde poort,
Als blauw saffier in goud gevat,
En haastig, vol verlangen trad
Ik door de gangen voort.
Ik sprak: "Als bij mijn aankomst wijd
Die poorten openstaan,
In welk een groote heerlijkheid
Zal ik dàn binnengaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn,
De zalen in te gaan!"
Jacqeline E. van der Waals
Herfstsonate
wuivend in de milde herfstzon
schitteren de vele kleuren
als op een schilderspalet
strak tekenen de nerven zich af
De wind speelt krijgertje
met de blaadjes die zich
als een vliegend tapijt
aaneen gesmeed voortbewegen
opgejaagd en weer uiteengerukt
om met een laatste buiteling
zacht dwarrelend neer te komen
op de zwarte aarde die hen wacht
Ilse Steel
Heer Herfst
(klik op het plaatje)
Vrouwe zomer is heengevaren
Over de blauwe zee:
Wel honderdduizend vogeltjes
Namen vrouwe Zomer mee.
Zag je haar henenreizen
Tussen haar zangersvolk?
Zag je har hand nog wuiven
Blank door een spreeuwenwolk?
Nu komt heer Herfst gereden
In snelle, woeste galop,
Een oliejas om de schouders
En een grote zuidwester op.
Waar is de goud-zijen mantel,
Die hij andere jaren had ?
Waar is de krans om zijn slapen
Van roodbruin eikenblad ?
Hij jaagt zo donker daarhenen:
Een grimmige grauwe held
‘Heer herfst, wie heeft je verslagen,
Ginds in het oktoberveld ?'
'Twee reuzen, slagregen en stormwind,
Hebben mijn rijk overstroomd;
Zij hebben mijn hoven geplunderd,
Ontbladert struik en geboomt’.
'Zij hebben mijn feestkrans gestolen,
Mijn gouden mantel verstopt;
Ik heb bij de zon en de sterren
Vergeefs om hulp geklopt.'
In oliejas en zuidwester
Rijdt hij verbijsterd door ’t woud,
En zoekt in de ontbladerde lanen
Vergeefs naar zijn mantel van goud.
Margot Vos
Uit: Rozemarijn
Herfst feest
Paddestoelen, beukennootjes,
dwarrelblaadjes, rood en geel.
Buiten vind je al die schatten
van de herfst, zoveel, zoveel.
Regenvlagen, hagelbuien,
pijpenstelen, hondenweer.
Maak een paraplu van blaadjes
en geen druppel raakt je meer.
Spinnenwebben, nevelslierten,
de geheimen van de mist.
Wie dit feest niet mee wil vieren
heeft zich in de herfst vergist.
Ilse Steel
Herfst
Ik houd de herfst in mijn hand
Oogstrelend is de kleurenpracht
De mist ligt als een lijkwade over het land
Een kruidige geur stijgt op uit de aarde
Allesoverheersend
Stormwinden razen over het land
Zilverkleurig spinrag omhelst de struiken
Kevertjes zoeken hun weg
De laatste bloempjes vleien zich neder
De wolken spelen krijgertje in de lucht
Dan laat de zon zich plotseling zien
En legt een gouden gloed over het land
Ilse Steel
Herfstkind
Gevangen in schitterende kleuren
zingt haar hart een melodie
een bitterzoete geur omhult haar
Melancholie
Zwervend door het bos
omringd door eeuwenoude bomen
voelt zij het oerbestaan
Melancholie
Haar gouden lokken dansend in de wind
een vurige blos overdekt haar wangen
eindelijk vrij en onbevangen
Melancholie
Ilse Steel
Terug naar het
overzicht
Herfstliedjes
Herfst
Rood en goud, rood en goud,
Zijn de kleuren van het woud,
Rode beuken, gouden berken,
Delen 't bos in bonte perken.
Rood en goud, rood en goud,
Zijn de kleuren van het woud,
Goud en rood, goud en rood,
Dwarrelt neer in greb en sloot.
Rode wingerd, gulden linde,
Netelblad en heggewinde,
Goud en rood, goud en rood,
Voeren 't bos ten najaarsdood.
Herfst
Nu bloeien in 't jonge gras niet meer
Meizoentjes wit en geel;
Nu hoor je niet meer in het dichte groen
Gejubel en vogelgekweel.
Het krekeltje zwijgt en het Noorden blaast koud
Door 't zwijgende, hijgende woud.
Nu zie je-in 't gewelf der beukenlaan
't Wazige blauw door 't bruin,
Nu wordt het park, dat zo klaaglijk ruist,
Een wondere tovertuin.
Het zonnetje schuilt, en al vroeger verwacht
Wordt de duistere, fluist'rende nacht
Herfstliedje
De vogels zijn heen en de velden zijn naakt,
De wei vol waterplassen;
De blaad'ren liggen in het slijk,
Die in de lente wassen.
Het lichte zaad der distels waait
In pluimkens langs de wegen;
De wind waait door de naakte boom,
De hemel dreigt met regen.
Herfstliedje
Een vriend'lijk, aardig vogelijn
Zong in de held're zonneschijn
Op zachte toon zijn afscheidslied:
„Vergeet de kleine vogel niet !
Vaarwel, vaarwel, vaarwel,
Vaarwel, de tijd vliedt snel,
Vaarwel, vaarwel."
Ik keek de vogel droevig aan,
En zei: „Ge moogt niet henen gaan,
Ge blijft toch waarlijk al te kort,
Ik zorg voor u als 't winter wordt;
Blijf hier, blijf hier, blijf hier,
Blijf hier mijn aardig dier,
Blijf hier, blijf hier !"
De vogel zong: „'t Wordt mij te koud,
Te dor in 't veld, te kaal in 't woud;
In 't voorjaar zien we-elkander weer,
Voor mij zorgt onze Lieve Heer.
Ik kom, ik kom, ik kom,
Ik kom heel gauw weerom,
Ik kom weerom!"
In de herfst
In de herfst zijn alle blaadjes
Van de bomen in de tuin
In de herfst zijn alle blaadjes
Van de bomen donkerbruin
In de winter zie je buiten
Als je lekker binnen zit
In de winter zie je buiten
Heel de wereld parelwit
In de lente wordt dan zachtjes
Zonder dat je iets moet doen
In de lente wordt dan zachtjes
Heel voorzichtig alles groen
In de zomer zie je zomaar
Vlinders hier en bijtjes daar
In de zomer zie je zomaar
Zeven kleuren door elkaar
Eekhoorn
Eekhoorn, eekhoorn
Met je lange staartje
Eekhoorn, eekhoorn
Spring maar met een vaartje
Tikke takke tonen
Roets in de bomen
Herfst wat heb je te koop
Herfst herfst wat heb je te koop?
honderd duizend bladeren op een hoop
Zakken vol met wind
Ja mijn kind
'k Weet niet of jij dat aardig vindt.
In de herfst
In de herfst ( klap klap) 2x
Dan laten de bomen de blaadjes los
Zoeken wij kastanjes in het bos
In de herfst ( klap klap) 2x
Hoor de bomen waaien
Hoor de wind een waaien ( woei woei woei)
Zie de bomen zwaaien,
ga niet zo tekeer,
Jij lastige meneer
Ik blijf lekker binnen.
Wat een lelijk weer.
Terug naar het
overzicht