(Klik op de figuren van deze pagina om ze om te vergroten)
De
wielrenner Fausto Coppi werd op 15 september 1919 geboren in Castellania (Italië).
Dat is een klein dorpje in de Apennijnen, in de buurt van Tortona en Novi Ligure.
Hij was de vierde zoon van het gezin. Vier jaar na hem werd nog zijn broer Serse
geboren, die erg veel op hem leek.
Toen hij een jaar
of zeven was kreeg hij zijn eerste fiets en een baantje bij een kruidenier in
Nova Ligure. Het waren zijn eerste trainingsuren op de fiets. Hij fietste op en
neer naar zijn werk en bezorgde op de fiets de kruidenierswaren bij de klanten.
In Nova Ligura
ontmoette hij Biagio Cavanna, een voormalig bokser en masseur die bekend stond
als "de tovenaar van de spieren". Hij was bovendien een goede
fietstrainer. Hij werd al gauw ook de trainer van de jonge Fausto en bovendien
een gewaardeerde vriend voor het leven en begeleider van zijn carrière. Na wat
kleinere wedstrijden gereden te hebben deed hij mee aan een belangrijke
wedstrijd, de Giro de Piemonte. Daar ontmoette hij voor de eerste keer zijn
latere rivaal Gino Bartali.
Op 19 mei 1940
ging de 28ste Ronde van Italië van start. Coppi, die op zijn 20ste
jaar nog en volslagen onbekende was, maakte als knecht deel uit van de Legnano
ploeg, het team met Bartali als kopman. In de vijfde etappe heeft Bartali het
moeilijk als gevolg van een val van drie dagen daarvoor. Enkele andere renners
vallen aan en Coppi vraagt aan de teamleider of hij mee mag gaan. Hij haalde de
ontsnapten in maar viel vervolgens en zijn fiets was kapot, waardoor hij veel
tijd verloor. De belangrijkste etappe werd evenwel de elfde met een klim naar de
Abetone. Coppi plaatste een aanval en ondanks de regen en hagel bleef hij
vooruit tot in Modena. Omdat hij met grote voorsprong eindigde kon hij voor de
eerste maal in zijn leven de Roze Trui aantrekken. Hoewel hij zelf slecht stond
in de algemene rangschikking was Bartali woedend. Hij vond dat zijn knecht hem
verraden had. Bartali dreigde zelfs om de ronde te verlaten. De leiding van de
Legnano ploeg overreedde hem echter om door te gaan en Coppi te helpen bij de
verdediging van zijn trui. Tijdens een bergetappe hielp hij om Coppi door een
moeilijk moment heen te komen en gedroeg Bartali zich als een prima knecht. Bij
een bergetappe in de Dolomieten met een beklimming van de Falzarego, Pordoi en
Sella reden ze samen vooruit tot aan de aankomst in Ortisei, waar Bartali de
etappe won. Daarmee was de Ronde van Italië beslist. Coppi behield de Roze Trui
tot aan Milaan met 2 minuten en 40 seconden voorsprong op nummer twee en met 45
minuten en 9 seconden voorsprong op Bartali.
Tijdens de Tweede
Wereldoorlog op 7 november 1942 valt Coppi het uurrecord aan dat in die tijd op
de naam van de Fransman Archambaud stond met een afstand van 45,84 kilometer.
Zijn training was niet erg intensief omdat hij in die tijd bij de infanterie
ingelijfd was, gelegerd in Tortona. Niettemin begint Coppi aan zijn race om 2
uur 's middags op de baan van het Vigorelli Velodrome van Milaan. Coppi heeft
echter geen enkele ervaring in deze discipline. Hij gaat te hard van start en na
een half uur ligt hij achter op het schema van Archambaud. Coppi had 22,964
kilometer afgelegd tegenover 23,007 kilometer van Archambaud in dezelfde tijd.
Op den duur kreeg Coppi het goede ritme te pakken en reduceerde hij zijn
achterstand op de Fransman tot 2 seconden. De laatste dertig rondes ware zeer
zwaar voor zowel Coppi als voor de mensen die hem volgden. In de ene ronde won
hij een paar meters op de Fransman om ze in de volgende ronde weer te verliezen.
Op het einde, na 115 rondes, had Coppi toch het werelduurrecord te pakken met
een afstand van 45,871 kilometer. Dit was slechts 31 meter meer dan het vorige
uurrecord. Archambaud stelde de geldigheid van de poging ter discussie. En pas
op 29 februari 1947 werd het record door de wielerfederatie officieel erkend.
Het was toen moeilijk te bewijzen hoe alles werkelijk was verlopen omdat een
aantal getuigen, onder wie de tijdswaarnemer, toen al overleden waren. Pas na 14
jaar, op 29 juni 1956, werd het record gebroken door een andere Franse
wielrenner, Jacques Anquetil.
Na de Tweede
Wereldoorlog begon het wielrennen weer met als eerste koers van het seizoen
Milaan-San Remo. Omdat hij onmogelijk met Bartali in een team kon zitten,
verliet Coppi de Legnano ploeg en ging hij rijden voor Bianchi. Al een paar
kilometer na het vertrek in Milaan plaatste de Franse renner Tesseire een
aanval. Een kleine groep van vijf renners, onder wie Fausto Coppi, kon bij hem
aanpikken. De groep bleef bij elkaar tot aan de beklimming van de Turchino. Daar
plaatste Coppi een aanval en alleen Tesseira kon hem volgen. Maar ook hij kon
het niet volhouden en Coppi nam een steeds grotere voorsprong. Coppi arriveerde
in San Remo met een voorsprong van veertien minuten op Tesseira en van 24
minuten op het peloton, waar ook Bartali in zat. Na deze koers kreeg Coppi de
bijnaam "Campionissimo" (de Super Kampioen). En de wielerliefhebbers
in Italië werden gesplitst in twee kampen, de Coppi fans en de Bartali fans.
1949 is een
gloriejaar voor Coppi. Hij wint de eerste klassieker van het jaar Milaan-San
Remo. Hij haalt op de beklimming van de Turchino twee vluchters, Fachleitner en
Ortelli, in en heeft bij de aankomst een voorsprong van vier minuten op nummer
twee, Ortelli.
En dan komt de
Ronde van Italië. Na de vlakke etappes droeg Alfredo Leoni de Roze Trui met een
voorsprong van negen minuten op Coppi en tien minuten op Bartali. Bij de etappe
door de Dolomieten gaat Coppi er vandoor. Alleen Bartali kon hem een tijd
volgen, maar moest toen afhaken omdat hij een lekke band kreeg op de Pordoi. Aan
het eind van de etappe behoudt Alfredo Leoni de Roze Trui, maar hij heeft nog
slechts een voorsprong van 43 seconden op Coppi. De achttiende etappe staat te
boek als een van de zwaarste uit de geschiedenis van de Ronde van Italië. De
rit is van Cuneo naar Pinerolo en gaat over de Franse bergen Vars, Izoard,
Maddalena en Monginevro en in Italië volgt nog de beklimming van de Sestrière.
De totaal te overbruggen afstand was 254 kilometer. Het werd een historische
etappe. Coppi snelt weg bij de beklimming van de Maddalena en rijdt solo over
een afstand van 190 kilometer. Bartali probeerde wanhopig om bij hem te komen,
maar komt als tweede aan bij de meet met een achterstand van 12 minuten. De
etappe bepaalde de einduitslag van deze editie van de Ronde van Italië. Aan het
eind had Coppi een voorsprong op de nummer twee van het algemeen klassement,
Bartali, van 23 minuten.
Een
paar weken later begon de Ronde van Frankrijk. De vijfde etappe verliep
dramatisch voor Coppi. Het was die dag erg warm en een twaalftal renners had een
voorsprong op het peloton van meer dan 6 minuten. Dan, als ze door een klein
dorpje rijden, wil Coppi een fles water van iemand uit het publiek aannemen,
maar hij wordt aangereden door de Gele Trui drager, Marinelli. Hij valt, is niet
gewond, maar zijn fiets is stuk. Marinelli staat op en kan de koers vervolgen
terwijl Coppi niet verder kan. De ploegleider van de Bianchi Trigella ploeg is
er gelijk bij. Hij geeft Coppi een andere fiets, maar het is niet een fiets van
hemzelf en Coppi weigert om op deze fiets te stappen. Zijn eigen fiets staat op
de auto van de tweede ploegleider Binda, maar die zit ver naar achter en Coppi
blijft de aangeboden fiets weigeren. Dan komt Bartali langs en die besluit op
Coppi te wachten (n die tijd werd nog met landenploegen gereden en waren ze dus
"ploeggenoten"). Eindelijk arriveert Binda met de fiets van Coppi en
kunnen beide kampioenen de koers vervolgen. Coppi blijft maar mokken op zijn
fiets en is onvoldoende geconcentreerd om hard aan de achterstand te werken.
Uiteindelijk arriveert hij bij de aankomst met een achterstand van 18 minuten op
de winnaar, waarmee zijn achterstand op Gele Trui drager Marinelli was opgelopen
tot 35 minuten. Coppi overwoog serieus om de wedstrijd te verlaten, maar zijn
teamleiding overtuigde hem dat hij moest doorgaan.
Een dag later won
Coppi de tijdrit en de dagen daarna haalde hij steeds meer tijd van zijn
achterstand af. Dan komen de bergetappes met beklimmingen van de Vars en de
Izoard. Hier leveren Coppi en Bartali samen een grote inspanning. Ze reden
voorop en het leek erop dat ze in een sprint zouden uitmaken wie de etappe zou
winnen. Maar plotseling kreeg Bartali een lekke band en viel. Eerst wachtte
Coppi nog op zijn hem, maar dat duurde te lang en met toestemming van de
ploegleiding ging hij alleen verder. Coppi won de etappe in Saint Vincent met
een voorsprong van 5 minuten op Bartali en 10 minuten op Robic. Met de
overwinning nam hij ook de Gele Trui over. Tijdens de rest van de Tour liep hij
nog verder uit in het klassement en werd daardoor de winnaar van deze Ronde Van
Frankrijk.
Maar
de Ronde van Frankrijk was nog niet het einde van het wielerseizoen. Dat jaar
waren de wereldkampioenschappen in Kopenhagen. Bij de wegwedstrijd werd Coppi
derde en hij won het wereldkampioenschap achtervolging. Eenmaal weer terug in
Italië won hij ook nog het nationale kampioenschap op de weg en met grote
overmacht de Ronde van Lombardije.
1950 begon voor
Coppi slecht. Bij Milaan-San Remo kreeg hij een lekke band en van zijn collega's
kreeg hij weinig hulp zodat hij eindigde in de achterhoede.
Maar in
Parijs-Roubaix revancheerde hij zich. Op 45 kilometer voor de finish lag hij
voorop met Maurice Diot. Maar Coppi liep bij hem weg en kwam als eerste aan met
3 minuten voorsprong op Diot, 5 1/2 minuut op Magni en 9 minuten op Rik van
Steenbergen.
Een zelfde prima
resultaat behaalde hij in Freccia Valone. Daar won hij met een voorsprong van 5
minuten op nummer twee, na een solo van 100 kilometer.
Maar dan, in de
negende etappe van de Ronde van Italië, tijdens de etappe over de Primanola
reed Coppi op zijn voorganger en viel. Hij werd naar het ziekenhuis gebracht
waar de doktoren een drievoudige bekkenfractuur vaststelden. Hij lag gedurende
29 dagen in bed en eenmaal uit het ziekenhuis duurde het nog een hele tijd voor
hij volledig hersteld was. Het wielerseizoen was over voor hem en pas op 24
september begon hij weer met fietsen.
De eerste
wedstrijd in 1951 was Milaan-Turijn op 11 maart. Vlak voor de aankomst viel
Coppi tijdens de laatste ronde in het wielerstadion van Turijn en brak zijn
sleutelbeen.
Hij herstelde net
op tijd om deel te nemen aan de Ronde van Italië die op 19 mei van start ging.
Ditmaal eindigt hij slechts als vierde door de naweeën van de val en zijn
slechte voorbereiding.
Op 29 juni ging
de Ronde van Piemonte van start. Fausto en zijn broer Serge zijn een paar
honderd meter van de eindstreep en, net voor de finale sprint begint, rijdt
Serge op een andere renner en slaat met zijn hoofd tegen de grond. Serge stond
vrijwel direct op en leek niet ernstig gewond te zijn. Na een paar uur, als ze
al in het hotel zijn, voelde Serge echter een scherpe pijn in zijn hoofd die
steeds erger werd. Er werd een dokter gehaald en die belde een ambulance om hem
naar hetziekenhuis te brengen. Het
was echter al te laat. Serge viel flauw in aanwezigheid van de doktoren voordat
ze hem konden opereren en stierf binnen een paar minuten aan een hersenbloeding.
Fausto was zo ontredderd dat hij gelijk wilde stoppen met wielrennen. Serge was
niet alleen zijn favoriete ploegmaat, maar ook zijn broer waarmee hij was
opgegroeid.
Na een paar dagen
bedacht hij zich en nam toch deel aan de Ronde van Frankrijk, wellicht om de
dood van zijn broer te kunnen verwerken. Maar hij was niet gemotiveerd. De
crisis kwam in de zestiende etappe. Mede omdat het erg warm was moest hij het
peloton laten gaan en de hulp die zijn knechten zoals Carrea, Milano en Biagotti
hem boden hielp niet. Hij arriveerde een half uur later dan het peloton en maar
net voor de tijd waarop hij uit koers genomen zou zijn voor zijn te late
aankomst. Maar de Tour was nog niet voorbij. In de volgende vier etappes toonde
hij zijn veerkracht door in zijn eentje de Izoard en de Vars te beklimmen,
hoewel hij de Tour toch niet meer kon winnen. Uiteindelijk beëindigde hij deze
editie van de Ronde van Frankrijk als tiende in het algemeen klassement met een
achterstand van 46 minuten op de winnaar Hugo Koblet.
De laatste
wedstrijd van het seizoen was het Wereldkampioenschap, een wedstrijd die hij nog
nooit gewonnen had. Maar weer heeft hij pech. Hij wordt ziek en moet van
deelname afzien.
Na alle
ongelukken en de tragedie van 1951 trainde Coppi hard om er een beter jaar van
te maken. Hij werd tweede in Parijs-Roubaix. In een fascinerende sprint tegen
Kubler en Van Steenbergen ligt Coppi eerst op kop maar wordt hij op het laatst
gepasseerd door Van Steenbergen.
Op 17 mei ging de
Ronde van Italië van start. Na de vijfde etappe, een tijdrit, veroverde hij de
Roze Trui. Maar het belangrijkste deel van de Giro moest toen nog volgen
namelijk de bergetappes. In de rit van Venetië naar Bolzano probeerden
Geminiani en Koblet hem eerst nog bij te houden, maar dat lukte niet. Coppi
arriveerde in Bolzano met een voorsprong van 5 minuten op Bartali en Magni en 5
minuut 50 op Geminiani en de anderen. Uiteindelijk won hij daardoor voor de
vierde maal de Ronde van Italië.
Toen volgde de
Tour. Door onenigheden tussen Coppi en Bartali overwoog de Tourleiding om de
gehele Italiaanse nationale ploeg uit te sluiten van deelname. Omdat de
Italiaanse bondscoach de onenigheid wist te beslechten werd de ploeg op het
laatst toch nog toegelaten tot de Tour.
En weer werd de
Ronde van Frankrijk in de bergen beslist. Coppi is de grote winnaar bij alle
etappes in de Alpen. Hij wint de eerste rit, een klim op de Alpe d'Huez, hij
wint weer in Zwitserland en de etappe van Bourg d'Oisans naar Sestrière.
Dus Coppi won als
eerst ooit beide grote rondes, de Ronde van Italië én de Ronde van Frankrijk.
Maar de pech
bleef hem achtervolgen. In een koers in augustus viel hij weer en brak een
schouderblad.
In oktober deed
hij weer mee, net op tijd om de Grote Prijs van Lugao te winnen, een tijdrit, en
de Grote Prijs van de Middellandse Zee, een etappekoers in het zuiden van Italië.
Op 30 augustus
1953 werd het wereldkampioenschap wielrennen gehouden in Lugano op het Crespera
circuit (Crespera is de naam van de berg die de wielrenners 20 keer moesten
beklimmen). Fausto Coppi trainde hard omdat dit circuit hem wel lag. Na 20
kilometer ontsnapte de Fransman Charley Gaul. Hij kreeg andere renners zoals
Kubler en Geminiani in zijn wiel. En ook Coppi was meegesprongen. Na 12 rondes
doet Coppi een aanval en alleen de Belg Deryke kan hem volgen. Hij blijft de
volgende 70 kilometer bij hem, maar op de Crespera probeert Coppi van hem weg te
komen en dit keer moet ook Deryke passen. Coppi weet zijn voorsprong uit te
bouwen en wint eindelijk het wereldkampioenschap met een voorsprong van 6
minuten en 16 seconden op Deryke, 7 minuten en 29 seconden op Ockers (die derde
werd), Gismondi, Defilippis, Gaul, Kubler, Bobet en Geminiani.
Coppi
was nu wel Wereldkampioen, maar privé pakten zich donkere wolken boven hem
samen. In Lugano werd hij voor de eerste maal gezien met Giulia Occhini, de
fameuze "Dama Bianca" (Witte Vrouw). Coppi was toen nog getrouwd met
zijn vrouw Bruna met wie hij in 1945 in het huwelijk getreden was. Samen hadden
ze een dochtertje. Maar Giulia Occhini was de liefde van zijn leven. Wat het nog
pikanter maakte is dat zij in die tijd eveneens getrouwd was en wel met zijn
lijfarts en vriend dokter Locatelli. In 1948 had hij haar ontmoet en ze werden
smoorverliefd op elkaar. Coppi verliet zijn vrouw en ging "in zonde"
samenleven met Giulia. Ze werd de "witte dame" genoemd omdat zij
altijd stiekem, geheel in het wit gekleed, aan de finish op hem stond te
wachten. Coppi beweerde later altijd dat hij zijn wereldtitel aan haar te danken
had, omdat zij beloofd had om hem (dit keer in het zwart gekleed) aan de finish
te zullen opwachten. Berucht is de foto waarop zij hem na zijn overwinning
bloemen overhandigde. Daaruit bleek duidelijk wat de twee echt voor elkaar
voelden. Deze foto bracht een schok teweeg in het puriteinse Rooms Katholieke
Italië uit de vijftiger jaren. Coppi viel van zijn voetstuk en moesten
jarenlang de vijandige houding van het Italiaanse volk over zich heen laten
komen. Beiden werden voor de rechter gedaagd wegens overspel. Ze werden veroordeeld
en Giulia heeft daarvoor zelfs een aantal dagen in de gevangenis gezeten. In
1955 kregen samen een zoon, Faustino, die nadat ze het land om alle commotie
ontvlucht waren geboren werd in Argentinië. Faustino heeft later aan de
wielrenfiets-fabriek Maschiagi zijn toestemming gegeven om Fausto Coppi-fietsen
te maken. De ploegen Polti en MG Technogym reden op Coppi-fietsen. Gianni Bugno,
Luc Leblanc en Michele Bartoli zijn slechts een aantal van de renners die
triomfen hebben gevierd op dit fietsenmerk.
In 1957 kwam een
het einde aan zijn carrière. Ondanks zijn kracht kon hij, 38 jaar oud, de
prestaties uit zijn gouden jaren niet meer evenaren, mede door de vele blessures
die hij had opgelopen en de perikelen rond zijn liefdesgeschiedenis met Giulia
Occhini.
Toch deed Coppi mee aan de
belangrijkste wedstrijden. Nadat hij was hersteld van een dijbeenbreuk nam hij
deel aan de "Coppa Bernocchi". Dit is een tijdrit waarbij telkens twee
renners aan elkaar gekoppeld worden. Zo werd Coppi gekoppeld aan Ercole Baldini,
een jonge Italiaanse wielrenner. Deze jonge renner was er op gebrand om Coppi
zijn kracht te tonen en Coppi kon ternauwernood bij hem aanklampen. Ze wonnen de
wedstrijd met een gemiddelde snelheid van 47 kilometer per uur. Het was de
laatste belangrijke overwinning voor Coppi.
In december
1959 waren Coppi, Geminiani en Anquetil te gast bij een criterium in Uagadugu in
Opper Volta (het huidige Burkina Faso). Het criterium was georganiseerd om de
onafhankelijkheid van deze jonge Afrikaanse republiek te vieren. Na afloop was
er een safari voor de wielrenners. Waarschijnlijk is Coppi daar gestoken door
een mug, een beet die hem niet veel later fataal zou worden. Eenmaal terug thuis
begon Coppi zich steeds zwakker te voelen en was hij ook koortsig. Op 27
december belandde hij in bed, maar de dokter die hem bezocht stelde als diagnose
dat hij een flinke griep had. Op 1 januari 1960 verslechterde zijn toestand en
werd hij opgenomen in het ziekenhuis van Tortona. Maar de diagnose die gesteld
werd veranderde niet. Een van de doktoren dacht dat hij misschien een flinke
bronchitis had, maar verder niets bijzonders. Intussen was de Franse renner
Geminiani getroffen door dezelfde ziekte. De Franse doktoren constateerden
echter dat Geminiani malaria had opgelopen. Geminiani's broer belde direct naar
de dokter in Italië die Coppi behandelde. Maar hij kreeg als bot antwoord van
deze arts: "maak je geen zorgen over Copi's gezondheid!".
Nadat hij in
de nacht een doodsstrijd had gestreden stierf Fausto Coppi op 50-jarige leeftijd
op de ochtend van 2 januari 1960 om kwart voor negen. Hij werd geveld omdat de
doktoren het ziektebeeld van malaria niet herkend hadden en te eigenwijs waren
geweest om de diagnose die de Franse doktoren bij Geminiani gesteld hadden te
onderzoeken. Aan zijn sterfbed had Giulia in het openbaar en aan de kerk moeten
beloven dat zij hem, in het geval hij weer zou herstellen, zou verlaten. Anders
waren hem de laatste sacramenten onthouden.
Na zijn dood
sloten de Italianen hem weer in hun armen en twee dagen later werd deze zeer
bewonderde atleet onder belangstelling van bijna 50.000 fans, vrienden en
vroegere tegenstanders bij het wielrennen begraven in Castellania.
Het is
duidelijk dat Coppi's carrière niet altijd even voorspoedig is verlopen. Hij
had een buitengewoon grote longinhoud (maar liefst 6,7 liter) en een zeer lage
hartslag van 44 slagen per minuut en daardoor een groot uithoudingsvermogen,
maar zijn botten waren breekbaar. Kijk maar naar de lijst van kwetsuren die hij
opliep vrijwel altijd na valpartijen: in 1939 brak hij zijn enkel, in 1942 brak
zijn sleutelbeen, in 1950 brak hij zijn schaambeen, in 1951 brak hij weer zijn
sleutelbeen, in 1952 brak hij zijn schouderblad, in 1954 werd hij tijdens een
training getroffen door een reserveband die van een vrachtwagen viel en brak
daarbij zijn schedel en blesseerde zijn linker knie, in 1956 kreeg hij tyfus,
verder brak hij in datzelfde jaar een ruggenwervel na een valpartij en moest hij
met een speciaal korset rijden, hij viel nog eens in dat jaar en brak weer een
ruggenwervel, in 1957 brak hij zijn dijbeen, in 1959 werd hij tijdens een
training aangereden door een tractor en liep daarbij verwondingen aan zijn hoofd
op. En tenslotte stierf hij in 1960 dus aan de gevolgen van malaria.
Toch was Coppiveel met zijn lichaam bezig. Waarschijnlijk was hij de eerste renner die
zich bezighield met speciale voeding en medicijnen. Hij bestudeerde
wetenschappelijke uitgaven over voeding en paste de aanbevelingen toe. Daarnaast
experimenteerde hij zelf met voeding. Hij werd een voorbeeld voor anderen en
mede daardoor nam de gemiddelde snelheid van het wielrennen in 15 jaar tijd met
10 kilometer per uur toe.
Zijn palmares:
Won de ronde van Frankrijk in 1949 en 1952, de Ronde van Italië in 1940, 1947,
1949, 1952 en 1953. Zowel in 1949 als 1952 schreef hij dus beide grote rondes op
zijn naam. Vestigde een nieuw werelduurrecord in 1942, won de klassieker
Milaan-San Remo in 1946, 1948 en 1949, werd wereldkampioen in 1953, won de Ronde
van Lombardije in 1946, 1947, 1948, 1949 en 1954, won Parijs-Roubaix in 1950 en
in datzelfde jaar de Waalse Pijl.
Op diverse
cols Maddalena, Izoard, Stelvio, halverwege de Sella/Gardena en de Pordoi, bij
het wielrenkerkje Madonna del Ghisello in de buurt van Como in Italië en
Frankrijk staan standbeelden van Fausto Coppi. Maar het mooiste standbeeld staat
wel bij zijn graf in zijn geboorteplaats Castellania. Daar is hij zijn samen met
zijn broer Serse vereeuwigd in een manshoog beeldhouwwerk.
(Klik op de figuren van deze pagina om ze om te vergroten)
Jacobus
Johannes Eden werd op 19 oktober 1873 geboren in de stad Groningen. Zijn vader
gaf daar gymnastiekles op een HBS. Zijn moeder stierf aan de geboorte van Jaap
en hij bleef daardoor enigst kind. Omdat zijn vader niet voor hem kon zorgen
werd hij opgevoed door zijn grootmoeder die in Santpoort (NH) woonde en daar
eigenares was van Hotel Velserend.
Daar doorliep hij ook de lagere school en verdere studies volgde hij niet. Hij
ging werken op een bloembollenkwekerij.
Al
op jonge leeftijd bleek dat hij goed kon schaatsen en wielrennen. Op zijn
vijftiende jaar won hij een officiële schaatswedstrijd. Toevallig was bij die
wedstrijd een van de beste de schaatsers ter wereld van die tijd, de uit Haarlem
afkomstige Klaas Pander, aanwezig. En deze bood aan om zijn trainer te worden.
En dat gebeurde ook.
In
januari 1891 deed hij voor het eerst mee aan internationale wedstrijden. Die
werden gehouden op de baan van de Amsterdamse IJsclub, die lag op de plaats in
Amsterdam waar nu het Museumplein is. Hij werd vierde op de mijl en derde op de
halve mijl.
In
januari 1893, hij was toen nog maar 19 jaar, werd Jaap Eden voor het eerst
wereldkampioen schaatsen. De wedstrijden werden op 13 en 14 januari
georganiseerd door de Amsterdamse IJsclub volgens het reglement
van wat toen de "Internationale Eislauf Vereinigung" heette en
waardoor het evenement ook de officiële status van wereldkampioenschap kreeg.
Een echt wereldkampioenschap was het eigenlijk niet want, naast Nederlandse,
waren er alleen Noorse, Zweedse en Duitse deelnemers. De aankondiging sprak
trouwens van "Internationale Hardrijderijen voor Amateurs om het
Meesterschap der Wereld" en de winnaar zou zich "Amateur World
Champion" mogen noemen. Jaap Eden won de 500, 1.500 en 5.000 meter. Bij de 10.000 meter viel
hij en stapte hij van de baan. Dat was echter niet meer van belang want door het
winnen van drie afstanden (zo waren toen de reglementen) had hij automatisch de
titel behaald. Het Nederlandse publiek was dolenthousiast
en juichte hem luidkeels toe. Na een feestelijk diner keerde Eden in de late
avond per trein naar Haarlem terug, waar hem opnieuw een enthousiaste menigte
opwachtte. Er werd vuurwerk afgestoken en in de restauratie van het station
vonden de eerste begroetingen plaats. Daarna verzamelde de sportwereld zich op
de Grote Markt, waar het feest in café Brinkmann werd voortgezet. Er waren vele
toespraken en de feestelijkheden werden bekroond door het gelukstelegram van de
jeugdige koningin Wilhelmina, waarna eensgezind het volkslied werd gezongen. Het
was hoogstwaarschijnlijk de eerste keer in de geschiedenis van ons land dat een
sportman zo bejubeld werd.
Jaap
vond het voor zijn conditie een goede combinatie om naast het schaatsen ook te
gaan wielrennen. En ook daar blonk hij in uit. Op 2 juli 1893 werd hij in Arnhem
Nederlands kampioen op de weg.
In
1894 won hij in Stockholm bij het schaatsen de 10 kilometer in een nieuwe
wereldrecordtijd van 19 minuten, 12 seconden en 4-tiende. En in het Noorse Hamar
vestigde hij een nieuw wereldrecord op de 5.000 meter in een tijd van 8 minuten,
37 seconden en 6-tiende. Dat laatste was een verbetering van het bestaande
record van een halve minuut. Dit record was daardoor omstreden omdat men meende
dat de tijdwaarnemer zich vergist had of dat Jaap Eden een ronde te weinig had
gereden. Het record hield bijna 20 jaar stand. In
hetzelfde jaar werden de wereldkampioenschappen wielrennen op de baan in
Antwerpen gereden. Op de 10 kilometer greep Jaap Eden de titel.
Het
jaar 1895 werd voor hem een topjaar. Hij werd zowel wereldkampioen bij het
schaatsen als bij het wielrennen op de weg. In Hamar werd
hij bij het schaatsen tweede op de 500 meter en won hij de overige drie
afstanden. Hij verbeterde er twee wereldrecords, op de 1.500 en op de 10.000
meter.
In augustus van dat jaar werd Jaap Eden
"Continentaal Kampioen" wielrennen in Utrecht op de 10.000 meter en
later in het jaar behaalde hij de wereldtitel wielrennen op de mijl in Keulen.
In hetzelfde jaar won hij ook nog de 10.000 meter op de nieuwe houten wielerbaan
op de wereldtentoonstelling in Amsterdam.
In 1896 behaalde hij zijn derde wereldtitel
bij het schaatsen in Sint Petersburg. Hij won alle vier de afstanden. Dat was
tevens zijn laatste schaatstitel. Hij had namelijk al een contract getekend om
wielerprof te worden. Naast het startgeld dat hij zou ontvangen, kreeg hij een
vast bedrag van 5.000 gulden per jaar. En dat was veel geld voor die tijd waarin
men als arbeider ongeveer 10 gulden per week verdiende.
Zijn
grote populariteit had Jaap Eden vooral te danken aan het feit dat hij in twee
verschillende sporten uitzonderlijk presteerde. Hij was met zijn postuur van
1,74 meter lang en met een gewicht van rond de 70 kilo niet bijzonder gebouwd,
maar hij beschikte over een ongekende explosieve kracht.
Hij leefde echter niet erg gezond en bij wedstrijden verscheen hij soms met
een dikke sigaar in zijn mond. Verder hield hij van vrouwen en drank. Vooral
toen hij voor het wielrennen in Parijs ging wonen nam hij het er goed van. Hij
kon zich veel permitteren want hij verdiende veel geld. Er wordt gesproken van
inkomens die wel 40.000 gulden per jaar bedroegen. Op den duur ging zijn
conditie er door zijn levensstijl flink op achteruit en hij won dan ook geen
wedstrijden meer.
Op 29 oktober 1914 trouwde hij met Louise Elisabeth Prinsen en vestigde hij
zich in Haarlem. Uit dit huwelijk werd één zoon geboren.
In 1915 stopte hij met sporten. En hij had er daarna ook geen belangstelling
meer voor. Nooit verscheen hij meer bij schaats- of wielerwedstrijden. Alle
prijzen die hij gewonnen had verkocht hij of hij gaf ze gewoon weg.
Na zijn sportcarrière probeerde nog om een maatschappelijke carrière op te
bouwen. Zo begon hij, samen met een paar vrienden, een fietsenzaakje in
Rotterdam. Maar dat werd geen succes. Hij was ook nog een tijdje hulp in een
garage en chauffeur op een bestelauto. Maar ook dat bevredigde hem niet.
Op 2 februari 1925 stierf hij op 51-jarige leeftijd in Haarlem aan de
gevolgen van een nierziekte. De sportwereld was hem bijna vergeten. Er werd
echter nog wel geld ingezameld om een monument op zijn graf te bekostigen. Op
het monument op de Algemene Begraafplaats in Haarlem staan zijn prestaties
vermeld die hij behaalde met het schaatsen en het wielrennen.
Toen de eerste kunstijsbaan van Nederland in Amsterdam werd geopend werd
deze Jaap Eden baan genoemd. De baan werd geopend in aanwezigheid van zijn zoon
en kleinzoon. De opening in 1961 moest door regen en hoge temperaturen tweemaal
worden verschoven. En toen het publiek op 9 december de baan op mocht, bleek de
bouwer nog twee weken nodig te hebben voordat de baan op 22 december officieel
kon worden geopend. Het was zo koud en stormachtig dat zelfs het vijftien jaar
oude Amsterdamse record op de 500 meter, 48,0 seconden, niet werd verbeterd. Het
waren de zegeningen van een open baan.
Vanaf 1951 wordt ook een sporttrofee met de naam Jaap Eden aan topsporters
uitgereikt. Van 1951 tot en met 1958 was dat voor de mannelijke of vrouwelijke
sporter van het jaar. Vanaf 1959 werden er twee prijzen uitgereikt, namelijk
voor de sportman en sportvrouw van het jaar. Vanaf 1968 kwam daar de sportploeg
van het jaar bij en vanaf 2002 de prijs voor de gehandicapte sporter van het
jaar. De prijs is een kunstwerkje van Jits Bakker. Per categorie zijn er altijd
drie genomineerden die in november door sportjournalisten zijn geselecteerd.
Tijdens het door NOC*NSF, in samenwerking met de NOS georganiseerde, Sportgala
mogen de topsporters zelf de keuze maken. Omdat de winnaar dus door collega
topsporters wordt aangewezen is deze prijs zeer prestigieus voor topsporters.
De naam van Jaap Eden die dus drie maal wereldkampioen schaatsen en tweemaal
wereldkampioen wielrennen werd leeft dus voort in een schaatsbaan en een prijs
die naar hem genoemd is.
(Klik op de figuren van deze pagina om ze om te vergroten)
Hendrika
Wilhelmina Mastenbroek (roepnaam Rie) werd op 26 februari 1919 geboren in
Rotterdam. Zoals ze zelf wel eens gezegd heeft was ze een buitenechtelijk kind
omdat haar ouders nooit getrouwd zijn, hoewel ze 46 jaar samen waren.Als klein meisje was ze al gek
op zwemmen. Ze trainde in het vijftien meter bad dat zich dicht bij haar
ouderlijk huis bevond. Om het entreegeld van twee cent te kunnen betalen haalde
ze boodschappen voor de badjuffrouw. Op haar elfde jaar werd ze ontdekt door de
toen zeer bekende trainster "Ma" Braun van de Onderlinge
Dames-Zwemclub (ODZ) in Rotterdam. Die had op dat moment twee Rotterdamse
zwemsters onder haar hoede die internationaal succesrijk waren, namelijk Marie
Baron en haar eigen dochter Marie ("Zus") Braun. Met haar dochter had
ze voor het eerste Nederlandse goud op een Olympische Spelen gezorgd. Dat goud
won ze op de 100 meter rugslag bij de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam.
Braun had een
Spartaans trainingsregime, iets dat voor die tijd zeker niet gebruikelijk was.
Het was heel zwaar voor de nog jonge Mastenbroek, maar de resultaten waren
ernaar. Bij de Europese Kampioenschappen van 1934 in het Duitse Magdenburg
veroverde Rie Mastenbroek op 15-jarige leeftijd maar liefst vier medailles. Ze
behaalde goud op de 100 meter rugslag en de 400 meter vrije slag en met de
estafetteploeg 4 x 100 meter vrije slag en zilver op de 100 meter vrije slag.
In de periode tot
aan de Olympische Spelen van 1936 trainde ze tijdens de lunchtijd vaak in een 50
meter zwembad in Rotterdam dat toebehoorde aan de zeer exclusieve Roei- en
Zeilvereniging "De Maas". Daar zwom dit jonge meisje temidden van de
industriële "upper ten" van Rotterdam.
Huilend
na winst 100 m vrij
Op de Olympische
Spelen van 1936 in Berlijn, ze was toen nog maar 17 jaar oud, werd zij de
vrouwelijke ster van de spelen. Ze won de 100 meter en de 400 meter vrije slag
en met de estafetteploeg de 4 x 100 meter vrije slag (samen met Jopie Selbach,
Tiny Wagner and Willy den Ouden). Zilver was er voor haar op de 100 meter
rugslag.
Deze 100 meter
rugslag werd legendarisch. Dat begon eigenlijk al voor de wedstrijd. Eén van de
favorieten was de Amerikaanse Eleanor Holms. Van beroep was zij
nachtclubzangeres en tijdens de overtocht per boot was ze bij een drinkpartijtje
door de teamarts in verregaande staat van dronkenschap aangetroffen. Deze
rapporteerde aan de teamleider dat ze leed aan acuut alcoholisme, waarop de
teamleider haar gelijk uit de Amerikaanse ploeg zette. Na haar zwemcarrière had
Holm nog een korte filmcarrière. In 1938 was ze in een Tarzan film ("Tarzan's
Revenge") tegenspeelster Jane van de Amerikaanse atleet Glenn Morris (goud
op de tienkamp bij de Olympische spelen van 1936) die in de film Tarzan speelde.
Ook de
wedstrijd zelf op de 100 meter rugslag verliep sensationeel.
Hoewel Mastenbroek wereldrecordhouder was, ging de Nederlandse Nida Senff gelijk
op kop. Na de eerste 50 meter miste ze echter het keerpunt. Ze zwom terug om
goed aan te tikken. Daardoor lag ze na die 50 meter laatste. Maar in de tweede
50 meter ging ze zo hard dat ze iedereen inhaalde en op het laatst ook nog Rie
Mastenbroek. Later zei Mastenbroek hierover dat ze Senff had laten winnen omdat
ze met drie maal goud op zak geen zin meer had om tot het uiterste te gaan.
Maar de drie gouden en één zilveren medaille van Mastenbroek waren een
regelrechte sensatie. Vóór haar hadden twee zwemsters ooit wel eens drie
gouden medailles gewonnen (Ethelda Bleibtrey in 1920 en Helena Madison in 1932),
maar nog nooit had een vrouw vier Olympische medailles gewonnen. Tijdens deze
spelen deed de Amerikaanse sprinter Jesse Owens het nog iets beter. Hij won vier
maal goud.
Na de spelen kwam ze berooid terug in Rotterdam. Souvenirjagers hadden van
haar wat kledingstukken gestolen uit het Olympisch dorp en haar koffer was
gestolen op het station. Bovendien moest ze haar trainingspak teruggeven aan het
armlastige Nederlands Olympisch Comité.
Maar Rotterdam was wild enthousiast. Ze kreeg een rondrit door de stad waar
het groot feest was en de mensen haar toejuichten.
Na de spelen kon ze de fanatieke training van "Ma" Braun niet meer
opbrengen. Bovendien bleef "Ma" Braun er op staan dat ze bij haar in
huis kwam wonen en ze wilde het moederschap van haar eigen moeder afnemen.
Daarmee zou ze volledig onder de invloed van "Ma" Braun komen te
staan, iets dat ze ook al eens gedaan had met Marie Baron. Volgens Rie zelf
spande Braun hiervoor zelfs een rechtszaak aan in Rotterdam die ze vervolgens
verloor. Maar de relatie tussen Rie Mastenbroek en "Ma" Braun was
voorgoed verstoord en Rie brak met haar trainster. Zelfs tijdens haar latere
leven kon Rie nog boos worden over de behandeling die ze in haar jeugd van
"Ma" Braun gekregen had. Braun was een strenge leermeester, die haar
leerlingen vroeg om alles te geven wat ze hadden, inclusief een extreem
gematigde manier van leven. Heel vaak moesten haar pupillen bruine bonen met
spek eten, en daar had Rie dan ook voor de rest van haar leven een hekel aan.
Om in haar onderhoud te kunnen voorzien werd ze, hoewel ze geen enkele
ervaring had met lesgeven, in 1937 zweminstructrice in Hilversum (en later in
Groningen). Omdat deze baan met het zwemmen te maken had vond de zwembond dat ze
hiermee haar status als amateur verloor. De bond gaf haar op 16 augustus 1937 de
status van professional. Daardoor kon ze niet meer aan wedstrijden deelnemen en
kwam een vroegtijdig einde aan haar zwemcarrière.
Het leven van Rie Mastenbroek werd beïnvloed door vele ziektes. Al in 1935
kreeg ze bij een wedstrijd in Bilthoven ademnood en dat gebeurde daarna wel
vaker. Soms viel ze ook om onduidelijke redenen flauw. De dokters schreven dat
toe aan problemen met haar schildklier. Jarenlang slikte ze hier pillen voor.
Pas na de Tweede Wereldoorlog werd ontdekt dat ze een te laag hemoglobine
gehalte had in haar bloed en dat leidde ertoe dat ze een te lage bloeddruk had.
Maar daarvoor was ze nooit behandeld. Artsen zeiden tegen haar: "Wij zouden
wel eens willen weten wat u in de sport bereikt zou hebben als u had kunnen
presteren in een normale, gezonde situatie met de juiste behandeling van uw
gebreken." En in het Olympische jaar 1968 kreeg ze een met haar jongste
zoon verschrikkelijk auto-ongeluk, waarbij ze ongeveer al haar botten brak. Op
latere leeftijd brak ze twee maal haar heup in een periode van zes jaar en weer
later kreeg ze een dubbele longontsteking en nog meer andere ziektes.
Gedurende haar zwemcarrière brak ze negen wereldrecords, zes voor rugslag
en drie voor vrije slag. In 1968 werd ze opgenomen in de "International
Swimming Hall of Fame". De International Swimming Hall of Fame ligt aan het
strand van de Atlantische Oceaan in Fort Lauderdale (Florida) in de Verenigde
Staten. De hal is gewijd aan het promoten van de zwemsport en vereeuwigt de
prestaties en bijdragen van degenen die zich onderscheiden hebben in:
competitiewemmen, waterpolo, duiken en synchroon zwemmen.
Haar eerste baantjes na haar zwemcarrière duurden niet lang. Ze vertrok
naar België om daar te gaan werken voor de Belgische familie Blitz (een bekende
waterpoloër uit die tijd). Daarna werkte ze in België nog voor een Nederlandse
familie waar ze zwemles gaf aan de kinderen van het gezin.
In 1939 keerde ze terug naar Rotterdam. Ze trouwde en kreeg twee kinderen,
een jongen en een meisje. Maar haar huwelijk hield geen stand en eindigde in
1945 in een scheiding. De kinderen werden aan haar toegewezen en ze vetrok naar
Amsterdam om daar als tolk te gaan werken. Later had ze nog een baan als
boekhouder bij een dokterskliniek en als bouwinspecteur. Weer later trouwde ze
met ene De Wit, een naam die ze tot het eind van haar leven bleef houden. Bij
hem kreeg ze nog een zoon. Aan het eind van zijn leven leed haar man aan de
ziekte van Alzheimer waardoor hij haar de laatste tijd voor zijn dood soms niet
meer herkende.
In1986 werd in Berlijn herdacht dat het 50 jaar gelden was dat de Olympische
Spelen daar hadden plaatsgevonden. Daarvoor waren drie Gouden Medaille winnaars
die aan die spelen hadden deelgenomen uitgenodigd. Naast Rie Mastenbroek waren
dat de Amerikaanse atleet John Woodruff (winnaar 800 meter) en de Koreaanse
winnaar van de marathon Kee-Chung (Kitei Son). Ze werden ontvangen door het
IOC-lid en voorzitter van het Duitse Olympisch Comité, Willy Daume. Deze hield
een toespraak en zei: "Dames en heren. Zoals u weet was Jesse Owens de
Keizer van de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn. Maar er was ook een jong
meisje, zij werd de Keizerin van Berlijn", en daarbij wees hij naar Rie
Mastenbroek.
Ondanks het feit dat ze een wandelende medische encyclopedie werd (naast de
eerder genoemde ziektes en ongemakken had ze reuma, suikerziekte en een
hartkwaal ("Er gaat geen dag voorbij zonder pijn") woonde ze tot haar
laatste dag zelfstandig in Rozenburg. Daar vond haar jongste zoon Otto haar,
nadat ze een zware beroerte had gekregen. Ze kon hem nog een knipoog geven en
stierf, het was 6 november 2003. Ze is 84 jaar oud geworden.
Rie Mastenbroek kreeg nooit werkelijk de waardering die ze verdiende. Zelfs
in 1996 bij het 100-jarig bestaan van de Olympisch Spelen vergat het Olympisch
Comité in Atlanta om haar uit te nodigen. Zij zou namelijk normaal gezien
aanwezig geweest moeten zijn bij de opening van deze spelen, samen met 10 andere
Gouden Medaille winnaars. Zelf zei ze erover dat ze de uitnodiging beslist had
afgeslagen, zoals ze dat ook gedaan had in 1988 toen ze werd uitgenodigd voor de
Olympische Spelen in Seoul.
In de vele boeken die verschenen naar aanleiding van het 100-jarig bestaan
van de Olympische Spelen, zoals"Olympische
Highlights" en "100 Greatest Moments in Olympic History" werd
haar naam niet eens genoemd. Zelf had Rie niet het idee dat ze vergeten was of
ondergewaardeerd werd. Maar in tegenstelling tot anderen van gelijke faam hield
ze er niet van om in het spotlicht te staan en ze streefde geen roem na.
Wel onderscheidde Juan Antonio Samaranch haar in 1997 met de "Olympic
Order". Met deze onderscheiding kunnen personen geëerd worden die van
grote betekenis zijn of waren, voor de Olympische Beweging. Ze ontving de
onderscheiding uit handen van Wouter Huybregtsen, de toenmalige voorzitter van
het Nederlands Olympisch Comité (NOC).
Aan de door haar gewonen medailles hechte ze geen waarde. "Het is een
beetje zilver dat in een goudbadje is gelegd. Meer is het niet." zei ze
daarover.
Eén van haar Gouden Medailles gaf ze weg om te veilen in het
televisieprogramma van "Open Het Dorp".Deze bevindt zich nu in het Nederlands Sportmuseum "Olympion"
in Lelystad. De ander gouden medailles gaf ze aan haar zoons en de zilveren aan
haar dochter.
(Klik op de figuren van deze pagina om ze te vergroten)
Wouter Wagtmans
werd op 10 november 1929 geboren in het Brabantse Sint Willebrord. Het gezin
telde zeven kinderen en zijn vader was fabrieksarbeider. Omdat het gezin arm was
ging Woutje direct na zijn lagereschooltijd werken bij een tuinder. In zijn
vrije tijd volgde hij een studie voor automonteur (auto's zouden altijd zijn
passie blijven). Later ging hij nog werken voor een suikerwerkfabriek.
Toen een oudere
broer van hem trouwde gaf hij zijn racefiets aan Woutje. Deze vond het
hardrijden met de fiets prachtig en in 1947 werd
Woutje lid van de in 1946 opgerichte wielervereniging "Willebrord Wil
Vooruit (WWV)".
Woutje
bleek talent te hebben en won dat jaar als nieuweling de criteriums van het
Zeeuwse Oostburg en Goes. In 1948 werd hij amateur en hij behaalde in dat jaar
14 overwinningen. Het jaar daarop won hij maar liefst 33 keer, waaronder het
Wegkampioenschap voor amateurs van Nederland. Hij viel niet alleen op door zijn
overwinningen, maar ook door zijnstreken.
Hij draaide zijn rugnummer 16 eens om zodat het leek of hij rugnummer 91 had.
Het bezorgde hem de bijnaam "Dik Trom". Ook stapte hij eens aan in de
beginfase van een wedstrijd af om een toeschouwster die hij kende een kus te
geven.
In
1950 had hij zich eens ingeschreven bij twee criteriums, waar hij vervolgens
niet kwam opdagen. De Nederlandse Wieler Unie (NWU) dacht dat hij dan wel voor
die wedstrijden betaald gekregen had en schorste hem voor drie wedstrijden. Het
aannemen van geld was voor die tijd voor een amateur een ernstige overtreding.
Door eerdere fratsen had hij ook nog een voorwaardelijke schorsing van vier
wedstrijden en zo zou de schorsing zeven weken gaan duren. Dan zou voor hem het
seizoen al zo'n beetje voorbij zijn.
Dit
speelde halverwege 1950 en Woutje besloot toen maar om profwielrenner te worden.
En omdat hij prof werd zette de NWU de straf om in een boete van honderd gulden
(toch nog een flink bedrag in die tijd). Een dag later deed hij mee aan het
Nederlandse profkampioenschap op de weg in Limburg waar hij gelijk tweede werd.
Slechts met moeite wist Gerrit Schulte hem in de laatste meters te verslaan.
Daarmee
was zijn naam gevestigd. Omdat het kampioenschap in het heuvelachtige zuiden van
Limburg was verreden toonde hij aan ook een redelijk klimmer te zijn. De
toenmalige bondscoach Piet van Ierlant selecteerde hem, op 21-jarige leeftijd,
gelijk voor de Ronde van Frankrijk van dat jaar (er werd toen nog met
landenploegen gereden).Het werd
een drama voor hem. Iedere dag eindigde hij in de achterhoede en in de tiende
etappe gaf hij op.
In
1951 selecteerde Kees Pellenaars Wagtmans toch weer voor de Ronde van Frankrijk,
maar weer reed Wagtmans de Tour niet uit. Dat was overigens de beruchte Ronde
van Frankrijk waarin Wim van Est op 16 juli als eerste Nederlander de Gele Trui
veroverde. De dag daarna stortte hij bij de afdaling van de Col d'Aubisque in
een ravijn. Hij kwam er genadig van af. Met aan elkaar geknoopte fietsbanden
wist hij uit het ravijn te klauteren. De sponsor van de ploeg, het horlogemerk
Pontiac, haakte hier op in met de slogan in een krantenadvertentie en een foto
van de huilende Van Est: "Zeventig meter viel ik diep, m'n hart stond stil,
maar m'n Pontiac liep".
Ook
in de volgende jaren deed Wagtmans mee aan de Ronde van Frankrijk. Alleen die
van 1952, 1953, 1955 en 1956 reed hij uit. Ook in 1957 deed hij mee, maar hij
stapte al in de vierde etappe af. De volgende keer dat hij aan de ronde van
Frankrijk meedeed was pas weer in 1961 maar ook deze keer stapte hij in de
negende etappe af.
In
totaal won hij vier etappes in de Tour en droeg negentien dagen de Gele Trui.
In
het jaar 1953 was Wagtmans zeer succesvol in de Ronde van Frankrijk. In dat jaar
werd voor het eerst de Groene Trui geïntroduceerd voor het Puntenklassement.
Hoewel Fritz Schär eigenlijk eerste stond in dit Puntenklassement kreeg
Wagtmans toch als eerste dit tricot om de schouders. Schär stond namelijk ook
eerste in het Algemeen Klassement en droeg daarom al de Gele Trui. Uiteindelijk
werd Wagtmans tweede in dit Puntenklassement. In deze ronde kreeg hij bovendien
een aantal malen de dagprijs voor de strijdlustigste renner, behaalde hij twee
etappezeges, werd eerste van het Ploegenklassement met de met het Nederlandse
team en eindigde zelf in het Algemeen Klassement op de vijfde plaats.
In 1954 ging de
Ronde van Frankrijk voor de eerste keer buiten Frankrijk van start en wel in
Amsterdam. In de eerste etappe van Amsterdam naar het Belgische Brasschaat mocht
Wagtmans van het peloton een stuk vooruit rijden omdat hij door zijn
geboortestreek kwam. In Breda demarreerde hij daarom en men liet hem gaan.
Hoewel het de bedoeling was dat hij zich later weer in het peloton zou laten
terugzakken, gingWagtmans door en
eindigde met grote voorsprong aan de finish. Het peloton nam het hem natuurlijk
niet in dank af. Maar ook deze keer reed hij de Tour weer niet uit.
Op 11 augustus
1954 trouwde hij vervolgens met Pertonella Dimphena Jaspers (roepnaam Nelly), de
dochter van een transportondernemer uit Sint Willebrord. Het huwelijk is
kinderloos gebleven.
Een
ander hoogtepunt was de Ronde van Frankrijk van 1956. Tot aan de Alpen had hij
een grote kans op de eindzege. Maar zijn ploeg was te zwak om hem te
ondersteunen. Hij eindigde uiteindelijk als zesde.
In
het peloton gedroeg Wagtmans zich vaak als een clown. Zo trok hij vaak gekke
bekken en stak hij soms een bolknak op tijdens de koers. Het bezorgde hem de
bijnaam "Olijke Wout" en "Zoeloe".
Maar
niet alleen in de Ronde van Frankrijk was Wagtmans succesvol. In 1950 won hij de
Ronde van Noord Holland. De Acht van Chaam won hij in 1950 en 1952. Ook in 1952
won hij de Ronde van Romandië. In 1953 won hij de Ronde van Haspengouw, in 1957
Rome-Napels-Rome en in 1960 de Ronde van de Vier Kantons. Aan de Ronde van Italië
deed hij vijf maal mee. Hij won in totaal drie etappes.
Als
baanwielrenner behaalde Wagtmans eveneens grote successen, vooral achter de
motoren (Dernies). Na de succesvolle Ronde van Frankrijk in 1953 werd de
Nederlandse ploeg gehuldigd in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Voor de grap
deed hij mee aan een wedstrijd achter motoren die hij vervolgens gewoon won. Met
zijn gangmaker Bertus de Graaf zou hij nog vele overwinningen op de baan
behalen.
Zijn
topjaar bij het baanrennen was het jaar 1958. Hij won het Kampioenschap van
Nederland en de Winterprijs van Berlijn en werd derde bij het
Wereldkampioenschap.
Zijn
laatste wedstrijd was de Zesdaagse van New York in 1961. Omdat hij daarna
volgens de organisatoren te veel startgeld vroeg, werd hij geweigerd voor de
Zesdaagse van Madrid. Hij was daardoor zo aangedaan dat hij besloot om het
wielrennen vaarwel te zeggen.
In
1967 was hij nog ploegleider in de Ronde van Frankrijk. Zijn ploeg had Jan
Janssen als kopman. Hij werd vijfde in het eindklassement en winnaar van de
Groene Trui.
Na
zijn wielercarrière in 1961 ging Woutje Wagtmans werken bij het
transportbedrijf van zijn schoonvader in Sint Willebrord waar hij zelf ook
woonde. Toen zijn schoonvader een jaar later overleed zette hij samen met zijn
vrouw Nelly het bedrijf, dat gespecialiseerd was in het transport van
personenwagens, voort onder de naam Jaspers-Wagtmans. Aan het eind van de
tachtiger jaren viel hij zo ongelukkig uit een vrachtwagen dat hij invalide
werd.
In
april 1994 werd kanker bij hem geconstateerd, waaraan hij 15 augustus van dat
jaar op 64-jarige leeftijd overleed.
Woutje
Wagtmans behoorde tot de generatie van wielrenners die, samen met zijn
dorpsgenoot en vriend Wim van Est, als eersten successen boekten in de Ronde van
Frankrijk. Later reden Wagtmans en Van Est ook samen succesvolle koppelkoersen
op de baan. Hoewel hij tot de meest veelzijdige en talentrijkste renners van
zijn generatie behoorde, haalde hij nooit de absolute top. Door zijn armoedige
jeugd reed hij overal waar maar geld te verdienen was en pleegde op die manier
roofbouw op zijn lichaam. Van het verdelen van krachten en het gebruiken van
speciale voeding had die generatie renners nog nooit gehoord en dus waren ze,
net zoals Wagtmans, meestal op nog vrij jonge leeftijd opgebrand.
In
zijn hoogtijdagen in 1960 zette Woutje Wagtmans, samen met Wim van Est, het
bekende liedje over de Ronde van Frankrijk op de grammofoonplaat.
Tour
de France
(Kelder/Post)
Tour Tour Tour, de Tour de
France.
Wie rijd em dit jaar in de lauwerkrans?
Wie zit er aan de kop?
Wie hangt er aan de staart?
Zet hem even op,
die gele trui die is het waard.
Woutje Wagtmans: Je zadel schaaft en schuurt,
geen water in de buurt.
De zon is moordend heet,
de wegen zijn niet breed.
Een slechte derailleur
of andere malheur,
dat maakt met kramp en pech
je tot slaven van de weg.
Wim van Est: Soms val je in 't ravijn,
verrek je van de pijn.
Met een lekke band,
dan sta je langs de kant.
Maar gaan de benen rap,
dan win je een etap.
Dan vlieg je zonder pech
als koning van de weg
Jannes van der
Wal werd op 12 november 1956 geboren in het Friese dorpje Driesum. Zoals veel
kinderen leerde Van der Wal het dammen van zijn vader. Al op de lagere school
was Jannes gek op dammen. En op zijn twaalfde jaar was hij ervan overtuigd dat
hij later wereldkampioen dammen zou worden. Dat werd toen echter nog door
niemand serieus genomen. Maar in 1974 al behaalde hij zijn eerste succes en werd
jeugdkampioen dammen van Nederland. Jannes was een intelligente jongen en hij
haalde met gemak het Gymnasium. Na zijn middelbare school tijd ging hij wiskunde
studeren. Deze studie brak hij echter op twintigjarige leeftijd af om zich
fulltime met het dammen bezig te kunnen houden.
In 1981 werd hij
Nederlands kampioen en in 1982 werd hij wereldkampioen in het Braziliaanse São
Paulo. De manier waarop hij de sleutelpartij tegen Clerc won was een sterk
staaltje van zijn kunnen. Wel dient vermeld te worden dat het toernooi enigszins
verzwakt was door het ontbreken van spelers uit de Sovjet Unie. Maar ja, wie er
niet is kun je ook niet verslaan.
Ook in 1984, 1985
en in 1987 werd hij kampioen dammen van Nederland.
Daarnaast won hij
veel toernooien en speelde sterke simultaanwedstrijden. Bij een van de
simultaanwedstrijden speelde hij eens tegen 225 tegenstanders en won bijna van
iedereen. Hij scoorde 93 procent van alle punten. Deze prestatie staat vermeld
in het Guinness Book of Records.
Van alleen dammen
kon hij niet leven en dus trad hij onder andere op in televisieshows,
radioprogramma's, deed mee aan goochelacts, modereportages en playbackshows. Hij
deed eigenlijk aan alles mee wat maar geld opleverde. Daardoor werd hij bij het
grote publiek bekend, maar wel als een beetje zonderling. Toen Mies Bouwman hem,
na het behalen van het wereldkampioenschap, tijdens een uitzending naar zijn
leeftijd vroeg ("Jannes, hoe oud ben je?") zweeg hij minuten lang en
zat maar te grijnzen omdat hij het een onzinnige vraag vond. Hij meende dat, als
er zoveel mensen betrokken waren bij een uitzending, er toch wel iemand zijn
geboortedatum opgezocht zou hebben. Omdat de uitzending live was kon men dat er
niet uitknippen. Heel Nederland hield de adem in om te zien hoe dat opgelost zou
worden. En Mies kon de situatie alleen een beetje redden door te zeggen dat ze
dan maar een (marsepeinen) damschijf van het bord dat voor haar stond zou
opeten. Jannes werd er met zijn gedrag op slag beroemd door.
Ook in andere
programma's, zoals de TV show van Ivo Niehe trad hij op waarbij hij op de piano
samenspeelde met Louis van Dijk. Soms liet hij zich wel eens verleiden om achter
de piano te kruipen en een liedje te zingen. Hij maakte zelfs nog een
carnavalsplaatje met de titel: "Janus houdt toch je kanus".
Ook naar
aanleiding van zijn in Brazilië behaalde wereldkampioenschap kwam er een foto
in het weekblad Panorama waarin Jannes temidden van rondborstige Braziliaanse
schonen stond afgebeeld. Het maakte hem nog bekender dan hij al was.
Berucht is ook
het verhaal dat hij eens het Nederlands kampioenschap, dat in Utrecht gehouden
werd,miste omdat hij in de trein
in slaap gevallen was. Daardoor was hij een aantal keren tussen Groningen en
Zwolle op en neer gereden. Als gevolg van het niet op tijd verschijnen verloor
hij reglementair zijn partij van John van den Borst en daarmee het Nederlandse
kampioenschap. Hierdoor verspeelde hij ook zijn plaats voor deelname aan het
Wereldkampioenschap in Groningen. Daar mocht hij overigens later toch aan
meedoen.
Op het dambord
ging Jannes altijd de strijd aan. Hij kon er daarom niet goed tegen dat veel
partijen in remise eindigden. Teleurgesteld stapte hij over op het schaken. ´Dammen
is werken, schaken is lol", zei hij daarover. Maar hij bleef het dammen wel
volgen. Hij verzon zelfs nieuwe spelregels om remises te voorkomen en noemde het
systeem "doordammen". Kern van het doordammen is dat een materiële
voorsprong tot een overwinning leidt. Als een dammer in het eindspel een
voorsprong heeft van tenminste drie schijven (waarbij de dam voor twee schijven
telt) en deze voorsprong tien zetten weet vast te houden, wordt de partij
gewonnen verklaard. Op het "doordammen" kwam veel kritiek, vooral
omdat het ten koste zou gaan van het eindspel met de eindspelvarianten.
Hij liep daarom
met plannen rond om zelf een damtoernooi te organiseren waarbij de door hem
bedachte spelregels van het "doordammen" zouden gelden en waarbij hij
zelf als arbiter zou optreden. Zo ver kwam het echter niet. Hij werd ziek. Bij
hem werd de ziekte van Hodgkin geconstateerd. In een kleine twee maanden werd
zijn lichaam door deze ziekte gesloopt en overleed hij in de vroege ochtend van
24 september 1996. Hij is maar 39 jaar oud geworden. Voor iedereen, behalve een
paar goede vrienden, kwam zijn overlijden als een volslagen verrassing. Omdat
zijn vrienden niets hadden laten uitlekken en zijn ziekte slechts kort duurde
kon dit buiten de publiciteit blijven en kon hij in alle rust sterven. Het
damtoernooi dat volgens zijn regels verliep werd van 11 tot 14 december van
datzelfde jaar door Rob Clerc, Bert Dollekamp en zijn grote vriend Eric Hoeksema
toch nog in Groningen georganiseerd onder de naam "Johannes van der Wal
Memorial".
Door zijn wat
excentriek manier van doen was hij geliefd bij het publiek en daardoor ook bij
reclamemakers. Hij kwam onder andere voor in een reclamefilmpje van Jumbo.
Hij schreef twee
boekjes over probleemstellingen bij het dammen:"Mooi slagwerk" en
"Nieuwe standjes". Verder schreef hij damrubrieken in diverse klanten
en dambladen, zoals "De Brouwerij".
Een bekende
uitspraak van hem is: "Een dammer praat niet veel. Als hij naar de bakker
gaat zegt hij bijvoorbeeld: Eén brood."
In Groningen werd
een gebouw waar denksporten gespeeld werden naar hem genoemd, het Jannes van der
Wal Denksportcentrum.
In 1999 maakte
Rein Hazewinkel een documentaire film over het leven van Jannes van de Wal onder
de titel "Jannes". Op het IDFA documentaire festival won hij met het
scenario van de film de IDFA realiseringsprijs. De film laat zien dat Jannes een
kleurrijke en oorspronkelijke persoon was die maar moeilijk zijn draai kon
vinden in het leven. Jannes werd door zijn optreden op de televisie een beetje
gezien als een pias. Hij had zijn eigenaardigheden en daar kunnen zijn vrienden
en zijn oudere broer Harke in de film met smaak over vertellen. Maar in
"Jannes" rekent Hazewinkel krachtig af met het idee dat Van der Wal
een onnozele hals was. Het is een soort levensverhaal als dat van John Lennon.
Jannes was veel te vroeg beroemd en hij stierf toen het er net op leek dat hij
de boel weer op een rijtje had.'
Jannes van der Wal?
Wat doe je zoal?
Dam dam die dam dam dam
Dam, dam, dammen, dammen !