|
|
|
(met dank aan Liesbeth de Nijs) (klik op de plaatjes om te vergroten)
In de loop der jaren werden zijn aanvankelijk milde grappen aanmerkelijk sarcastischer van toon, maar een geëngageerd politiek cabaretier was hij niet. Fons Jansen was meer een tekstschrijver, die achter zijn bureau allerlei woordspelingen bedacht, dan een theaterman.
Fons Jansen kwam wat houterig over op het toneel, maar zijn rake teksten en woordspelingen maakte veel goed en hij trok dan ook volle zalen. Jansen, Alphonsus Paulus Johannes Maria Fons Jansen, cabaretier (Bussum 12-10- 1925 - Hilversum 23-3- 1991). Zoon van Alphonsus Maria Fredericus Jansen, cellist, later muziekonderwijzer, en Katharina Maria Geis, concertpianiste. Gehuwd op 22-11-1950 met Cecilia Maria Theresia Verkleij (geb. 1924. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. Fons Jansen was de vierde in een gezin van vijf kinderen. Hij kreeg een strenge rooms-katholieke opvoeding, waardoor zijn jeugd werd beheerst door angst. Als kind was hij steeds als de dood een zonde te begaan. De relatie met zijn ouders gaf hem weinig zekerheid. Zijn moeder kreeg, na de geboorte van het jongste kind, een postnatale depressie, waardoor ze voor de rest van haar leven in een psychiatrische inrichting terechtkwam. Met zijn vader had Fons geen gevoelscontact, hoewel deze beroepsmusicus hem wel vanaf zijn derde jaar meenam naar opera's, operettes, concerten, toneel, revue, cabaret en film. Toen Fons in 1929 tijdens een middagvoorstelling de legendarische theaterclown Buziau zag, wilde hij ook aan het toneel, maar dat mocht niet van zijn vader. Ongewild begon Fons op school al met zijn 'opleiding'. Op het door de jezuïeten geleide Ignatiuscollege in Amsterdam was hij een onzeker jochie dat gepest werd, maar hij leerde verbaal van zich af te bijten door grappen, anekdotes en verhalen te vertellen. Hij vond er afleiding in toneelspel en muziek. Nadat hij in 1944 het diploma HBS-B had behaald, wilde Jansen niet verder leren, want hij haatte het schoolsysteem hartgrondig. Om aan de Arbeitzeinsatz te ontkomen zat hij tot mei 1945 ondergedoken in Amsterdam. In 1945 kwam hij als nieuwslezer terecht bij de Radio Nieuwsdienst van het Algemeen Nederlands Persbureau. Hij verhuisde toen van Amsterdam naar Hilversum. Maar al na een jaar moest hij hier weg om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Hij volgde de officiersopleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Daar kreeg hij verlof om gedurende de helft van de week als nieuwslezer bij de Radio Nieuwsdienst te werken. In 1947 behoorde Jansen tevens tot de medeoprichters van het blad G3. Goede Geestgemeenschap in Leger en Luchtmacht , een kritisch opinieblad ten aanzien van de katholieke geloofs- en zedenleer zoals die tot dan toe gangbaar was. Het blad, aanvankelijk alleen bestemd voor militairen, werd heel populair en telde in zijn topjaren 100.000 lezers. Bij G3 werd Jansen allengs een (kritisch) schrijver. Als redactiesecretaris van dit blad - van 1947 tot 1964 - werkte hij door middel van zijn voor een groot publiek toegankelijke taal mee aan het emancipatieproces van de katholieken. In 1948 werd Jansen als tweede luitenant naar Nederlands-Indië gezonden, waar hij veel radiowerk deed. Naïef als hij toen nog was, kwam hij er pas daar met een schok achter dat hij moest meewerken aan een verkeerde zaak. Hij voelde zich bedrogen en ook het militarisme zou later in zijn theaterprogramma's van hem een paar stevige 'douwen' krijgen. Terug in Nederland - in mei 1950 - en uit militaire dienst pakte Jansen de draad weer op als medewerker bij G3 en als nieuwslezer bij de Radio Nieuwsdienst. Hij ging toen weer in Hilversum wonen. In 1954 verruilde hij de laatstgenoemde functie voor die van gespreksleider bij het katholiek vormingscentrum voor de landmacht 'Waalheuvel' te Ubbergen bij Nijmegen. Bij de geestelijke verzorging van de militairen liet Jansen, samen met andere gespreksleiders, intuïtie en gevoel toe. Hij onderging daarbij sterk de invloed van de vernieuwende filosoof Luud Stallaert, die de gespreksleiders van 'Waalheuvel' lessen in wijsbegeerte gaf. Eind jaren vijftig begon bij Jansen de twijfel te knagen; hij ging zich vragen stellen over het geloof en voelde zich door de kerk bedrogen. Gevoelens als onzekerheid, angst, twijfel, woede en mededogen voor allen die er met hem 'ingetuind waren' gingen bij hem een steeds belangrijker rol spelen. Samen met Stallaert schreef hij enkele boeken, waarvan het eerste de veelzeggende titel Onze honger naar oprechtheid (1958) droeg. Op verzoek van uitgever Paul Brand publiceerde Jansen zelfstandig tussen 1950 en 1963 een zevental boeken over liefde, huwelijk en seksuele voorlichting.
Op 6 mei 1962 ging de eerste voorstelling van 'De Lachende Kerk' van start. Een ecclesiagroep1 in Eindhoven had die avond een spreker besteld, maar kreeg in plaats daarvan een cabaretprogramma (in opbouw) voorgeschoteld. De voorstelling werd enthousiast ontvangen en er volgden nog veel meer voorstellingen. Als medewerker van 'Waalheuvel' hield Jansen in de jaren tussen 1956 en 1960 ook lezingen in het hele land. Deze werden gaandeweg komischer, en de respons - de lach - inspireerde hem om de teksten niet meer voor te lezen, maar ze uit het hoofd te leren en er zo nodig een petje bij op te zetten. Zo ontstond zijn eerste cabaretprogramma, 'De lachende kerk', dat, na een serie besloten optredens, in 1962 in première ging. Later zei hij hierover: 'Het theateroptreden is gegroeid uit de lezingen die ik ... hield. Het zaallicht ging uit en het was opeens een conférence' (NRC Handelsblad , 22-12-1988). Jansens gevecht in de jaren vijftig voor de humanisering van de kerk en tegen de neurotisering van het kerkvolk kreeg zijn definitieve vorm in dit programma.
'De lachende kerk' had eigenlijk maar één boodschap: 'twijfelen is toegestaan'. En het publiek van Jansen, dat net als hij was opgevoed met de boodschap dat twijfelen een zonde was, haalde opgelucht adem en uitte zijn frustratie in de vorm van daverend gelach. Jansen was geen 'harde' cabaretier, maar meer een observator. Hij wilde aantonen hoe belachelijk het instituut 'Kerk' op bepaalde gebieden was en hoe dat instituut een hele generatie in verwarring had gebracht. Het programma zat vol met woordspelingen en grappen. Maar Jansen was meer dan een moppentapper. Hij was een strijder tegen de psychische terreur van de katholieke moraal zoals hij die had ondervonden, en wilde zorgen dat een volgende generatie die zou worden bespaard. Ook Jansens tweede programma, 'Hoe meer zielen', waarmee hij van 1965 tot 1968 de schouwburgen en theaters langstrok, ging over de kerk. In 1968 verliet hij dit thema. '3 x Andermaal' (1968-1971) ging over gezin en school en heeft een aantal klassiek geworden conferences opgeleverd, zoals 'De schooljongen' ('Waarom laten ze je zo'n geschiedenisboekje uit je hoofd leren? Zijn ze dan uitverkocht?') en 'Mensen en stemmen'. Jansen nam het op voor het kind; de ouders kwamen er maar bekaaid van af.
Maar het competitiegevoel was hem vreemd, waardoor er van jaloezie geen sprake was. Jansen heeft nooit de beste willen zijn. Het vergelijken met anderen, al dan niet in cijfers of punten, was hem een gruwel. Dat hij op straat niet herkend werd, vond hij alleen maar prettig. Jansens optredens waren iedere avond uitverkocht, maar de televisie meed hij. Hij gaf pas toestemming de video-opnamen van al zijn shows uit te zenden toen hij afscheid genomen had van het theater. Ten tijde van zijn optredens met het relatief oppervlakkige Kwartetten ontstond bij hem het idee iets te gaan doen met een grote liefde: de klassieke muziek. Hij speelde in die periode twee 'tussendoortjes': 'Ongewoon recital' (1973-1974), waarin hij één avond per week eigen teksten zong op melodieën van Schubert, Schumann en Mozart, en 'Kleintje Kunst' (1976-1977) met actrice Henny Orri, dat bestond uit volksliedjes van Brahms op teksten van Jansen. Men zou dit zijn ongecompliceerde periode kunnen noemen. Jansen voelde echter dat hij met zijn milde, op de lach gerichte programma's zou vastlopen. Hij durfde op het toneel niet te zeggen wat hem echt bewoog, en zijn gevoeligste en 'diepste' liedjes voerde hij niet uit. Jansen ging in groepstherapie, en toen hij van 1975 tot 1980 met zijn vijfde programma, 'Fons Jansen 5' kwam, werd er een duidelijk andere toon gezet: venijnig en scherp. Al in het eerste lied, 'Ken je die grap van die Surinamer', vroeg hij aandacht voor de onachtzame wijze waarop Nederland met zijn overzeese gebiedsdelen omging. Hij streek met dit nummer
tegen nogal wat haren in. Het Christen Democratisch Appèl (CDA) kreeg er flink
van langs in 'Een ander Jansen wendde zich weer tot het schrijverschap en hield weer lezingen. In een interview zei hij hierover. 'Ik ben altijd half schrijver en half speler geweest, waarbij de schrijfhelft mij dierbaarder was' (NRC Handelsblad , 22-12-1988). Hij vond het een logische kringloop: klein beginnen - groter worden - klein eindigen. Na 1984 bundelde hij zijn voor dag- en weekbladen - onder andere Hervormd Nederland - geschreven columns en aforismen. De ontwikkeling die hij doormaakte verwoordde hij in 1988 als volgt: 'Het smalle kokertje van het leuk zijn, heeft veel beperkingen. Men verwacht altijd dat je leuk bent, terwijl ik er steeds meer aardigheid in krijg om te filosoferen' (NRC Handelsblad , 22-12-1988). Fons Jansen verdiepte zich in Indiase filosofen als Bhagwan en Krishnamurti, stopte met bedenken, maar ging zelf denken, werkte deze gedachten uit en stuurde die naar zijn vriendin, Ricky Mullenders, die hij bij 'Waalheuvel' had leren kennen. Deze verhouding, waarvan zijn vrouw op de hoogte was, heeft Jansen tot zijn dood voor de buitenwereld geheim weten te houden. Toen het bericht kwam dat hij ongeneeslijk ziek was, kon Jansen de schok vrij snel verwerken, omdat hij over de dood al zoveel geschreven, gedacht en gezegd had. Een ongelovige is Fons Jansen nooit geworden: hij was nieuwsgierig naar wat er zou komen na zijn dood, en wat God betreft: hij vond dat God aan zet was. Hij was klaar met Hem.
Op zijn graf staat een fraaie koperen sculptuur met daarop een nar die tussen de (toneel)gordijnen door loert naar het denkbeeldige publiek. Dat publiek lijkt vorm gekregen te hebben in de kinderkeitjes die als in een schouwburg gerangschikt liggen voor het podium. De orkestbak wordt verbeeld door een bak met hyacinten. Bovenaan de sculptuur staat op een eenvoudige lijst zijn naam. Met dank aan Michel Plemper Noten
Literatuur
Alle theaterprogramma's van Fons Jansen zijn op grammofoonplaat en/of compact disc vastgelegd. Op video verschenen zijn programma's 3 x Andermaal , Kwartetten , Fons Jansen 5 , Zullen we handhaven . Bronnen: Dodenakkers.nl Instituut voor Nederlandse geschiedenis Wikipedia
(met dank aan Liesbeth de Nijs) (klik op de plaatjes om te vergroten)
Boltini werd in 1920 te Woensel (bij Eindhoven) geboren als Wilhelm Marinus Antonius Akkerman. Zijn vader had een reizend variété-theater. Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog theaters werden verboden, vormde senior het theater om tot een circus-variété, omdat circussen niet waren toegestaan, maar circus-variétés wel.
Na de Tweede Wereldoorlog trad Boltini in het huwelijk. Hij bouwde het circus van zijn vader uit tot een van de grootste circussen van Europa. De bloeitijd lag in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw. Boltini had een tent laten maken die plaats bood aan 7000 bezoekers en die dankzij een hydraulisch systeem in anderhalf uur kon worden opgezet. Waar andere circussen vaak alleen al met opbouwen een dag kwijt waren, daar specialiseerde Boltini zich in opbouwen, een middagvoorstelling en een avondvoorstelling geven, afbreken, en doorreizen naar de volgende standplaats, en dit alles binnen een dag. Circus Tony Boltini 1968
In 1967 was Boltini als co-producent betrokken bij de zwart-wit speelfilm Adieu Filippi van de Belgische regisseur Rik Kuypers, over een verliefde clown. De film werd grotendeels in zijn circus opgenomen, maar is wegens financiële problemen nimmer voltooid. Foto’s uit Schagen jaren 60 Twee oude circusaffiches Hij verkocht Circus Boltini in 1980, en vestigde zich in Naarden als eigenaar/exploitant van recreatiepark Oud Valkeveen. Oud Valkeveen is een kleinschalig pretpark in de gemeente Naarden in de provincie noord Holland. Valkeveen is een buurtschap op de uiterste noordpunt van de Utrechtse Heuvelrug. In 1930 werd hier een begin gemaakt met met de aanleg van het gelijknamige speelpark. Het park omvat een speeltuin met enkele kermisachtige attracties, een vijver met waterfietsen en een restaurant. Ook kan er worden gebivakkeerd op een grasveld en strandje aan het zeer ondiepe Gooimeer. Maar het circus bleef trekken en in 1995 ging hij toch nog een keer met een Italiaans circus op tournee. Boltini was tweemaal gehuwd Uit zijn eerste huwelijk had hij twee dochters die ook in het circus terechtkwamen; uit het tweede een zoon genaamd Angelo. Met zijn dochters uit zijn eerste huwelijk heeft hij juridisch veel problemen gehad. Zij zijn nu officieel eigenaar van zijn pretpark (al loopt de rechtszaak nog steeds).
De violist Nello Mirando(a) speelde op het door velen bezochte afscheid in Hilversum, dat plaatshad in de tent van het Staatscircus van Moskou van Boltini's neef Hans. Op de website van zijn weduwe, Pammy Boltini, die tegenwoordig een bedrijf heeft dat alles op gebied van circus verhuurt, staan alle speeches van de begrafenis. Graf Toni Boltini Nog meer over het circus, kijkt u ook eens bij de rubriek Nostalgie naar Circus en Oleg Popov. Geraadpleegde bronnen o.a.: Circusmuseum Niestad Beeldbank Wikipedia
(klik op de afbeeldingen om die te
vergroten) Herman Heijermans
werd op 12 maart 1864 op de Schiedamse Singel 192 in Rotterdam geboren. Hij was
het vierde kind van zijn vader Herman Heijermans Sr. en zijn moeder Mathilde
Moses Spiers. Hij had drie oudere zussen. In totaal zouden zijn ouders 11
kinderen krijgen, waarvan er een al op jonge leeftijd overleed. Zijn vader was
journalist bij de "Nieuwe Rotterdamsche Courant" en hoofdredacteur van
"Het Zondagsblad". Het joodse gezin woonde in een ruime bovenwoning,
maar met 11 kinderen was dat toch nog aan de krappe kant. Journalistiek was in
de tweede helft van de 19-de eeuw niet zo'n erg goede broodwinning, zodat ze
niet nog groter konden gaan wonen. Zijn moeder kwam uit een gegoed milieu en kon
het drukke leven van een huismoeder met zoveel kinderen maar nauwelijks aan. Het
was een hecht gezin dat veel aan cultuur deed. Er werd gemusiceerd, getekend en
gezongen. Herman ging naar
de lagere school in Rotterdam en vervolgens naar de HBS. Via een kennis van zijn
vader kwam hij na de HBS in 1883 terecht bij de Wissel- en Effectenbank (later
de Twentsche Bank genaamd) in Rotterdam. In 1886 stelde de bank hem aan als
vertrouwensman van het in financiële problemen gekomen Rotterdams bedrijf in
lompen en metalen, Cohen & Mok. Door zijn werk kwam hij in contact met
Samuel Vles die ook in lompen en metalen handelde en die tevens een
vooraanstaand lid van de joodse gemeente was. Hij werd verliefd op zijn dochter
Betsy, schreef liefdesgedichten voor haar en in 1886 verloofden ze zich. Om geld
te verdienen voor zijn aanstaande huwelijk nam hij ontslag bij de Wissel- en
Effectenbank en begon, evenals zijn aanstaande schoonvader, een handel in lompen
en metalen. Daarnaast had hij, samen met zijn broer Boen, een agentuur in
huishoudelijke artikelen. Omdat hij veel te hoge prijzen bood dreigde de handel
in lompen en metalen in 1890 failliet te gaan. Dat zou een grote schande voor de
familie betekend hebben. Maar doordat zijn moeder een erfenis gekregen had kon
zijn vader hem helpen om zijn schulden af te lossen. Tot overmaat van ramp
verbrak Betsy Vles op oudejaarsavond van dat jaar ook nog eens hun verloving.
Over het dreigende faillissement heeft Heijermans zijn hele leven nooit meer
iets gezegd. Eigenlijk was hij ook niet echt geïnteresseerd in de agentuur voor
huishoudelijke artikelen omdat hij liever schreef. In 1891 schreef
hij zijn eerste "schetsjes" die door zijn vader in "Het
Zondagsblad" geplaatst werden. Hij besloot om te proberen met schrijven
zijn brood te gaan verdienen. In 1892 vertrok hij naar Amsterdam om te kijken of
hij daar een baan als journalist kon krijgen. In 1893 lukte het hem om bij het
in dat jaar opgerichte nieuwe dagblad De Telegraaf een baan als toneelrecensent
te krijgen. Door zijn bijtende kritieken maakte hij al snel veel vijanden. Ook
persifleerde hij de recensies van zijn collega's onder zijn pseudoniem "Gerritje".
Hoewel dit grappige stukjes waren maakte hij zich hiermee ook bij zijn collega's
niet erg geliefd. Vanaf 1894 verschenen er in De Telegraaf ook columns van zijn
hand onder het pseudoniem "Falkland", een pseudoniem dat vroeger ook
door zijn vader gebruikt was. Het was de naam van de Engelse dichter en
politicus Falkland uit de zeventiende eeuw. Vanaf 1896 verschenen zijn "Falklandjes"
ook in het Algemeen Handelsblad. Heijermans schreef honderden "Falklandjes",
stukjes vol humor. Ze werden gebundeld en tussen 1898 en 1915 werden er 19
bundels uitgegeven met als titel "Schetsen". Het eerste door
Heijermans geschreven toneelstuk was "Dora Kremer". De première was
op 25 april 1893 in Rotterdam. Het ging over de positie van de vrouw die
opgesloten zat binnen het burgerlijke huwelijk. Toneelcritici zagen hun kans
schoon om wraak op hem te nemen en sabelden het stuk neer. Er waren dan ook niet
meer dan vier opvoeringen. Op 18 mei 1893 was in Amsterdam de première van een
tweede toneelstuk van zijn hand, "Ahasverus". Op het programma stond
als auteur vermeld Ivan Jelakowitch. Deze zou, volgens een krantenbericht van
vlak vóór de première, een voor de pogrom gevluchte Russische jood zijn, die
in 1892 in Londen was gestorven. Het spel "Ahasverus", een dramatische
episode in één bedrijf, behandelde op melodramatische wijze de jodenvervolging
in Rusland. Ditmaal kreeg het stuk lovende kritieken. Zelfs in Parijs werd het
stuk opgevoerd. Op 6 juni 1893 deed Heijermans in een artikel in De Telegraaf de
zaak uit de doeken: "voor een oorspronkelijk Hollands toneelstuk bestaat
geen waardering, maar als het uit het buitenland komt, ligt de zaak
anders", aldus Heijermans in zijn artikel waarin hij de falsificatie bekend
maakte. Heijermans woonde
enige tijd op kamers in de Amsterdamse Pijp, samen met zijn broer Louis, die al
lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) was. Dit
bohemien-bestaan duurde tot Herman de beeldschone cabaretzangeres Marie Sophia
Peers ontmoette, met wie hij in 1895 in Wijk aan Zee ging samenwonen. Haar man
was zijn geluk gaan zoeken in Amerika. Vanuit Amerika liet hij een echtscheiding
regelen en eiste de twee kinderen uit het huwelijk op. Op 30 maart 1898 trouwden
Heijermans en Marie Peers. Zij kwam uit een familie van circusartiesten en kon
lezen noch schrijven. Ze begon aan een geslaagde inhaalmanoeuvre en publiceerde
later zelfs een toneelstuk, gedichten en herinneringen. Het verhaal over
het verlies van de twee dochters van Marie Peers, die haar door haar man
ontnomen waren omdat zij een "gevallen vrouw" was, werd door
Heijermans verwerkt in zijn roman "Kamertjeszonde" (1897). Deze roman
verscheen uiteindelijk onder zijn pseudoniem "K. Habbema" bij een
uitgeverij van pornolectuur, nadat andere uitgeverijen het manuscript geweigerd
hadden. Lezers die dachten met een zinnenprikkelend boek te maken te hebben,
kwamen bedrogen uit. Het verhaal stelde de bekrompen huwelijksmoraal aan de
kaak. Het boek was een succes en een gerenommeerde uitgever verzorgde de
herdrukken. Begin 1897 sloot
Heijermans zich ook zelf bij de SDAP aan. Hij schreef voor het paascongres van
die partij in 1898 de eenakter "Puntje", een puur partijpolitiek en
vooral anti-rooms stuk. Hierin vertolkten behalve hijzelf, Marie Peers,
Ankersmit, J.J.
de Roode en de acteur M.J. Ternooy Apèl, als enige beroepsacteur, de
rollen. Via Ternooy Apèl raakte Heijermans als toneelschrijver verbonden aan de
"Nederlandsche Tooneelvereeniging". Hij mengde zich
ook in de partijpolitiek en ijverde voor een SDAP-dagblad dat naar zijn mening
in de plaats moest komen van "De Sociaal-Democraat", die driemaal per
week verscheen en daardoor het dagelijks nieuws niet op de voet kon volgen. Hij
schreef hiervoor een nota en maakte een begroting. In mei 1899 nam hij zitting
in de "Voorbereidingscommissie voor een Dagblad". Met de financiële
steun van Duitse geestverwanten slaagde men erin om in maart 1900 met de uitgave
van "Het Volk" te beginnen. Heijermans was
een onvermoeibare publicist. Het kostte hem echter moeite de vele artikelen die
hij schreef, geplaatst te krijgen. Literaire bladen als "De Gids" en
het "Tweemaandelijksch Tijdschrift" weigerden zijn bijdragen. Toen ook
het wetenschappelijk maandblad van de SDAP, "De Nieuwe Tijd", werk van
hem teruggestuurd had, startte Heijermans een eigen tijdschrift. In juni 1897
verscheen het eerste nummer van "De Jonge Gids", een "tijdschrift
gewijd aan letteren en politiek". Zelf leverde hij bijdragen onder negen
pseudoniemen, maar het is niet zo dat hij het zelf vol schreef. Omdat "De Jonge Gids" ook terreinen van "De Nieuwe Tijd" bestreek, nodigde "De Nieuwe Tijd" redacteur Gorter Heijermans hem in het najaar van 1898 uit voor een gesprek over samenwerking. Afgesproken werd dat "De Jonge Gids" alleen letterkundig werk en "De Nieuwe Tijd" politiek en economisch werk zou publiceren. Heijermans trad toe tot de redactie van "De Nieuwe Tijd". Tot zijn woede hield men zich niet aan de afspraak. Bovendien was hij van mening dat "De Nieuwe Tijd" veel te intellectualistisch was en zelfs geïnteresseerde arbeiders niet bereikte. Toch nam Heijermans het initiatief tot fusiebesprekingen tussen zijn blad en "De Nieuwe Tijd", maar Gorter wenste zich het recht voor te behouden om werk van Heijermans te weigeren. Voor Heijermans was daarmee de maat vol en hij stapte uit de redactie. Zijn eigen blad hield het ondanks chronisch geldgebrek vol tot maart 1902 en in 1903 trad Heijermans opnieuw toe tot de redactie van "De Nieuwe Tijd". In 1901
verhuisden hij en zijn vrouw naar Katwijk. De buurt kende de roman
"Kamertjeszonde" en accepteerde het echtpaar niet, totdat ze hun
trouwboekje, voor iedereen zichtbaar, achter het raam hadden geplakt. In
september 1902 werd hun dochter Hermine geboren (ze leefde tot 1983 en werd ook
bekend als schrijfster en voorvechtster van de onafhankelijkheid van de vrouw.
Zij schreef in 1973 het boek: "Mijn vader Herman Heijermans; leven naast
roem"). Heijermans leerde in Katwijk de kunstschilder Jan Toorop kennen,
met wie een duurzame band ontstond. Toorop ontwierp affiches bij sommige
toneelstukken van Heijermans en in 1914 portretteerde hij hem. Ondertussen
schreef Heijermans meer toneelstukken. In 1898 verscheen "Ghetto", dat
speelde in de bedompte, orthodox-joodse sfeer van sjacheraars en
voddenkooplieden. De hoofdpersoon maakte zich onmogelijk door zich af te keren
van het joodse geloof. "Ghetto" veroorzaakte her en der relletjes.
Heijermans' uitlatingen over joden waren in zijn vroege jaren soms grof en
beledigend, maar hij ontkende aanvankelijk dat "Ghetto" een
antisemitisch stuk was. Niettemin bracht hij wijzigingen in de tekst aan
"door 't getto-begrip in de kristelijke dienstmaagd te vervolledigen en van
'n joods getto tot meer universele en noodzakelijke getto-mensen te
geraken." Gelukt is dit niet. En Heijermans schreef: "De
zwaar-beschuldigde joden in Ghetto maak 'k m'n ekskuus". De premières van
zijn stukken, in totaal schreef hij er zestig, durfde hij niet bij te wonen.
Liever wachtte hij in een naburig café op de afloop, uit angst dat de agressie
die zijn werk opwekte tot een aanslag op hem zou leiden. Hij bewoog zich mede
daarom bij voorkeur per taxi. In de roman "Diamantstad" (1904), die
eveneens in het Amsterdamse "ghetto"speelde, zag de hoofdpersoon de
verheffing van de arbeiders als vrucht van een staking. De opvoering van
"Allerzielen" (1904) daarentegen werd in sommige plaatsen verboden,
omdat het stuk kwetsend zou zijn voor rooms-katholieken. In 1900 schreef
hij het stuk waarmee hij wereldberoemd zou worden: "Op Hoop van
Zegen". Heijermans werd
hiervoor geïnspireerd door de aanklacht in het boek van Bernard Canter, een der
eerste sociale reporters in Nederland, "Een droomer ter haringvangst"
(1896). Heijermans woonde als journalist in 1899 het eerste Nationaal
Visscherij-Congres bij en deed daar verslag van in "De Nieuwe Tijd",
na zich eerst verder uitvoerig gedocumenteerd te hebben, onder de titel Eind 1901 schreef
Heijermans "Ora et labora", na een week lang met zijn vrouw door
Drenthe gezworven te hebben, waar zij plaggenhutten bezochten en met
veenarbeiders spraken. De première was op 1 februari 1902. Toorop ontwierp het
affiche. Het ene stuk na
het andere kwam uit Heijermans' handen, vooral in vakantietijd. Jaarlijks liet
hij zijn gezelschap op de avond voor Eerste Kerstdag een nieuw stuk opvoeren in
Scheveningen. Die dag had hij gekozen om de dagbladcritici de mogelijkheid te
ontnemen er meteen negatief over te schrijven. Die moesten tot dinsdag wachten
en dan had de mond tot mondreclame haar werk al gedaan. De stukken bezorgden hem
als toneelschrijver een grote populariteit. Gewone mensen uit het volk gingen
nooit naar een schouwburg, maar ze gingen wel "naar Heijermans". Heijermans sneed
zeer uiteenlopende onderwerpen aan. Behalve het harde arbeiderslot kwamen de
bekrompen wereld van de kleine burgerij en de onderdrukte positie van de vrouw
aan de orde. Een hoogtepunt vormt "Schakels" (1903), met Louis
Bouwmeester bij de première in de hoofdrol. Het verhaal gaat over een smid, die
zijn leven lang keihard werkt en van zijn smederij een groot metaalbedrijf
maakt. Op zijn oude dag draagt hij het over aan zijn kinderen, die het alleen om
geld gaat en die hem als mens kapot maken door een huwelijk met zijn
huishoudster op de meest infame wijze te verhinderen. Eenzaam blijft hij achter. Heijermans
schuwde ook het fantastisch-romantische genre niet. "De wijze kater"
(1917) speelt aan een hof. De rol van de kater, die veel lenigheid vergde,
speelde Jan Musch met groot succes. Vooral kinderen keerden geregeld in de
stukken en romans van Heijermans terug. In 1903 bundelde hij "Het
kind", "Het kamerschut" en "In de jonge Jan in
Kinderen". Doordat zijn
stukken in verschillende landen opgevoerd werden, had Heijermans er last van dat
Nederland niet aangesloten was bij de zogeheten "Berner Conventie".
Hierdoor was hij auteursrechtelijk niet beschermd. Daarom verhuisde hij in 1907
naar Berlijn, waar hij al geen onbekende meer was. Rijke vrienden maakten dit
financieel mogelijk. Hij publiceerde onder het pseudoniem "Heinz Sperber"
als toneelrecensent in het socialistische blad "Vorwärts".
Vanuit Berlijn schreef hij columns voor verschillende Duitse kranten en
hanteerde voor elke krant een ander pseudoniem. Heijermans liep al langer met
het plan rond een stuk over mijnwerkers te schrijven en al in 1908 begon hij
fragmenten in "De Nieuwe Tijd" te publiceren. De mijnramp op 12
november 1908 in de Radbod in het Roergebied, waarbij 348 dodelijke slachtoffers
vielen, versterkten hem in zijn voornemen het stuk te voltooien. In februari
1909 had hij, met hulp van kompels, vermomd een week in een mijn doorgebracht.
Hij herschreef op grond hiervan "Glück auf", dat op 24 december 1911
in de Hollandsche Schouwburg in première ging. Het stuk begint en eindigt met
een aandeelhoudersvergadering om aan te geven dat alles bij het oude blijft. Een
mijnramp voorkomt een op handen zijnde staking. Tussen de mijnwerkers en een
directielid, met wie zij samen beneden in de mijn opgesloten zitten, vallen de
sociale tegenstellingen weg maar boven de grond botsen deze juist in alle
hevigheid. In Berlijn begon
Heijermans aan de roman "Duczika", die onvoltooid bleef maar waarvan
tien hoofdstukken in "De Nieuwe Gids" van 1912 en 1913 gepubliceerd
werden. In 1911 sloot
Nederland zich aan bij de Berner Conventie en Heijermans keerde met het gezin
terug naar Amsterdam. Om aan het society-leven te kunnen deelnemen had hij op
royale voet geleefd en had hij grote schulden opgebouwd. Zijn vrouw betreurde
hun vertrek niet, ze hield niet van Duitsland. Ook het faillissement van de
"Nederlandsche Tooneelvereeniging", die al zijn stukken speelde,
maakte zijn terugkeer noodzakelijk. In juni 1911
richtte Heijermans de "NV Tooneelvereeniging" op met voornamelijk
dezelfde spelers en met hemzelf als directeur. Daarmee brak een nieuwe fase in
zijn leven aan. Hij stak veel tijd in zijn nieuwe functie en kwam nauwelijks
meer aan het schrijven van toneelstukken toe. Als directeur zat de kunstenaar in
hem de zakenman in de weg. Bovendien was hij te perfectionistisch en wilde hij
alle touwtjes in handen houden. Hij kon niet delegeren, het liefst deed hij
alles zelf, tot en met de kaartcontrole. Daarbij trad hij soms bruusk,
eigenmachtig en autoritair op. Net als andere toneelgezelschappen kampte hij
permanent met geldgebrek. Het toneel was in die tijd nog niet gesubsidieerd.
Deurwaarders achtervolgden hem regelmatig. In 1914 leed zijn gezelschap een
verlies van 22.000 gulden en moest Heijermans al zijn bezittingen verpanden. Hij
maakte geen onderscheid tussen privé en zakelijk kapitaal, ging op bedeltocht
en zag toch kans zijn acteurs uit te betalen. Hoewel hij socialist was, wist hij
in deze jaren zijn toneelgezelschap mede op de been te houden dankzij de
ruimhartige giften van bankiers en andere kapitaalkrachtigen, maar ook door
eindeloos te schrijven en te publiceren. Simon Carmiggelt, die de
Falkland-traditie verder droeg, kwalificeerde Heijermans' werk van de laatste
jaren als een onmenselijke hoeveelheid schrijverij om den brode. Schulden
dwongen hem daartoe. Het huldigingcomité ter ere van zijn vijftigste
verjaardag, onder voorzitterschap van I. Querido, wierf tevens fondsen voor het
levensonderhoud van zijn gezin. De huldiging in 1914 viel samen met de
vijfhonderdste opvoering van "Op hoop van zegen". De Boer-van Rijk zou
in totaal 1200 keer optreden als Kniertje. Ondertussen werd
het huwelijk van Heijermans een steeds zwaardere emotionele last voor hem en
zijn vrouw. Het ging niet langer en hun dochter Hermin nam het initiatief en
vertrok met haar moeder. Maar de band met haar vader bleef hecht. Het huwelijk
tussen Herman en Sophie werd op 27 november 1918 officieel ontbonden. Heijermans
zocht het in zijn werk maar raakte op 54-jarige leeftijd verliefd op de jonge
actrice Anna Jurgens, met wie hij In
1921 moest hij zijn toneelgezelschap ontbinden. Hij weigerde failliet te gaan.
Hij stelde zich persoonlijk garant en trof financiële schikkingen. Om geld te
verdienen schreef hij op een zolderkamertje aan de Keizersgracht op maandag een
"Vuurvlindertje" voor De Telegraaf, op dinsdag een
"Droomkoninkje" voor De Telegraaf, op woensdag "De moord in de
trein" voor Het Leven, op donderdag "De man zonder tranen" voor
De Groene en op vrijdag "Barbertje Snik" voor Het Volk. 's Avonds
thuis schreef hij nog "Niki" voor het weekblad Astra, een schets voor
De Oprechte Haarlemmer en verder Falklandjes voor een nieuwe bundel en
toneelkritieken voor wie er maar om vroeg. Eind
1923 kreeg hij problemen aan zijn kaakholte. Begin 1924 werd hij opgenomen in de
Van Leeuwenhoek kliniek en geopereerd aan een pijnlijke knobbel onder zijn tong,
van het klemmen van zijn pijp dacht hij, maar het bleek kanker te zijn. De
operatie was niet afdoende. Zijn ziekte bracht allerlei complicaties met zich
mee. Hij kon nauwelijks meer spreken en kon alleen vloeibaar voedsel tot zich
nemen. In de zomer zag hij de dood in de ogen. Tijdens zijn ziekbed dwong hij
dochter Hermine, die ook op de planken stond, verpleegster te worden. Hij vond
de toneelwereld geen goede omgeving voor haar. Zijn leven lang hield hij er
strenge opvattingen over de omgang tussen mannen en vrouwen op na. Hij overleed
op 22 november 1924, in zijn huis "De Zandhoeve" in Zandvoort. Hij
werd 60 jaar oud. Heijermans
had via zijn zuster Hélène laten weten niet met joods ceremonieel begraven te
willen worden. Wel droomde hij ervan "door het volk uitgedragen" te
worden. Zo gebeurde het. De SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen
organiseerden de begrafenis. Om "gehol en gevlieg over de graven door
banaal publiek" te voorkomen waren toegangskaarten voor de begraafplaats
Zorgvlied uitgegeven. Het publiek stond massaal langs de Amstel opgesteld. Aan
het graf spraken Vliegen, Royaards en De Boer-van Rijk. Bij zijn dood bleef
ondanks al zijn inspanning het gezin in armoede achter. Maar de vereerders van
de kunstenaar stichtten een fonds van 70.00 gulden om zijn tweede vrouw en
kinderen te onderhouden en zijn talrijke schulden te delgen. Door de jaren
heen bleef Heijermans' werk populair, vooral bij het amateurtoneel. Toen het
radiohoorspel eind jaren twintig opkwam, zond de VARA diverse stukken van
Heijermans uit, die zo een ongekend groot publiek bereikten. Carmiggelt noemde
hem de grootste toneelschrijver van de twintigste eeuw. J. Mendes da Costa
vervaardigde van Heijermans een portretbuste die werd geplaatst in het
Vondelpark en op 22 november 1929 door wethouder F.M. Wibaut (!) onthuld werd.
Vandalen beschadigden het beeld dusdanig dat het door een nieuwe versie
vervangen moest worden. Deze kwam in het Leidsebosje te staan. Aan het begin van
de bezetting was het beeld opnieuw zo zwaar beschadigd dat de gemeente het liet
opslaan. F. de Miranda kreeg na de bevrijding opdracht het te restaureren maar
zag hier geen kans toe. Hij vroeg het beeld te mogen houden en nam het mee naar
Israël. Na diens terugkeer deed Krop een onbevredigende poging het beeld te
herstellen. De steenhouwersfirma Van Tetterode slaagde hierin wel en op 1 juni
1964, de honderdste geboortedag van Heijermans, onthulde Krop het beeld. Het
kwam opnieuw in het Leidsebosje te staan. Geraadpleegde
bronnen o.a: Absolute
Facts Bibliotheek
Rotterdam BWSA Collegenet Digischool Geocities Inghist Joods
Historisch Museum Theaterland Wikipedia
|
|