|
| |
Cornelis Verolme
(klik op de plaatjes om ze te
vergroten)
Cornelis
Verolme werd op 4 september 1900 geboren in Nieuwe Tonge op het Zuid-Hollandse
eiland Goeree-Overflakkee. Hij was de zevende zoon van landbouwer Jacob Verolme
en Hendrica van der Veer.
Aan de
ambachtsschool in Middelharnis werd hij opgeleid tot smid en bankwerker. Vanaf
1915 deed hij zijn praktijkervaring op in fabrieken en op werven in Rotterdam en
omgeving. Op negentienjarige leeftijd trad hij in dienst bij de Rotterdamsche
Droogdok Maatschappij als tekenaar-constructeur. Door middel van avondcursussen
behaalde hij in die tijd zijn MTS diploma. Tot zijn eerste omvangrijke werk
behoorde de verbouwing van een zeilschip van 4.000 ton tot een
dubbelschroefstoomschip.
Op 27 juni 1923 trouwde hij met Jannetje
Borg. Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren. Nadat de echtscheiding werd
uitgesproken op 8 juli 1954 trouwde hij op 31 juli 1954 met Anna Cornelia
Weegink. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.
In 1928 trad hij
in dienst bij de Machinefabriek Gebroeders Stork & Co. in Hengelo, waar hij
wegens zijn ervaring belast werd met de constructie en de inbouw van
scheepsmachine-installaties. Vanaf 1930 was hij betrokken bij de productie en
inbouw van scheepsdieselmotoren die door Stork in licentie van het Duitse
bedrijf Allgemeine Elektrizitäts Gesellschaft werden gebouwd. Verder had Verolme
een aandeel in de verkoop van motoren, waardoor tal van relaties ontstonden met
directies en vertegenwoordigers van scheepswerven in binnen- en buitenland.
In 1946 nam
Verolme ontslag bij Stork. Het conflict met Stork ontstond als gevolg van een
door hem bij de directie ingediend reorganisatievoorstel, waarin hij zichzelf
een toppositie in het bedrijf had toegedacht. Hij vestigde zich nu als
zelfstandige ondernemer, aanvankelijk te Hengelo en een jaar later te Rotterdam.
De nieuwe onderneming, het Scheepsinstallatiebedrijf "Nederland", hield zich
bezig met het ontwerpen, leveren en installeren van complete
voortstuwingsinstallaties voor zee- en binnenschepen. Op een onbebouwd terrein
aan de Nieuwe Maas bij IJsselmonde vestigde Verolme een machinefabriek, waar in
de eerste werkplaats, een gebouwtje van 18 bij 10 meter, installaties voor
binnenschepen werden gemaakt. Uitbreidingen volgden in verband met het
installeren van motoren in zeeschepen.
Ten gevolge van
het oorlogsgeweld was er in die tijd een tekort aan scheepsruimte. Verolme
verdiende veel geld met het opkopen en reviseren van motoren die uit gezonken
schepen kwamen of door brand waren beschadigd.
In 1950 nam
Verolme de in 1812 gestichte scheepswerf Jan Smit Czn. te
Alblasserdam
over en gaf het de naam 'Verolme Scheepswerf Alblasserdam' (VSA). Daarmee ging
hij zich bezighouden met de bouw van grote zeeschepen. Verolme verwierf enkele
belangrijke opdrachten uit Finland, waarvoor hij de motoren bouwde in zijn
fabriek in IJsselmonde. Andere Rotterdamse werven volgden deze ontwikkelingen
argwanend en beschouwden Verolme als een indringer.
In 1954 nam
Verolme de werf van De Haan & Oerlemans te
Heusden over
en maakte deze geschikt voor schepen met een laadvermogen tot 20.000 ton. De
naam werd voortaan 'Verolme Scheepswerf Heusden' (VSH).
Op 21 december
1954 vond de oprichting plaats van Verolme Dok en Scheepsbouw Maatschappij N.V.
(VDSM) in Rozenburg. Op 27 juni 1957 werd hier de grootste scheepswerf van
Nederland geopend, waar mammoettankers konden worden gebouwd en Verolme de
verdere groei in de scheepsbouwmarkt kon bijhouden.
Op 10 augustus
1955 werd Verolme Verenigde Scheepswerven N.V. opgericht, voor het buitenland
Verolme United Shipyards, waarbinnen alle scheepsnieuwbouw- en
scheepsreparatieactiviteiten werden gebundeld.
De
economische ontwikkeling leidde tot een vraag naar steeds grotere schepen. In
1955 bouwde de werf in Alblasserdam een erts-olietanker, de 'P.G. Thulin', met
recordafmetingen (lengte van 193 meter; breedte 25 meter; laadvermogen 26.500
ton). In datzelfde jaar besloot Verolme, als eerste scheepswerf, zich toe te
leggen op de bouw van mammoettankers, tankers met een laadvermogen van meer dan
100.000 ton. De
Suezcrisis in
1956 deed de vraag naar olietankers nog verder toenemen.
Door technische
opleidingen op te zetten en door personeel van concurrenten aan te werven
voorzag Verolme in de groeiende behoefte aan gekwalificeerde technici. Zijn
succes en eigenzinnige werkwijze riep tegenstand op van concurrerende
scheepsbouwers – veelal oude familiebedrijven. Een climax in dit conflict was de
weigering hem toe te laten als lid van de prestigieuze Koninklijke Roei- en
Zeilvereniging "De Maas", waar vooral de gevestigde havenbaronnen het voor het
zeggen hadden.
Hoewel Verolme
geen ervaring had met de bouw van marineschepen, kreeg hij van de Braziliaanse
regering de opdracht om het voormalige Britse vliegdekschip 'Vengeance', dat
door de Braziliaanse marine was aangekocht, te verbouwen. Ook richtte hij een
eigen installatiebedrijf op, Verolme Elektra, te Maassluis.
Rond 1960 begon
Verolme zijn concern te internationaliseren. Zijn contacten met de Braziliaanse
regering stelden hem in staat in 1959 een geheel nieuwe werf te bouwen in de
baai Jacuacanga in de omgeving van Rio de Janeiro, compleet met woonwijken voor
het personeel. In 1960 nam hij een oude werf over in
Cobh bij
Cork in
Ierland.
Typerend voor het
tempo waarin Verolme nieuwe schepen bouwde, was het gebruik om tegelijk met de
bouw van een nieuwe scheepshelling te beginnen aan de bouw van het eerste schip.
Als eerste werd het middenschip gebouwd, en naarmate de boeg en het achterschip
vorderden, werd de helling, waarop het schip gebouwd werd, verlengd. Pas als
het schip klaar was om te water te worden gelaten, kwam ook de helling tot in
het vaarwater gereed.
In de zestiger
jaren liepen de opdrachten voor de Nederlandse scheepsnieuwbouw terug. Een
regeringscommissie adviseerde in 1966 om de scheepswerven meer te laten
samenwerken om een betere internationale concurrentiepositie te verwerven.
Verolme besloot in juni 1967 een kredietgarantie van de overheid te vragen voor
de bouw van een reparatiedok van circa 500.000 ton. Minister Leo de Bock van
Economische Zaken bood ruim een jaar later financiering aan, op voorwaarde dat
Verolme de Nederlandse Dok en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM) te Amsterdam zou
overnemen, om deze van de ondergang te redden. Verolme nam dit aanbod aan, maar
leed in de jaren daarop verlies, met name bij de bouw van mammoettankers in
Amsterdam en Rozenburg. Vooral de stijgende loonkosten veroorzaakten verliezen.
De regering
verwachtte dat een oplossing gevonden kon worden door de grote Nederlandse
scheepswerven te integreren. Enige jaren eerder was het Rijn-Scheldeconcern
ontstaan uit de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij N.V. (RDM), de Koninklijke
maatschappij De Schelde N.V. en de Dok en Werfmaatschappij Wilton Feijenoord N.V.
In 1969 moest Cornelis Verolme afzien van het stemrecht op zijn aandelen in ruil
voor een nieuwe kredietgarantie en in januari 1970 moest Verolme accepteren dat
de Verolme Verenigde Scheepswerven N.V. met de Rijn-Schelde Machinefabrieken en
Scheepswerven N.V. (RSMS) (kortweg "Rijn-Scheldeconcern") fuseerde tot
Rijn-Schelde-Verolme Machine fabrieken en Scheepswerven (RSV) en dat hij zijn
positie als president-directeur verloor.
| RSV verspeelde in zijn nadagen
honderden miljoenen aan een kolengraversproject door in zee te gaan met een
Amerikaanse partner die zich verschool achter een bedrijf met de
onwaarschijnlijke naam MMWOPS (Making Money While Other People Sleep). In 1983 ging
Rijn-Schelde-Verolme failliet ondanks de 2,7 miljard gulden overheidssteun die
het concern in de loop der jaren ontving. Oorzaken van de teloorgang waren onder
meer de oliecrisis in 1973, waardoor de vraag naar olietankers wegviel, het
gebrek aan samenhang tussen de bedrijven die gedwongen waren te fuseren, een
structurele overcapaciteit, gecombineerd met ongefundeerd optimisme en de
politieke onwil om ontslagen te laten vallen bij niet-renderende bedrijven. Het
debacle leidde tot een Parlementaire enquête naar de RSV-werf, waarvan het
verslag 16 delen besloeg. |

De drie Kamerleden achter
de RSV-enquête, van links naar rechts: Van Dam, Van Dijk en Joekes gingen op
zoek naar de oorzaken van dit ontluisterende einde van deze grote
bedrijfstak. Daarbij maakten zij gebruik van de parlementaire enquête, een
weinig toegepast recht van de Tweede Kamer om een omstreden zaak grondig te
onderzoeken. Onder leiding van Cees van Dijk ontpopte de commissie zich als
een lastige horzel op de huid van beleidsmakers en bestuurders. Daarbij
stuitten zij op verkwisting van overheidsgeld, onbegrijpelijke
besluitvorming, geheimhouding van pijnlijke gegevens en een parade van
gekwetste ijdelheid. |
In 1964 was
Verolme de voornaamste aandeelhouder bij de oprichting van het
REM-eiland van
de Reclame Exploitatie Maatschappij, die commerciële televisie-uitzendingen vanaf
de Noordzee verzorgde.
In
de tweede helft van 1964 werd er in veel Nederlandse huiskamers driftig
geknutseld met klerenhangers, punaises en antennedraad. Mits op de juiste manier
in elkaar gezet en opgehangen kon zo een antenne worden gemaakt, waarmee de
eerste uitzendingen van de REM konden worden ontvangen. Er was ook een echte
antenne te koop. Achteraf bleek dat echter geen duurzame investering. De eerste
Nederlandse commerciële televisie duurde namelijk slechts vier maanden. Op 15
augustus startte de REM haar uitzendingen van een platform in zee. In nauwe
onderlinge samenwerking maakten de Nederlandse Marine en de Rijkspolitie te
Water op 17 december 1964 een einde aan één van de meest opmerkelijke
initiatieven uit de geschiedenis van de Nederlandse radio en televisie: het
REM-eiland, gelegen op zeven mijl uit de kust van Nederland, werd bestormd en de
commerciële uitzendingen van Radio Noordzee en TV Noordzee, beiden uitzendend
vanaf een platform in internationale wateren, werden stopgezet.
Het was in de nadagen van 1963 dat de dagbladuitgever Hordijk, voorheen actief
binnen de organisatie achter de zeezender Veronica, op een persconferentie
bekend maakte dat het REM-eiland er aan stond te komen. In politiek Den Haag
werd eerst wat lacherig gedaan over de plannen en mede vanwege eerdere, niet
doorgegane plannen tot het oprichten van een commercieel station, dacht men dat
het ook dit keer wel niet zo’n vaart zou lopen. Maar deze keer werd het wel wat.
Achter de afkorting REM, voluit de Radio Exploitatie Maatschappij, ging een
samenwerking schuil van een aantal grootindustriëlen onder leiding van de
scheepsbouwer Cornelis Verolme. Naast de eerder genoemde Verolme en Hordijk
waren ondermeer Ir. Heerema, eigenaar van een constructiebedrijf van boortorens
en de bankier Texeira de Mattos betrokken bij de financiering van het project.
Liefst 9 miljoen gulden, veel geld voor die tijd, was er door de heren van de
REM in het project geïnvesteerd. En het resultaat was ook niet niks: het eiland
bestond uit twee verdiepingen met daarboven nog een platform waar helikopters
konden landen voor de bevoorrading van het personeel en de bemanning alsook voor
de levering van het programmamateriaal. Men liet in het
Ierse Cork, bij de werf
van Verolme, een kunstmatig eiland, in delen, bouwen en vervolgens door het
schip de MV Global
Adventure, naar de Noordzee transporteren, alwaar het eiland,
vanaf 5 juni, in elkaar werd gezet op een locatie ter hoogte van Noordwijk. Een
week later werd al begonnen met de bouw van de 60 meter hoge antenne. Nadat het
eiland was gebouwd werd het met, voor die tijd moderne, apparatuur ingericht.
Nog voordat het station in de ether was, werden er in de Tweede Kamer al vragen
gesteld over de uitzendingen. Men zag wel in dat uitzendingen vanaf
internationale wateren gelijk stonden aan de vrijheid tot gebruik van de vrije
zee, maar zeker wel inbreuk zouden maken op het Nederlandse omroepbestel. Ook de
omroepen hadden in de richting van de regering Marijnen al heftig geprotesteerd,
hetgeen de toenmalige premier deed besluiten al het nodige te doen om
maatregelen te nemen tegen het REM-eiland.
Naast de bouw van het REM-eiland werd een deftig kantoorpand betrokken aan de
Herengracht in Amsterdam, terwijl de toekomstige programmamakers een spoedcursus
kregen, waarvoor de groep zich terugtrok in een Limburgs klooster. In de zomer
van 1964 werd er voor het eerst getest met radio-uitzendingen via de 214 meter:
"Dit is de stem van Radio Noordzee vanaf het REM-eiland." Al jarenlang werd er
in de diverse kabinetten, die ons land destijds rijk was, heftig gediscussieerd
over de toekomst van het Nederlandse bestel. De vragen waren voortdurend
hetzelfde: "is er ruimte voor een tweede televisienet" en "moeten we al dan niet
overgaan tot de invoering van commerciële televisie?" Verder dan gepraat kwam
men eigenlijk niet, hetgeen Verolme en de zijnen tot daden bracht. Een tweede
net kwam er niet maar wel commerciële televisie en radio vanaf een kunstmatig
eiland, met als gevolg een storm binnen het kabinet en wekenlang vele
publicaties in de Nederlandse dagbladpers.
|
Het werd 12 augustus en op die dag konden de eerste testbeelden van het
REM-eiland, via speciale antennes, ontvangen worden. Drie dagen later, nadat pas
om vijf uur in de middag de programmabanden aan boord waren gebracht, openden de
omroepsters Hetty Bennink en Marjan Bierenbroodspot, later de privé-secretaresse
van Partijleider Koekoek van de Boerenpartij, de programma’s. De eerste avond
werd ondermeer gevuld met een film over de bouw van het eiland en een
documentaire over de kunstschilder van Draanen, terwijl ook de eerste reclame
uit de Nederlandse televisiehistorie de ether in werd geslingerd. Daarnaast kon
het Nederlandse publiek kennis maken met Amerikaanse series als Rin Tin Tin, de
Onzichtbare Man en Ed het Sprekende Paard. |

Hetty Bennink |
|

Dekkingsgebied
TV Noordzee |
West Nederland was verkocht en er werden duizenden REM-antennes aangeschaft om
toch ook maar mee te kunnen kijken naar al die nieuwe programma’s.
Tegelijkertijd lieten de oprichters van de REM het Volksaandelentrust opzetten
en werden binnen een week liefst 350.000 aandelen van twintig gulden aan de
Nederlanders verkocht. De overheid had een probleem. Binnen een maand dachten de
Nederlandse regering en het Parlement echter al de oplossing gevonden te hebben.
Aangezien het kunstmatige eiland met haar poten op het continentale plat,
toegewezen aan Nederland, was geplaatst, zou men kunnen ingrijpen. Dit was
totaal anders met de toen actieve zeezenders. Immers deze lagen via een anker
vast aan de bodem van de Noordzee. Er werd inderdaad een concept-wet
samengesteld waardoor radio- en televisie-uitzendingen vanaf een kunstmatig
eiland zouden kunnen worden verboden. In de Tweede Kamer werd de wet aangenomen
met 114 stemmen voor en 12 tegen. De anti-Rem-wet zou op 12 december 1964 van
kracht worden. Zodra bekend werd dat de regering maatregelen zou gaan nemen
hadden de initiatiefnemers een nieuwe actie op touw gezet: men wilde in de
toekomst legaal aan land actief worden als omroep. |
De kijkers en luisteraars
werden opgeroepen zich massaal aan te melden en op die manier kreeg men binnen
enkele weken 300.000 aanmeldingen voor de Televisie Radio Omroep Stichting, wat
later de legale omroep TROS zou worden.
Ook andere maatregelen werden, hoewel niet grondig, genomen. Verolme en de
zijnen verkochten de onderneming aan een Panamese onderneming met kantoor in
Londen. De Nederlandse regering schrok geweldig. Immers was het moeilijker
handelen tegen een in Panama geregistreerde onderneming dan tegen een in
Nederland ingeschreven bedrijf. Een speurtocht naar de nieuwe eigenaar werd
ondernomen, maar toen bekend werd dat het kantoor in Londen niet eens bestond
werd het licht voor de marine en rijkspolitie op groen
gezet. Nadat een dag
eerder inspectietochten waren uitgevoerd door helikopters arriveerden om negen
uur in de ochtend van de 17e december 1964 twee Skikorsky-helikopters, waarna
vier politieagenten op het REM-platform werden neergelaten. Met boten werden
groepen journalisten en persfotografen aangevoerd, zodat heel Nederland en de
rest van de wereld kon gaan meegenieten van de grootste militaire actie sinds de
gevechten in voormalig Nederlands Indië. Er zou getoond worden wie de baas in
Nederland was. Nog net werd de programmaband van Sonja Proosdij met
’Flessenpost’ door de dienstdoende technicus van Radio Noordzee opgestart of de
studio werd door de inmiddels in grote hoeveelheid aanwezige mariniers en
politieagenten bestormd. Zo kwam een eind aan het eerste commerciële Nederlandse
televisie-initiatief terwijl het tevens de eerste televisie-uitzendingen, ooit
vanaf zee uitgezonden, betrof. Nederlandse televisieschermen toonden in de
daarop volgende tijd slechts de programma’s van Nederland 1, de vele aandelen
werden waardeloos door een omstreden faillissement van de thuisbankier Texeira
de Matos en de TROS ("Als u de REM wilt behouden") begon tegen het einde van het
daarop volgende jaar haar roemrijke omroeptijdperk.
Op een van zijn
Amerikaanse reizen raakte Verolme geïnteresseerd in het probleem van de
temperatuurcontrole in wolkenkrabbers. In deze extreme architectonische
bouwwerken kon geen buitenzonwering toegepast worden wat resulteerde in een
temperatuursstijging in het gebouw en stijgende kosten voor airconditioning. In
1965 stichtte Verolme Verolme Metallising, een bedrijf dat een nieuw type
zonwering voor wolkenkrabbers produceerde. Het product heette eerst Metalon,
maar in 1968 werd het omgedoopt tot 'Verosol' (van Verolme en soleil, zon). In
1972 werd een nieuw type zonwering ontwikkeld, gemaakt van gemetalliseerd
textiel.
Het einde van het
RSV-concern in 1983 hoefde Cornelis Verolme niet meer mee te maken. Hij overleed
op 5 april 1981 Rotterdam.
"Cornelis Verolme
had in zijn kantoor in Londen als spreuk hangen: "God voedt de vogels, maar zij
moeten er wel zelf voor vliegen."
Geraadpleegde bronnen
o.a.:
De Volkskrant 21
oktover 2005
Gerard Nijmeijer (foto)
INGHIST
NRC Handelsblad 21
april 2000
Soundscapes
Wikipedia
Terug
naar Nostalgie
| |
|