Helen
Shapiro werd op 26 september 1946 geboren in het Bethnal Green Hospital in East
End in Londen. Ze groeide op in de wijk Clapton in Londen, waar ze naar de
Clapton Park school ging.
Haar
grootouders waren Joods Russische immigranten. Haar ouders, die stukwerkers
waren in de kledingindustrie, waren te arm om een platenspeler te kopen. Toch
moedigden ze het maken van muziek thuis aan. Helen groeide op met het spelen van
de banjo en ze zong op buurtbijeenkomsten. Als ze dat mocht zong ze in het Jazz
combo van haar oudere broer Ron, een bandje op de Middelbare School. Toen ze in
de laagste klassen van de Middelbare School zat zong ze in een Rock And Roll
bandje van de school, 'Susie And The Hullahoops', waarin ze liedjes van Elvis
Presley en Buddy Holly zong. Het viel iedereen op dat ze een zware ongewone stem
had voor een meisje dat nog maar net een tiener was. Haar schoolgenootjes gaven
haar daarom de bijnaam "Foghorn" (misthoorn). Later misbruikten critici deze
bijnaam als ze haar stemgeluid moesten omschrijven.
Toen
ze dertien was kreeg ze zangles van de gerespecteerde zangleraar Maurice Burman.
Hij wilde haar zo graag op zijn school houden dat hij haar het lesgeld
kwijtschold. Hij bracht haar uiteindelijk in contact met John Schroeder, de
artiestenbegeleider van Columbia Records. Schroeder maakte een demo-opname van
haar met het nummer "Birth of the Blues". Hij speelde het bandje af voor zijn
baas Norrie Paramor (producer van onder andere Cliff Richard en Gene Vincent).
Zijn eerste vraag was: "Wie is die jongen ?" Toen Burman hem vertelde dat het
een veertien jaar oud meisje was met de naam Helen Shapiro, was Paramor zich
bewust van het feit dat het publiek niet van Joodse entertainers hield en het
gerucht gaat dat hij toen zei: "Shapiro ? Dat moeten we veranderen." Maar Helen
betwist dat en zei erover "Norrie vond het wel een onderscheidende naam en hij
bracht naar voren dat de meeste mensen niet zouden weten dat Shapiro een Joodse
naam was." Hoe dan ook, haar naam bleef ook als artiest wat hij al was.
Zodra
Paramor deze tiener met haar donkere ogen en haar bijzondere stem zag had hij
een toekomst met haar op het oog van een zangeres zoals Connie Francis en hij
begon eraan te werken om haar op Connie Francis te laten lijken. Ze had haar
kastanjebruine haar al opgestoken (op zijn plaats gehouden met tonnen haarlak
zoals ze aan Paramor vertelde) en Paramour completeerde haar al zeer vrouwelijke
uitstraling door haar kleding met petticoats en katoenen jurkjes te laten
dragen.
In plaats van haar gewoonweg covers
te laten maken van Amerikaanse nummers, zoals zo velen deden in die tijd, werd
er een team gevormd van John Schroeder en Mike Hawker om origineel materiaal
voor haar te schrijven. Het eerste nummer was de milde protestsong "Don't Treat
Me Like A Child". Het nummer werd in 1961 opgenomen in de Abbey Road Studios van
EMI. Toen ze een exemplaar van de plaat kreeg rende Helen ermee naar de buren om
die te beluisteren, omdat haar ouders nog steeds geen platenspeler hadden. Toen
het nummer de derde plaats haalde in de Engelse hitparade kocht ze zelf een
platenspeler voor haar ouders. Ze had dus al een hit op haar 14-de jaar.
Haar
twee volgende liedjes "You Don't Know" en "Walking Back To Happiness", beiden
ook uitgebracht in 1961, haalden de eerste plaats in de Engelse hitparade. Ze
stond daardoor aan de top van de platenverkoop in Engeland, maar ze was het toen
al niet meer eens met de artistieke richting waarin Paramor haar stuurde. Hoewel
"Walking Back To Happiness" haar grootste hit ooit zou worden hield ze niet van
het afgezaagde arrangement met violen en het vrouwelijke achtergrondkoortje dat
"Yeah Yeah" zong. Ze hield veel meer van Blues-achtige nummers, zoals "You Don't
Know", omdat ze daarmee een bitterzoete stemming kon creëren. Om aan haar wensen
tegemoet te komen kwam Paramor met een plan om nieuwe markten aan te boren en
tegelijk dit talent, dat veel geld opbracht, voor de studio te behouden. Haar
singles zouden oorspronkelijke voor haar geschreven popnummers worden met een
beat erin. Aan de andere kant brachten ze EP's uit (opname van 45 toeren plaat
die langer speelt dan de standaard 45 toeren plaat) die haar talent om als
tiener al Jazz te zingen tot haar recht deed komen met klassieke nummers als
"The Birth of the Blues" en "Blues in the Night". En op haar eerste album "Tops'
With Me" zong ze covers van Rock And Roll hits, zoals "Sweet Nothin's"
(oorspronkelijk een nummer van Brenda Lee) en "Lipstick on Your Collar"
(oorspronkelijk een nummer van Connie Francis). Bijzonder is ook dat geen van
haar hits uit 1961 en 1962 op een LP verscheen tot aan haar vijfde album "The
Best Of Helen Shapiro" uit 1965.
Helen
Shapiro won veel muziekprijzen in Engeland en haar eerste acht singles haalden
de hitparade. In 1962 speelde ze in haar eerste Hollywood film "It's Trad, Dad!"
(in Amerika kwam de film uit onder de titel "Ring-A-Ding Rhythm"). Ze zong ook
twee liedjes in de film "Play It Cool".
Van
eind 1962 tot begin 1963 maakte ze een tournee door Engeland met de toen nog
vrijwel onbekende band The Beatles, die bij haar in het voorprogramma stonden.
Maar al tijdens deze tournee werden The Beatles steeds populairder en werden
juist zij de hoofdact. Tijdens deze tournee schreven John Lennon en Paul
McCartney het nummer "Misery" voor haar, maar Paramor verwierp dit nummer en
liet haar het nummer "Queen For Tonight" opnemen. Dit nummer was een cover van
"King For Tonight" van Johnny Halliday. Ze haalde er de hitlijsten mee. The
Beatles brachten het nummer "Mistery" later zelf uit op hun album ""Please
Please Me".
Haar zangcarrière begon wat minder
succesvol te worden en na haar tournee met The Beatles vertrok ze in februari
1963 naar Amerika om daar haar album "Helen In Nashville" op te nemen. Columbia
besloot om twee nummers van het album uit te brengen op single, met als A-kant
een Buddy Holly-achtig nummer "Woe Is Me" en op de B-kant "I Walked Right In".
Dit werd maar een bescheiden hitje.
Tegen de tijd dat Columbia bereid was
om een volgende single van haar Nashville album uit te brengen, namelijk "It's
My Party" was dit nummer al een wereldwijde tophit van Leslie Gore. Dus brachten
ze deze single niet uit en in plaats daarvan werd "Not Responsible" op single
gezet. Ze haalde er voor het eerst de hitlijsten niet mee.
Het was een teken aan de wand toen ze
in oktober 1963 haar volgende single "Look Who It Is" in het programma "Ready,
Steady, Go !" van de BBC televisie playbackte. Omdat The Beatles in hetzelfde
programma zaten trok deze uitzending veel kijkers. Maar ondanks dit alles werd
het maar een bescheiden hitje. Op haar zeventiende jaar was ze uitgeroeid tot
een aantrekkelijke jonge vrouw. Maar haar grootste fans, haar leeftijdgenotes,
keerde zich van haar af en stortten zich in de nieuwe Beatlemania.
Ironisch genoeg is dat de
arrangementen van hits die ze in haar gloriejaren had soms slecht waren en haar
latere singles van een veel betere kwaliteit. Zo was "Look Over Your Shoulder"
uit 1964 een prachtig nummer en ook de andere kant van de single "You Won't Come
Home" was prachtig. Ze bracht nog een aantal goede singles uit die in Nederland
en België niet of nauwelijks bekend zijn.
Hoewel Helen Shapiro in de hele
wereld grote hits had, lukte haar dat in de Verenigde Staten nooit. EMI, het
moederbedrijf van Columbia Records, sloot in 1961 een contract met Capitol
Records om via hen haar platen in Amerika uit te brengen. Helen vloog naar New
York om zichzelf bij het Amerikaanse publiek te introduceren in "The Ed Sullivan
Show". Maar haar nummer "Walking Back To Happiness", waarvan er in de wereld
miljoenen verkocht werden, stond in december 1961 maar voor één week op de
honderdste plaats van de Amerikaanse hitparade. Nadat ze vier nummers van haar
uitgebracht hadden die allen geen succes waren stopte Capitol Records ermee.
Twee van haar singles die vervolgens uitgebracht werden via Epic Records en nog
één via Tower Records waren eveneens een flop.
Hoewel
ze geen hits meer scoorde bleef Helen Shapiro een populaire artieste. Ze
schitterde op het Londense West End onder andere in "Oliver !" en "Cabaret" en
ze trad op in televisieseries en televisiefilms. Verder maakte ze Jazz opnames
en maakte tournees met Jazz Bands. Nadat ze zich eind jaren tachtig tot het
Christelijke geloof bekeerd had maakte ze ook Gospel platen. Helaas missen haar
latere platen de magie van haar beste popmateriaal en naarmate ze ouder werd
verloor haar stem aan kracht. Een aantal pop albums in 1978 en 1983 leden onder
de discoachtige arrangementen en de te duidelijk aanwezige synthesizers. Hoewel
ze op jonge leeftijd prachtig Jazz vertolkte waren de Jazz albums die ze in 1980
uitbracht, wellicht met uitzondering van haar vertolking van "Do Nothing Till
You Hear From Me" van Duke Ellington, een beetje gladjes en er zat niet echt
Soul in.
Eind
2002 kwam een einde aan haar afscheidstournee door Engeland en Europa. Daarbij
had ze met een mix van popmuziek, Jazz en Gospel opgetreden in gelegenheden van
middelmatig niveau. Momenteel organiseert ze nog avonden waarin ze het evangelie
verkondigt, uitlegt hoe zijzelf tot het geloof gekomen is en Gospel liederen
zingt.
In 1993 werd haar autobiografie "Walking
Back To Happiness" uitgebracht.
Van 15 november 1967 tot mei 1971 was
ze getrouwd met Duncan Clark Weldon, van 18 juni 1972 tot 1977 met Morris
Gundlash en vanaf 31 augustus 1988 tot heden is ze getrouw met de acteur John
Judd.
Kijk en luister naar Helen Shapiro
(TIP: mocht uw internetverbinding niet snel genoeg zijn, klik dan links onder op
II)
(er ontstaat dan een driehoekje met de punt naar rechts)
(laat u het filmpje downloaden en klik dan op het driehoekje)