|
|
|
(klik op de figuren om ze te vergroten) Bekend als filmrecensent op televisie was Simon van Collem. Al jong was hij geïnteresseerd in film. Films van Alfred Hitchcock behoorden tot zijn favorieten. In de vijftiger jaren schreef hij voor allerlei bladen over de film. Hij schreef over interviews met allerlei sterren. Vanaf 1954 verschenen in De Volkskrant artikelen, vol met anekdotes en roddels, over de filmgeschiedenis van de Nederlandse film onder de titel "Uit de oude draaidoos". Onder dezelfde titel verscheen in 1959 een boek dat een bewerking was van de artikelen uit De Volkskrant. In begon 1958 hij voor de VPRO televisie iets dergelijks te maken, weer onder bijna dezelfde titel, "De oude draaidoos". Maandelijks was er een rechtstreekse uitzending van een half uur. Daarin behandelde hij de geschiedenis van de film aan de hand van filmfragmenten. Daarnaast had hij interviews met sterren van het witte doek. Zijn onhandige manier van presenteren was tevens zijn charme. In elk geval was hij de eerste die aandacht aan de film besteedde op de Nederlandse televisie. Hij was in die tijd mateloos populair. Hij wekte de indruk alsof hij er echt alles van wist, maar soms fantaseerde hij wel eens wat. Op een bepaald moment (1969) was het programma van de buis verdwenen. In 1970 trad Simon van Collem in dienst van het blad van de AVRO, TeleVizier. Daarmee werd hij werknemer van de AVRO en vanaf eind 1970 presenteerde hij voor de AVRO weer een filmprogramma onder de titel "AVROskoop". De opzet was wel anders dan die van "De oude doos". Het ging nu niet meer over de filmgeschiedenis maar over actuele films die op dat moment in de bioscopen draaiden. In 1973 kwam er al weer een eind aan het programma. Maar eind 1975 kwam hij weer op de buis bij de TROS met een filmprogramma onder de naam "Simonskoop". Voor wat betreft de films behandelde hij meestal alleen de kaskrakers uit Hollywood. Wat het echt leuk maakte waren de stunts waarmee hij het programma begon. De "stunts" (achtervolgingen, vuistgevechten, enz.) die hij daarbij deed waren hilarisch, gezien de onbeholpenheid waarmee ze gedaan werden door een klein, dik mannetje met een grote bril. Toch kreeg hij menige grote ster voor zijn camera, die hij dan in zeer slecht Engels interviewde. Hij paaide de sterren door ze Zeeuwse Boterbabbelaars te geven of Deventer koek. In 1965 verscheen er over die ontmoetingen een boek van zijn hand met de titel "Sterren kijken". In 1984 ging Simon van Collem met pensioen. Later (1988) verscheen er nog een boek met de titel "De Sterren kunnen me nog meer vertellen". Bij dit laatste boek zit op de omslag Simon op schoot bij de prachtige Shirley MacLaine. Dat was natuurlijk geen gezicht. Ook na zijn pensioen bleef Simon van Collem nog af en toe zijn rubriek in de TeleVisier schrijven. Hij stierf in het harnas aan een hartaanval na de filmpremière van de James Bond film "License to kill" in Tuschinski. Simon van Collem was een man die film op televisie een gezicht gaf. Terug naar Nostalgie Terug naar SeniorPlaza (klik op de figuren om ze te vergroten) (Links interview met debutant Bram Kool in
de tour van 1961, rechts cartoon van Dick Bruynestein) Johannes
Hendricus Marie Cottaar, zoals zijn naam voluit was, werd op 6 maart 1915
geboren in Delft als zoon van een kruidenier. Zijn middelbare school tijd bracht
hij door in Venray, waar hij een gymnasiumopleiding volgde op het internaat van
de paters Franciscanen. In mei 1935 begon hij als leerling journalist te werken
voor de Nieuwe Delftse Courant. In 1937 verhuisde hij naar Amsterdam om daar te
gaan werken voor het katholieke dagblad De Tijd. Daar kreeg hij begin 1938 de
leiding over de sportredactie van die krant. In 1940 brak de Tweede Wereldoorlog
uit. In februari 1941 trouwde hij met Coba Meijer. Ze kregen drie kinderen, een
zoon en twee dochters. In maart 1941 kreeg hij een bestuursfunctie bij de
vakgroep "Sport" van het "Verbond van Nederlandsche
Journalisten". Het was de bedoeling van dit verbond om
nationaal-socialistische invloeden op de pers te voorkomen. Natuurlijk werd dit
bestuur (na een jaar) ontbonden door de Duitse bezetter. Jan
Cottaar schreef veel sportboeken. In 1947 verscheen een boek met de titel
"Het sportboek voor de jeugd". Het boek was bedoeld om jongeren bekend
te maken met de sport om zo kameraadschap, sportiviteit en wilskracht te
ontwikkelen. Het leuke is overigens dat hij zelf helemaal niet zo sportief was.
De enige sport die Jan Cottaar in zijn leven ooit zelf actief beoefend heeft was
hengelen. Vanaf
1946 hield Jan Cottaar wekelijks een sportpraatje voor de KRO radio. Hij gaf
toen ook commentaar bij wielerwedstrijden. Nadat
Cottaar ervaring had opgedaan met het verslaan van wielerwedstrijd "Ronde
van Nederland" begon Cottaar vanaf 1950 verslag te doen van de Ronde van
Frankrijk. Vanaf 1952 mocht hij dagelijks een verslag doen van de verreden
etappe. Vanaf 1953 werd live verslag gedaan vanaf de aankomstlijn, waarna dan
later op de avond nog een nabeschouwing volgde. In die tijd was er natuurlijk
nog geen televisie. Een verslaggever kon zijn eigen helden en heldendaden creëren
want niemand zag het toch. Met zijn specifieke, wat hese stem vertelde Cottaar
dagelijks over de heldendaden van de renners. Er
waren ook nog geen verslaggevers die achter op een motor in het peloton
meereden. Dus een
rechtstreeks verslag van de aankomst was al heel wat. Jan Cottaar ging er prat
op dat hij direct zag wie er gewonnen had, wie er tweede werd enzovoort. Als
het heel spannend was, en hij verwachtte dat hij niet goed zou kunnen zien wie
er als eerste aankwam, wachtte hij gewoon even tot de renners aangekomen waren,
keek dan naar de uitslag en begon vervolgens een "live" verslag te
doen van de aankomst. Eén
keer in 1954 ging het goed mis. Zijn volgwagen had het begeven en hij kreeg een
lift van iemand die hem met zijn sportwagen met een noodgang naar de finish
reed. Hij kwam echter te laat om de aankomst nog te kunnen zien. Geen nood
echter want de uitslag was bekend en hij liet weer in een "live"
verslag de renners aankomen. Hij zag echter ook Wout Wagtmans over de finish komen,
maar die was in die etappe uitgevallen. Nadat
hij tien keer de tour verslagen had schreef Cottaar het boekje met de
vindingrijke titel "10 x tour". Van
1952 tot 1970 was Cottaar sportredacteur bij de Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC).
Voor de krant deed hij ook iedere dag verslag van de etappes in de Ronde van
Frankrijk. Iedere avond belde hij zijn verslag door. Maar hij stuurde zijn
stukjes ook op met de post, die dan vervolgens vaak pas arriveerden als ze al
door de actualiteit van de dag ingehaald waren. De
televisie stond begin vijftiger jaren nog in de kinderschoenen. Slechts een
kleine groep kijkers in Eindhoven en omgeving kon drie avonden per week kijken
naar de uitzendingen die door Philips verzorgd werden. Maar op 10 september 1950
werd toch al live verslag gedaan van een wedstrijd van PSV. En het commentaar
bij de wedstrijd werd gegeven door Jan Cottaar. Toen
de televisie landelijk begon uit te zenden was er in het begin geen echt
sportprogramma. Wel werden grote sportevenementen uitgezonden door de
Nederlandse Televisie Stichting, NTS. De NTS was de omroep waar alle omroepen in
deelnamen. Pas in september van 1957 kwam de AVRO met een specifiek
sportprogramma onder de titel "Sportpanorama". En het jaar daarna
begon de KRO met het sportprogramma "Van onze sportredacteur",
gepresenteerd door Jan Cottaar. Beide programma's werden maar eenmaal in de
maand uitgezonden. Omdat de populariteit van sport op televisie toenam begon men
vanaf 5 april 1959 met het gezamenlijke programma "Sport in beeld".
Dat werd iedere zondagavond uitgezonden. Menigeen zit nog steeds iedere
zondagavond met een bordje eten op zijn schoot naar de sport op zondagavond te
kijken. Het programma "Sport in beeld"werd gepresenteerd door Jan
Cottaar. Wie herinnert zich niet het wat bolle hoofd en het karakteristieke
vlinderdasje. Hij had korte gesprekjes in de studio en er werden filmfragmenten
getoond van verschillende sportwedstrijden. De naam van het programma, dat nu
"Studio Sport" heet, werd in 1966 veranderd in "NTS Sport". In
de zestiger jaren schreef Cottaar veel sportboeken. Zo is daar "De
troostprijs is een gele trui, dat in 1962 verscheen. Het was een wielerroman
over de prestaties van de Italiaans wielrenners Gino Bartali en Fausto Coppi.
Eveneens in 1962 verscheen het "Gouden Boek Nederlands Olympisch Comité".
Verder verschenen van zijn hand veel geschiedenis en gedenkboeken, veelal
gelardeerd met veel lijsten en getallen. Dat waren in 1965 "Finsh in
Parijs…De geschiedenis van de Tour de France in feiten en cijfers" en in
1966 "Op gouden voet. Het relaas van 50 vierdaagsen". Cottaar
had een voorliefde voor de pioniers in de sport die vrijwel zonder financiële
middelen een bepaalde tak van sport van de grond trokken. Zijn
grote liefde lag bij de wielersport met al zijn heroïek. Maar ook de Olympische
spelen spraken hem erg aan. Daarbij ging het niet om het winnen maar om het
meedoen. In 1970 werd hij directeur van het Nederlands Olympisch Comité. Helaas
moest hij die functie door ziekte in 1974 opgeven. In
1980 verscheen nog zijn boek "Olympische Spelen nú". Hierin
behandelde hij het onderwerp of de Olympische Spelen nog wel konden doorgaan in
de geest van haar oprichter Pierre de Coubertin. Commercie had toen al haar
intrede gedaan in de sport en vaak was alleen meedoen net meer genoeg. In
1981 verscheen er nog een jeugdboek, getiteld "Gele trui tegen wil en
dank". In dit boek gaat het over een wielrenner die liever zijn kopman
helpt dan dat hij zelf wint. Het paste geheel in de gedachte van Cottaar dat
sport een goede invloed heeft op
het karakter van een mens. Op
21 juli 1984 overlijdt Jan Cottaar in Leiderdorp. Terug naar Nostalgie Terug naar SeniorPlaza De linker foto kan vergroot worden door er op te klikken Louis Davids werd op 19 december 1883
geboren in Rotterdam. Zijn ouders waren "kermisgasten". Ze reisden
kermissen af om daar op te treden met onder andere komische duetten. Kleine
Louis trad op jonge leeftijd ook al op, als wonderkind. Hij had nog twee zussen
(Rika en Heintje) en een broer (Hakkie). Ook die traden op op de kermis, waarbij
Hakkie de familie begeleide op de piano. Buiten de kermis trad Louis op samen
met zijn beide zussen. Onder andere in het beroemde theater Pschorr in
Rotterdam. Uit die tijd stammen de liedjes die hij samen met Rika zong:
"Een reisje langs de Rijn" en "We gaan naar Zandvoort" Wanneer
het lekker weer is
Hij ging samen met Rika optreden in het
revuegezelschap van Frits van Haarlem. Ze speelden de hoofdrol in de revue
"Koning 'k Zie-zo-wat" waarvoor Louis ook een deel van de teksten
schreef. In 1909 gingen ze naar de revue van Henri
ter Hall. Maar Rika Davids werd verliefd op de Engelse goochelaar John Weil. Ze
trouwde met hem en ging met hem mee naar Engeland. Daarom ging Louis optreden
met zijn andere zusje, Heintje. Het duo was eveneens succesvol en traden zelfs
op in Duitsland (Leipzig, Keulen en Berlijn). Door bemiddeling van Rika's
echtgenoot traden ze in 1911 ook op in Engeland (Liverpool, Glasgow, Manchester,
Birmingham en Londen). Dit ondanks het feit dat ze noch Duits, noch Engels
spraken. Over de ontmoeting met zijn latere vrouw
Margie Morris (echte naam Margaret Whitefoot) zijn verschillende lezingen.
Volgens Van der Kamp en Feith ontmoette Louis in 1911 haar op zijn tournee door
Engeland. Ze trad daar op als pianiste. Feith zegt in zijn boek 'Tingel Tangel'
dat Davids hem vertelde dat hij Margie in Engeland op een intiem
kunstenaarsfeest had leren kennen. In ieder geval kwam Margie in 1913 naar
Nederland en ging optreden als danseres in het gezelschap van Leon Boedels,
directeur van het Flora-theater in Amsterdam. Zoodra
ik zestien jaren werd
Refrein:
Vooruit
nou jongens, het is zoo ver Refrein:
Als de tros wordt
losgesmeten Als je op stoomt langs de
kade Als de K'lonialen zingen Als je aankomt in IJmuiden Als de vuurtoren nog zwakjes
Want
de ene mens neemt veel te grote happen De
een woont in een villa en de ander bij de belt En
die moet zich op z'n teentjes laten trappen De
een slaat z'n slag, doet wat ie soms niet mag En
de andere, dat is een feit, betaalt steeds het gelag Dat
is de kleine man, die kleine burgerman Zo'n
hele kleine man met een confectiepakkie an De
man die niks verdragen kan blijft altijd onder Jan Zo'n
hongerlijer, zenuwelijer van een kleine man De
verkiezingen in Holland zijn altijd een grote pret Want
dan hoor je onze heren kandidaten Elkaar
uitschelden voor leugenaar, voor schoffie enzovoorts Zoeken
gaatjes om hun gifgas uit te laten En
zitten z'op d'r stoel, hoe veilig zo'n gevoel! Wie
moet de rekening betalen voor hun grote .... mond? Dat
is de kleine man, die kleine burgerman Die
doodgewone man met 'n confectiepakkie an De
man met zo een achttien gulden C & A-tje an Zo'n
zenuwelijer, hongerlijer van een kleine man De
minister van Defensie vraagt weer onderzeeërs aan Mocht
een vreemdeling zich met de Oost bemoeien En
als wij die vloot dan hebben en er komt een beetje mot Kunnen
wij er in de Amstel mee gaan roeien Dat
heet voor 't ideaal, voor Neêrlands grond en taal Maar
wie betaalt het pakkie van de vice-admiraal Dat
is de kleine man, die kleine burgerman Die
doodgewone man met 'n confectiepakkie an Zo'n
ordinaire man met van die Bata-schoentjes an Zo'n
zenuwelijer, minimumlijer van een kleine man Dempsey
gaat weer aan het boksen en krijgt weer 'n dik miljoen Om
zich een kwartiertje suf te laten stompen En
zijn tegenstander, als ie wint, een half miljoentje meer Want
die kereltjes die laten zich niet lompen! Wie
snakt er naar zo'n baan, zou, kreeg ie het gedaan Voor
twee tientjes al zijn kiezen uit zijn kaken laten slaan Dat
is de kleine man, die kleine burgerman Zo'n
doodgewone man met 'n confectiepakkie an De
man met zo een uitgesneden linnen frontje an Zo'n
zenuwelijer, hongerlijer van een kleine man We
verzorgen onze medeburgers tegenwoordig best: Als
je niet werkt krijg je achttien gulden premie En
dan zijn er veel slampampers die zijn liever lui dan moe Want
die denken: nou die achttien piek, die neem ie Ze
schelden allemaal op patroon en kapitaal En
wie is weer de dupe van dat vrijheidsideaal? Dat
is de kleine man, die kleine burgerman Zo'n
hele kleine man met een confectiepakkie an Eén
met zo'n imitatie-jaeger onderbroekkie an Zo'n minimumlijer, zenuwelijer van een kleine man
Na zijn Rotterdamse directeurschap keerde
Louis terug naar Amsterdam. In 1927 deed Davids voor de revue "Van eigen
bodem" een beroep op andere schrijvers: Dirk Witte, Koos Speenhoff en
Jacques van Tol. De laatste zou als tekstschrijver een belangrijke rol gaan
spelen in zijn leven. Jan
de Bakker had mij zondag uitgenodigd Voor
een wedstrijd tussen Ajax en Blauw Wit Nou
die slome heb er eer mee ingelegen Je
wordt koud mens, als je daar te knijsen zit Ik
heb nooit geweten dat ik zo sportief was Want
nou ja, van voetbal wist ik nog niet veel Maar
zo nou en dan docht ik dat ik het aflee Want
de zenuwen die zaten in mijn keel Twintig
knullen in d'r Jansen en Tilanus liepen
los in het midden op een grasveld rond Wassen
beelden mens, om zo rauw in te bijten Af
en toe dan kwam het water in mijn mond Ik
zat zonder erg dat snoepgoed aan te kijken En
ik wist niet dat het al begonnen was Eensklaps
riep de bakker: 'Goal!' en van emotie Vielen
al zijn valse tanden in het gras In
de verte sting een goser in een poortje Met
van achteren een soortement van net Ik
zeg: Waarom gaat die vent niet aan de kant staan Hij
krijgt iedere keer die stuiter op zijn head Jan
die heb mij toen de regels uitgelegen En
hij zei: Die vent heet keeper en dat mot Wie
de voetbal in het net schopt heb een goaltje En
wie de meeste goaltjes krijgt die wint de pot Een
brok kifteling floot telkens op een fluitje En
dan riep hij hands, penalty of free kick En
dan moesten ze van voren af aan beginnen Ik
zeg: Waarom krijgt die druiloor niet de hik Als
hij nog eens roet in het eten durft te gooien Dan
maak ik ook hands, maar dan gaat het met geweld Zal
ik hem een penalty op z'n ogen geven Dat
zijn hele middenlinie d'r van smelt Na
een kwartiertje werd de wedstrijd reuze spannend En
de hele klit krioelde op de grond Jan
riep: Corner, dat is een doodschop om een hoekie En
toen kwam er een invalide van het front Ik
zeg: Tjesses Jan, er vallen toch geen dooien Ik
bedoel maar haast, het is zonde dat ik het zeg Als
het zo mot, zoek ik liever met z'n tweetjes Wat
verstrooiing op de Nieuwe Wandelweg Iedere
keer stormde een ploegie weer naar voren En
dan kreeg die bal een mep. Ik riep: Hij leit Als
de bal weer in het netje was gekieperd Dan
floot die lange en dan riepen ze: Off side Jan
die zei me dan: 't Goaltje is niet geldig En
hij lag in het net, dat komt toch niet te pas Toen
zei Jan: Die spil die had niet maggen schieten Omdat
die in overspelpositie was Ik
hoorde niks meer als Hup Ajax of Hup Feyenoord Om
die scheidsrechter wier ik toch toen zo vals Dat
ik gooide een banaan vlak op zijn ponum En
viel huilende m'n bakker om zijn hals Nou
die smeedde gauw het ijzer toen het heet was En
hij gaf mij een verbouwereerde zoen Ik
weet heus niet wie de wedstrijd heeft gewonnen Maar
mijn Jantje is voor mij de kampioen Naast zijn eigen theater trad hij buiten het seizoen ook op
in het land. Maar optreden werd in die jaren steeds moeilijker. Louis had astma
en dat heeft hem heel zijn leven parten gespeeld. Kort voor zijn dood werd hij
benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Op 1 juli 1939 stierf hij aan
een hartaanval. Hij werd in Driehuis-Westerveld gecremeerd. Zijn urn staat nog
steeds bij het crematorium aan de Duin en Kruidbergweg in Driehuis. Als u nog meer liedjes van Louis Davids wilt zien kijkt u dan eens bij het hoofdstuk "liedjes". Terug naar Nostalgie Terug naar SeniorPlaza (klik op figuren om ze te vergroten) Antoon
Manders (roepnaam Tom) werd op 23 oktober 1921 geboren in Den Haag. Na zijn middelbare
school volgt hij een opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunst. Hij werd
schilder en ontwerper van affiches en decors. Hij ontwierp vele decors voor
theater en cabaretvoorstellingen. Carré behoort tot zijn vaste klantenkring. In
de oorlog wordt hij in Duitsland als schilder te werk gesteld, maar hij weet al
na een half jaar te ontkomen. Na de oorlog maakte hij weer affiches en decors
voor onder andere voor Lou Bandy en Heintje Davids. Een regelmatig terugkomend
figuur was een zwerver met een bolhoed en een snor. In
1953 ging hij optreden voor het publiek. Voor horecaondernemer Carel Kamlag uit
Amsterdam ontwierp hij de inrichting van het revuecafé Saint Germain de Prés
dat lag aan het Rembrandtplein. Hij trad in deze club op met een streepjestrui,
een pruik en een grote snor. Dit personage veranderde langzamerhand in de
zwerver met bolhoed die hij vroeger vaak tekende, dus in de Dorus zoals we hem
kennen. Hij werd met zijn optredens in Saint Germain de Pres een bekende figuur
en de VARA televisie vroeg hem om voor hen te komen werken. Dat gebeurde ook en
hij nam zijn Franse decor uit Saint Germain de
Prés mee. Zo ontstond dezelfde
Franse sfeer ook op televisie. In
1956 begon hij nauw samen te werken met organist Cor Steyn. Ze traden op in het
VARA radioprogramma "De showboat". Uit deze samenwerking ontstond zijn
eerste grote hit: "Twee Motten". Zeg
meneer Steyn neem me niet kwalijk dat ik even onderbreek maar zou u mij
misschien even op mijn rug willen krabbelen. Zeg
Dorus heb je nou niet iets beters voor me ? Nee,
nee, nee, nee, mot je even goed luisteren het is niet wat u denkt maar kijk even
in mijn kraag hier moet je opletten.
Refrein: Er
wonen twee motten in mijn ouwe jas En
die twee motten die wonen er pas Je
raakt gewoon weg van je stuk
Als
je dat ziet dat pril geluk Hij
vreet me hele jas kapot Alleen
voor haar die dot van een mot Ik
noem haar Charlotte en hem noem ik Bas Die dotten van motten In me ouwe jas
Ik voelde me eerst een beetje belaagd Ik
dacht er is net of er wat aan me knaagt Maar
toen kreeg ik die gaten in de gaten Ik
dacht nog even hoe heb ik het nou Maat
toen begreep ik het al gauw Ik
zag twee motten in die gaten zitten praten. Ik
greep meteen naar de DTT Maar
daar verwoest je zo'n huwelijk mee En
besloot meteen ik zal dat echtpaar daar maar laten. Refrein:
Er wonen twee motten …. Ik
ben een geboren eenzaam mens Maar
dat was me eigen wijze wens Een
echt verbond heb ik steeds kunnen verhinderen En
al zeggen me relaties tegen mij Ach
joh breng toch die jas naar de stomerij Want
dat vod begint al knapies te verminderen Maar
juist zo een vagebond als ik Die
komt pas reuze in zijn schik Met
zo een ouwe jas Twee
motten en die motten kinderen Een
familie motten Woont
er in mijn jas Ik
laat ze ravotten Als
een kleuterklas Nou
zitten ze boven in mijn kraag En
vreten zich een volle maag Ze
vreten me hele jas kapot Om
dat een mot toch leven mot Die
lieve Charlotte En
die mottige Bas Die
dotten van motten Wonen
in mijn jas Ook op de televisie waren zijn shows een groot succes. Na de eerste hit volgden er nog veel zoals: Bij de marine Zorreg
dat je d'r bij komt, bij de marine, bij de marine Zorreg
dat je d'r bij komt, bij de marine moet je zijn Het
is gezond voor je lijf en je leden Bij
de marine is d'r niemand ontevreden Zorreg
dat je d'r bij komt, bij de marine, bij de marine Zorreg
dat je d'r bij komt, bij de marine moet je zijn 's
Ochtends krijg je scheepsbeschuit en een koppie thee op bed Dan
komt de eerste officier met ze vinger an ze pet Hij
zegt : "Meneer, ik stoor toch niet, hier is uw ochtendblad Uw
handdoek en uw stukkie zeep, nou ken U fijn in bad" Je
hebt een moeder en een vader aan hem (AHOY) En
hij besluit met zachte stem (AHOY) Dan
gaan we naar de fillem In
de kantine, in de kantine Eten
gevulde koeken, in de kantine moet je zijn Dat
is gezond voor je lijf en je leden Bij
de marine is er niemand ontevreden Refrein
Zorreg dat je d'r bij komt, bij de marine 's
Middags gaan we op de wal, dat doene we hand in hand En
worden prettig rondgeleid door de vrouw van de commandant En
niemand zit er krap bij kas, je krijgt honderd gulden mee 't
Mag allemaal in een dag op, zo geldt de wet der zee Maar
niemand wil d'r 's avonds laat op de wal (AHOY) Want
dan begint pas goed het bal (AHOY) En
hij besluit met een vriendelijke snoet (AHOY) Als
hij tot slot het licht uitdoet (zo zoet) En verder nog onder andere: De nachtwacht (ik ben de nachtwacht van het Rembrandtplein, maar niet van Rembrandt van Rijn), de krokus en de hyacint. Als ik wist dat je zou komen (had ik de loper uitgelegd, een potje thee gezet en de visite afgezegd) en Bolhoed (M'n bolhoed op me ene oor, zo slenter ik het leven door), Figaro (me mes me mes, waar laat ik nou me mes, niemand de deur uit, niemand de deur uit), De harmonie van Krommenie (de harremonie gaat nooit verlo-o-ren, de harremonie van Krommenie), Met zulke rozen (als op jouw wangen zou ik m'n kamer willen behangen), Hoestbui op vier wielen (In me hoestbui op vier wiele, rij ik daaglijks kielekiel door 't verkeer). Cor Steyn was ook aanwezig in zijn televisieprogramma's. Rond 1962 kwam er een einde aan de samenwerking met Cor Steyn en ging Tom Manders zich meer op de film en televisie richten in plaats van de radio en televisie. Herinnert u zich nog een drietal dat in de show mondharmonica speelde op borstels ? Dat was Dorus geflankeerd door Marius Monkau en Aart Brouwer, eerder waren dat Piet Hendriks en Wim Romein, later waren het Karel de Rooij en Peter de Jong (Mini & Maxi). Ze playbackten de nummers als het Hotcha Trio. Door een mislukte poging om zelf producent en distributeur van Dorus-films te worden bouwt Manders grote schulden op. Wel ontvangt Manders in 1967 op het televisiefestival van Montreux nog een Zilveren Roos voor een compilatie van zijn televisieprogramma's. In hetzelfde jaar opende hij een club in Rotterdam. Daar vonden de opnames plaats van het programma "Bij Dorus op schoot". Legendarisch is het optreden van het kleine meisje Corrina van Konijnenburg met het liedje "Poessie mauw". Ze kende het niet echt maar bleef minutenlang op allerlei manieren de woorden "poessie mauw"zingen. Corinna overleed overigens al op 37-jarige leeftijd in 2002. (Corinne van Konijnenburg, klik op figuur om te vergroten) In 1970 gaan de deuren van de club in Rotterdam al voorgoed op slot. Het gerucht gaat dat Dorus overspannen was geraakt. Hij blijft nog wel grammofoonplaten maken. In 1971 kwam hij nog één keer zeer sterk terug op de televisie. Dorus deed bij Madamme Tussaud net of hij een wassen beeld was. De reacties van het publiek werden met de verborgen camera geregistreerd. In 1971 had hij ook nog een hit "In de hemel is geen bier". In 1972 kreeg hij een auto-ongeluk en werd hij opgenomen in het ziekenhuis. Tijdens de verschillende onderzoeken werd bij hem kanker geconstateerd. Maar een aantal weken later, op 26 februari 1972 stierf hij aan een hartaanval. Met dank aan Leen van Zwol voor de correcties en de aanvullingen Luister en kijk naar Dorus |
|