Debbie Reynolds werd als Mary Frances
Reynolds op 1 april 1932 geboren in El Paso (Texas). Zij was de dochter van
Raymond Reynolds, een monteur bij de spoorwegen en timmerman en Maxene Reynolds
(meisjesnaam Harman). Ze had een één jaar oudere broer William (roepnaam Bill).
De familie had het niet breed en toen vader midden in de Grote Depressie zijn
baan verloor trok het hele gezin in bij de ouders van moeder en hun vier nog
thuiswonende zoons. Haar ouders en grootouders hadden grote moeite om aan de
kost te komen. De nog kleine Mary leefde vrij en blij en gedroeg zich meer als
een jongetje dan als een meisje, omdat ze meestal optrok met haar oudere broer
en haar ooms. In 1939 verhuisde vader Raymond naar zuid Californië voor een baan
bij de spoorwegen. In december van dat jaar voegden zijn vrouw en kinderen zich
bij hem en ze vestigden zich in Glendale. Ze bouwden een huis in Burbank waar ze
ongeveer een jaar later naartoe verhuisden.
In de jaren veertig volgde Mary
onderwijs aan een Openbare School. Ze deed mee aan atletiek en was lid van de
schoolband. Verder was ze een fanatiek lid van de Scouts. Daarnaast ging ze,
ondanks de streng joods-christelijke opvoeding van haar moeder, af en toe naar
de film. Ze kreeg grote bewondering voor de filmcomédienne Betty Hutton. Ze werd
de clown van de klas en van haar familie en bleek een talent te zijn in het
playbacken en ze kon ook goed radiokomieken nadoen, tot groot genoegen van haar
vriendinnen en haar familie.
Miss Burbank
1948
Voor de lol deed ze mee aan de locale missverkiezingen voor 'Miss Burbank',
die ze nog won ook ! Eigenlijk deed ze er aan mee omdat iedere deelnemer een
zijden sjaal, een blouse en een gratis lunch kreeg. Ze playbackte het nummer "I'm Square in the
Social Circle". Er waren
talentenjagers van zowel Warner Bros. als MGM aanwezig en zij zagen direct
haar mogelijkheden voor de film. Het verhaal gaat de ze er om tosten wie
haar mocht hebben voor een screentest en dat de talentenjager van Warner
Bros. won. De joodse kerk waar de familie naar toe ging verbood acteren,
maar haar vader zag haar talent en steunde haar. Hij zag het ook als een
mogelijkheid om met het geld dat ze daarmee zou verdienen haar
schoolopleiding te bekostigen. Uiteindelijk steunde ook haar moeder haar
omdat ze er geen kwaad in zag dat ze doorging in de filmindustrie.
Mary deed niet lang daarna de
screentest en ze kreeg, op 16-jarige leeftijd, een contact voor $ 260 per maand.
Tot haar ongenoegen veranderde de studiobaas Jack Warner haar voornaam in Debbie
en verder moest ze verplicht drie uur per dag naar school in de filmstudio.
Naarmate de tijd verstreek werd het duidelijk dat haar uren op school in de
studio weinig vruchten afwierpen. Haar moeder zorgde er nu voor dat ze in de
tijd dat ze niet nodig was in de filmstudio naar de John Burroughs Highschool in
Burbank ging.
Haar carrière bij Warner Bros. kwam
maar moeizaam van de grond. De directie van de studio vond het moeilijk om iets
te vinden dat bij haar unieke persoonlijkheid paste. Debbie nam dans- en
acteerlessen en voor de rest zwierf ze maar wat rond in de filmstudio.
Eindelijk, in de herfst van 1948, kreeg ze een rolletje als figurant in "June
Bride" met Bete Davis in de hoofdrol. Direct daarna maakte de studio gebruik van
een optie in haar contract om dat tijdelijk op te schorten. Begin 1949 kreeg ze
een rol waarin ze mocht spreken in "The
Daughter
of Rosie O'Grady". Daarin speelde ze de jongere zuster van June Hayer. Hoewel ze
een komische noot aan de film toevoegde besloot Warner Bros. dat ze weinig werk
hadden voor een jong onervaren meisje als Debbie. Maar toen MGM duidelijk maakte
dat ze interesse hadden in haar en ze haar nog voor een half jaar lopende
contract wilden overnemen wees Warner Bros. dat resoluut af. Ze sloten een
contract met MGM waarin ze in één film van MGM mocht optreden. Dat werd de
muzikale filmbiografie "Three Little Words", met Fred Astaire en Red Skelton in
de hoofdrol. Na afloop van haar contract met Warner Bros. bood MGM haar een
standaard zevenjarig contract aan voor $ 1.200 per maand.
Two Weeks
With Love
Bij MGM was ze niet langer de jongste
actrice en de filmstudio liet haar acteer- en danslessen volgen tot in het
voorjaar van 1950. Toen werd ze gecast als de energieke jongere zuster van Jane
Powell in "Two Weeks With Love". Debbie's ontembare energie in luchthartige
liedjes als "Aba Daba Honeymoon" en "Row, Row, Row" (beide met Carleton
Carpenter) gaven een nieuwe dimensie aan de romantische muziekfilm. Het nummer "Aba
Daba Honeymoon" werd in Amerika een nummer drie hit in 1951. Ze werd daarmee
wellicht zelfs de ster van de film, maar ze viel in elk geval op. Kort na het
beëindigen van de opnames voor de film behaalde ze haar eindexamen van de John
Burroughs High School en gedurende de zomermaanden ging ze optreden voor de
Amerikaanse troepen op militaire bases in Californië en Korea.
Ze moest nog steeds de fijne kneepjes
van het vak leren toen ze de rol van het nichtje van Marjorie Main speelde in "Mr.
Imperium" (1951, met hoofdrollen voor Lana Turner en Ezio Pinza. In het
voorjaar van 1951 castte studiobaas Louis B. Mayer haar naast Gene Kelly en
Donald O'Connor voor, in wat haar bekendste film zou worden, "Singin' In The
Rain" (1952). Hoewel ze in het nadeel was ten opzichte van haar meer ervaren
medeacteurs, hielpen haar enthousiasme en energie bij het spelen van haar rol.
Ze slaagde er zelfs in om niet achter te blijven bij Kelly en O'Connor in een
paar ingewikkelde dansnummers (vooral "Good Mornin' "). Maar bij de meest
ingewikkelde stukken stond Debbie stil en dansten Kelly en O'Connor om haar
heen.
Singin' In
The Rain
Ondanks de huidige reputatie van "Singin' In The Rain" en het commerciële
succes kon de film toen deze werd uitgebracht de critici niet bekoren. Velen
vergeleken de film met "An American in Paris" van het jaar daarvoor, waarmee
Kelly een Oscar verdiende. Ze vonden "Singin' In The Rain" daar maar een slap
aftreksel van. Niettemin werd Debbie geprezen als een succesvolle nieuwkomer. De
film gaf MGM het vertrouwen dat ze meer kon dan een grappige bijrol spelen en
dat ze ook een hoofdrol zou kunnen spelen.
Na een kort gastoptreden in "Skirts
AHOY" (1952) trad ze de volgende drie jaar op in een serie van tweederangs
muzikale films en luchtige komedies. De films varieerden in de kwaliteit van de
scripts en in hun bijdrage aan de muziek, maar MGM stond er volledig achter.
Films als "Give A Girl A Break" (1953) en "Hit The Deck" (1955) lieten zien dat
Debbie door haar energie een matige film in haar eentje aantrekkelijk kon maken
voor het publiek. En de beste van haar komedies "The Tender Trap" (1955) toont
wat voor een innemend persoon Debbie kon neerzetten als de kwaliteit van het
script goed was, er een goede regisseur was en er getalenteerde mensen een
ondersteunende rol hadden.
Haar uitstekende optreden in het
huiselijke drama "The Catered Affair" (1956) bewees dat ze ook dramatische
rollen kon spelen. In tegenstelling tot haar energie en vitaliteit die ze liet
zien in haar rollen in muziekfilms en als komische actrice, speelde ze nu
ingetogen in "The Catered Affair". Ze toonde daarmee aan dat haar talent meer
mogelijkheden bood. Ze ontving zelfs een Oscar nominatie voor beste vrouwelijke
bijrol. Maar helaas voor haar was haar komische talent van een grotere
commerciële waarde voor MGM en de filmstudio liet haar weer terugkeren naar dit
genre.
Debbie en Eddie
Midden jaren vijftig was Debbie
een van Hollywood's populairste vrouwelijke sterren. Toen ze een romance
begon met het tieneridool, de popzanger Eddie Fisher, werd dat breed
uitgemeten in de fanbladen en in de roddelrubrieken over Hollywood. Na
maandenlange speculatie trouwden de twee op 26 september 1955. Eddie
verhuisde naar Hollywood waar hij hoopte op een filmcarrière.
Rond die tijd echter begon het studio systeem te desintegreren. Zonder hun
keten aan bioscopen, die er voor zorgde dat er een markt was voor hun films,
was het voor de filmstudio's (inclusief MGM) veel risicovoller geworden om
films te maken.
Ze konden hun personeel en
filmsterren niet langer langlopende contracten aanbieden. Maar omdat ze nog niet
al te lang bij MGM zat liep het contract van Debbie nog een aantal jaren door.
Als ze geen goede scripts voor haar hadden hielden ze haar populariteit in stand
door haar uit te lenen aan andere filmstudio's. En dus speelde ze met haar man
Eddie Fisher in zijn filmdebuut "Bundle of Joy" (1956), uitgebracht door de
filmmaatschappij RKO. Nadat op 21 oktober 1956 hun dochter Carrie geboren was
(zij werd later een bekende actrice, schrijfster en scenarioschrijfster), werd
Debbie weer uitgeleend aan Universal voor de film "Tammy And The Bachelor"
(1957). Beide films waren een groot commercieel succes en Debbie had zelfs een
hitsingle met het nummer "Tammy", het weemoedige liefdesliedje uit "Tammy And
The Bachelor". Het stond vijf weken op nummer één in de hitlijst en ze kreeg er
een Gouden Plaat voor. Het was de best verkochte single van een zangeres in
1957.
Ze scoorde nog twee hits in de top 25
met "A Very Special Love" in 1958 en "Am I That Easy To Forget" in 1960.
Kort na de geboorte van hun zoon Todd
Emmanuel (Todd werd later regisseur) op 24 februari 1958 kwam de beste vriend
van Eddie, de producer Mike Todd, om het leven bij een vliegtuigongeluk. Eddie's
pogingen om zijn vrouw, de actrice Elizabeth Taylor, te troosten mondde uit in
een liefdesverhouding tussen de twee, die in het najaar van 1958 publiek werd.
Het werd een van de meest beschreven
schandalen uit de historie van Hollywood.
Ondanks haar verdriet ging Debbie door me werken en ze verscheen in "The Mating
Game"(1959) en in twee romantische komedies met Glenn Ford "The Gazebo" (gazebo
= zomerhuisje) (1959) en "It Started With A Kiss" (1959, alle drie films van MGM. Nadat ze echtscheiding van Eddie had aangevraagd vroeg en kreeg ze
ontbinding van haar contract bij MGM. Ze hoopte dat ze als freelance artieste
meer zou verdienen en dat dit haar financieel meer onafhankelijk zou maken. De
dag nadat ze op 11 mei 1959 van Eddie Fisher gescheiden was trouwde hij met
Elisabeth Tailor. Dankzij de sympathie van het publiek voor haar als een al
populaire filmster en als vrouw die volgens het publiek onrecht werd aangedaan
en die ook nog moeder van twee kleine kinderen was, waren haar volgende films
kaskrakers, hoewel ze artistiek gezien niet al te veel voorstelden. In 1959 was
Debbie Reynolds de vijfde in rij van de degenen die het meeste geld in het
laatje bracht van de filmmaatschappij, na Rock Hudson, Cary Grant, Jimmy Stewart
en Doris Day. Het jaar daarop behield ze die positie, ondanks het feit dat de
kwaliteit van de films waarin ze speelde snel minder werd. In 1960 richtte
Debbie haar eigen bedrijf op, 'Harman Productions', en tekende ze een driejarig
contract met ABC. Voor een bedrag van $ 1 miljoen moest ze jaarlijks een serie
van televisiespecials produceren. De eerste daarvan werd op 27 oktober 1960
uitgezonden met als titel "A Date with Debbie".
Op
25 november 1960 trouwde ze met de miljonair en schoenenwinkel magnaat Harry
Karl. Ze probeerde in Beverly Hills een normaal familieleven te gaan leiden
met haar man en twee kinderen. Toch probeerde ze ook nog films te maken,
maar haar succes kende ups en downs en verminderde uiteindelijk
langzamerhand. Ze was haar imago als jong onschuldig meisje steeds meer
ontgroeid en ze was niet in staat om daar een meer volwassen imago voor in
de plaats te zetten.
Aanvankelijk waren haar films, zoals de romantische Western "The Second Time
Around" (1961), daarbij ondersteund door haar onverminderde populariteit,
nog wel een commercieel succes.
Debbie en Harry
Dat gold ook voor haar rol in het
Western epos "How The West Was Won" (1962), waarin Debbie bijdroeg aan het
menselijke element van de film. Maar in de jaren zestig begon de smaak van het
publiek te veranderen. Haar gebruikelijke luchthartige komedies zoals "The
Pleasure of his Company" (1961) met Fred Astaire en "My Six Loves" (1963) waren
minder succesvol. Ze slaagde er tijdelijk in om haar carrière nieuw leven in te
blazen met de muzikale film "The Unsinkable Molly Brown (1964). De critici
schreven lovend over Debbie en het was dat jaar een van de succesvolste films.
Ze kreeg een Oscar nominatie voor de beste actrice voor haar rol. Maar eind
jaren zestig liep haar filmcarrière ten einde en stond ze steeds vaker op het
toneel in Las Vegas. Ze werd een populaire artieste in de nachtclubs, waarbij ze
een hele nieuwe uitweg vond voor haar talent, namelijk als entertainer. Dat zou
ze meer dan dertig jaar blijven doen.
Vervolgens richtte Debbie haar
aandacht op televisie. Ze tekende een contract met NBC voor een reeks komedies
onder de naam "The Debbie Reynolds Show", waarvan de eerste op 16 september 1969
werd uitgezonden. Ze kreeg echter een meningsverschil met NBC over de sponsor
van de show. Dat was een sigarettenfabrikant en dit was een schending van een
van de contractvoorwaarden. Ze maakte daar zo'n stampei over dat NBC
uiteindelijk begin 1970 een einde maakte aan de show. Wel kreeg ze voor haar
show een Golden Globe nominatie. Debbie keerde weer voor korte tijd terug naar
de film. Ze speelde in de belachelijke horrorfilm "What's The Matter With Helen
?" (1971), met als tegenspeelster Shelley Winters.
Begin jaren zeventig wankelde haar
huwelijk met Harry Karl. Debbie ontdekte dat het gezin in financiële
moeilijkheden verkeerde omdat Karl zijn gokverslaving voornamelijk financierde
met haar geld en hij ook zijn eigen vermogen vergokt had. In 1973 vroeg ze
echtscheiding aan van Karl en zat ze opgezadeld met hoge schulden. Ze tekende
een contract voor een jaar om haar debuut op Broadway te maken als
hoofdrolspeelster in de reprise van de musical "Irene" uit 1919. Na een wat
moeizaam begin kreeg de musical steeds meer succes en Debbie ontving in 1974 de
prijs voor de beste musicalactrice.
Na "Irene" keerde Debbie terug op de
planken in Las Vegas, waar ze de volgende jaren optrad. Daarnaast kwam ze op
televisie, deed aan fondsenwerving voor een instelling die emotioneel gestoorde
kinderen helpt, trad ze op in de reprise van "Annie Get Your Gun" (1977) en
toerde ze rond met een serie live voorstellingen o.a. in Londen (in het
Palladium in 1975) en Australië.
In 1981 startte ze weer met een
nieuwe serie televisiekomedies "Aloha Paradise", dit keer voor ABC. Ook deze
serie liep niet lang. Wel speelde ze soms gastrollen in andere series, zoals
"Alice", "The Love Boat en "Jennifer Slept Here". In 1982 keerde ze nog kort
terug op Broadway om Raquel Welch te vervangen in "Woman of the Year". Het jaar
daarop bracht ze een zeer succesvolle video uit met gymnastiekoefeningen onder
de titel "Do It Debbie's Way".
Debbie en Richard
Op 25 mei 1984 trouwde ze met
haar derde man, de projectontwikkelaar Richard Hamlett. In 1988 verscheen
haar biografie "Debbie: My Life". Het was min of meer een antwoord op de in
1981 verschenen biografie van Eddie Fischer, waarin hij over zijn huwelijk
met Debbie schreef.
In 1989 toerde ze met Harve
Presnell door de Verenigde Staten met een reprise van "The Unsinkable Molly
Brown".
Na jaren optreden in Las Vegas
kocht Debbie in 1991 haar eigen hotel/casino,
het pas gerenoveerde Paddlewheel.
Daar trad ze op en toonde ze een deel van haar uitgebreide verzameling
Hollywood rekwisieten (veel daarvan had ze op een veiling van MGM in 1970
gekocht).
Haar huwelijk met Richard Hamlett
liep in 1994 op de klippen. Haar hotel/casino maakte (niet door haar toedoen)
zware tijden door en in 1997 ging het failliet.
Midden jaren negentig blies Debbie
haar filmcarrière nieuw leven in en ontving ze een Golden Globe nominatie voor
haar rol in "Mother" (1996). Ze verscheen regelmatig in de series "In & Out"
(1997) en "Zack and Reba" (1998). In 2000 sprak ze de stem in van 'Lulu Pickles'
in de kindertekenfilm "Rugrats in Paris: The Movie". In 2001 was ze, naast
Shirley McLaine, Joan Collins en Elisabeth Elizabeth Taylor een van de sterren
in de televisiefilm "These Old Broads" (old broads = oude wijven). Ze ging ook
nog door met live optredens in Las Vegas en in de rest van Amerika. Vanaf 1999
trad ze regelmatig op in de televisieserie Will and Grace (laatste aflevering in
VS mei 2006), als de moeder van Grace Adler.
Wat Debbie verder bezighoudt is haar
Hollywood verzameling. Die heeft intussen een plaats gekregen in 'Hollywood
Highland' in de buurt van het Chinese Theater. Het museum 'Hollywood Motion Picture Collection'
werd in april 2002 geopend.
Het museum heeft een oppervlakte van meer dan 1.400 vierkante meter. Zo heeft
het museum meer dan 3.000 kostuums en onder andere de tulband van Carmen
Miranda, een paar rode slippers van Judy Garland uit "The Wizard of Oz", geweren
van John Wayne, een badpak van Betty Grable, het vest en de gitaar van Julie
Andrews uit "The Sound Of Music" en de jurk van Marilyn Monroe die opwaaide in
"The Seven Years Itch".
Debbie Reynolds heeft een ster in de
Hollywood Walk of Fame.
Kijk en luister naar Debbie Reynolds
(TIP: mocht uw internetverbinding niet snel genoeg zijn, klik dan links onder op
II)
(er ontstaat dan een driehoekje met de punt naar rechts)
(laat u het filmpje downloaden en klik dan op het driehoekje)