|
|
|
(klik op de afbeeldingen om ze te vergroten) Al Jolson werd als Asa Yoelson geboren in Srednike in Rusland, dat heet tegenwoordig Seredzius en ligt in Litouwen. Hij claimde zelf dat zijn geboortedag 26 mei 1886 was, maar er bestaan geen documenten om dat te bevestigen, het kan eigenlijk iedere datum na 1884 zijn. De openlijk antisemitische autoriteiten van Rusland waren er absoluut niet in geïnteresseerd om weer een nieuwe jood te registreren. Asa was het vierde kind van de joodse voorzanger Moshe Yoelson en zijn vrouw Naomi. Zij hadden toen al twee dochters Rosa en Etta en een zoon Hirsch. De kinderen werden opgevoed volgens de strikt joodse traditie en Moshe wilde dat zijn zoons ook eenmaal voorzangers zouden worden. Hij trainde zijn zoons in het zingen en schroomde daarbij niet om hun mond opengesperd te houden met lucifershoutjes om hen op die manier luid en duidelijk te leren zingen. Moshe Yoelon wilde zijn familie behoeden voor de voortdurende onderdrukking van joden door de Russische tsaar. Al snel nadat hij door zijn studie in 1890 de titel rabbi mocht voeren, vertrok hij alleen naar Amerika en beloofde dat zijn vrouw en kinderen zich zo snel mogelijk bij hem konden voegen. De geestelijk sterke, maar lichamelijk zwakke, Naomi hield de familie bij elkaar en zij werd daardoor het middelpunt van Asa's beleefwereld. Toen Moshe in 1894 hoofd werd van de congregatie in Washington, liet hij de familie overkomen. Maar de hoop op een normaal familieleven was al snel vervlogen toen Naomi kort daarna stierf. Asa was toen acht jaar oud. Asa kreeg hier zo'n klap van dat hij eigenlijk de rest van zijn leven emotioneel gezien een kind is gebleven. Hij werd een kleine opschepper die bang was om alleen te zijn, een overgevoelig persoon met een hart van goud die lastig was voor de mensen om hem heen. En een losbandig persoon die altijd achter jonge meisjes aanzat. Kortom hij was een vat vol tegenstrijdigheden. Asa en zijn broer Hirsch pasten zich al snel aan de Amerikaanse cultuur aan. Ze leerden Ragtime liedjes die ze op straat speelden en in saloons in Washington. Moshe deed wat hij kon om zijn zoons in het gareel te houden. Om weer een soort familieleven te herstellen trouwde hij met Cheysa Yoels, een ex-buurvrouw uit Srednike die ook werkelijk om de kinderen gaf. Maar niets kon voorkomen dat de jongens de nieuwe manier van leven omarmden. Hirsch veranderde zijn naam in Harry en Asa werd Al. Ze liepen verschillend keren van huis weg. Al bracht zelfs een aantal weken door in een weeshuis in Baltimore. De broers raakten geobsedeerd door het idee om door te breken in de showbizz. Al ging zingen in een reizend circus (1899), en toerde in het variétécircuit in 1901. Als onderdeel van zijn "geïllustreerde zangvoorstelling" zong hij populaire liedjes terwijl er met een "toverlantaarn" afbeeldingen geprojecteerd werden op een scherm. Al en Harry kregen het voor elkaar dat ze geboekt werden voor een ruwe etnische komedie "The Hebrew and the Cadet". En zij veranderden hun achternaam van Yoelson in het meer Amerikaans klinkende Joelson en later in Jolson. Ze contracteerden Joe Palmer, een man in een rolstoel, voor een drieman's variéténummer dat er eigenlijk wel veelbelovend uitzag, maar Al's wat verlegen optredens belemmerden een doorbraak.
In die tijd, begin 1900, werd het zwart maken van je gezicht niet als een racistische belediging opgevat. Dat mannen zich zwart schminkten was niet nieuw en bestond al sinds 1830. Het was een vorm van ruwe humor waaraan alle racistische groeperingen waren blootgesteld. Ook Al Jolson bedoelde het niet verkeerd en het zwart maken van zijn gezicht werd alleen ingegeven door zijn wens om mensen te vermaken. Hij had zeker geen racistische houding en hij stond erom bekend dat hij zwarte artiesten steunde tegen de discriminatie van theaters, hotels en restaurants.
Een engagement in San Francisco zorgde ervoor dat hij in het westen van de Verenigde Staten bekend werd. Dat was overigens geen geringe prestatie. In die tijd mocht er in de theaters nog gerookt worden en het publiek las in het theater op zijn gemak de krant totdat iets op het toneel hun aandacht trok. Elektronische geluidsversterking was in die tijd nog niet uitgevonden. Artiesten moesten allerlei trucjes uithalen om de aandacht van het publiek te trekken. Jolson kende ze allemaal en voegde ook zijn eigen trucs daaraan toe. Hij danste, stampte, perste werkelijk tranen uit zijn ogen, maakte grove grappen en liep zelfs over het toneel terwijl hij vrouwelijke gebaren maakte.
Hij ging er flink in salaris op achteruit, maar hij besefte dat hij hiermee nieuwe kansen kreeg om in Amerika bekend te worden. Het publiek was gek op Jolson's capriolen. Toen de groep in New York optrad kreeg hij eindelijk de bijval waar hij altijd van gedroomd had. Na een kort uitstapje naar het variétécircuit was hij ook in 1909 weer van de partij bij de groep minstrelen. Nu begon Al tijdens zijn optredens te fluiten, waarmee hij zijn liedjes en zijn grollen accentueerde. Dit zou gedurende heel zijn carrière zijn handelsmerk blijven. Hij werkte ook nauw samen met de musicus Harry Akst die zijn persoonlijke begeleider werd en degene die zijn liedjes selecteerde en ze waren ook nog eens goede maatjes. Hij vertoonde toen al tekenen van zijn enorme ego dat hij de rest van zijn leven zou hebben. Toen Florenz Siegfeld hem vroeg om auditie te doen voor optredens in de beroemde 'Folies' weigerde hij dat. Anderen zouden zo'n unieke kans met beide handen aangegrepen hebben, maar Jolson wilde voor niemand auditie doen. In plaats daarvan toerde hij in 1910 in het variétécircuit en in februari 1911 trad hij op in Hammerstein's Victoria in New York. In die tijd repeteerde hij al voor zijn debuut op Broadway. De gebroeders Shubert openden hun nieuwe theater 'Winter Garden' in New York met de musical "La Belle Paree" (de versierde schoonheid) die gaat over een rijke weduwe die aan de boemel is in de omgeving van Parijs. Maar eigenlijk was het verhaal niet van belang en enkel een excuus om een reeks variétéacts achter elkaar te kunnen opvoeren. De voorstelling opende op 20 maart 1911 met een hoofdrol voor Jolson en Jolson was bloednerveus door de plankenkoorts, een euvel dat hem ook later steeds parten bleef spelen. Hij had matig succes met zijn optreden. Maar de dag daarna veranderden de gebroeders Shubert de volgorde van de optredens, zodat Al's solo's beter tot hun recht kwamen. En opeens stal hij de show. Al veranderde steeds zijn grappen en bracht nieuwe versies van zijn liedjes. Het publiek vond het prachtig en bleef terugkomen om te zien wat er nu weer veranderd was. Een show die was begonnen als een gewone show werd steeds meer zijn persoonlijke show. Toen in juni de show ophield vanwege de zomerhitte was Al Jolson een nieuwe ster in de Amerikaanse showbusiness. Zijn vrouw Henrietta wilde dat hij een welverdiende rust zou inlassen en aan een gezin zou beginnen. Maar Al wilde geen afscheid nemen van het razend enthousiaste publiek. Nadat hij "La Belle Paree" ook met succes had opgevoerd in New England keerde hij terug naar de 'Winter Garden' om op te treden in "Vera Violetta". De show was maar matig, maar Al's vertolking van of "Rum Tum Tiddle" bevestigde zijn status als ster van Broadway.
Naast zijn optreden in "The Whirl of Society" trad hij in zijn vrije tijd op in de 'zondagconcerten' van de 'Winter Garden'. De puriteinse wetten van New York uit die tijd verboden theateroptredens op zondagen. Daarom noemden de gebroeders Shubert het 'concerten voor en door iedereen' en traden de artiesten op in straatkleren. Al Jolson was altijd een van de laatst optredende artiesten en het publiek wilde lied na lied van hem horen. Op verzoek van Jolson bouwden de gebroeders Shubert een looppad in de 'Winter Garden' dat liep tot in het publiek. Daardoor kon Al dansen en zingen te midden van zijn publiek. Het laatste kwartier van zijn optreden duurde vaak meer dan veertig minuten. De toen 27-jarige Al Jolson barstte van de energie. Na een onderbreking in de zomer en een tournee in de herfst met "The Whirl of Society" was Al in 1913 weer de ster van "The Honeymoon Express" (de huwelijksreis expres). Dit keer speelde hij als alter ego 'Gus' de butler van wie zijn baas een scheiding moet uitstellen om in het bezit van een erfenis te komen. Op de avond van de première vroeg Jolson aan het publiek: "Willen jullie de rest van het verhaal horen of willen jullie mij ?". Toen het publiek luidkeels met het laatste instemde veranderde hij de show in een concert waarin hij in zijn eentje lied na lied zong. Geen enkele artiest op Broadway heeft voor en na hem ooit zo'n stunt uitgehaald. In de shows daarna stuurde hij vaak de andere artiesten weg om vervolgens voor het publiek puur als zichzelf op te treden. De oorspronkelijke cast verdween dan één voor één en voor het eerst in zijn carrière was hij de topattractie. Tijdens zijn optredens viel hij tijdens de finale vaak op een knie onder het roepen van "Jullie zorgen ervoor dat ik van jullie houd". Hij vertelde dikwijls aan interviewers dat hij op zijn knie ging vanwege een ingegroeide teennagel, maar dat was pure onzin. Hij had iemand anders dit met groot succes ook eens zien doen en hij imiteerde dit alleen maar. In de volgende musical in 1914 in de 'Winter Garden' scoorde hij dankzij de gewaardeerde componist Sigmund Romberg vanwege het lied "Sister Suzie's Sewing Shirts for Soldiers". Het werd een kleine sensatie en Jolson loofde een beloning uit voor iemand die het tongbrekende refrein sneller kon zingen dan hijzelf. Hij heeft de beloning nooit hoeven uitkeren.
Sister Suzie's sewing shirts for soldiers.
En Al voelde zeker de grote druk die op zijn schouders rustte. Bij de première voelde hij zich zo ziek dat er emmers aan beide kanten van het podium stonden voor het geval hij moest overgeven. In deze show introduceerde hij een aantal van de beste liedjes uit zijn carrière: "N'Everything" en "I'll Say She Does" bleken erg populair, maar zijn grootste hit uit deze musical werd dit keer"Rock-a-Bye Your Baby With a Dixie Melody."
Tijdens de eerste wereldoorlog zong Jolson op benefietavonden om geld te verzamelen voor de oorlog. Maar hij trad ook op voor de militairen, iets dat hij voor de rest van zijn leven zou blijven doen. Voor de mannen die ver van huis waren en de dood in de ogen keken hadden de liedjes van thuis en zijn "Mammy" een onweerstaanbare aantrekkingskracht.
Al Jolson's persoonlijkheid was een vat vol tegenstrijdigheden. Hoewel hij bijna angstaanjagend zelfverzekerd overkwam op het podium was hij in werkelijkheid zo gespannen dat er emmers aan beide kanten van het toneel stonden waarin hij kon overgeven. En die gebruikte hij ook, vooral op premièreavonden. Hij gaf talrijke benefietvoorstellingen en gaf meer dan een miljoen dollar aan de liefdadigheid. Maar hij vergat net zo gemakkelijk om leningen af te betalen aan oude vrienden.
Op het hoogtepunt van zijn roem beoordeelde hij het werk van nieuwe liedjesschrijvers. Vaak veranderde hij dan een paar kleine dingen aan de tekst zodat hij mee kon delen in de royalty's. Als iemand naast hem optrad op het podium en daarbij groot applaus oogstte waarschuwde hij de betreffende persoon dat dit niet nog eens mocht gebeuren. En als dat toch gebeurde zorgde hij ervoor dat de betreffende artiest ontslagen werd. Ondanks zijn grote talent en zijn roem kon Jolson niet tegen concurrentie. Dit alles werd gevoed door zijn grote onzekerheid. Ieder van zijn eerste drie vrouwen kreeg te maken met zijn wispelturige karakter. Hij belde hen wanhopig op en smeekte hen om direct naar hem toe te reizen. Als ze dan alles uit hun handen lieten vallen en ze het halve land doorreisden om hem te zien, verwelkomde hij hen met een snelle begroeting en stuurde ze vervolgens weer terug naar huis. Jolson zat ook achter de danseresjes aan en naar men zei werden er hoertjes naar zijn kleedkamer gebracht om zijn stress te verlichten. Zijn vrouw Henrietta werd gestoord door dit soort optreden van hem. Hetzelfde gold voor haar opvolgsters. In 1918 had Henrietta er echt genoeg van en vroeg zij echtscheiding aan. Hij had haar al meer dan tien jaar genegeerd en haar zelfs geslagen. Intussen bedroog hij haar openlijk met danseresjes en bracht hij zijn dagen al gokkend door met zijn vrienden. Al deed nog een snelle poging tot verzoening, maar zij zette de echtscheiding door. Deze werd op 8 juli 1920 uitgesproken en zij nam genoegen met een kleine toelage. Ook de verhouding van Al Jolson met zijn broer Harry verliep moeizaam. Harry vond het in toenemende mate moeilijk om uit de schaduw van zijn broer te stappen. Toen Al steeds beroemder werd, werd Harry aangekondigd als "de broer van Al Jolson". En de onvermijdelijke overeenkomsten in hun optreden en hun manieren maakten de vergelijking nog moeilijker te verdragen. Hoewel Harry het zelf nooit toegaf, was hij niet zo getalenteerd als zijn broer. Het was onvermijdelijk dat dit tot conflicten tussen de broers leidde, gevolgd door oprechte pogingen tot verzoening. Toen Harry's carrière in het variétécircuit minder werd, nam Al hem op in zijn staf als zijn 'manager', hoewel Harry nooit om een functie gevraagd had. Harry overleefde Al uiteindelijk drie jaar en maakte er geen geheim van hoe verbitterd hij was over het succes van zijn broer.
In 1925 stond Al Jolson weer in de 'Winter Garden' als 'Gus' in "Big Boy". 'Gus' was nu een jockey die, ondanks allerlei listige streken op de renbaan, races moest winnen. Weer kreeg hij lovende kritieken. Een terugkerend geval van bronchitis dwong Jolson om zijn optredens af te zeggen. Na acht weken waren de gebroeders Shubert gedwongen om de uitverkochte shows te beëindigen. Niemand zou het voor mogelijk gehouden hebben, maar Al Jolson trad daarna nooit meer op in de 'Winter Garden'. Al Jolson herstelde tijdens een uitgebreide cruise waarbij hij zijn vrouw Ethel negeerde en zich afvroeg waarom ze toch zoveel dronk. Bij zijn terugkeer in augustus 1925 gaf hij zo'n 120 voorstellingen van "Big Boy" in een elf maanden durende tournee. Hij voegde aan zijn repertoire "Keep Smiling At Trouble" en "It All Depends on You" toe. Op 19 april 1926 scheidde hij van Ethel. Zoals ook bij zijn eerste vrouw deed hij weer een zwakke poging tot verzoening, maar zonder succes. Haar drinkgedrag werd steeds erger en vanaf 1930 onderging ze een serie behandelingen voor haar verslaving. Ze leefde tot 1976, waarbij ze een vast traktement kreeg van Jolson. Jolson was al een paar keer in een stomme film opgetreden, maar geen daarvan kon de goedkeuring van Al en zijn fans wegdragen. In 1926 had hij een geluidsfilm opgenomen voor Warner Brothers waarin hij met zwartgeschminkt gezicht een aantal van zijn hits zong. Hoewel de film eigenlijk nagenoeg niets teweegbracht herinnerde de leiding van Warner Brothers hem toen ze de rechten verwierven voor "The Jazz Singer", een kort verhaal dat met veel succes op Broadway gebracht was. Het verhaal gaat over een zanger, Jack Robin genaamd, die een ster werd ondanks dat zijn vader, een voorzanger in de kerk, dit afkeurde. Het verhaal was Jolson op het lijf geschreven. Warner Brothers hadden een kassucces nodig. Toen de hoofdrolspeler van het stuk op Broadway, George Jessel, teveel geld vroeg om in de filmversie op te treden, besloot de studio om de veel populairdere Jolson in te huren. En deze had geen scrupules om deze rol van een oude vriend in te pikken. De opnames voor "The Jazz Singer" vonden plaats aan het eind van de zomer van 1927. Het script werd aangepast om tegemoet te komen aan het talent van Jolson. Het oorspronkelijke plan was om de film alleen van geluid te voorzien in die gedeeltes waarin gezongen werd, maar Jolson veranderde dat door daar al improviserend tekst bij te spreken. Zijn spontane opmerkingen richting publiek in een cabaret scene waren zo opwindend dat besloten werd om een dialoog tussen hem en zijn moeder ook van geluid te voorzien. Uit de onzekere reacties van Eugene Bessenger die op zijn knie zit kan worden opgemaakt dat de scene geïmproviseerd was. Na een paar minuten van charmant geplaag barst Jolson uit in het lied "Blue Skies" van Irvin Berlin. Maar dit wordt plotseling afgebroken als zijn vader verschijnt en hem beveelt daar mee op te houden. Later is te zien dat de hoofdrolspeler (Jolson dus) een ster geworden is op Broadway. De scènes hiervoor werden gedeeltelijk opgenomen in de 'Winter Garden'.
Omdat het filmwerk veel beter betaalde dan optredens op Broadway besloot Jolson om naar Californië te verhuizen en zich volledig aan films te gaan wijden.
De schrijvers van het lied, Buddy De Sylva, Ray Henderson en Lew Brown, maakten het lied als een soort parodie op sentimentele liedjes. Maar Jolson realiseerde zich dat zijn publiek hier gek op zou zijn. Zijn platenopname van "Sonny Boy" was de eerste plaat ooit waarvan er meer dan een miljoen verkocht werden.
Maar Ruby was opgegroeid in de straten van New York en zij was niet iemand die maar rustig zijn afwijzende en soms grove houding accepteerde. En, anders dan zijn vorige vrouwen, Ruby had een eigen carrière. Zo lang deze carrière haar voldoende afleiding bood kon ze de spanning om mevrouw Jolson te zijn wel verdragen. Al had de neiging om veel interesse in Ruby te tonen als dat goed uitkwam voor zijn onverzadigbare hang naar publiciteit. Toen Florenz Ziegfeld Ruby in 1929 uitnodigde om de ster te worden van de Broadway musical "Show Girl", stond Al erop dat ze deze uitnodiging zou accepteren. Omdat Ruby zelf wist dat haar talenten maar beperkt waren was ze doodsbenauwd. Bij de eerste try-out in Boston was ze aan het dansen op het stuk "Liza" van Gerswin toen Al onverwacht opstond uit het publiek en het nummer begon te zingen. Het publiek dacht dat hij dit deed om zijn jonge vrouw aan te moedigen en gaf luidkeels blijk van hun bijval. En Ziegfeld maakte er maar het beste van door Al uit te nodigen om deze stunt te herhalen in de eerste week op Broadway. De golf aan publiciteit zorgde ervoor dat, hoewel de kritieken niet goed waren, er veel kaarten verkocht werden. Kort daarna moest Ruby zich door ziekte (of een blessure, bronnen vermelden verschillende oorzaken) uit de show terugtrekken. Ziegfled probeerde de show met haar vervangster voort te zetten, maar moest al snel de show stopzetten.
Toen de interesse van Hollywood in Jolson afnam keerde hij terug naar Broadway om in 1931 op te treden in "The Wonder Bar". In deze relatief kleine musical kwam de figuur "Monsieur Al" voor, de eigenaar van een Parijse nachtclub, gespeeld door Al. Maar dit keer voegde Al geen liedjes toe en bleef hij binnen de rol van het personage dat hij speelde. De 'Grote Depressie' was in die tijd op zijn dieptepunt en daardoor bleven de stoelen leeg. Daarom moest de show al na een paar weken sluiten. Het was Al's eerste en enige flop op Broadway.
Ruby vertrok met Al Jr. naar Californië waar ze uiteindelijk trouwde met John Loewe. Al Jr. veranderde later zijn naam is Albert Loewe. In de loop der tijd gaf Ruby veel interviews, zeker na haar hoofdrol in "No, No Nanette" uit 1971, maar ze weigerde altijd om te praten over haar huwelijk met Jolson.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog stortte Al zich met heel zijn hart op het vermaken van de troepen. Hij trad overal op, van militaire kampementen tot ziekenhuizen en locaties aan de frontlinies over de hele wereld. Hij had een speciale piano die gemakkelijk te vervoeren was en op de plaatsen waar het niet mogelijk was om de piano daar te krijgen zong hij a capella. Hij nam zijn tijd om met de soldaten te spreken en handtekeningen uit te delen en hij beloofde hen om hun familie op te bellen als hij weer thuis zou zijn. En dat laatste deed hij ook echt. Hij voerde honderden telefoongesprekken op zijn eigen kosten. En zijn sentimentele liedjes deden het nu bij het thuisfront ook weer goed. Hij was vaak op de radio te horen, maar het vermaken van "de jongens" bleef zijn prioriteit houden totdat onverwacht de liefde weer in zijn leven kwam.
Het werd al snel duidelijk dat dit huwelijk zou verschillen van zijn voorgaande. Erle liep gewoon weg als Al tekeer ging tegen haar en ze weigerde een gevecht met hem aan te gaan op zijn voorwaarden. Zelf had Erle geen enkele ambitie voor een carrière en ze wijdde haar leven volledig aan Al. En hij waardeerde haar veel meer dan zijn vorige drie vrouwen. Hoewel het onwaarschijnlijk was dat een leven met Jolson eenvoudig was, hield ze altijd vol dat haar jaren met Al Jolson gelukkig waren. Tijdens de lange herstelperiode na zijn malaria-aanval begon Al weer zachtjesaan te werken. Hij zong als zichzelf het nummer "Swanee" in de biografische film over George Gershwin met als filmtitel "Rapsody in Blue" (1945). Vervolgens begon Columbia Pictures te werken aan een film over het leven van Al Jolson zelf. Al mocht wel de liedjes voor de film zingen, maar mocht niet zichzelf spelen omdat hij al te oud voor die rol was. Die eer ging naar de relatief onbekende acteur Larry Parks. Parks lip-synchroniseerde de liedjes en gebruikte veel van de maniertjes die Al ook bij zijn optredens gebruikte. Niet zozeer als imitator van Al, maar meer om op die manier een karakterschets van Al te geven.
Op zijn eenenzestigste jaar was Al Jolson weer terug aan de top. Door "The Al Jolson Story" werd Al bekend bij een geheel nieuwe schare fans en werd zijn platenverkoop omhoog gestuwd. Omdat hij recht had op een percentage van de rechten van de film en de platen, verdiende hij bakken met geld. En als hij op de radio kwam zorgde dit voor veel luisteraars. En zijn nieuwe sterrendom zorgde ook voor nieuw levensgeluk. Met Esa adopteerde hij twee kinderen, Asa Jr. (1948) en Alicia (1949). Om maar jonger te lijken begon Al ook zijn haar te verven en verstopte hij zijn bril als anderen in zijn buurt kwamen. Zijn platen "Is It True What They Say About Dixie ?" en "Baby Face" haalden de hitparade. En met zijn vertolking van het Israëlische volkslied haalde hij meer van 100.000 dollar op voor het United Jewish Appeal. Columbia Pictures maakte ook nog een vervolg op "The Jolson Story". En ook deze film, "Jolson Sings Again" (1949), was maar losjes gebaseerd op Jolson's echte leven. Hij zong zestien nummers, iets minder dan in de eerste film, maar veel meer liedjes dan in de gemiddelde muzikale film voorkomen. Al reisde door Amerika om de film te promoten en hij genoot weer van de toejuichingen van het publiek.
Bij zijn terugkeer in Californië zag Al er vermoeid uit en hij gaf aan de verslaggevers toe dat het een zware reis geweest was. Op 23 oktober 1950 was hij in San Francisco een optreden voor de radioshow van Bing Crosby aan het voorbereiden. Hij speelde kaart met zijn vrienden in zijn hotelkamer en klaagde over indigestie. Toen er twee dokters bijgehaald werden lag hij in bed en maakte hij grapjes toen hij zijn klachten beschreef. Plotseling greep hij naar zijn pols om zijn hartslag te controleren en hij zei: "Oh, ik sterf" en viel weg. De "werelds grootste entertainer" was dood. Hij werd 64 jaar. Op de dag dat hij stierf werden de lichten op Broadway ter ere van Jolson gedoofd en draaiden radiostations over de hele wereld zijn liedjes. Toen zijn vrouw Erle het nieuws via de telefoon vernam raakte ze in shock en vroeg familieleden om bij haar te blijven. Op zijn begrafenis ware ongeveer 20.000 mensen. Het werd een van de grootste begrafenissen uit de show business historie die door vele beroemdheden werd bijgewoond.
Graftombe Al Jolson Ongeveer een jaar later herbegroef Jolson's weduwe hem in een van de meest spectaculaire graven ooit. Het bestaat nog steeds en is gelegen op het Hillside Memorial Park in Hollywood. Het bestaat uit zes zuilen van marmer, afgedekt door een koepel. Ernaast staat een bronzen beeld van Jolson die op één knie rust met de armen uitgestrekt alsof hij ieder moment in het lied "Mammy" kan uitbarsten. Onder de koepel bevindt zich een enorme mozaïek van Mozes die te stenen tafelen met de tien geboden vasthoudt. En ook een waterval ontbreekt niet. In zijn testament liet Al Jolson miljoenen na aan Joodse en liefdadigheidsinstellingen. Al Jolson heeft drie sterren op de Hollywood Walk of Fame: één voor zijn bijdrage aan de film, één voor platencarrière en één voor zijn verdiensten voor de radio. Kijk en luister naar Al Jolson (TIP: mocht uw internetverbinding niet snel genoeg zijn, klik dan links onder op II) (er ontstaat dan een driehoekje met de punt naar rechts) (laat u het filmpje downloaden en klik dan op het driehoekje) (klik op de vier pijltjes rechts onderaan voor volledig scherm) That Haunting Melodie (1911) Jolson's eerste hit The Spaniard That Blighted My Life (1912) That Little German Band (1913) You Made Me Love You (1913) Back to the Carolina You Love (1914) Rock-A-Bye Your Baby With A Dixie Melody (1918) Swanee (1919) Swanee uit "Rapsody in Blue" 1945 Avalon (1920) April Showers (1921) Angel Child (1922) Oogie Oogie Wa Wa (1922) That Wonderful Kid From Madrid (1922) Toot, Toot, Tootsie (1922) California, Here I Come (1924) I Wonder What's Become of Sally (1924) All Alone (1925) I'm Sitting on Top of the World (1926) When the Red, Red Robin (Comes Bob, Bob, Bobbin' Along) (1926) My Mammy (1927) Back in Your Own Backyard (1928) There's a Rainbow 'Round My Shoulder (1928) Sonny Boy (1928) Little Pal (1929) Liza (All the Clouds'll Roll Away) (1929) Let Me Sing and I'm Happy (1930) The Cantor (A Chazend'l Oif Shabbos) (1932) You Are Too Beautiful (1933) Ma Blushin' Rosie (1946) Anniversary Song (1946) Alexander's Ragtime Band (1947) Carolina in the Morning (1947) About a Quarter to Nine (1947) Waiting for the Robert E. Lee (1947) When You Were Sweet Sixteen (1947) After You've Gone (1949) Is It True What They Say About Dixie? (1949) Are You Lonesome Tonight? (1950) Geraadpleegde bronnen o.a.: IMDb Jazz Biographies Musicals Notable Biographies Wikipedia
|
|