|
|
|
Antoine
Gérard Théodore Hermans (Toon) werd op 17 december 1916 geboren in
Sittard. Hij
was de zoon van een vroeg overleden vader, die als bankier slachtoffer was
geworden van de economische crisis aan het einde van de jaren twintig. Zijn
moeder moest haar vier kinderen alleen opvoeden. Ze hadden het in die tijd niet
erg breed en moesten van het statige herenhuis waarin ze eerst woonden verhuizen
naar een veel kleinere woning in een mindere buurt van Sittard. Op school deed
hij, de dromer als hij was, het niet al te best. Op jonge leeftijd besefte hij
dat hij van deze armoede af wilde. Aangezien hij geen behoorlijke
schoolopleiding had besloot hij om "clown" te worden. Begin veertiger
jaren ging hij naar Amsterdam. Daar dacht hij een "nieuw" leven te
kunnen beginnen. Als verlegen jongen uit de provincie huurde hij daar een
kamertje. In 1942 was zijn debuut in het Leidsepleintheater in het programma van
acteur en cabaretier Carl Tobi. Hij speelde een rol in het programma "Pret
van A tot Z". Dit programma werd gedragen door de humorist Kees Pruis.
Vanaf 1943 trad hij op in de revues van Floris Meslier en Frans Mikkenie met een
imitatie van Johan Buziau. Deze samenwerking duurde tot 1952. Landelijke
bekendheid kreeg Hermans door zijn medewerking aan "De Bonte
Dinsdagavondtrein" van de AVRO. Na een periode met een eigen gezelschap te
hebben opgetreden begon hij in 1955 met zijn one-man-shows. De
televisieregistraties van zijn shows werden eveneens een groot succes. Toon
Hermans was ook actief als schrijver en schilder. Wie herinnert
zich niet zijn hilarische sketches over het galabal, waar hij aanzat áán het
banket. Met die prachtige bal gehakt waar hij zijn zinnen op had gezet (leg
neeeer die bal). Of zijn sollicitatie bij regisseur Jack Bemelmans voor een
televisieoptreden (doif is toot, doif heeft te lang in het swarte doosje geseten).
Of zijn optreden als zanger van het wonderschone lied "Wat ruist er in het
struiuiuiuikgewas" waar hij niet verder kwam dan de eerste regel. Verder de
vrolijke liedjes zoals: Mediterrane (zo blauw, zo blauw), Als een ballon een
ballon een ballonnetje (een ballonetje dat dans in de wind), Zit m'n jasje goed,
zit m'n dasje goed vader gaat op stap of het lieve: Vierentwintig rozen (uit
de one-man-show van 1967) 14
appelbomen in de zomerzon 15
mooie meiden in een boerenschuur 16
bisschopsmijters op een lange rij 16
stille nonnetjes op oudejaar 16
lichte vrouwen in vergadering Maar
ook maakte hij kleine gedichtjes zoals: Vriend Op 22 april 2000 overleed Toon Hermans. Kijk naar optredens van Toon Hermans
Terug naar Nostalgie Terug naar SeniorPlaza
Jonkvrouw Mr. Christine
Wilhelmine Isabelle Wttewaall van Stoetwegen (voor haar vrienden Bob) werd
geboren in Amsterdam op 1 januari 1901. Haar achternaam wordt
uitgesproken als Utewaal van Stoetwegen. Ze kwam uit een christelijk orthodox
milieu. Haar vader was lid van de
ARP en haar moeder stemde CHU. Ze had drie broers en twee zusters. Omdat haar vader
belastinginspecteur was, verhuisde de familie naar Oostburg in Zeeuws
Vlaanderen. Daar zat zij op de christelijke lagere school van 1907 tot 1909. Van
1909 tot 1913 zat ze op de christelijke meisjesschool "Instituut Bender"
in Rotterdam. Na haar lagere school tijd ging ze in 1913 naar het christelijk
Marnixgymnasium in Rotterdam. Deze studie moest ze afbreken. Ze was namelijk in
het geheim verloofd en haar ouders waren daar tegen. De verloving werd onder
druk van haar ouders verbroken en ze werd in 1919 voor een jaar naar een
kostschool in Zwitserland gestuurd, het Pensionat Villa St. Martin te Vevey. Het
heeft ertoe geleid dat ze nooit meer getrouwd is en dat ze vervreemdde van de
Gereformeerde kerk en overging tot de Nederlandsche Hervormde Kerk. In 1920
keerde ze weer terug en ging naar het Gemeentelijk Gymnasium in Schiedam, waar
ze in 1922 haar studie gymnasium-a voltooide. Van 1922 tot 1928 volgde ze de
studie rechten aan de Rijksuniversiteit van Leiden. Daar ontmoette ze ook
prinses Juliana, waar ze mee bevriend raakte. Na haar kandidaats studeerde ze
als tussendoortje nog even aan het Summerterm Quakercollege "Woodbrooke"
te Selly Oak (bij Birmingham). Ze vertelde daarover eens dat ze elke week bezoek
kreeg van de politie vanwege haar naam. Dat stopte pas toen de politie doorhad
dat de naam met al die medeklinkers achter elkaar toch echt niet Russisch was. Van 1928 tot 1930 was ze
medewerkster Federatie van Christelijke verenigingen voor vrouwen en meisjes in
Utrecht. In 1930 overlijdt plotseling haar moeder en zij neemt voor een aantal
jaren de zorg voor het gezin op zich. In 1936 trad zij in dienst van de
Nederlandsche Christen Vrouwenbond (NCVB). Deze functie vervulde ze tot 1945.
Tijdens de bezetting was zij lid van het illegale Nederlandsch Vrouwen Comité.
In 1945 werd ze agente van enkele verzekeringsmaatschappijen. En dan begint haar politieke
carrière. De leider van de Christelijk Historische Une (CHU) Tilanus vroeg haar
in 1945 om zitting te nemen in het zogenaamde Noodparlement dat net na de Tweede
Wereldoorlog was opgericht. Het Noodparlement was de voorlopige Tweede kamer. Ze
volgde daar mevrouw Mackay-Katz op. Waarschijnlijk kende Tilanus haar nog van de
tijd dat ze werkte voor de Nederlandse Christelijke Vrouwenbond. Zij nam plaats
in het noodparlement op 20 november 1945. Bij de eerste naoorlogse verkiezingen
in 1946 werd zij in de kamer gekozen. Ze bleef kamerlid tot 8 mei 1971 en werd
daarmee het langst zittende vrouwelijke kamerlid ooit. In totaal zat ze 9.302
dagen in het parlement, waarbij ze meer dan zeven jaar plaatsvervangend
fractievoorzitter was van de CHU. Ze was een zeer markante vrouw.
Omdat haar naam zo moeilijk was werd ze al gauw "De Freule" genoemd.
Op de vraag van een journalist of ze van hoge adel was antwoordde ze: Mijn
broertje kwam eens thuis met de opmerking: "Ze zeggen op school dat ik een
jonkheer ben". Waarop mijn moeder meteen repliceerde: "Veeg jij maar
liever je voeten". Later vroegen mijn zusje en ik: "Maar zijn we het
nou of niet?" Maar mijn ouders vonden het enige echt belangrijke dat we
goede christenen zouden worden. In de fractie van de CHU hield
ze zich bezig met media en justitie. Grote belangstelling had ze voor het
gevangeniswezen en het familierecht. En natuurlijk kwam ze op voor de positie
van de vrouw. Omdat ze al tijdens haar studie
in Leiden bevriend was geraakt met prinses Juliana onderhield ze een goede en
warme band met het koningshuis. Daarom werd ze wel de "Oranje
Freule"genoemd. Door de kinderen van Juliana werd ze "Tante
Bol"genoemd. Vlak voor verkiezingen vroeg prinses Beatrix eens aan haar
hoeveel stemmen ze nodig had om in de Tweede Kamer te mogen blijven. Toen ze
gezegd had dat het er ongeveer 35.000 waren verzuchtte prinses Beatrix:
"Nee, die kan ik nooit bij mekaar krijgen" De huismeester, de heer Van
der Flier, vertelde haar later: "Kennelijk heeft het oudste prinsesje wat
opgevangen! Ze loopt namelijk het hele huis rond en zegt tegen iedereen die ze
tegenkomt: "U stemt toch wel op tante Bol? Ja, en nu wordt er in de keuken
gezongen: "En we hebben toch zo'n lol want we stemmen tante Bol". Ze zei altijd
duidelijk waar het op stond en nam geen blad voor haar mond. Dat was wel in een
tijd waar er nog bijna regentesk geregeerd werd. In haar maiden speech sprak ze
over de politieke delinquenten die vlak na de oorlog geïnterneerd waren. Vooral
de vrouwen vond zij, leefden onder erbarmelijke omstandigheden. Zij pleitte
daarom voor aparte vrouwengevangenissen. In de kamer zei ze dat de beren in de
dierentuin van Blijdorp er beter aan toe waren dan de vrouwen in de gevangenis
aan de Noordsingel. Ze bleef voor aparte vrouwengevangenissen pleiten.
In 1961 kreeg ze een sinterklaasgedicht van de toenmalige minister van justitie
met de volgende zinsnede: "Lieve Freule Wttewaall, wij bewonderen allemaal,
dat gij met vasthoudendheid, voor een vrouwenbajes pleit". Van 1947 tot 1956 was ze lid van
de parlementaire enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945. Deze commissie
onderzocht het gedrag van de regeringen in de Tweede Wereldoorlog. Haar fractie was nogal behoudend
en, als het haar zo uitkwam, stemde ze mee met de Partij van de Arbeid mee,
vooral op het gebied van emancipatiezaken. Dat bezorgde haar de naam de
"Rode Freule". Een aantal voorbeelden. Ze behoorde in december 1949
tot de minderheid van de CHU-fractie die voor de soevereiniteitsoverdracht in
Indonesië stemde. In 1955 stemden zij samen met Dhr. Krol als enigen van hun
fractie vóór de motie-Tendeloo over opheffing van het arbeidsverbod voor de
gehuwde ambtenares (ja, dat was in een tijd dat een vrouw gewoon ontslagen werd
als ze ging trouwen !!). Ze behoorde in 1962 tot de minderheid van haar fractie
die vóór een motie Andriessen stemde, waarin om verhoging van het contingent
woningwetwoningen werd gevraagd. Ze stemde in 1962 met Diepenhorst, Van Gelder
en De Ruiter vóór de ontwerpwet Premie kerkenbouw. In 1964 stemden zij en de
heer Bos als enigen van hun fractie vóór het (onaanvaardbaar verklaarde)
amendement Scheps, waardoor de Bijlmermeer bij de gemeente Amsterdam zou worden
gevoegd. Ze behoorde in 1968 tot de minderheid van haar fractie die vóór een
amendement Wierenga stemde waardoor de man niet langer als hoofd van een
echtverbintenis werd aangemerkt. En ze behoorde in 1970 met Van der Peijl en
Scholten tot de minderheid van haar fractie die tegen afschaffing van de
opkomstplicht militaire dienst stemde. Dit is gekkenwerk". Sprak
de freule na afloop van een vergadering in de jaren zestig toen de Tweede Kamer
eens tot diep in de nacht door vergaderde en het KVP kamerlid Rinus Peijnenburg
onwel werd. Doordat het televisieteam van Farce majeur er een liedje van maakte
werden het gevleugelde woorden. Waken
in de tweede kamer Tweede
slaapkamer van 't land Wakker
blijven door de hamer In
Van Tiel, in Van Tiel, in Van Tiel's bedreven hand Leden
die de ogen sluiten Hier
en daar een snurk, een gaap Nu
en dan praat er een luid en Onverstaanbaar
in z'n slaap Refrein: 't
Is gekkenwerk, 't is gekkenwerk, zo'n arme frêle freule Het
is toch om te heule En
zelfs al ben je reuze sterk Voor
ieder lid is 't gekkenwerk Het
vergt te veel van ieders kracht 't
Is gekkenwerk, 't is gekkenwerk, 't is gekkenwerk zo'n nacht Stiekem
losgeknoopte schoenen Ach,
de voeten worden dik Praat
er iemand van miljoenen Was
dat Geert, was dat Geert, was dat Geertsema of ik Bollebozen
knikkebollen En
de aandacht raakt verslapt Niemand
weet zelf meer ten volle Of
'ie 'm den uiltje knapt Refrein Anders
zijn ze uitgeslapen Wakker
in belang van 't land Nu
smoort zelfs Van Tiel z'n gapen In
Van Tiel, in Van Tiel, in Van Tiel's vermoeide hand Zeer
besmuikt en onverholen Pittend
hebben zij gewerkt En
zich in hun slaap bestolen En
er zelf niets van gemerkt Refrein Terug naar Nostalgie Terug naar SeniorPlaza
Wim Kan werd geboren in Scheveningen op 15 januari 1911 als derde kind van de latere minister J.B. Kan en zijn vrouw, H.C. Schalkwijk. Zoals de meeste grote cabaretiers was hij al vroeg bezig met toneelspelen. Zijn schoolprestaties waren niet best en eigenlijk heeft hij alleen de lagere school afgemaakt. Hij bezocht wel verschillende middelbare scholen maar dat werd niets. Maar uiteindelijk belande hij op de toneelschool in Amsterdam en daar ontmoette hij mensen van zijn eigen slag. Maar ook de toneelschool maakte hij niet af. Buiten de school om speelde hij in zijn derde jaar op de toneelschool mee in een toneelproductie. Dat mocht toen helemaal niet en dus kon hij de toneelschool niet meer afmaken. Intussen had hij zijn grote liefde Corry Vonk (mijn Ollie noemde hij haar) ontmoet. Dat was in die tijd een gevierd cabaretière. Hun beider achtergrond is totaal verschillend. Hij kwam uit een gegoed milieu en zij uit een arbeidersgezin. Ze verschillen fysiek nogal wat in lengte en bovendien was Corry Vonk tien jaar ouder. Maar tot hun dood bleven ze samen. In 1936 richtten ze samen het ABC-cabaret op. Dat was een voor die tijd zeer kritisch cabaret. Wel was het een springplank voor veel jong talent. Artiesten als Jenny Arean, Wieteke van Dort en Frits Lambrechts werden door hen opgeleid. In 1939 ging het cabaretgezelschap voor een tournee van een aantal maanden naar Indonesië. Dat was hun noodlot. Tijdens hun verblijf vielen de Japanners Indonesië binnen. Daardoor zouden ze er 6½ jaar noodgedwongen verblijven. Gescheiden van elkaar leefden ze in verschillende Jappenkampen en daardoor zagen ze elkaar niet gedurende zo'n 3½ jaar. Wim Kan kwam nog terecht in een kamp aan de beruchte Burma spoorweg. Hoewel hij zelf niet hoefde mee te bouwen aan deze spoorweg en hij mocht werken aan wat later zijn "Burma Dagboek" werd en ook wat voorstellingen mocht geven, had hij het niet gemakkelijk. Hij had een zwakke gezondheid en was ook mentaal zwak. Eigenlijk kon hij niet zonder Conny. Na de oorlog keerden ze in 1946 weer terug naar Nederland. Wim Kan was eigelijk bang van nieuwe media zoals de radio.
Hij zag de mogelijkheden van dit nieuwe medium niet. Pas in 1950 slaagde de
cabaretproducer Wim Ibo erin om hem een half uurtje te laten optreden in zijn
radioprogramma "Triangel". Daar na wilde hij weer niet en pas in 1953
lukte het hem weer om hem een half uurtje in het programma te laten optreden. Op
initiatief van nota bene Wim Kan zelf kreeg Wim Ibo het bij de VARA radio voor
elkaar dat Wim Kan in 1954 in zijn eentje een oudejaarsconference deed van
ongeveer een uur. Deze oudejaarsconference werd een enorm succes. Bedenk dat de
maatschappij toen nog erg verzuild was en Wim Kan trapte ook aan tegen de voor
de VARA bevriende PVDA. Met deze uitzending was een traditie geboren en werd Wim
Kan de grondlegger van de oudejaarsconferences. Hij hield ook
oudejaarsconferences in 1956, 1958, 1960 en 1963. De conferences groeiden uit
tot een nationale gebeurtenis. Daar zat je echt voor klaar op oudejaarsavond.
Men kon hem in zijn oudejaarsconferences nooit betrappen op partijdigheid. Alle
politieke partijen kregen er van langs en ministers van linkse of rechtse
signatuur. Hij speelde de rol van een waarnemer die alles vanaf de zijlijn
bekeek. In 1971 liet hij zijn onpartijdigheid echter even voor wat het was. Dat
was omdat keizer Hirohito Nederland bezocht. Kan protesteerde hier heftig tegen.
Wel begrijpelijk tegen de achtergrond dat hij zelf in een Jappenkamp gezeten
had. Dat Kan en zijn vrouw Corry Vonk, zoals ze zelf beweerden, uit woede hun
verzetsmedailles in de Westeinderplas (waaraan ze woonden) hadden gegooid,
blijkt echter niet te kloppen. Hij maakte zelfs een protestvers: Er leven haast geen
mensen meer In 1973 stapte Kan over van de radio naar de televisie. Het programma heette "Zuinig over de drempel". Hij brak meteen alle kijkrecords. In 1976 volgt "Waar gaan we in het nieuwe jaar naar toe?" en in 1979 "Wankelend over de drempel". In 1982 werd Corry Vonk getroffen door een beroerte en Wim week gedurende vele weken niet van haar zijde. Daardoor kwamen de try-outs voor de oudejaarsconferentie, die hij in verschillende zalen hield, in het gedrang. Het had maar een haar gescheeld of de oudejaarsconference was dat jaar niet doorgegaan. Normaal gesproken liet Kan vier voorstellingen opnemen en koos dan zelf de beste stukken uit. Dat jaar had hij eigenlijk geen goede voorbereiding en vertouwde hij op zijn improvisatietalent. De voorstelling werd ook maar op één avond opgenomen. Het was daadoor een van de mindere conferences. In de zomer daarop wordt bij Wim Kan maagkanker geconstateerd en op 8 september 1983 sterft hij. Tegenwoordig kennen de jongere mensen
Wim Kan niet meer. Zijn oudejaarsconferences gingen altijd over de dan actuele
politiek en zijn daardoor erg gedateerd. Kent u ze nog wel? Het kabinet van Jan
de Quay viel vlak voor nieuwjaar en dat stuurde de hele voorbereiding van de
conference in de war. Wim Kan had een advies voor De Quay en zong: Lijmen Jan,
lijmen Jan, lijmen met z'n allen, lijmen tot je niet meer kan en dan maar
carnavallen. Ook Jelle Zijlstra overkwam hetzelfde en Wim Kan zong: Waar we heen
gaan Jelle zal wel zien. Joop den Uijl kon hij perfect nadoen ("ehhh, twee
dingen"). Norbert Schmelzer typeerde hij als een gladde teckel. Politici
vonden het jammer als hij ze niet noemde in een oudejaarconference. Want als je
door kan genoemd werd hoorde je er pas echt bij. Het volk vond het al helemaal
prachtig dat de starre politici in hun ivoren torens op de hak genomen werden.
En altijd was Corry Vonk zijn muze. Aan het eind van zijn show liet hij haar dan
optreden met een aubade aan het koningshuis met het liedje: Ik
vertolk Ik
vertolk De
gevoelens van het volk Met
mijn vlaggetje, mijn hoedje en mijn toeter Ik
vertolk Ik
vertolk De
gevoelens van het volk Met
mijn vlaggetje, mijn hoedje en mijn toeter Oranje
boven, oranje boven Leve
de koningin Met de herinneringen aan Wim Kan werd
slordig omgesprongen.
Zo moest begin 1997 het door Siemen Bolhuis gemaakte beeld van Wim Kan en Corry
Vonk verdwijnen van het Leidseplein in Amsterdam vanwege de herinrichting ter
gelegenheid van de te houden Eurotop. Na tien maanden opgeslagen te hebben
gelegen kreeg het beeld toch nog een nieuwe plek op het Gevers Deynootplein in
Scheveningen met het gezicht richting het Kurhaus.
Terug naar Nostalgie Terug naar SeniorPlaza
Margaretha
Albertina Maria Klompé werd op 16
augustus 1912 geboren in Arnhem. Haar vader was daar eigenaar van een
postpapierbedrijfje. Het was een streng Rooms Katholiek familie. Ze had één
broer en drie zussen. Evenals Marga zijn de zussen nooit getrouwd. In Arnhem
ging ze eerst naar de Rooms Katholieke lagere school en daarna volgde ze de
opleiding HBS-B. Dat was dubbel bijzonder in die tijd. Ten eerste omdat ze, een
voor die tijd als meisje, hoge opleiding volgde en ten tweede dan ook nog de
B-richting. In 1929 startte ze met de studie scheikunde aan de universiteit van
Utrecht. Omdat haar vader ernstig ziek werd en daardoor het geld voor de studie
niet meer kon opbrengen, ging ze in 1932, nadat ze haar kandidaatsexamen behaald
had, les geven als leraar scheikunde en natuurkunde aan het "Mater
Dei" meisjeslyceum in Nijmegen. Dit bleef ze doen tot 1949. Ze studeerde af
in 1936. Ze promoveerde in 1941 en in 1942 legde zij nog een doctoraal examen in
de natuurkunde af. Toen begon ze aan
de studie medicijnen, maar nadat ze haar Propedeuse examen had gehaald werd de
universiteit gesloten. Thuis was
ze strenggelovig opgevoed. Door haar opleiding kreeg ze echter andere inzichten
en op haar twintigste begon ze te twijfelen aan het geloof. Dat leidde ertoe dat
ze aantal jaren niets meer met de kerk te maken wilde hebben. Toch keerde zij na
een aantal jaren weer terug naar de moederschoot van de kerk. In 1940
werd zij lid van de Vrijwilligers Vrouwen Hulpdienst die de soldaten terzijde
stonden die onder andere vochten voor het behoud van de Grebbeberg op De Veluwe.
Vanaf 1941 verrichte zij koeriersdiensten voor onder andere aartsbisschop De
Jong, onder de schuilnaam dr. Meerbergen. Vanaf 1943 werd ze vice-voorzitter van
de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers, een functie die ze tien jaar zou blijven
vervullen. Ze speelde ook een grote rol bij de evacuatie van haar woonplaats
Arnhem. Daarna dook ze onder in Otterloo en Apeldoorn, onder de schuilnaam Truus
ter Aken. Direct na de
oorlog meldde zij zich aan bij de Nederlandse Volksbeweging (NVB). Die was
opgericht in mei 1945 als uitdrukking van verlangen naar blijvende eenheid, dat
in het verzet was ontstaan. Men wilde een doorbraak van de verzuiling op
partijpolitiek gebied, in de geest van koningin Wilhelmina. De beweging was een
stuwende kracht bij het ontstaan van de PvdA. Even overwoog Klompé om lid van
de Partij van de Arbeid te worden, mede omdat ze Drees al uit het verzet kende.
Uiteindelijk besloot ze om lid van de Katholiek Volkspartij (KVP) te worden
omdat ze de PvdA toch iets te veel een voortzetting vond van de vooroorlogse
SDAP. In 1946 richtte
ze samen met haar studievriendin, Wally van Lanschot, het Roomsch Katholiek
Vrouwendispuut op. Dat was uit ergernis omdat er in de kamer geen enkele Rooms
Katholieke vrouw was gekozen. Het dispuut had tot doel om vrouwen met aanleg te
stimuleren om functies te ambiëren in het publieke leven. Zij bleef voorzitter
van het dispuut tot 1950. In
1947 ging een Nederlandse delegatie naar de Algemene Vergadering van de
Verenigde Naties. Op verzoek van veel
vrouwenorganisaties mocht Klompé mee met de delegatie. Door haar optreden viel ze op bij haar katholiek
collega's, het Tweede-Kamerlid E.M.J.A. Sassen en het Eerste-Kamerlid prof.
L.J.C. Beaufort. Die zetten haar
vervolgens onderdruk om zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer. Zij
wilde wel maar alleen als ze op een onverkiesbare plaats kwam. Dat was voor de
verkiezingen van 1948. Ze kwam echter op 12 augustus 1948 toch in de Tweede
kamer als opvolgster van Sassen omdat deze minister werd van "Overzeese
Gebiedsdelen". In de KVP fractie was zij buitenland woordvoerder. Vaak
moest ze daarna naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Verder was ze
van 1949 tot 1956 lid van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa. De
Raad van Europa werd opgericht om "de rechten van de mens, de parlementaire
democratie en de rechtsstaat te verdedigen, op Europees niveau verdragen te
sluiten teneinde de maatschappelijke en juridische praktijken in de lidstaten
met elkaar in overeenstemming te brengen en om de bewustwording te bevorderen
van een Europese identiteit die gebaseerd is op gemeenschappelijke waarden en
uitstijgt boven culturele verschillen". Van 10
september 1952 tot oktober 1956 was ze lid Gemeenschappelijke Vergadering van de
Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. De Europese Gemeenschap voor Kolen en
Staal (EGKS) was tot stand gekomen dankzij de ondertekening van het Verdrag van
Parijs in 1951 door Frankrijk, de Bondsrepubliek Duitsland, Italië
en de Benelux.
De taak van de EGKS was om een interne markt voor kolen en staal te scheppen. De
EGKS was de eerste van de Europese Gemeenschappen (EG) en heeft de weg gebaand
voor verdere Europese integratie. Sinds de ratificatie van het Verdrag van
Maastricht (1993), waarbij de Europese Economische Gemeenschap (EEG) overging in
de EG, maakt de EGKS deel uit van de EG. In 1956 moest
ze veel functies neerleggen omdat ze op 13 oktober minister van Maatschappelijk
Werk werd. Dat ministerie was al in 1952 opgericht maar leed tot op dat moment
een kwijnend bestaan. Het was opgericht om sociaal zwakkeren te helpen. De
weerstand tegen dit ministerie was echter groot. De Tweede Kamer zag er niet
veel in en binnen het kabinet voelde vooral het ministerie van Sociale Zaken
zich bedreigd. Doordat Klompé een inhoudelijk beleid van de grond wist te
tillen, steeg het prestige van het bescheiden departement echter aanmerkelijk.
Ze bleef minister van Maatschappelijk Werk tot 24 juli 1963. Ad interim was ze
ook nog minister van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen (OKW) van augustus 1961
tot maart 1962 en van mei 1963 tot juni 1963. Dit in verband met ziekte van
minister Cals. Tijdens haar
ministerschap bracht ze in 1963 (samen met minister Veldkamp), in het kabinet De
Quay, de Algemene Bijstandswet tot
stand, die de Armenwet uit 1912 verving. Deze wet moest ervoor zorgen dat
iedereen kon beschikken over de noodzakelijke middelen voor de kosten van
bestaan. De wet trad op 1 januari 1965 in werking. Deze wet haalde de bijstand
uit de sfeer van de caritas en maakte hem voor iedereen bereikbaar Dit vond zij
zelf haar belangrijkste wapenfeit uit haar periode als minister. In 1963 wilde
ze niet langer minister zijn. Wel keerde zij terug in de Tweede Kamer. Ze bleef
in de Tweede Kamer tot 22 november 1966. In die tijd beleefde zij het
moeilijkste moment uit haar politieke carrière. In de 'Nacht van Schmelzer',
van 13 op 14 oktober 1966, stemde zij vóór de motie die een einde maakte aan
het kabinet van haar vriend J.M.L.Th. Cals. De loyaliteit jegens de partij won
het van haar menselijke gevoelens, die meer naar Cals dan naar KVP-fractieleider
W.K.N. Schmelzer gingen. In de 'Nacht van Schmelzer' neemt de Tweede Kamer een
motie van KVP-fractievoorzitter Schmelzer aan. In de motie was gevraagd om
betere dekking voor de uitgaven op de Rijksbegroting. Het kabinet had bij monde
van premier Cals om vertrouwen gevraagd en trok uit het aannemen van de motie de
conclusie, dat dit vertrouwen ontbrak. Jo Cals werd
opgevolgd door Jelle Zijlstra. Hij deed een klemmend beroep op haar om minister
te worden van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), zoals het
ministerie van Maatschappelijk Werk intussen heette. Het zou maar voor een korte
periode zijn totdat er verkiezingen geweest waren en er een nieuw kabinet zou
aantreden. Daarom stemde zij toe en dus werd ze op 22 november 1966 minister van
CRM.. Het liep echter anders. Na de verkiezingen van 1967 wilde de fractie van
de KVP dat ze de eerste vrouwelijke minister-president zou worden. Omdat zij
zelf vond dat ze daarvoor onvoldoende financiële en economische kennis had
heeft ze dit afgewezen. Piet de Jong werd toen de minister-president. De Jong
drong sterk bij haar aan om minister van CRM te blijven en hiervoor zwichtte ze.
En ze bleef minister tot 6 juli 1971. Dat was dan wel in een tijd dat de
cultuurwereld zo'n beetje op zijn kop stond. Zoals zo
ongeveer de halve wereld, had Nederland te maken met een soort linkse doorbraak
die ook op cultureel vlak onmogelijk over het hoofd kon worden gezien. In het
theater woedde Aktie Tomaat, in de cinema werd geëxperimenteerd en op papier
konden schrijvers als Jan Wolkers, Jan Cremer en Anja Meulenbelt plots
ongecensureerd met genitalia en scheldwoorden op de proppen komen. Vooral vinyl
en ether boden toen even ruimte aan een omvangrijke stroom 'politieke' muziek.
Het waren niet alleen Boudewijn de Groot en de zijnen, die nu nog in het
collectieve geheugen gegrift staan als voorbeelden van 'die tijd'. Het
opmerkelijke was dat allerlei mainstream‑artiesten uit de wereld van de
muziek, theater, cabaret, ja zelfs klassieke muziek zich openlijk aan de kant
van de progressieve medemens schaarden en deelnamen aan sociale bewegingen en
protestacties. Klompé toonde
veel begrip voor de acties en sloeg zich door alle aanvallen op haar beleid heen
met een combinatie van onafhankelijkheid van oordeel en ingeslepen tolerantie.
Daardoor kwam ze in het rechtse kabinet De Jong nog wel eens alleen te staan.
Veelbetekenend is dan ook dat de linkse oppositie haar opstappen in 1971
"een ramp voor de cultuur" noemde. Op 26 augustus
1969 baarden de kussen die de (homoseksuele) schrijver Gerard van het Reve (nu
Gerard Reve) haar gaf bij de
uitreiking van de P.C. Hooftprijs veel opzien. Op 6 juli 1971
trad zij af en werd nog diezelfde maand, namelijk op 17 juli, benoemd tot
Minister van Staat. Dat is nog steeds een onderscheiding die alleen voor de
groten uit de Nederlandse politiek is weggelegd. Ze had tijdens
haar leven veel maatschappelijke functies onder andere: Ø
Lid
pauselijke commissie "Justitia et Pax", van 1967 tot 1976 Ø
Voorzitter
commissie ter oprichting van nationale commissies "Jutitia et Pax" Ø
Lid
beleidsadviescommissie Bisschoppenconferentie, van 1971 tot 1986 Ø
Voorzitter
sectie internationale zaken van de Raad van Kerken, van 1971 tot 1981; nadien
gewoon lid Ø
Voorzitter
pauselijke commissie "Justitia et Pax" te Nederland, van 1972 tot 1985 Ø
Voorzitter
Stichting Biowetenschappen en maatschappij, van 1972 tot 1981 Ø
Voorzitter
Joint Task Force (een oecumenische werkgroep die het beleid van de EG volgde
t.a.v. ontwikkelingssamenwerking), van 1974 tot 1985 Ø
Voorzitter
Nationale UNESCO-commissie, van 1974 tot 1982 Ø
Voorzitter
Nationale UNESCO-commissie, van 1974 tot 1982 Ø
Voorzitter
Comité d'orientation van Office catholique d'information sur les problemes
europeens te Straatsburg & Brussel, van 1977 tot 1985 Ze overleed op
28 oktober 1986 in Den Haag. Terug naar Nostalgie Terug naar SeniorPlaza
Haar meisjesnaam was Ida Jacoba Gilkens. Ze werd geboren op 10 januari 1902
in Amsterdam. Ze werd bekend door het geven van kniplessen en naailessen op de
radio. Je herkende haar onmiddellijk aan haar wat geaffecteerde uitspraak (die
je niet zou verwachten bij iemand die naailes gaf) en haar wat hoge stem. Ook de rest van wat je zou verwachten van iemand die kniplessen en
naailessen geeft klopte niet, want zij had een opleiding HBS achter de rug. Dat
was voor die tijd voor een meisje wel heel bijzonder. Dat kon toen gezien worden
als een afgeronde hoge opleiding. Toch zit er wel logica in het verhaal. Haar vader was leraar aan de kleermakersvakschool in Amsterdam. Hij nam haar
daar op jonge leeftijd nog wel eens mee naartoe. Om zich bezig te houden maakte
ze, van lapjes die ze daar kreeg, poppenkleertjes. Daarmee was haar liefde voor
het modevak geboren. Van haar 15e tot haar 19e jaar werkte
ze bij een modezaak in Amsterdam, waar ze uiteindelijk belandde op de afdeling
"haute couture". Op haar 19e, dat was in 1921, ging ze werken als lerares bij de
modevakschool van mevrouw G.D. de Leeuw-Van Rees, ook in Amsterdam. Ze werd
verliefd op haar zoon Lucien, met wie ze in 1923 trouwde. Daarmee werd haar naam
dus mevrouw Ida de Leeuw. Met haar man vormde zij toen de directie van de
school. Maar omdat de school bekend was door de naam van mevrouw G.D. de
Leeuw-Van Rees wilde ze voortaan mevrouw Ida de Leeuw van Rees genoemd worden.
Let wel, het streepje tussen De Leeuw en Van Rees is ineens verdwenen want ze
was natuurlijk niet echt mevrouw De Leeuw-Van Rees want dat was haar
schoonmoeder. Het echtpaar bestuurde de school goed en deze kreeg steeds meer
bekendheid. Er werden nieuwe vestigingen in het land geopend. Het was een ondernemende vrouw want zij was de eerste Nederlandse vrouw die
een rijbewijs had. Met de auto reed ze dan ook zelf naar de vestigingen toe om
daar kniplessen en naailessen te geven. Ze had zelf een systeem bedacht, het
zogenaamde bloksysteem, waarbij knippatronen op schaal waren getekend. Daardoor
werd het voor de cursisten eenvoudiger om het vak te leren. De methode werd
later bekend als het "De Leeuw van Rees systeem". Ondernemer als zij was probeerde ze het vak meer bekendheid te geven. Op
aanraden van haar broer, die toen bij de radio werkte, stapte zij daarom naar
Willem Vogt, directeur van de Hilversumsche Draadlooze Omroep (HDO), de
voorloper van de AVRO. Ze wilde kniplessen geven voor de radio!! En Willem Vogt
werd inderdaad overtuigd dat dit mogelijk was. En zo startte op 19 oktober 1926
de eerste kniples op de radio. Na een oproep hadden zich zo'n 600 vrouwen
ingeschreven voor de cursus. Deze hadden een naaidoos en een lespakket ontvangen
om live mee te kunnen doen met wat er op de radio onderwezen werd. De cursus was
al direct een groot succes en de lespakketten vlogen de deur uit. Al snel waren
er twee uitzendingen per week. De uitzendingen waren live en Ida de Leeuw van
Rees ging gewoon, net als de andere dames in het land, aan de slag met het
cursusmateriaal. En de populariteit van het programma bleef steeds toenemen. In
1932 werd het recordaantal van 32.000 deelnemers aan de cursus bereikt. Eind
dertiger jaren werd het programma zelfs driemaal per week uitgezonden. Er werd
toen een knipcursus, een naaicursus, een borduurcursus en een cursus voor het
maken van kinderkleding uitgezonden. Er zijn ook nog een aantal cursussen uitgezonden in Nederlands Indië. Die
waren dan tevoren op grammofoonplaat gezet !! Aan het begin van de oorlog werd zij door de AVRO ontslagen, waarschijnlijk
omdat haar man Lucien de Leeuw van joodse afkomst was. In 1941 scheidde ze van haar man, maar ze bleef de naam Ida de Leeuw van
Rees, waarmee ze bekend geworden was, voeren. In de oorlog bleef ze zo goed en
zo kwaad als het ging de modevakschool voortzetten. In 1947 hertrouwde ze met
Eliza Annias Phaff. Na de oorlog had de AVRO vanwege haar oorlogsverleden een uitzendverbod
gekregen maar in 1946 mochten ze weer beginnen met uitzendingen. En weer kreeg
Ida de Leeuw van Rees een wekelijkse uitzending "Met naald en schaar".
Ze sloot haar uitzendingen altijd af met de woorden: "Dames, nu groet ik u
weer, tot de volgende keer". En ook nu waren de utzendingen weer mateloos
populair. Uit haar eerste huwelijk waren twee zonen geboren (het tweede bleef
overigens kinderlos) en met haar oudste zoon Henry bouwde zij haar modevakschool
weer verder uit. Op het hoogtepunt had ze 16 scholen, verspreid over het land.
In 1959 kwam haar jongste zoon, Lucien, om het leven bij een legeroefening in
het Franse La Courtine. Begin 60-tiger jaren werd kleding in de winkel steeds goedkoper en werd
daardoor het zelf maken van kleding steeds minder populair. Dat gold daardoor
natuurlijk ook voor haar radioprogramma. In 1963 besloot de AVRO om, na bijna 37
jaar, te stoppen met de uitzendingen. De laatste uitzending was op 18 juni 1963.
Haar verzoek om een cursus voor de televisie te mogen maken werd niet
gehonoreerd. Daarna schreef Ida de Leeuw van Rees nog een cursusboek "Met naald en
draad paraat". Het boek werd echter niet goed verkocht. Ze ging nog wel door met haar modevakscholen maar ook daar kwam de klad in.
De scholen werden een voor een gesloten. Dieptepunt was in 1977 het afbranden
van de hoofdvestiging van de scholen in Amsterdam. De overgebleven vier
vestigingen in het land werd verkocht aan zelfstandige exploitanten. Die
betaalden haar een zeker bedrag om de naam "De Leeuw van Reesschool"te
mogen voeren. Ook haar manier van werken werd door de scholen voortgezet. Ida de Leeuw van Rees verhuisde naar Emst op de Veluwe en ging wonen in een
verbouwde boerderij. Ze bleef tot haar dood nog wel actief in vak, onder andere door afnemen van
examens. Op 1 juli 1987 overleed ze, 85 jaar oud, in een ziekenhuis in Apeldoorn. Ook het bekende methode voor knippatronen, het "De Leeuw van Rees systeem", bestaat net meer omdat het is achterhaald door een internatonaal gestandaardiseerd systeem. Terug naar Nostalgie Terug naar SeniorPlaza
|
|