|
|
|
(klik op de afbeeldingen om ze te vergroten) Willem Catharinus
van Hemert werd op 12 maart 1912 geboren in Utrecht. Hij volgde er het Gymnasium
en na zijn eindexamen studeerde hij korte tijd voor priester. Vervolgens ging
hij een tijd rechten studeren en daarna economie. Door een weddenschap werd hij
voor de Tweede Wereldoorlog voorzanger bij de Fritz Hirsch Operette. Daarna kwam
hij terecht in de Bouwmeester Revu en later in het Leidsepleintheater. Hij
besloot vervolgens om een eigen groep te op te richten, het Regenboog Cabaret. Zijn persoonlijk
leven kenmerkte zich door vele romances en huwelijken. Hij is de vader van Hans
van Hemert (actief in de muziek), Ruud van Hemert (die ook producent en
regisseur is) en Ellen van Hemert. Hij was de schoonvader van acteur Coen Flink. In 1942 werd het
door Van Hemert geschreven toneelstuk "Paarlen Voor De Zwijnen"
opgevoerd met onder andere een rol van Ko van Dijk. Vanaf 1946 trad
hij op met het Cabaret Willy van Hemert waar onder andere Fien de La Mar aan
meedeed. Hij ging ook voor
de radio schrijven en in 1947 kwam hij in vaste dienst bij de VARA-radio. Zijn
televisiespel "De Toverspiegel" werd uitgezonden op de allereerste
televisie-uitzending in Nederland, op 2 oktober 1951. In 1952 werd hij
door de VARA naar Londen gestuurd om meer kennis op te doen van het nieuwe
medium televisie. Op 16 september
1952 was er voor de allereerste keer een (live) televisie-uitzending van de
opening van de Staten-Generaal in Den Haag. Willy van Hemert was daarvan de
regisseur: "Een camera op de Vijverberg, een camera bij het Mauritshuis,
een op het Binnenhof, een in de Ridderzaal en een op 't dak van de Tweede Kamer
voor het grootste overzicht." Het protocol verbood de troonrede te larderen
met tussenshots. Van Hemert begreep waarom: "Op de Vijverberg sloeg een
jongen, die op het tramhuisje geklommen was, een agent, die hem eraf wou trekken
de pet van het hoofd, net op het moment dat de troonrede de zegeningen van de
democratie prijst. Je vingers jeuken, maar zwichten voor de verleiding zou het
eind van je carrière betekenen." Hij regisseerde
in 1958 de eerste Nederlandse kleurenfilm, Jenny, met muziek van Josef Cleber.
Zijn dochter Ellen speelde de rol van Jenny. De ander acteurs waren: Maxim
Hamel, Andrea Domburg, Ko van Dijk jr., Kees Brusse, Teddy Schaank, Winnefred
Bosboom, IJda Andrea, Bert van der Linden, Gelijn Molier enCorrie Brokken. Jenny, een jong
meisje van achttien jaar, enthousiast roeister, is verloofd met de
kunsthandelaar Ed van Rijn. Wanneer zij Ed bekent dat zij een baby verwacht en
met hem wil trouwen, blijkt de jongeman daar weinig voor te voelen. Jenny,
teleurgesteld en boos, besluit haar eigen boontjes te doppen. Inmiddels gaat het
met de training voor de roeiwedstrijden niet zo goed, totdat Jenny's vriendinnen
en haar coach alles voor haar in orde maken. Ed vraagt Jenny ten huwelijk en ook
de roeiwedstrijden, met Jenny als stralend middelpunt, worden een groot succes. Het bleef Van
Hemert's enige speelfilm. Willy van Hemert
schreef ook veel songteksten, onder andere:
In 1959 schreef
hij de Zuiderzeeballade (Opa kijk ik vond op zolder…zie voor volledige tekst
de rubriek Liedjes van SeniorPlaza). Eigenlijk zit hier een wat gek verhaal
achter. De VARA vroeg aan Van Hemert om de teksten te schrijven en aan Harry de
Groot om de muziek te componeren voor een radioprogramma, waarbij ieder lied
gewijd zou zijn aan een bepaalde provincie. Vlak voor de uitzending kwam men
echter tot de ontdekking dat men de toekomstige provincie Flevoland vergeten
was!! Nu bleek dat Harry de Groot niet op zo'n korte termijn beschikbaar was om
de muziek te schrijven. Daarom werd er een
beroep gedaan op Joop de Leur. Deze had al een tango-achtige melodie
liggen en die werd daarvoor gebruikt. Onder grote tijdsdruk schreef Van Hemert
toen de tekst van de Zuiderzeeballade. De volgende dag werd de Zuiderzeeballade
voor de radio gezongen door Sylvain Poons en Godert van Colmjon.
Platenmaatschappijen voelden er wel voor om het lied op grammofoonplaat uit te
brengen. Nu ontstond er echter een probleem, want beide zangers stonden bij
verschillende platenmaatschappijen onder contract,
In 1960 schreef
hij de tekst van "Wat een geluk", wederom op muziek van Dick
Schallies, waarmee Rudy Carell naar het Songfestival ging (Wat een geluk dat ik
een stukje van de wereld ben…zie voor de volledige tekst de rubriek Liedjes
van SeniorPlaza). Deze keer waren ze minder succesvol, want Carell bereikte
slechts de 12-de plaats. In 1972 ontving
Van Hemert de Gouden Harp van de stichting Conamus, een prijs voor personen die
zich gedurende hun carrière op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt
voor de Nederlandse lichte muziek. De Gouden Harp wordt jaarlijks toegekend door
een wisselende jury en geldt als een van de belangrijkste prijzen van de
Nederlandse muziek. Maar Willy van
Hemert is natuurlijk zeer bekend van de vele dingen die hij voor televisie
schreef, bewerkte en regisseerde. In 1961
regisseerde hij "Biedermann en de brandstichters", een tragi-komedie
van Max Frisch. In 1963 volgt de musical "Er valt een ster" met in de
hoofdrol Jenny Arean en een rol voor onder andere Rita Corita. En in 1964
"Vadertje Langbeen" met weer Jenny Arean in de hoofdrol en een rol
voor onder andere Caroline Kaart.
Als
bloemen bloeien achter stranden In 1971
schreef Willy van Hemert "De Kleine Waarheid", naar de
"Marleen" trilogie van Jan Mens. Van Hemert maakte er een 26-delige
televisieserie van, die gedurende twee seizoenen op de buis te zien was bij de
NCRV. Verder schreef hij 26 teksten voor liedjes, voor elke aflevering één, op
muziek van Harry de Groot, Cor Lemaire en zijn eigen zoon Hans van Hemert. Het
was de eerste serie op de Nederlandse televisie die zoveel afleveringen kende.
De eerste aflevering was op 26 december 1971. Een hoofdrol was weggelegd voor de
toen nog in dat vak onbekende Willeke Alberti die de rol speelde van Marleen
Spaargaren.
Als Marleen wat
ouder is wordt er ongepland een tweede kind geboren in het gezin, haar broertje
Eppo. Het kind blijkt bovendien mindervalide te zijn. Daarmee vallen de plannen
van haar vader in het water, want er is nu geen geld meer om Marleen naar de HBS
te sturen. Marleen, die vaak
eigen verzonnen liedjes in haar hoofd hoort, heeft echter een eigen willetje.
Daardoor botst ze constant met haar vader. Als ze op haar 15-de jaar besluit om
werkster te worden vallen pa's plannen met haar definitief in duigen.. Er volgen
meerdere werkhuizen, waarmee ze steeds weer wat Maar liefst zes
miljoen kijkers volgden wekelijks deze televisieserie en waardeerden de serie
met een 8. Er waren rollen van: Emmy Lopes Dias (moeder van Marleen), Jacques
Commandeur (haar vader Jacob) en vele andere bekende toneelspelers. Een andere
succesvolle serie, die door Willy van Hemert geschreven werd voor de NCRV, was
de "Ik bid nie
veur brune bon'n." De beroemde zin die Bartje spreekt omdat hij niet van
bruine bonen houdt. Het verhaal draait om Bartje van zijn 8ste tot
zijn 15de levensjaar. Hij is lid van een arm Drents gezin van 10
kinderen en een elfde op komst. Zijn vader zwoegt als landarbeider voor een
karig loon bij een boer. Het thema van het verhaal is de oneerlijke verhouding
tussen arm en rijk. Hoewel het boek "Bartje" eigenlijk een kinderboek
is, wordt het juist door dit achtergrondthema
Het
verhaal over de naïeve kapelaan Erik Odekerke (gespeeld door de Belgische
acteur Jo de Meyere) speelt tegen de achtergrond van de opkomst van de mijnbouw
in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog. Erik is altijd in gesprek met zijn
engelbewaarder (stem van Kees Brusse). Vaak komt hij in botsing met de
conservatieve pastoor Bonhomme (gespeeld door Bob Storm). Doordat hij zo
onhandig is jaagt hij het volk Na die tijd
volgen onder andere nog in 1982 de serie "De weg". Het verhaal gaat
over Arie. Zijn vader is groot geworden met het asfalteren van wegen. Arie ziet
het niet zitten om zijn vader op te volgen. Op school haalt hij alleen voor het
vak godsdienst een voldoende en dat is niet zo goed voor een carrière in de
wegenbouw. Zijn moeder was acht jaar daarvoor met een concurrent vertrokken naar
Australië en vader wil niet hij haar gaat opzoeken. Zijn vader besluit hem op
een internaat te plaatsen, waar hij ook zijn eerste meisje zal ontmoeten. De rol van Arie
werd gespeeld door Sjoerd Pleysier. Verder waren er rollen van onder andere Anne
Wil Blankers als Anne. Willy van Hemert
ontving twee keer de Televisierring, de publieksprijs voor het beste
televisieprogramma van dat jaar, in 1978 voor "Dagboek van een
herdershond" en in 1983 voor "De weg". De laatste jaren
van zijn leven woonde Van Hemert in het Belgische dorp Hechtel. Hij overleed op
26 juni 1993 op 81-jarige leeftijd. Hij werd begraven op de Algemene
Begraafplaats aan de Woensbergweg in zijn vroegere woonplaats Blaricum. Op zijn
graf staat zijn gebeeldhouwde hoofd. Geraadpleegde
bronnen o.a.: Bibliotheek
Rijswijk Fonos Het
Parool NCRV Wikipedia (klik op de afbeeldingen om ze te vergroten) Tante Leen werd in 1912 op de Lindengracht in Amsterdam geboren als Helena
Polder. Later verhuisde ze naar de Willemsstraat in Amsterdam. Ze bezocht de
lagere school aan de Lindengracht en werkte na haar schooltijd als garnalenpelster op de markt. In 1940 komt haar eerste man (Dhr. Kok) om bij een bombardement. Om aan de kost te komen ging ze de trappen dweilen van de effectenbeurs. Later hertrouwde ze met ("Ome") Bram Jansen. Uit dit huwelijk werd in 1947 een zoon, Fred, geboren. Naast haar werk als schoonmaakster was ze 's avonds bedrijfsleidster in een
café, naast het café waar Johnny Jordaan optrad als zingende kelner. Pas op haar 43-ste jaar werd zij ontdekt. Op initiatief van de directeur
Gerry Oord vond op 7 februari 1955 een talentenjacht voor zangers en zangeressen
uit de Jordaan plaats in het Rotanhuis aan de Rozengracht in Amsterdam.
Bezoekers van het café waar ze werkte hadden haar ingeschreven voor deze
talentenjacht, hoewel ze nog nooit in het openbaar had opgetreden. Er waren 103
deelnemers en Helena Jansen-Polder werd een van de 15 finalisten. In de finale,
die op 2 maart 1955 werd gehouden in Krasnapolsky vertolkte ze het lied
"Steeds Ben Jij In Mijn Gedachten" en als toegift
"Hand In Hand". Beide liedjes zijn van Jaap Valkhoff (indertijd
ook lid van de legendarisch accordeongroep The Three Jacksons) en Hans Ruf jr.
"Hand in hand" is overigens een ander nummer dan "Hand In Hand
Kameraden" van Jaap Valkhoff, want Tante Leen is haar hele leven lang
fervent supporter van Ajax geweest. En ze veroverde in de finale de tweede
plaats, achter Johnny Jordaan. Vanaf dat moment luidde haar bijnaam "de
nachtegaal van de Willemsstraat". Kort daarna
werd de eerste plaat opgenomen en trad ze op onder haar artiestennaam Tante
Leen. Eerste single was "Oude Amstelstad". In hetzelfde jaar nog trad
zij samen met Johnny Jordaan voor het eerst op in het Concertgebouw. In november 1956 ontving ze een gouden plaat voor 250.000 verkochte platen
van "Hand in Hand". In datzelfde jaar kwam haar grootste hit uit:
"Oh Johnny" (Tekst:
Hans Ruf jr. , Muziek: Jaap Valkhoff). Ik
heb je zo vaak horen zingen Jouw
stem hoor ik haast iedere dag Maar
een ding wou ik je nog vragen Ik
heb maar een wens als het mag Oh
Johnny zing een liedje voor mij alleen Oh
Johnny want voor mij ben je nummer een Zing
een lied met een lach en een traan In
je stem klinkt de hele Jordaan Oh
oh oh Johnny zing een liedje voor mij alleen Oh
Johnny zing het zacht voor je heen Dan
voel ik spontaan Mijn
hart open gaan Oh
Johnny voor onze Jordaan Je
zingt over jouw Westertoren Die
jij in gedachten ziet staan Jouw
stem is voor mij als een parel De
parel van onze Jordaan Oh
Johnny zing een liedje voor mij alleen Oh
Johnny want voor mij ben je nummer een Zing
een lied met een lach en een traan In
je stem klinkt de hele Jordaan Oh
oh oh Johnny zing een liedje voor mij alleen Oh
Johnny zing het zacht voor je heen Dan
voel ik spontaan Mijn
hart open gaan Oh
Johnny voor onze Jordaan Dan
voel ik spontaan Mijn
hart open gaan Oh
Johnny voor onze Jordaan En Johnny
Jordaan beantwoordde haar lied muzikaal met "Tante Leen, Tante Leen, Tante
Leen, ik ga een liedje voor je zingen." Sommigen waren verbaasd over het
woordje "je", want Johnny Jordaan sprak haar altijd aan met
"u". Haar
liedjesrepertoire kwam voornamelijk van Jaap Valkhoff, Harry de Groot en Pi Vèriss.
Op plaatopnamen werd zij begeleid door de accordeonisten Harry de Groot, Pierre
Biersma en Johnny Holshuysen (later noemde hij zich John Woodhouse), gitarist
Eddy Christiani, bassist Wim Kastelein en drummer Nico Prins. Bekende
nummers van Tante Leen: "Blijf Bij Mij", "Morgen Kan Het
Gebeuren", "De Duiven Op De Dam", "Als Ik Droom",
"Eeuwig Jong" en "Bloemetjes In De Jordaan".
Hoewel heel
Nederland café Royal kende als "het café van Tante Leen" bleef de
naam ongewijzigd. Er is in Nederland wel
een Hotel Café Restaurant dat officieel "Tante Leen" heet. Aan de
Arnhemschestraat 28 (bij De Kei) in Amersfoort.
In 1969 trad
ze, samen met Johnny Jordaan, de Sheperds, Cees de Lange, Harry de Groot en
Bueno de Mesquita, op in het Palladium in Hollywood. Om gezondheidsredenen beëindigde Tante Leen
in 1975 haar zangcarrière. In 1979 zong ze nog eenmaal een duet met
Johnny Jordaan: Waar Is De Tijd Gebleven. De laatste
jaren van haar leven bracht ze door in het verpleeghuis De Poort in Amsterdam. In 1991 was ze
nog aanwezig bij de onthulling van het borstbeeld van Johnny Jordaan. Op 5 augustus
1992 overleed Tante Leen, na een langdurig ziekbed, in het Andreasziekenhuis in Amsterdam. Ze
is 80 jaar oud geworden. Twee jaar na haar dood kreeg Tante Leen een
borstbeeld op het pleintje aan het begin van de Elandsgracht, nu het Johnny
Jordaanplein. Haar beeld kwam naast dat van Johnny Jordaan te staan. Geraadpleegde
bronnen o.a.: Gemeentearchief
Amsterdam Nationaal
Popinstituut Mokum
TV (klik op de afbeeldingen om ze te vergroten) Henriette Roland Holst werd in Noordwijk geboren op 24 december 1869 als
Henriette Goverdine Anna van der Schalk (roepnaam Jet). Sommigen schrijven haar
voornaam als Henriëtte, dus met een trema op de letter e. Maar in haar
geboorteakte staat haar naam zonder trema, dus Henriette. Haar vader was notaris
in Noordwijk. Hij behoorde dus tot de notabelen van het dorp. Het gezin, met een
liberaal-christelijke achtergrond, had een rijk bestaan met zes man personeel
voor het huishouden. In haar kindertijd kreeg Henriette privé-les. In 1885
plaatsten haar ouders haar op het "Duits meisjesinternaat Oosterwolde"
in Arnhem. De opleiding bestond voornamelijk uit het leren van goede manieren en
het studeren van vreemde talen. Henriette, die heel beschermd opgevoed was, had
moeite zich aan te passen. Daardoor werd ze gepest door haar medeleerlingen. Zij
kwam zelfs in een zenuwcrisis terecht en keerde daarom tijdelijk terug naar
huis. Ze werd gelijk naar de Ziekenverpleging in Amsterdam gestuurd, waar ze met
de directrice op huisbezoek ging bij minder bedeelde mensen. Toen ze weer tot
rust gekomen was ging ze terug naar het internaat. Ze functioneerde nu beter dan
voorheen. Haar opleiding werd voltooid in het Belgische Luik. Daar studeerde ze
Frans en schreef ze gedichten in het Frans, onder andere voor een jonge
operazanger op wie ze verliefd was. Vanaf 1889 woonde ze weer thuis. Ze bracht haar dagen door met zelfstudie,
muziek en literatuur. Ze schreef
ook zelf gedichten, iets dat ze al op jonge leeftijd begonnen was te doen.
Henriette had ook belangstelling voor andere kunstenaars. Via zijn vrouw kwam ze
in contact met de dichter en geleerde Albert Verwey. In april 1892 kwam ze in
contact met de schilder Jan Toorop. Voor hem schreef ze haar eerste
sonnettencyclus. Hij stimuleerde haar om door te gaan met haar dichtkunst. Een zware klap voor haar was dat haar jongste zus en haar vader, met wie ze
een sterke band had, in juni 1892 verdronken toen hun rijtuig in het Leidse
Galgewater reed. In de winter van 1892 gaf de Franse dichter Paul Verlaine een aantal
lezingen in Nederland. Op een van de bijeenkomsten in Den Haag ontmoette
Henriette voor de eerste keer de beeldend kunstenaar Richard Roland Holst
(roepnaam Rik). Hij maakte onder andere de glas-in lood ramen van de Dom in
Utrecht. Deze kennismaking werd in februari 1893 thuis bij Albert Verwey
voortgezet en leidde tot een grote vriendschap en later bloeide de liefde op.
Daarna verloofden ze zich en in januari 1896 trouwden ze. Het huwelijk is
kinderloos gebleven. Eind januari 1893 maakte ze in het huis van Albert Verwey kennis met de
dichter Herman Gorter (roepnaam Pans) die bij de familie Verwey logeerde. Hij
raadde haar aan om Spinoza, Dante en Plato te lezen. Vooral zijn liefde voor
Dante deelde ze al snel. In april 1893 werden zes sonnetten van haar gepubliceerd in "De Nieuwe
Gids", een literair en politiek tijdschrift dat was opgezet als tegenhanger
van het in 1837 opgerichte maandblad "De Gids". Door deze publicatie
werd Henriette een zeer gewaardeerd dichteres. In 1894 werden van Henriette 25 sonnetten in het eerste nummer van het
"Tweemaandelijks Tijdschrift" van Albert Verwey gepubliceerd. In 1895 verscheen haar eerste bundel "Sonnetten en Verzen in terzinen
geschreven", typografisch verzorgd door haar latere man Rik. Na haar huwelijk met Rik Roland Holst vestigde het echtpaar zich in in 's
Graveland, in Het Gooi. In 1903 verhuisden ze naar een, door Berlage ontworpen,
huis in Laren (NH). Henriette ging deel uitmaken van een kring van progressieve intellectuelen
en kunstenaars die schreven in het literaire weekblad "De Kroniek" met
als hoofdredacteur Pieter Lodewijk Tak. In het blad werd opbouwend en kritisch
geschreven over kunst, literatuur, muziek en cultuur en vooral over politiek in
binnen- en buitenland. Herman Gorter spoorde het echtpaar Roland Holst aan om "Das Kapital"
van Karl Marx te lezen. In 1897 werden ze gevraagd om, samen met Herman Gorter,
het congres van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de voorloper
van de Partij van de Arbeid, bij te wonen. Als gevolg daarvan werden, zowel
Herman Gorter alsook het echtpaar Roland Holst, lid van deze partij. Henriette
maakte al snel deel uit van de redactie van het in 1896 opgerichte
socialistische maandblad "De Nieuwe Tijd". Ze trad zelfs toe tot het
partijbestuur van de SDAP. Haar man Rik was wat minder fanatiek, maar Henriette
stortte zich volledig in haar missie. Behalve het schrijven van stukken hield ze
ook toespraken. Daarin uitte ze haar waardering voor de Russiche Revolutie. In 1909 brak er een richtingenstrijd uit tussen de SDAP leider Troelstra en
de orthodoxe marxisten in de partij. Het leidde tot het royement van een aantal
marxistische partijleden. Die richtten vervolgens de Sociaal-Democratisch Partij
(SDP) op. De marxistisch ingestelde Henriette Roland Holst bleef echter lid van
de SDAP. De SDAP probeerde
overgebleven marxisten aan zich te binden door het uitgeven van het
"Weekblad". En Henriette nam plaats in de redactie van het blad. In
haar stukken spaarde ze Troelstra niet. Tijdens een discussie over het beleid
van de partij rond de Rotterdamse havenstaking koos zij voor de vakbondsleider
Henk Sneevliet en tegen de partij. Beiden verlieten de partij. Sneevliet stapte
over naar de SDP en Henriette
Roland Holst was een tijdje partijloos. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 was ze geschokt door
het feit dat het nationalisme het gewonnen had van de internationale
solidariteit van de proletarische klasse. Zij was een van de ondertekenaars van
een manifest dat pleitte voor dienstweigering. Daarvoor stond ze in juni 1917
zelfs nog voor de rechtbank. Toch was zij geen pacifiste. Zij was namelijk voor
een volksleger. In 1915 richtte ze, samen met Johan Visser, een publicist over theoretische
en actuele politieke vraagstukken, en nog anderen die uit de SDAP afkomstig
waren, een nieuwe beweging op, de Revolutionair Socialistische Vereeniging (RSV). In september 1915 was ze aanwezig op een conferentie, die georganiseerd was
door socialisten uit verschillende landen die het internationaal denken en het
pacifisme aanhingen en die gehouden werd in het Zwitserse Zimmerwald.
Daar ontmoette ze Lenin en Trotski. In 1916 sloot Henriette Roland Holst zich aan bij de SDP, die vervolgens
fuseerde met de RSV. De arbeiders in alle landen begonnen zich te roeren. Dat leidde tot de
Russische revoluties van februari en oktober 1917 en tot de Duitse revolutie van
november 1918. Ook in Nederland roerden de arbeiders zich. Dat leidde onder
andere tot demonstratie in Amsterdam. Deze ging langs de militaire kazerne in de
Sarphatistraat met Roland Holst in de voorste gelederen. De militairen schoten
op de demonstranten en er vielen doden en gewonden. Henriette Roland Holst had een slechte gezondheid. Daarom trokken zij en
haar man zich na de Tweede Wereldoorlog vaak terug op hun buitenhuis op de
Buissche Heide bij Zundert. Dat huis had zij, samen met haar broer, in 1914 van
haar moeder geërfd. Haar broer liet zijn deel aan haar na. Het huis had aparte
logeervertrekken en er kwamen dan ook veel gasten. Iemand die vaak kwam was de
zangeres Ina Santhagens-Waller. Zij gaf regelmatig zanguitvoeringen. Zij kreeg
een verhouding met haar man Rik. Hoewel Henriette van de verhouding op de hoogte
was kwam het niet tot een echtbreuk. In 1918 werd de SPD omgedoopt in de Communistische Partij in Nederland
(CPN). De CPN sloot zich aan bij de Communistische Internationale. Roland Holst
schreef veel stukken over de revoluties in Rusland en Duitsland. Zij betoogde
dat het "proletariaat" diende te worden opgevoed om massabetogingen te
houden, zodat ze niet gewapender hand in opstand zouden komen. Ze verdedigde
vurig het communisme, zoals dat in Rusland tot stand gekomen was. In 1921
vertrok ze met een delegatie naar Moskou om daar een congres bij te wonen. Daar
ontmoette ze voor de laatste maal Trotski. Ze werd tijdens haar bezoek
geconfronteerd met de hongersnood in het Wolgagebied. Toen ze teruggekeerd was
in Nederland startte ze daarom een actie om voedsel in te zamelen voor Rusland. In 1921 kwam er een einde aan het blad "De Nieuwe Tijd' waar Roland
Holst veel werk voor deed. Het bestuur van de CPN eiste dat ze twee leden van de
redactie mochten benoemen. In het verleden had de redactie van "De Nieuwe
Tijd" min of meer onafhankelijk van de SDAP en de SDP (later CPN)
geopereerd. Het tijdschrift werd opgeheven omdat Roland Holst daar wel oren naar
had. Er kwam een nieuw tijdschrift voor in de plaats "De Communistische
Gids" dat door de CPN werd uitgegeven en onder redactie stond van onder
andere Roland Holst. In de jaren twintig deden zich binnen de CPN veel
conflicten voor die te maken hadden met de richting die men wilde gaan volgen.
In 1924 leidde dat ertoe dat Henriette Roland Holst de CPN verliet en zich
aansloot bij de toen pas opgerichte "Bond van Kommunistische Strijd- en
Propagandaclubs" (BKSP). En
Roland Holst ging schrijven voor het orgaan van de BKSP, "De Kommunist". Door verandering van de macht binnen de CPN keerde ze in 1925 toch weer
terug binnen die partij. Toen in 1927 Stalin Trotski verdreef en in China Tsjan
Kai Sjek op grote schaal communisten vermoordde weet ze dat aan de verkeerde
instructies die uitgegaan waren van de Communistische Internationale. Ze brak
daarom voorgoed met de CPN. Ze heeft zich daarna nooit mee bij een politieke
partij aangesloten. Toch bleef zij politiek stelling nemen en voelde zij zich
betrokken bij de socialistische beweging. Nadat ze uit de CPN was gestapt kwam ze tot de conclusie dat de
sociaal-democratie alleen uit was op electoraal gewin en dat het communisme
verstikt was door een verstarde dogmatiek. Ze kreeg steeds meer oog voor het
belang van de geestelijke kracht. In 1929 bekende Roland Holst zich tot het
christendom en vond dat een herstel van de band tussen het socialisme en het
christendom voor de, volgens haar nodige vernieuwing van het socialisme, kon
zorgen. Volgens haar leidde een banaal gevoelsleven tot tweedracht en
broedertwist binnen de socialistische beweging. In 1932 kreeg ze haar eerste grote literaire waardering. Ze werd benoemd tot
erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde. Politiek gezien stond Roland Holst in de jaren dertig dicht bij de Bond van
Religieuze Anarcho-Communisten (BRAC), de Internationale Anti-Militaristische
Vereeniging (IAMV) en de syndicalisten. In tegenstelling tot deze bewegingen
bleef zij echter positief over de parlementaire democratie, de rol van de
sociaal-democratie daarin en de rol van de vakbeweging. Veel bewondering oogstte ze in de dertiger jaren bij christen-socialisten,
jongeren en met name studenten. In 1937 koos ze direct voor het Spaanse leger in haar strijd tegen de
fascistische generaal Franco die door een staatsgreep aan de macht gekomen was. Aan het eind van de dertiger jaren sukkelde Roland Holst weer eens erg met
haar gezondheid. Zo had ze onder andere een niervergiftiging. En in 1938
overleed haar man. Aan het eind van de jaren dertig ging het weer wat beter met
haar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog herbergde ze in haar huis op de Buissche
Heide veel onderduikers en vrienden. Verder maakte ze deel uit van de redactie
van het verzetsblad "De Vonk", dat na de oorlog werd omgedoopt in
"De Vlam". Na de oorlog was ze ervan overtuigd dat het
kapitalisme ten gevolge van de oorlog niet zou overleven. Ze werd lid van het op
17 september 1945 opgerichte "Landelijk Comité van Actie tegen de
doodstraf", dat zich verzette tegen de doodstraf voor oorlogsmisdadigers. In 1947 kreeg ze nog een eredoctoraat van de Universiteit
van Amsterdam. Op 28 november 1952 overleed zij, 82 jaar oud,
in een Amsterdams rusthuis. Overeenkomstig haar wens vond de crematie op
Westerveld in stilte plaats. Ter gelegenheid van het feit dat ze honderd jaar geleden
was geboren werd in 1969 een borstbeeld voor haar geboortehuis in Noordwijk
geplaatst. Ondanks haar soms slechte gezondheid (ze leed aan
depressies, aanvallen van anorexia, bloedarmoede en hartziektes) streed ze met
een niet aflatende ijver voor een verbetering van de positie van arbeiders,
jongeren en vrouwen en liet ze een enorm oeuvre na aan gedichten, politieke en
sociale essays, toneelstukken, hoorspelen en meerdere biografieën. Maar ook schreef ze de Nederlandse tekst voor het
strijdlied "De internationale". Bronnen
o.a.: Wikipedia BWSA Absolute facts NedWeb (klik op de afbeeldingen om ze te vergroten) Albert Haanstra (roepnaam Bert) werd op 31 mei1916 geboren in het
Overijsselse Espelo (gemeente Holten). Zijn vader was daar hoofd van een kleine
dorpsschool. Toen Bert drie maanden oud was verhuisde het gezin naar Goor (O),
waar zijn vader benoemd was tot hoofd van een grotere school. Het gezin had vier
kinderen. Bert had nog een oudere broer en twee jongere broers. Na de lagere school ging Bert naar de MULO. Al op jonge leeftijd was hij
zeer geïnteresseerd in het nieuwe medium film. De operateur van de plaatselijke
bioscoop vond het enthousiasme van de toen 14-jarige Bert zo leuk dat hij hem
toeliet in de projectiecabine van de bioscoop "De Volharding". Bert
bracht er vele uren door. Uit een blik en losse onderdelen bouwde hij zijn eigen
filmprojector. Zijn films kocht hij bij een drogist in Hengelo. Op die manier
had hij een eigen thuisbioscoop gemaakt. Toen hij 16 jaar was kreeg hij van een fabrikant uit Goor een afgedankte
filmcamera. Daarmee ging hij enthousiast aan de slag en met deze camera maakte
hij dus zijn eerste opnames. Intussen zat hij op de Rijkskweekschool, maar na
twee jaar brak hij deze opleiding af om te gaan werken voor een fotograaf in
Hengelo. Hij wilde eigenlijk cineast worden, maar daar viel in die tijd nog niet
veel mee te verdienen. Daarom ging hij bij deze fotozaak in Hengelo werken. In
die tijd begon hij persfoto's te maken. Door bemiddeling van directeur Smit van de "Nieuwe Hengelosche Courant
kon hij in 1935 aan de slag bij het persbureau Vaz Dias in Amsterdam als
"leerling zonder salaris". Hij had als taak om willekeurige foto's te
maken die geschikt waren om in de krant te publiceren. Later trad hij in dienst
bij de Vereenigde Fotobureaux en daarna had hij nog een tijd lang een eigen
fotobureau met de naam "Express". Dat draaide echter op een mislukking
uit en vlak voor de oorlog trad hij, door bemiddeling van een goede kennis Jaap
Carels, in dienst als fotograaf bij het Gemeentelijk Energie Bedrijf (GEB) in
Amsterdam. In de oorlog studeerde hij Fotografie aan de Rijksacademie voor
Beeldende Kunsten in Amsterdam. Via diezelfde Jaap Carels kwam Bert Haanstra in
het verzet terecht. Gedurende de hele oorlog maakte hij gebruik van een illegale donkere kamer
die in de kelder van het gebouw van het GEB gevestigd was. Daar ontwikkelde hij
onder andere microfilms, die werden gebruikt voor het bombarderen van industriële
installaties, en die vervolgens naar Engeland gesmokkeld werden. Zo had Haanstra
een kaart van zijn geboortestreek in Overijssel gereproduceerd, die later
gebruikt was bij een geallieerd bombardement op een fabriek in Goor, het dorp
waar hij vandaan kwam. Voor de Nederlandse verzet maakte Haanstra
uitvergrotingen van stempels, waarmee stempelmakers perfecte vervalsingen konden
maken. Met zijn techniek en kostbare apparatuur -hij was een van de weinige
fotografen die in het laatste oorlogsjaar over elektriciteit beschikten- bewees
Bert Haanstra vooral de Persoonsbewijzencentrale (PBC) onschatbare diensten. De
PBC , die door de beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen was opgericht, was een
illegale drukkerij van persoonsbewijzen, Ausweise en distributiebonkaarten,
waarmee duizenden illegalen en "klanten" van de illegaliteit werden
geholpen. Sinds Van der Veen was gearresteerd was de organisatie
gedecentraliseerd. Elke groep werkte met "eigen" drukkerijen, ten dele
buiten Amsterdam, met eigen tekenaars, clichémakers, stempelmakers en
fotografen. Haanstra trad in augustus 1944 tot de vervalsingsdienst toe en
werkte tot de bevrijding als vaste fotograaf in Amsterdam. Zijn werk was dermate
riskant, dat slechts één contactpersoon van zijn bestaan op de hoogte was.
Daardoor was zijn clandestiene fotografie ook na de oorlog zo ongeveer tot het
best bewaarde geheim van de voormalige illegaliteit. Over zijn illegale werk sprak Bert Haanstra later zelden. Eén geheim uit de
illegaliteit heeft Haanstra zelfs in zijn graf met zich meegenomen. Hij kende
een Duitse officier van de Luftwaffe die in 1944 naar het Nederlandse verzet
overliep. De Duitser was via de Amsterdamse fotohandel Capi Lux op de hoek van
de Bosboom Toussaintstraat en de Nassaukade bij de PBC terechtgekomen. Het
eerste filmrolletje dat hij daar kocht had hij een week later teruggebracht met
de klacht dat het niet deugde. Hij kreeg een nieuwe film. Maar telkens keerde
hij terug met hetzelfde verhaal en een "ondeugdelijk" gebleken film.
Aanvankelijk begreep men er niets van, maar na enige tijd kreeg men door dat er
geen toeval in het spel was. Als Haanstra de films vervolgens in het GEB -gebouw
ontwikkelde bleken ze allerminst ondeugdelijk. Ze bevatten strategische
informatie die voor de Nederlandse ondergrondse van de grootste betekenis was.
Later heeft de PBC de Duitser in bescherming genomen, door hem te laten
onderduiken in een antiekwinkel op de Bloemgracht. Maar Haanstra heeft nooit
zijn naam gekend, zomin als de PBC zijn motieven kende om het Nederlandse verzet
te helpen. Na de oorlog is hij in het niets verdwenen.
Op 7 mei 1945 ging Haanstra naar de Dam in Amsterdam om de
bevrijdingsfeesten te fotograferen. Maar dat pakte een beetje anders uit. Duitse
soldaten, die zich nog niet hadden overgegeven, begonnen uit het gebouw van de
"Groote Club" op de feestende menigte te schieten. De mensen stoven
uiteen en zochten dekking. Een aantal fotografen, onder andere Bert Haanstra,
hield het hoofd koel en maakte opnames van dit tafereel. Liggend op zijn buik
fotografeerde Bert Haanstra de paniek die om hem heen uitbrak. Bij een van de
opnames liggen de meeste omstanders met weggedoken hoofden plat op de grond op
de hoek van de Dam en het Rokin. Sommigen kruipen nog op zoek naar beschutting,
fietsen liggen her en der verspreid. Uit heel de opname spreekt de angst voor
het gevaar uit. De foto van dat moment was een van de meest adembenemende
illustraties van het hele incident. De foto is afgedrukt in het fotoboekje
"De Dam 7 mei 1945" van Flip Bool en Veronica Hekking (uitgeverij
Focus, Amsterdam 1992). Tijdens zijn studie in de Tweede Wereldoorlog aan Rijksacademie voor
Beeldende Kunsten had hij kennis gemaakt met de Duitse immigrant Paul Bruno
Schreiber, even als hijzelf een filmfanaat. Ze hadden afgesproken dat ze na de
oorlog samen een film zouden maken. En dat deden ze ook, met Bert Haanstra als
cameraman. Twee jaar lang werkten ze hard aan "Myrhte en de demonen",
een sprookjesfilm voor alle leeftijden. Het werd een gigantische flop. Maar
Haanstra werd geprezen voor zijn goede camerawerk. Daardoor kreeg hij de
opdracht om een film over het Muiderslot en de Muiderkring van P.C. Hooft te
maken. Het werd de film "De Muiderkring herleeft", die in 1948
uitkwam. Voor deze film tekende Haanstra voor het scenario, de regie, het
camerawerk en de montage. Het was het begin van een succesvolle carrière als filmmaker. Met zijn
volgende film "Spiegel van Holland" uit 1950 brak Haanstra
internationaal door. Hij won er de Gouden palm mee in Cannes. Karakteristiek
voor de film is dat Haanstra de camera een tijdje op zijn kop hield. Ook zijn
film "Panta Rhei" (dat betekent: alles is in beweging) werd een groot
succes. Deze film, die bewegingen van water en wolken toont, werd veelvuldig
bekroond. In de volgende jaren maakte Haanstra een aantal documentaires onder andere
voor Shell. Films uit die tijd: "Dijkbouw" (1952), "Ontstaan en
vergaan" (1952), "Op zoek naar aardolie" (1952), "De
Exploratieboring" (1953), "Het Olieveld" (1954), "Strijd
zonder einde" (1954), "God Shiva" (1955), "En de zee was
niet meer" (1956) en "Rembrandt, schilder van de mens" (1957). In 1958 volgt nog de bekende documentairefilm "Glas" over de
werking van een glasblazerij met prachtige muziek van Pim Jacobs. Deze film werd
onder andere bekroond met een Oscar. In 1961 kreeg hij voor deze film nog een
Gouden Palm in Cannes. In datzelfde jaar 1958 maakt hij ook nog de documentaire
"Over glas gesproken" en zijn eerste speelfilm "Fanfare",
over een fanfare uit Giethoorn die mee wil doen aan een concours maar door
onderlinge ruzie zich splits in twee kampen die elkaar bij dat concours gaan
beconcurreren. Met onvergetelijke rollen van Albert Mol als dirigent en Johan
Kaart als trompettist. Het was een ongekend succes en de film trok in het eerste
half jaar maar liefst 2 miljoen bezoekers. Zijn tweede speelfilm "De Zaak M.P." (1960) werd echter geen
succes en Haanstra ging zich weer aan documentaire films wijden. Dat leidde in
1962 tot een van zijn beste documentaires "Delta Phase I", over de
afsluiting van het Veersche Gat. Bij zijn film "Zoo" uit 1962 maakte hij voor de eerste keer
gebruik van de verborgen camera (overigens iets dat Joris Ivens voor hem al eens
gedaan had). Dat deed hij ook bij zijn film "Alleman" (1963). Aan deze
laatste film werkten ook Simon Carmiggelt en Anton Koolhaas mee. Deze film over
alledaagse gebeurtenissen van gewone Nederlanders werd een kaskraker. Het
afmonteren van een dergelijke film luistert nauwgezet, maar Haanstra was er een
meester in. "Alleman" ontving veel internationale prijzen en werd
genomineerd voor een Oscar. Ook zijn volgende film "De stem van het water" uit 1966 was een
groot succes. Haanstra was een verwoed aanhanger van de Ajax. Daarom maakte hij in 1968 de
slechts 20 minuten durende documentaire "Retour Madrid" Het werd een
flop. In hetzelfde jaar kwam zijn documentaire "Traffic" uit, maar ook
hier bleef het succes uit. Na een lange voorbereiding en veel research en veel reizen verscheen in 1972
de film "Bij de beesten af", naar een idee van Anton Koolhaas. In deze
film worden menselijk en dierlijk gedrag met elkaar vergeleken, zoals het
territoriumgedrag, het seksuele gedrag en het gedrag tussen jong en oud. De film
werd een groot internationaal succes en genomineerd voor een Oscar. Haanstra
rekende het zelf tot een van zijn beste films. Voor zijn derde speelfilm koos Haanstra voor de verfilming van het boek van
Anton Koolhaas, "Dokter Pulder zaait papavers". Deze komische film uit
1975 werd opgenomen in Blokzijl. Maar de film ontlokte aan het publiek niet de
beoogde lachsalvo's. Toch was de film wel een redelijk succes. Ter afwisseling maakte hij in 1978 de documentaire "Nationale parken
… noodzaak", waarvoor zijn zoon Jurre de muziek componeerde. In 1979 kwam de documentaire "Juliana in 70 bewogen jaren" uit en
in datzelfde jaar zijn speelfilm "Een Pak slaag". Hoewel de film goed
werd ontvangen was het aanvankelijk geen commercieel succes. Dat trok Haanstra
zich erg aan en bij de vertoning van de film op het festival van Cork werd
Haanstra getroffen door een hartaanval. Daardoor was hij een tijdlang uit de
running. Maar in 1983 kwam, in samenwerking met Simon Carmiggelt, "Vroeger kon
je lachen". Dat is eigenlijk een verzameling "Kronkels", de
stukjes die Carmiggelt wekelijks voor Het Parool schreef. Dan volgen er de films "Nederland" (1983) en twee films over apen
"Chimps onder elkaar" (1984) en "Monument voor een gorilla"
(1987). Voor UNICEF maakte hij in 1988 "Kinderen voor Ghana". En tenslotte
verscheen in 1991 "Gewoon Toon", een vierdelig portret over Toon
Hermans. In 1996 ontving hij, op zijn tachtigste verjaardag, de "Oeuvreprijs"
van het Nederlandse Fonds voor de Film. Deze prijs wordt nog steeds toegekend
als de "Bert Haanstra oeuvreprijs". In 1998 ontving Fons Rademakers
deze prijs, in 2000 Johan van der Keuken en in 2004 werd de prijs uitgereikt aan
Paul Verhoeven. De laatste jaren van zijn leven leed Bert Haanstra aan de ziekte van
Alzheimer. In een interview voor Vrij Nederland vertelde zijn zoon Jurre over
deze tijd: "Op z'n heldere momenten doorzag hij zijn situatie en raakte hij
volkomen in paniek. Ik werd dan gebeld door het verpleeghuis, en ging vervolgens
met hem wandelen om hem te kalmeren. Het moeilijke voor hem was dat hij altijd a
man in charge was geweest. Totaal niet gewend dat iemand tegen hem zei: "zo
meneer Haanstra, nu gaan wij fijn een kopje koffie drinken". Dan werd hij gék.
Hij was er buitengewoon ongelukkig onder. Toen hij overleed was dat eigenlijk
ook een heel vredig moment. Hij hoefde niet meer, hij was er klaar voor."
Bert
Haanstra overleed op 23 oktober 1997, op 81 jarige leeftijd, in Hilversum. Haanstra was Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Bert Haanstra was een bevlogen mens. Urenlang kon hij zitten monteren,
totdat het eindelijk was wat hij wilde. Daardoor zijn de films die hij gemaakt
heeft nog altijd boeiend. Bronnen o.a.: Archief Netwerk Filmfestival.nl Het geheugen van Nederland NRC 4 nov. 1997 Wikipedia |
|