|
|
|
Jacques Brel (klik op de plaatjes om ze te vergroten) Jacques Romain Georges Brel werd op 8 april 1929 geboren in Schaerbeek,
een voorstad van Brussel. Zijn vader had vanaf 1911 tot 1926 in Congo gewoond
waar hij werkte voor een handelsfirma. In 1921 was zijn vader getrouwd en kwam
ook zijn moeder over naar Congo. Uit het huwelijk werd eerst op 13 augustus 1922
een tweeling (Pierre en Nelly) geboren. Beide kinderen overleden echter in
januari 1923 aan de gevolgen van tyfus. In 1923 werd er een zoon geboren die ook
de naam Pierre kreeg. In 1926 waren ze definitief uit de Congo teruggekeerd en
vestigden ze zich in Schaerbeek, waar dus Jacques geboren werd. In 1931 stopte
zijn vader met handel en werd vennoot in de Brusselse kartonfabriek van zijn
zwager Armand Vanneste, waarbij de naam van het bedrijf veranderd werd in
Vanneste & Brel. Het bekrompen bourgeois milieu waar Jacques zich later
tegen afzette was niet zozeer gebaseerd op de ervaringen bij zijn eigen familie,
maar meer op de familie Vanneste. Op zijn 16-de gaf Brel voor het eerst uiting aan zijn artistieke talent.
Hij richtte een theatergroep op, samen met enkele vrienden, en voor deze groep
schreef hij een aantal stukken. De jonge Brel blonk niet erg uit op school. Hij zakte voor de meeste
tentamens en zijn vader wilde toen hij 18 jaar was dat hij voor zijn bedrijf
kwam werken. Maar Jacques had andere plannen. Hij ging werken voor een
humanistisch-katholieke jeugdbeweging "La Franche Cordée" genaamd,
waar hij in 1949 directeur van werd. Intussen hield hij zich bezig met zang en
toneelspel. Bij "La Franche Cordée" ontmoette hij ook zijn
toekomstige vrouw Thérèse Michielsen (bij haar vrienden bekend als Miche). In plaats van te wachten op zijn oproep voor militaire dienst meldde hij
zichzelf in 1948 aan. Hij schopte het tot korporaal bij de landmacht. Twee jaar
later, na zijn diensttijd, trouwde hij op 1 juni 1950 met Thérèse. Op 6
december 1951 werd de eerste van hun 3 dochters, Chantal, geboren. In 1952 zette Brel zijn eerste liedjes op papier, die hij zong ze op
familiefeesten en in het Brusselse cabaretcircuit. Maar geschokt door sommige
van zijn teksten en door zijn emotionele manier van optreden moedigden zijn
familie en vrienden hem niet aan om hiermee door te gaan. Daar liet Jacques zich
echter niet door van de wijs brengen. In 1953 trad hij op in het Brusselse
cabaret "La Rose Noire" en in februari van dat jaar nam hij zijn
eerste plaat op met twee liedjes "La Foire" en "Il y a".
Jacques Cannetti, een Franse talentenjager en artistiek directeur van het
Philips label, was diep onder de indruk van die plaat en nodigde hem uit om naar
Parijs te komen. Brel's familie was veel minder onder de indruk door deze
ontwikkeling in zijn zangcarrière en dreigde hem dat hij geen cent van zijn
familie zou krijgen als hij op het aanbod inging. Maar Jacques trok zich van dit
dreigement niets aan. Ondanks dat op 12 juli 1953 zijn tweede dochter France
werd geboren vertrok Brel later dat jaar toch in zijn eentje naar Parijs. In Parijs vocht Jacques hard om zijn carrière van de grond te krijgen.
Hij woonde op een klein kamertje, deed vele audities en slaagde er uiteindelijk
in om geboekt te worden voor een aantal optredens in het cabaretcircuit in
gelegenheden als "L'Ecluse", "L'Echelle de Jacob" en in
Jacques Canetti's cabaret "Les Trois Baudets". Maar het publiek liep
niet warm voor dit "provinciaaltje met zijn onvolkomen Frans". In 1954 nam Brel deel aan de "Grand Prix de la Chanson" in
Knokke. Maar ook hier had hij geen succes. Hij werd 27-ste van de 28 deelnemers.
Maar een onverwachte meevaller als gevolg van zijn optreden was dat de Franse
vedette Juliette Gréco hem vroeg om één van zijn liedjes ("Ça va le
diable") te mogen zingen bij een optreden in het prestigieuze Parijse
"Olympia" muziektheater. In juli van datzelfde jaar trad Brel zelf ook op in de
"Olympia". Ook dit optreden werd maar lauw door het publiek ontvangen.
Maar zoals hij al eerder zijn doorzettingsvermogen toonde ging hij op tournee in
Frankrijk met de zangers Dario Moreno, Philippe Clay and Catherine Sauvage. In 1955 kwamen zijn vrouw en kinderen over om zich met hem in Montreuil,
een voorstad van Parijs, te vestigen. In die tijd ontmoette hij Georges Pasquier,
beter bekend als Jojo. Hij werd een van de belangrijkste aanjagers van Brel's carrière.
Naast het feit dat hij een van zijn beste vrienden werd, werd hij ook zijn
manager en persoonlijke chauffeur. In hetzelfde jaar 1955 kwam ook Brel's eerste Franse album uit op het
Philips label. In 1955 begon Brel ook op treden voor christelijke verenigingen.
Daarom gaf zijn vriend George Brassens hem de bijnaam "Abbé Brel". Het jaar daarop ontmoette Brel de klassiek pianist François Rauber die
zijn begeleider werd bij studio-opnames. Rauber voelde sterke verwantschap met
de liedjes van Brel en hij gaf aan de nog jonge Brel de muzikale training die
hij miste. Hij verzorgde ook de muzikale arrangement van zijn werk. Een andere getalenteerde pianist, Gérard Jouannest, ging Brel bij zijn
optredens begeleiden. Brel en Jouannest werkten ook samen bij een groot aantal
liedjes die later Brel klassiekers werden, zoals "Madeleine", "La
chanson des vieux amants" en "Les Vieux". Van Brel's tweede album, dat in 1957 werd opgenomen, kwam de hit single
"Quand on a que l'amour", een lied waarmee hij de prestigieuze
"Grand Prix de l'Académie Charles Cros" won. In februari van dat jaar
trad Brel op in "L'Alhambra" met Zizi Jeanmaire. Zijn derde dochter, Isabelle, werd geboren op 23 augustus 1958. Eind 1958 keerde Brel terug in de "Olympia" naast een optreden
van Philippe Clay. Dit keer kreeg hij met een ongelooflijk emotioneel optreden
de zaal wel plat. Na het succes van zijn vierde album "La Valse à 1000 temps"
begon Brel aan een serie tournees door Frankrijk, waarbij de schare aan fans
verder toenam. Eind 1959 had zijn faam zo'n hoogte bereikt dat hij werd
uitgenodigd om Francis Lemarque te vervangen als hoofdact van het
eindejaarsconcert in de "Bobina club". Het concert werd een enorm
succes en daarmee was Brel eind vijftiger jaren hard op pad om een enorme ster
te worden. Tot op dat moment had Brel zichzelf begeleid met gitaar. Hij besloot
nu om dat niet meer te doen en zich te concentreren op zijn theatrale vocale
voorstelling. Na jaren van training had hij zijn stem nu volledig onder
controle. Begin 1960 organiseerde zijn nieuwe impresario, Charles Marouani, een
reeks internationale concerten in de Sovjet Unie, het Midden Oosten en de
Verenigde Staten. En Brel trok volgens een slopend schema van stad tot stad, op
de been gehouden door grote hoeveelheden alcohol, sigaretten en one-night
stands. In januari 1961 keerde Brel triomfantelijk terug in de "Bobino".
Aan zijn groep musici had hij een accordeonist toegevoegd. In 1962 verschenen
twee nieuwe albums. Maar Brel's concert in de "Olympia" later dat jaar bleek het
keerpunt in zijn carrière te zijn. Toen hij op 12 oktober van dat jaar Marlene
Dietrich verving in dit Parijse muziektheater werd zijn optreden een geweldig
succes. Het publiek klapte haar handen stuk en critici begroetten hem als de
nieuwe ster van het Franse chanson. Na dit fenomenale succes maakte hij nog een slopende wereldtournee.
Hoewel hij nu snel een internationale ster werd, speelde Brel in die tijd al met
het idee om een eind aan zijn zangcarrière te maken. Ook in 1962 stapte Brel over van het platenlabel Philips naar Barclay. In
maart van dat jaar was zijn eerste opname voor dit label "Le plat pays",
een persoonlijke ode aan zijn geboorteland België. In oktober zette Brel zijn eigen muziekuitgeverij op, "Arlequin".
Zes maanden later werd de naam van het bedrijf omgedoopt in "Pouchenel"
en werd zijn vrouw directeur van dit bedrijf. In 1963 triomfeerde Brel weer in de "Olympia". Zijn show werd
geprezen door de critici en na zijn vertolking van het lied
"Amsterdam" was het publiek in alle staten en sprongen ze van hun
stoel op om hem een staande ovatie te geven. In januari 1964 overleed zijn vader en twee maanden later zijn moeder.
Niettemin bracht hij in dat jaar twee nieuwe albums uit. Eén daarvan was de
live opname van zijn concert in de "Olympia". In 1964 ontdekte Brel een nieuwe passie, vliegen (een passie die hem veel
later erg goed van pas kwam toen hij op de Marquesaseilanden ging wonen in de
Stille Oceaan). Na een reeks vlieglessen kocht hij een klein vliegtuig. In 1964 ontving hij in Frankrijk de "Grand Prix National du Disque".
Aan het eind van 1965 werd hij, na een tournee van zes weken door de Sovjet
Unie, uitgenodigd om op te treden in de fameuze "Carnegie Hall" in New
York. Het publiek en de critici adoreerden hem. De Amerikaanse pers kon bijna
geen woorden vinden om zijn wervelend optreden te beschrijven en noemden hem de
"Magnetic Hurricane". In heel zijn carrière toonde Brel zijn buitengewone edelmoedigheid door
onbekende artiesten met hem te laten optreden in zijn concerten, zodat ze konden
profiteren van zijn sterrenstatus. Maar Brel kreeg meer en meer genoeg van die
status en de moordende schema's van zijn tournees. En in 1966 schokte hij de
wereld door de aankondiging dat hij een punt zette achter zijn zangcarrière.
Hij verklaarde dat hij de muziekwereld niets meer te bieden had en dat hij meer
tijd wilde besteden aan andere projecten. In oktober 1966 gaf hij een van zijn laatste concerten in het
"Olympia" in Parijs. Een concert waarvoor George Brassens de
introductie van het programma schreef. In de daaropvolgende drie weken trokken
tienduizenden naar het muziektheater om de laatste optredens van Brel in Parijs
te zien. Het afscheidsconcert op 1 november was een emotionele gebeurtenis. Toen
Brel na 15 liedjes het podium verliet klonk in de "Olympia" een
daverend applaus. Brel die anders nooit een toegift gaf keerde niet minder dan
zeven maal terug om met weer een ander lied een laatste vaarwel aan zijn fans te
zeggen. In november trad Brel nog op in de "Royal Albert Hall" in
Londen en kwam nog een paar andere verplichtingen na. Brel's beste vrienden,
waaronder Charles Aznavour, smeekten hem om zijn beslissing te herzien en door
te gaan met zijn zangcarrière. Maar Brel was onvermurwbaar. Begin 1967 gaf Brel zijn tweede en laatste concert in de "Carnegie
Hall" in New York. Tijdens zijn verblijf daar bezocht hij de musical
"De Man Van La Mancha", geïnspireerd op het boek "Don Quichotte"
van Cervantes. Hij kreeg gelijk het idee om deze musical voor Europa te
bewerken. Ironisch genoeg werd Brel later dat jaar zelf het onderwerp van van
een Amerikaanse musical "Jacques Brel Is Alive and Well and Living in Paris".
De hoofdrol werd gespeeld door Mort Shuman en de musical kwam in 1968 op
Broadway. Op 16 mei 1967 gaf Brel zijn allerlaatste concert in Frankrijk in de
plaats Roubaix. Hierna beëindigde hij daadwerkelijk zijn zangcarrière zoals
hij gezegd had. Hij stortte zich nu op de film. In de zomer van 1967 waren de opnames van
de film "Les Risques du métier" (De Risico's van het Vak) van
regisseur André Cayatte, waarin Jaques Brel optrad. Toen de film in de herfst
van dat jaar uitkwam kreeg zijn rol goede recensies van de critici. Later dat jaar werd Brel gegrepen door het reisvirus. Iets wat hij zijn
verdere leven is blijven doen. Om lange reizen te kunnen maken kocht hij een
zeiljacht. In oktober 1968 ging Brel's versie van "De Man Van La Mancha"
in première in Brussel. Brel speelde zelf de rol van Don Quichotte en Dario
Moreno de rol van Sancho Panza. Tragisch genoeg stierf Dario Moreno tien dagen
voor de première van de musical in Parijs. Zijn plaats werd ingenomen door
Robert Manuel. Op de geplande datum van 10 december ging de eerste voorstelling
in het "Théâtre Royal de la Monnaie" gewoon door. En Brel's
acteertalent werd unaniem toegejuicht. Na 150 voorstellingen van "De Man
Van La Mancha", op 17 mei 1969 gaf een uitgeputte Brel zijn rol als Don
Quichotte op. Niemand verving hem. Aan het eind van de zomer in 1969 speelde Brel een rol in de film "Mon
oncle Benjamin" (Mijn oom Benjamin). Na afloop van de opnames liet hij zich
inschrijven bij een Zwitserse vliegschool en kocht hij een nieuw vliegtuig. Brel vervolgde in 1971 zijn acteercarrière met de film "Les
Assasins de l' ordre" (De moordenaars van de Orde) van regisseur Marcel
Carné. Later in datzelfde jaar maakte hij zijn debuut als regisseur met de film
" "Frantz" met een hoofdrol van de Franse zangeres Barbara (die
ook een deel van de soundtrack van de film schreef). Eind 1971 had Brel een rol in de film "L'aventure c'est l'aventure"
(Avontuur is avontuur) van Claude Lelouch. Tijdens de opnames van de film werd
Brel verliefd op de jonge actrice en danseres Madly Bamy. Hij zou de rest van
zijn leven bij haar blijven. Toen Brel's film "Frantz" in maart 1972 uitkwam in Parijs werd
het een hit bij de critici maar geen commercieel succes. "L'aventure c'est
l'aventure" werd dat echter wel. In 1972 tekende Brel een speciaal contract met de platenmaatschappij
Barclay. Omdat hij als zanger geen nieuw materiaal kon aanbieden, suggereerde
deze platenmaatschappij dat hij nieuwe opnames van zijn oudere hits zou maken.
François Rauber, die zijn muziekarrangementen al lange tijd voor zijn rekening
nam, zag niets in dit project. Hij vond het commercieel uitmelken van de hits.
Het project ging desalniettemin van start. In juni en juli 1972 ging Brel zich weer met film bezighouden. Hij vloog
naar Brussel om daar de film "Le Far West" (Het Verre Westen) te
regisseren. De film werd uitgebracht in het voorjaar 1973 tijdens het
filmfestival in Cannes. Het werd een complete flop. Begin 1973 had Brel ontdekt dat hij ziek was en hij stelde een testament
op, waarbij hij alles naliet aan zijn vrouw Thérèse. Kort daarna bracht Brel een nieuwe single uit "L'enfance",
waarvan de opbrengst geheel ten goede kwam aan "La Fondation Perce Neige",
een stichting die opgezet was door de acteur Lino Ventura om gehandicapte
kinderen te helpen. In mei 1973 acteerde Brel naast zijn vriend Lino Ventura in de film
"L'emmerdeur" (De treiteraar) van Edouard Moulinaro. Na afloop van de
opnames nam hij zijn kinderen mee op een cruise met zijn zeiljacht. Die winter
maakte hij ook een twee maanden durende cruise met zijn beste vrienden. Aan het eind van zijn leven stak Brel al zijn tijd en energie in het
zeilen met zijn boot, L'Askoy genaamd. In juli 1974 maakte hij zijn laatste
zeiltrip met Madly en zijn dochter France. Brel zeilde rond de Azoren toen hij
in augustus van de dood van zijn oude vriend Jojo vernam. Hij keerde terug naar
Frankrijk om de begrafenis bij te wonen en hij bleef nog langer om bij het
huwelijk van zijn dochter Chantal in september aanwezig te kunnen zijn. In november ging hij naar Brussel waar hij aan zijn linker long
geopereerd werd. Hij wist dat hij aan een vergevorderd stadium van longkanker
leed en dat zijn dagen geteld waren. Hij kondigde aan dat hij in zijn eentje in
vrede wilde sterven. In 1975 gingen Jacques en Madly leven op de Marquesaseilanden in een huis
op het eiland Hiva-Oa. Terwijl hij genoot van zijn nieuwe levenswijze daar,
kocht hij een nieuw vliegtuig en noemde dat "Jojo", naar zijn oude
vriend. Met "Jojo" bracht hij voedsel en andere goederen naar de
naburige eilanden. In de loop van 1976 ging hij twee keer naar Brussel voor medisch
onderzoek. Maar tegen het advies van de doktoren in keerde hij telkens weer terug
naar de Marquesas, hoewel het tropische klimaat slecht voor zijn longen was. Luister naar Jacques Brel
Wanneer
de Noordzee koppig breekt aan hoge duinen En
witte vlokken schuim uiteenslaan op de kruinen Wanneer
de norse vloed beukt aan het zwart basalt En
over dijk en duin de grijze nevel valt Wanneer
bij eb het strand woest is als een woestijn En
natte westenwinden gieren van venijn Dan
vecht mijn land, mijn vlakke land Wanneer
de regen daalt op straten, pleinen, perken Op
dak en torenspits van hemelhoge kerken Die
in dit vlakke land de enige bergen zijn Wanneer
onder de wolken mensen dwergen zijn Wanneer
de dagen gaan in domme regelmaat En
bolle oostenwind het land nog vlakker slaat Dan
wacht mijn land, mijn vlakke land Wanneer
de lage lucht vlak over 't water scheert Wanneer
de lage lucht ons nederigheid leert Wanneer
de lage lucht er grijs als leisteen is Wanneer
de lage lucht er vaal als keileem is Wanneer
de noordenwind de vlakte vierendeelt Wanneer
de noordenwind er onze adem steelt Dan
kraakt mijn land, mijn vlakke land Wanneer
de Schelde blinkt in zuidelijke zon En
elke Vlaamse vrouw flaneert in zon-japon Wanneer
de eerste spin zijn lentewebben weeft Of
dampende het veld in juli-zonlicht beeft Wanneer
de zuidenwind er schatert door het graan Wanneer
de zuidenwind er jubelt langs de baan Dan
juicht mijn land, mijn vlakke land Marieke (tekst Jacques Brel/ muziek Jaques Brel/G. Jouannest 1961) Ay
Marieke Marieke je t'aimais tant
De
nuttelozen van de nacht (tekst
Jaques Brel/bewerking tekst:Ernst van Altena/muziek: François Rauber) Ze
ontwaken om een uur om vier De
Nederlandse vertaling van "Ne me quitte pas" Laat
me niet alleen (tekst:
Ernst van Altena) Laat
me niet alleen
Want uit een
vulkaan Laat me niet
alleen ROSA
|
|