|
| |
Vervolg van gedichten
|

Wij worden ouder
Lieveling, wij worden ouder, dat ziet men ons aan,
het is omdat wij ons levensuurwerk niet kunnen laten stilstaan.
Maar wat zou het, ook bij het ouder worden is het leven mooi,
ook al zijn je blonde haren grijs geworden, voor mij ben je nog altijd
mooi.
Laats zag ik je heel bedenkelijk voor de spiegel staan,
ook zag ik in jouw blauwe ogen de dauw van een traan.
Maar schat, wees maar niet treurig ! mij valt ook een en ander op,
laats bood mij nog een jong meisje haar stoel aan en stond op.
Een ding moet je onthouden, daar kun je van op aan,
ik ben o zo blij, dat ik jou nog altijd ter zijde heb staan.
Ook al moeten wij met grijze haren en rimpels verder gaan,
jij bent mijn liefste, en onze liefde zal eeuwig blijven bestaan.
Eugène Penders
22 juni 2010
|
|

Mijn Vaderland.
Op een mooie morgen,’t was de tiende mei,
De merels zongen vrij en blij.
Keken wij uit het venster, en wat wij toen zagen,
In alle straten marcheerden, Duitse soldaten.
’t Was net of dat zo hoorde,
Marcheerden de soldaten, naar het noorden.
Overal waar je maar kijken kon,
Overal soldaten tot de horizon.
Ik weet nog dat mijn moeder stond te grienen,
’t Was toen ongeveer tegen tienen.
Toen hoorden wij van Radio Oranje Nederland,
Hollandse soldaten vechten aan de Moerdijk
Voor Volk en Vaderland:
Wat ik toen gezien en gehoord heb, is mij altijd bij gebleven,
Een ding heb ik toen begrepen, ook al was ik nog zeer jong,
Dat niet hier ! Maar daar aan de Moerdijk, mijn Vaderland begon.
Eugène Penders
21 juni 2010
|
|

Liefde aan de Wolga
Toen Serge zijn wodka op had gelikt
Volgde hij Olga met wulpse blik
Vlamde het verlangen ongewild
Wetende zijn passie wordt gestild
Wassend aan de kuip haar schort open
Waren zijn ogen naar binnen geslopen
En ervaart heimelijk wat niet mocht
Graaide opzwepend achter iedere bocht
En Olga wetende zijn begluurgerij
En toonde Serge tot aan kruis haar dij
Spande haar bilspieren hard omhoog
Terwijl zij nog verder naar voren boog
Onvast en wankelend stond Serge op
Vervloekend zijn lid en dronken kop
Greep Olga haar ronde heupen stevig vast
Zijn roede zoekend geen slip was verrast
En Olga onderging alles verrukkelijk gewoon
Duwde ritmisch borstel want het moest schoon
Door Serge zijn stoten klotsen in de kuip geplas
Slaakte deze een harde kreet en plofte in het gras
En Olga schikte haar schort zoals gewoon
Bekeek haar was dacht al soppend lekker schoon
Het hele gedoe was voor haar maar een pretje
Maar de borstel, Ja die hield wel van een zetje
Ivan Grud
17 juni 2010
|
|

Olga
Olga lachte ondeugend en lonkte naar Serge
Wetende hij was verloren door haar geflirt
Vele mannen geilden zich op als zij blikte
Dan wel zij sensueel aan haar glas likte
Zij was een vrouw zoals mannen het wilden
Rondborstig slank en hoog in de heupen
Haar billen zichtbaar onder satijnen rokken
Bewoog zij ritmisch om menigeen te lokken
Maar daar was Serge een jong robuust talent
Met blozende kaken driften passie ongeremd
Zij moest hem hebben gooide alles in de strijd
Beestachtig wilde zij beminnen zonder beleid
Dan klemde zij het lam zwoel in haar armen
Ontkleed blozend zwetend gepassioneerd
Onderging de snelle onbesuisde liefkozing
Nog voor de inbreng Serges snelle lozing
En als zij dan wederkeerde in het rokerig lokaal
Met wulpse onbeschaamd zoekende blikken
Dacht zij onbevredigd met smachtende dij partij
Ik zal nu toch maar een echte vent strikken
Ivan Grud
17 juni 2010
|
|

Kus der vier Jaargetijden
15 à 16 jaren droomde zij onschuldig en rein,
Toen zijn Miets en Eugène, tesamen gekomen het moest zo zijn.
Eugène speelde toneel, hij zag haar en zij zag hem,
Het klikte meteen, hij zei met bevende stem:
Geef mij eens een kus, maar zij zei ontdaan,
Nee dat mag je niet doen, maar liet hem begaan.
Ze deed bij de eerste kus, of het haar griefde
Zo begon voor Miets en Eugène de lente van de liefde
Zij bleven samen, de liefde die zo vroeg begon trouw,
Na Jaren verkering, wordt zij dan zijn vrouw.
Hun liefde tot in de banden gekluisterd viert hoog tij,
Hij neemt zijn vrouwtje, en zegt eindelijk ben je van mij.
Zij kussen elkaar met een vrolijke lach
En doen dat wel 30 keer per dag.
Nooit is het te laat een kus te geven,
Dit is de zomer van het leven.
Dan komen de kleintjes, en met hen de zorgen voor het bestaan,
Nog een kus voor de nacht daarmee is het gedaan.
Als hij van de mijn komt, is hij hartstikke moe,
Hij ligt met zijn mond open,als een hooischuur te gapen
En draait dan de rug, naar haar toe.
Miets zegt dan goede nacht man,
Nog een nachtkus, en weldra slaapt hij en weet nergens meer van.
Miets,ligt nog wakker, en zucht dan nog even,
Vroeger sliep je niet zo vlug, dit is de herfst van het leven.
Dat zij elkaar kusten, is al lang geleden voor het Gouden Paar,
Zij zijn oud geworden,en vergrijsd is het haar.
Maar herinneringen komen weer boven, op het Gouden Feest,
Dan zegt Miets gans verlegen, maar wij zijn ook eens jong geweest.
Dan spitst zij haar mond, met een kunstgebit in
En drukt Eugène een kus op zijn stoppelige kin.
Zo’n lekkere kus, heb je mij al lang niet meer gegeven,
Het is vanzelf gekomen de winter van het leven
Eugène Penders
16 juni 2010
|
|

Waarom
Laat ons de wereld waardig zijn,
laat ons de vrede toch bewaren.
Zorg dat ook onze kinderen nog,
een klaproos kunnen plukken tussen korenaren.
Waarom kan er op deze wereld,
niet voor iedereen weer vrede zijn.
Waarom toch altijd haat en moorden,
waarom toch altijd verdriet en pijn.
Een traan op de wang van een klein meisje,
een machteloos samen geknepen hand.
Dat zijn de toonbeelden van ellende,
een wrak dat ergens aanspoelt op een strand.
Eugène Penders
16 juni 2010
|
|

Censuur
Waar de dichters sneuvelen
Verdroogt schreeuwend de pen
Krult het onbeschreven blad
In tijdloos durend witte stilte
Dan is daar de oorsprong
Die zich verontwaardigt profileert
In razernij en zoet gezang
Ontrukt hij de vlerk een veder
Toomloos is zijn gedender
Niet aflatend de stroom
Braakt gewraakte zinnen
Geboren is het schrift
Ivan Grud
14 juni 2010
|
|

De dichter
Nee, sprak de dichter
tegen zijn gevoelens in
Nee, het is mooi geweest
het heeft toch geen zin
Maar rust kende die dichter niet
er lag nog zoveel in het verschiet
Neurotisch ontgrendelde hij bij hem
zijn weifelend aangetrokken rem
Dus trok hij weer schrijvende ten strijden
tegen onrecht en vervalsing van blijde tijden
Vestigde de aandacht op hongersnood ongehoord
onthouden van mensenrecht gevolgd in massamoord
Ivan Grud
14 juni 2010
|
|

OVS-er
De betekenis is Ondergrondse Vakschool,
op deze school, was werken en leren ’t parool
Menige jongen van 14 jaar nog jong van lijf,
werd er gehard en klaargestoomd,
voor ’t ondergronds bedrijf.
Was je geboren in een mijnwerkersgezin,
had je maar weinig keus, en moest je de mijn maar in.
Je ouders hadden het van te voren reeds bepaald,
ze wisten wel dat het ongezond was, maar ’t werd goed betaald.
De jonge mijnwerkers, ondanks een hard bestaan,
waren elkaar trouw op hun vriendschap kon je aan.
Was er een vriend in grote nood,
Hij schoot te hulp, en betaalde dat dikwijls met de dood.
Nu na velen jaren in lampenlicht,
is het gedaan, en deden de mijnen hun poorten dicht.
Gelukkig prevelt menige Limburgse jongen,
het werd hoog tijd want ik heb reeds 50% stoflongen.
Iedereen had bij het sluiten van de mijn,
een traan in het oog, en in het hart pijn.
Hoe kan het ook anders, hij heeft daar onder de grond,
zoveel van zich zelf gegeven.
Hij bracht er de helft door van zijn leven.
Eugène Penders
13 juni 2010
|
|

Mijnwerkers
Vroeger woonden er hier in Limburg veel kompels,
jongens die nooit zijn verwend.
Die hun gezondheid hebben gegeven,
en het geluk nooit hebben gekend.
Nu zijn het uitgebluste mannetjes, dat is hun lot,
hun longen vol kolenstof, en hun rug is kapot.
Vlak na de oorlog waren het helden,
heel Nederland schreide om kolen,
om zich te warmen en te koken.
Nu zijn die jongens uit de pijler,
Ook hij die zijn leven gaf.
Ze zijn vergeten, zijn niet meer nodig,
hun wacht alleen nog het koele graf.
Maar één ding
mogen wij nooit vergeten,
dat Limburg generaties lang.
Holland aan de welvaart heeft geholpen,
nu krijgen wij daarvoor stank voor dank.
Laten wij daar eens bij stil staan even,
steeds stonden zij klaar voor ons,
voor ons zijn zij helden gebleven,
De vader van u en die van ons.
Eugène Penders
13 juni 2010
|
|

Zeemansgraf
Met olijftak omrande viermaster oogde verbleekt
alsof zij reeds rouwden
anker op de hand verschrompelt eens krachtig
kon niets meer houden
stoere tattoo trots teken van weleer
nu een spookschip de olijftak een veer
De oude zeeman sleet zijn dagen langs de Maas
turend in de verte met getaand gelaat
miste hij schip en maat
Het water gekrijs van meeuwen, de Jan van Gent
gure wind ruisen der golven
dat hij zo goed kent
Leven lang op zee gezworven avonturen de wilde vaart
zij was zijn grote liefde geen vrouw die het evenaart
De zee met herinneringen die hij altijd bij zich draagt
graag had hij op haar willen sterven
als zij het had gevraagd
Zijn vrienden
zij zouden nimmer wederkeren
om ook nooit meer aan meren
uit het duister van de nacht
Vermoeid zet hij zich neder
daar op die verlaten ka
gezang der meerminnen in zijn gehoor
zoet zalvend zijn de woorden
velen gingen hem reeds voor
Berustend glijdt hij in het water
omarmt door de nimf die hem kust
boven hem sluiten zich de golven
dan ervaart hij de serene rust
De stilte die is te horen
wordt dan slechts onderbroken
door een witte schreeuw
de drager van zijn ziel
vertrokken is de meeuw
Ivan Grud
12 juni 2010
|
|

Voornemens
Bijna stikkend in de drank
Feestend op mijn manier
Verlaat ik de Party
Als wil ik het gehaast verlaten
Getuigt de alom versnelde pas
Vanwaar die haast telkens weer
De voornemens nieuw ten spijt
Ook nu weer voorgenomen nieuw belijdt
Blijkt altijd weer een illusie
Van dronken ontnuchterende feiten
En het spoedige vergeten treft ons allen
Ivan Grud
12 juni 2010
|
|

,,Spreuken" voor onze tijd
Jongen, zoon van me,
keer je om als je in verleiding komt,
als het scherm je lokt en trekt.
Geef je ogen geen kans
en bewaar boven alles je hart.
Beelden wís je niet
maar ze klonteren tot een gezwel
dat in je groeit als een kanker
waar geen chemo tegenop kan.
Kees van Baardewijk
10 juni 2010
|
|

Zijn laatste gang
Het is stil rond het ziekenhuis,
tussen het loof van de bomen kruipt een muis.
Uit alle Kamers schijnt lampen licht,
alleen op kamer 10 zijn de luiken dicht.
Daar ligt stervende te bed en met veel pijn,
een oude vriend een kompel van de mijn.
Iemand die al zijn krachten heeft gegeven,
een vriend waar je op aan kon in het leven.
Zijn beide kinderen zijn geëmigreerd,
het contact met hen heeft hij verloren.
Ook zijn lieve Vrouw heeft hij verloren,
zij zijn allen van hem heengegaan,
Daarom moet hij zijn laatste weg alleen gaan.
Hij heeft de Hemel wel verdiend,
want hij werkte, 35 jaren in de hel.
Hij is nu aan ’t aftellen,
want zijn leven is gestreden.
Straks trekt hij bij Petrus aan de bel.
Voor hem gaat dan met veel gekraakt de hemeldeur open,
en zie op kamer 10 gaan de luiken open.
Eugène Penders
10 juni 2010
|
|

Treur maar niet om
mij
Treur maar niet om mij,
maar wees naast je verdriet, een
beetje blij.
Je moet niet denken dat ik ben dood
gegaan,
ik ben alleen maar overgegaan.
Wees blij dat onze schepper mij is
komen bevrijden,
en dat het voorbij is al mijn
lijden.
Ik ben blij dat jullie mij goed hebt
bijgestaan,
en heel erg dankbaar dat jullie dat
voor mij hebben gedaan.
Moge de goede God op jullie aardse
reizen,
jullie
de juiste weg wijzen.
Dan zullen wij eens weer samen zijn
en zullen wij weer gelukkig zijn.
Wees dus niet meer bedroefd om mijn
heengaan,
maar denk er steeds aan.
Dat ik niet ben dood gegaan,
maar dat ik gewoon ben overgegaan.
Eugène Penders
10 juni 2010
|
|

De krant
Wat is het toch heerlijk om te
kunnen lezen,
want zo kom je ten minste iets te
weten.
‘t Is heerlijk, tijdens het ontbijt
de krant te lezen,
op een hoek van de tafel onder ‘t
eten.
Ik lees dan de goede en de slechte
verhalen,
ze zijn goed in elkaar gezet door de
journalist.
Ik lees over de temperaturen of ze
stijgen of dalen
in het kersverse weerbericht.
Ik lees over heel wat dingen van de
dag,
ik lees dat er een vliegtuig is
neergestort.
Ik lees met een traan en een lach,
over terrorisme, over oorlog en over
sport.
Niets sla ik over in de krant,
alles lees ik, alle gebeurtenissen.
Alles wat zich afspeelt in ‘t land,
nee ik kan de krant niet missen.
Eugène Penders
8 juni 2010
|
|

Duivenhok
Gus Erkens heeft een prachtig
duivenhok,
daar vertoeft hij een tijd van zijn
leven.
Hij is trots op zijn duivenklok,
hij heeft ze van zijn vader
gekregen.
Hij heeft vier prima kweekkoppels
van 6 jaar oud.
deze hebben voor Gus veel prijzen
gevlogen.
Prijzen van zilver en goud,
zij waren de besten dat is
ongelogen.
Hij heeft ook nog 15 oude en 5
jarige doffers,
die allen hebben een duivin.
Voor deze brengt Gus heel wat
offers,
hen verwent hij extra, die moeten
morgen het luchtruim in.
Zij moeten prijzen vliegen voor hun
baas, Gus Erkens,
zij moeten hoog aanslaan op ‘t
scorebord.
Want zij moeten hoog houden de naam
Gus Erkens,
een naam, die bekendheid heeft in de
duivensport.
Eugène Penders
8 juni 2010
|
|

Heimwee
Als ik kijk naar de blauwe lucht,
naar de trekvogels, in hun vlucht.
In gedachten vlieg ik dan met ze
mee,
naar waar ik geboren ben, ver over
zee.
Ook al heb ik hier gekregen een
nieuw tehuis,
verlang ik in stilte naar mijn
vrienden thuis.
Ik ben hier wel goed opgevangen, in
mijn hart is pijn,
als ik denk aan allen die mij lief
waren en daar nog zijn.
Dan komt de heimwee naar mijn land
ver over zee,
ik draag dat in mijn hart steeds met
mij mee.
Heimwee naar dat palmenstrand heel
ver hier vandaan,
naar dat zonnige strand waar mijn
wieg heeft gestaan.
Eugène Penders
2 juni 2010
|
|

Mijn hart verpand
aan Limburg
O, Limburg , waar ik ben geboren,
waar de Maas stroomt tussen ‘t malse
koren.
Waar ik vreugde had en ook wel
lijden,
van jou zal ik niet willen scheiden.
O, Limburg, in het zuiden van
Nederland,
Aan jou heb ik mijn hart verpand.
Van jouw natuurschoon kan een mens
alleen maar dromen,
nooit zal ik ergens anders willen
wonen.
Waar de leeuwerik zingt zijn hoogste
lied,
of de nachtegaal, je hoort hem, maar
je ziet hem niet.
O, Limburg, mijn dierbaar land,
Ik heb mijn hart aan jou verpand.
Toch zal eens de dag komen,
dan zal de dood mij halen komen.
Maar dan weet ik, dat ik heb
geleefd,
in het mooiste plekje dat het geeft.
Begraaf mij dan ook in mijn
Limburgse land,
want ik heb daaraan mijn hart
verpand.
Eugène Penders
30 mei 2010
|
|
Het Heilig Graf
Er was een graf, waar ‘t lichaam van
onze Heer in lag,
twee vrouwen gingen in alle vroegte
naar dat graf.
"Hoe komen wij in dat dat graf ?"zei
de een tot de ander,
want voor de ingang ligt een steen,
een zware kanjer.
Maar ziet ! Het graf was open, de
steen was er af.
Ze gingen even zitten want ze waren
van ‘t lopen moe.
Toen kwam een jonge man naar hen
toe.
Hij zei hun: "de Christus is
verrezen, de Heer is opgestaan."
Toen zijn de vrouwen maar
heengegaan.
Zij gingen naar Galilea,
En zongen van vreugde ‘t alleluja.
Eugène Penders
27 mei 2010
|
|

De Spiegel
Als je mooi wilt zijn, ga dan niet
voor de spiegel staan;
neem je leven, zoals je bent
geboren.
Ook al heb je wat puistjes, laat je
dat niet aangaan,
laat om een puistje je leven niet
verstoren.
De spiegel doet je geloven dat je
aan knapheid slecht bent bedeeld,
je ziet een heleboel dingen, die je
anders niet ziet.
De spiegel geeft je een negatief
beeld,
terwijl er zoveel moois in je is dat
je in de spiegel niet ziet.
Eugène Penders
27 mei 2010
|
|

Moeders tranen
Wat was ik trots mijn lieve jongen,
toen ik jou op de wereld bracht,
jij was zo’n mooi kind, jij was het
mooiste van ‘t hele land.
En zo slim keek jij de wereld in met
af en toe een lieve lach,
weet je ik was de gelukkigste moeder
van ‘t hele land.
Wat waren dat toch mooie jaren mijn
lieve kind,
jou te zien opgroeien als een flinke
man.
Ik moest mee gaan werken, ‘t ging
ons niet voor de wind,
maar voor je kind doe je alles wat
je maar kan.
Nu ben jij volwassen, het is vlug
gegaan,
ondanks onze waarschuwingen raakte
jij aan drugs verslaafd.
Dikwijls vraag ik mij af, waar is
het toch fout gegaan,
het doet pijn, te zien hoe je kind
zijn eigen graf graaft.
Mijn lieve jongen, ik bid voor jou
dag en nacht,
weet jij dan niet, dat je mij doet
veel verdriet ?
Ik kan niet meer slapen, geen enkele
nacht,
zie jij je moeders tranen dan niet ?
Eugène Penders
27 mei 2010
|
|

Ik zit in een hoekje
alleen
Ik zit in een hoekje alleen,
en staar stil voor mij heen.
Ik zie dan een mooie wereld,
een wereld zonder geweld
Een wereld van reine wateren en
wouden,
een wereld waar de mensen weer van
elkaar houden.
Maar dan lees ik in de krant, van
oorlogen.
Ik
hoor hoe twee straaljagers overvlogen
Dan denk ik ‘t zal wel niet zo gouw
komen,
maar toch blijf ik er altijd van
dromen.
Eugène Penders
24 mei 2010
|
|

Als ik wandel door de bossen
Als ik wandel door de bossen,
op zoek naar frisse Lucht.
Breek ik dikwijls de nek
over verrotten van takkenbossen,
‘t liefs ga ik dan op de vlucht.
Want de lucht is er niet meer puur,
in onze bossen in de natuur.
Vroeger waren de bossen schoon,
toen zongen wij met volle toon.
Wij trekken vrolijk naar het bos,
naar het bos in zomertooi.
Daar bloeit zo menig bloementros,
en het smalle pad begroeid met mos.
En door der twijgen blader dost,
klink vogelenzang zo mooi.
Nu slaak ik dikwijls een diepe
zucht,
ik zoek niet meer op die
verrotingslucht.
Het bos vergifd door zure regen,
en wandel nu maar langs de wegen.
Maar ook daar is het een grote
troep,
koolmonoxide, gas en hondenpoep.
Ik hoop dat eens de bossen weer rein
zijn.
Dat zij die na ons komen,
weer kunnen wandelen tussen de hoge
bomen.
Dat dan weer de lucht is puur,
in onze bossen in de natuur.
Eugène Penders
24 mei 2010
|
|
Humor in de Hemel
Hemelpraat 1
Toen de poort zich zacht suizend opende
En begeleid door fel wit licht
Er een nieuwe dode verscheen
Zaten zij die al op hem wachtten
Genoeglijk aan de grote tafel bijeen
Nieuwsgierig naar zijn verslag
Onder applaus en hard gelach
Neemt hij dan plaats aan de dis
En zien zij dat hij incompleet is
Weddenschappen worden aangegaan
Een ongeval of vergeten op de maan
Van hoog naar laag wordt er geboden
Hoogste bod een dood paard en twaalf broden
Maar hij moest hen allen teleurstellen
Wilde na wat gedronken te hebben wel vertellen
Hij had dat ding al zolang moeten missen
Door een hond afgebeten toen hij stond te pissen
Toen wederom de poort zacht openging
En begeleid door fel wit licht
Er weer een nieuwe dode verscheen
Zaten zij die al op hem wachtten
Uiteraard aan de grote tafel bijeen
Het paard en brood verwisseld van eigenaar
De pret was grenzeloos en ongemoeid
En de ogen van allen staarden naar
Die mooie meid met lange benen maar geboeid
En de sluwe probeerden de boel te klissen
Een criminele moordenares kon niet missen
Er wordt ingezet en het bod schiet omhoog
Hoogste bod, met zeven jonge maagden
een ritje onder de regenboog
Maar toen zij plaats nam aan de tafel
Vertelde zij desgevraagd haar verhaal
De schuld lag niet bij haar maar bij haar ex
SM liefhebster als zij is, was gestikt in orale seks
Ivan Grud
24 mei 2010
|
|

Humor in de Hemel
Hemelpraat 2
Ten derde male opende de poort
En begeleid door wit licht
Er weer een nieuwe dode verscheen
Zaten allen in spanning te wachten
Er ontbrak er geen
De winnaar van de zeven maagden
Zat te zeuren over bedrog
Drie ervan hadden kinderen gehad
Waren lui geweest dik en log
Maar het geruzie verstomde alras
Toen daar in eens de nieuwe was
Een oude man verbrand met vellen
Hij stonk er werd niet gewed op hem
Dus moest hij het maar zo vertellen
Hij moest zitten op een oude schraag
Al wilde hij maar al te graag
Hij mocht niet aan de tafel zitten
Dan fluistert hij zijn stem heel laag
Brand, gerookt en liggen pitten
En weer opende de poort sereen
Wederom begeleid door wit licht
Ook nu weer een nieuwe dode verscheen
En allen staarden met open mond
Naar wat er in de opening stond
Wankelend met onvaste benen
Zwetend met een rode kop
Brulde hij is hier wat te zuipen
Maakt niet uit wat het is, geef maar op
Alcoholist zo ging men wedden
Van kathedraal tot gereviseerde hoerenbus
er werd van alles ingezet op de Rus
De roker niet hij was geen klant
Zijn hand was immers afgebrand
De Rus plofte ongevraagd aan tafel
Nou komt er nog wat van brulde hij
Dan zuip ik uit deze liefdeskom
Duwde dan zijn kop in SM haar kruis
Zonder wodka neergestort in woestijn
En daar hoort een Rus niet thuis
De poort opende zich wederom
Daar in de opening stond een non
Begeleid door het witte licht
En al de monden klapten dicht
Gehuld als zij was in haar wit habijt
Blondgelokt
duidelijk een mooie meid
Beetje beduimelt, er was geen eer meer aan te redden
Vertwijfeld ging men aan het wedden
Van waarschijnlijk langdurig ziek
Ten onder gegaan in de romantiek
Misschien gevallen uit de hoeren bus
Die was ingezet op de dronken Rus
Maar de non lachte wat verlegen
En toont hen, onder het schudden
Van haar lange blonde lokken
Een kabouter van onder haar witte rokken
Ivan Grud
24 mei 2010
|
|
Het Ervarene
En al struikelend over
oneffenheden mijner verleden
Onderga ik het resterende
de weg mijner ijle toekomst
Schuifelend beweeg ik mij
in het duister voorwaarts
Mijn geleden tijd terechtwijzen
wetende er is geen herstel
Angstig met een glimlach
en het eind in zicht
Hoed ik mij niet te struikelen
Ivan Grud
23 mei 2010
|
|
Dhr. P.
Dhr. P. klopte aan mijn deur
Ik deed open en kreeg een kleur
Ik zei jou had ik niet verwacht
Hr. P. donder op, en neem wat u te brengen dacht.
Dhr. P. keek mij onbewogen aan
En zei 't is je lot
doe je niets aan
En daarom
ik heb Parkinson.
maar blijf proberen
laconiek in het leven te staan.
Mayke
23 mei 2010
|
|

Lachen is gezond
Een weldoener is hij die een ander
doet lachen,
Die hem vergeten doet de sleur van
het leven.
Die met een goede mop de ander doet
schaterlachen,
Gelukkig kom je zo wel eens iemand
tegen.
God mogen wij danken dat het zo’n
mensen geeft,
Mensen als Toon Hermans met zijn
kolder.
Een clown, die het maar eenmalig
geeft,
Met zijn "Sien, laat ’s zien" en
zijn "holder de bolder".
Lachen om een goede mop is beslist
geen doodzonde,
Daarom is het goed, dat er mensen
zijn die zorgen voor vertier.
In dit gejaagd leven, dit ongezonde,
Die naast de dingen van alledag
zorgen voor plezier.
Ik noem Toon Hermans. Hij is mijn
favoriet, ik zal hem nooit vergeten,
Van hem heb ik menig vers, menig
gedicht,
En zijn gebedenboekje niet te
vergeten,
Het is uit dankbaarheid, dat ik hem
even aanhaal in mijn gedicht.
Eugène Penders
22 mei 2010
|
Ga naar
volgende gedichten
Ga naar vorige gedichten
Ga terug naar rubriek Gedichten
Ga terug naar SeniorPlaza
| |
|