Jo Stafford werd
op 12 november 1917 als Jo Elisabeth Stafford geboren in Coalinga (Californië).
Ze was de dochter van Grover Cleveland Stafford (een werknemer van Shell) en
Anna (meisjesnaam York, van beroep gezinshulp).
In de herfst van
1917 verlieten Grover en Anna met hun twee dochters hun landbouwgemeenschap in
Gainesboro (Tennesse) om te vertrekken naar de olievelden van Californië in de
hoop daar hun levensstandaard te kunnen verbeteren. Ze vestigden zich in een
klein huis dat eigendom was van de oliemaatschappij, op een stuk land dat "Lease
35" genoemd werd, in het plaatsje Coalinga in de buurt van Fresno. Jo had op een
boerderij gewerkt en Anna stond bekend als bespeelster van de vijfsnarige banjo.
Twee maanden na hun aankomst werd Jo Elisabeth geboren. Zeven jaar later zouden
ze nog een dochter krijgen.
In 1921
verhuisde het gezin naar Long Beach, omdat er een olieveld gevonden was in
Signal Hill. Jo ging naar de Hamilton Jr. High School en de Polytechnic High
School. Ze begon te zingen
toen ze 12 jaar was en ze kreeg zanglessen voor een opleiding tot operazangeres.
De zanglessen kreeg ze van Foster Rucker, een omroeper bij de locale KNX radio,
die later met haar zuster Pauline trouwde. Pauline zei daarover: "Rucker was een
goede leraar en soms hoefde ze een half jaar niet te zingen en dan deed ze
ademhalingsoefeningen en andere vocale trainingen." In 1929 trad Jo voor het
eerst in het openbaar op bij een bijeenkomst van Jobs' Daughters met het lied "
Believe Me If All Those Endearing Young Charms" en op haar zestiende zong ze een
aria van de opera Rigoletto in het Long Beach Terrace Theater.
Haar twee oudere
zusters, Christine en Pauline, begonnen op te treden bij het locale radiostation
KNK met Country & Western liedjes onder de naam The Stafford Sisters. Nadat Jo
haar Middelbare School had afgemaakt ging ze ook deel uitmaken van The Stafford
Sisters. Het was de tijd van de Grote Depressie en er was weinig vraag naar
operazangers en -zangeressen. Het programma waarin ze optraden heette The
Crockett Family of Kentucky. Het programma had vijf keer per week een uitzending
van een uur. Daarnaast hadden de zusters drie dagen per week zelf een 15 minuten
durend programma op KHJ radio in Los Angeles. Ze brachten populaire liedjes en
ze werden gebruikt voor de soundtracks bij films van alle belangrijke
filmstudio's in het nabijgelegen Hollywood. Verder traden ze ook regelmatig op
in de radioshow van David Broeckman op KHJ radio.
In 1938 was er
een film van Twentieth Century Fox waarvoor een groot koor nodig was. Die
stelden ze samen uit de groot aantal groepen die soundtracks inzongen en die al
voor hun werkten. De film, "Alexander's Ragtime Band", was een onderhoudende
musical die in chronologische volgorde verslag deed van de ups en downs van deze
aristocratische bandleider. In de film zaten een aantal liedjes van Irving
Berlin, waaronder de titelsong. Ze hadden maar weinig te doen en tussen de
opnames door begonnen ze samen met de zeven jongens van de groep Esquires en een
andere groep,The Rhythm Kings, een beetje samen te zingen. Wat begon als een
tijdverdrijf en een beetje lol maken werd later de start van een nieuwe groep,
de Pied Pipers.
Toen haar
zusters trouwden vielen The Stafford Sisters uit elkaar. In 1941 trouwde Jo met
John Huddleston. Toen The Stafford Sisters uit elkaar gingen trad ze toe tot de
kort daarvoor gevormde nieuwe groep, de Pied Pipers, waar haar man ook deel van
uitmaakte. Daarnaast maakten Hal Hooper, Chuck Lowery, Bud Hervey, George Tait,
Woody Newbury, en Dick Whittinghill deel uit van de formatie van acht personen.
De groep werd erg populair bij de locale radiostations en ze werden veel
gevraagd voor de soundtracks van films.
De nieuwe sound
die ze lieten horen trok de aandacht van twee van de King Sisters, Alyce en
Yvonne, die hun vriendjes Paul Weston en Axel Stordahl aanmoedigden om eens te
gaan luisteren naar dit nieuw gevormde octet. In die tijd waren Weston en
Stordahl hoofdarrangeurs van het Tommy Dorsey's orkest en hielpen ze hem bij de
productie van zijn radioprogramma in New York, The Raleigh-Kool Show. De Pied
Pipers werden nu uitgenodigd voor een eenmalig optreden in de radioshow van
Tommy Dorsey. Op de dag van de uitzending reed de groep naar New York. Dorsey
vond ze zo goed dat hij ze 10 weken wilde laten optreden. Maar bij de tweede
uitzending hoorde de sponsor van het programma hen en hij vond er niets aan. Dus
werden ze gelijk ontslagen. Ze bleven zo'n drie maanden in New York, waar ze
maar weinig verdienden. Toen ze door hun geld heen waren keerden ze per trein
terug naar Californië. Een aantal leden van de groep hadden gezinnen en zij
verlieten de groep.
The Pied Pipers
Toen ze weer
thuis waren kon Jo geen werk krijgen. Maar toen kreeg ze een telefoontje van
Tommy Dorsey om bij zijn band te komen zingen in het Palmer House in
Chicago. Het was toen december 1939 en ze richtten Pied Pipers opnieuw op.
Het werd een kwartet dat naast Jo bestond uit haar man John Huddleston en
verder Chuck Lowery en Clark Yocum, een zanger en gitarist van het orkest
van Dorsey. In 1940 kwam er een nieuwe zanger bij de band werken, Frank
Sinatra. De groep fungeerde als achtergrondkoor voor hem en ook bij zijn
eerste platenopnames. Het resulteerde in een nummer één hit in Amerika met
het nummer "I'll Never Smile Again".
Tommy Dorsey gaf
later aan Jo de gelegenheid om ook solo te zingen en in 1942 maakte ze haar
eerste soloplaat bij Columbia Records, " Little Man with a Candy Cigar". Later
heeft Columbia Records haar nog geëerd met een Diamond Award als de eerste
artiest die 25 miljoen platen had verkocht.
De volgende drie
jaar bleven de Pied Pipers bij de band van Dorsey, waarbij ze per bus of per
trein van plaats naar plaats trokken voor meestal maar éen optreden. Bij
uitzondering bleven ze soms een aantal weken in dezelfde plaats. In 1942 kreeg
Dorsey, die bekend stond om zijn slechte humeur, slaande ruzie met Lowery en
ontsloeg hem op staande voet. Maar de Pied Pipers hadden zelf al een naam
opgebouwd en ze verlieten met z'n allen de band. Ze traden op in verschillende
radioshows met onder andere Frank Sinatra.
Jo Stafford en
John Huddleston scheidden van elkaar in 1943.
In april 1944
tekenden de Pied Pipers een contract met Capitol Records. Huddleston die de
groep verlaten had ging werken voor de oorlogsindustrie en werd vervangen door
een van de oorspronkelijke leden van de Pied Pipers, Hal Hooper. Al begin 1944
had Jo Stafford de band verlaten ook om te gaan werken aan een solocarrière bij
Johnny Mercer. Ze tekende een contract bij het pas opgerichte Capitol Records en
daar kwam ze Paul Weston weer tegen die nu muziekdirecteur bij Capitol Records
was. Ze nam bij Capitol
Records hits op zoals: "Candy", "Serenade of the Bells", "That's for Me" en "The
Tennessee Waltz". Het eerste
nummer dat ze bij Capitol Records opnam, "How Sweet You Are", haalde in februari
1944 de 14-de plaats in de Amerikaanse hitlijsten. Later ging ze naar New York
om daar te gaan optreden in de Club Martinique. Het was de eerste en laatste
keer dat ze in een nachtclub optrad.
Jo Stafford was
erg populair bij de militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze noemde haar
liefkozend 'G.I. Jo' en ze werd door veel militairen gekozen tot hun favoriete
vocaliste. Ze was vaak te vinden op militaire bases en in militaire ziekenhuizen
in heel de Verenigde Staten. Haar vertolking van Irvin Berlin's "I Lost My Heart
at the Stage Door Canteen" maakte haar zeer populair onder de militairen. Ze is
uniek omdat ze door de militairen tot favoriete zangeres gekozen werd tijdens
zowel de oorlog in Korea als tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Ze hoorde een
grappig verhaal toen ze twee piloten ontmoette die haar vertelden dat ze door
haar bijna voor de krijgsraad moesten verschijnen. Na een missie boven Duitsland
waren ze op de terugweg naar Engeland en tegen alle regels in luisterden ze naar
de Armed Forces Radio. Eenmaal boven Engeland hoorden ze een nummer van haar. In
plaats van terug te schakelen naar de juiste frequentieband om hun
landingsinstructie te krijgen, veranderden ze hun koers en wachtten ze daarmee
tot het lied uit was.
In
1946 had Jo haar eigen radioshow, The Chesterfield Supper Club, in nauwe
samenwerking met Perry Como en later Peggy Lee. Ze bleef bij Capitol Records tot
1950 toen ze contract afsloot met Columbia Records. Als gevolg daarvan kreeg ze
nog een radioshow, The Jo Stafford Show. Verder had ze gastoptredens in de
radioshows Carnation Hour en Club 15. In de jaren 40 had ze bijna 40 nummers die
de top 20 in de hitlijsten haalden.
De Koude Oorlog
speelde een belangrijke rol in haar carrière. In 1950 werd ze door de regering
van Truman
ingehuurd als omroepster van het door de Amerikanen gefinancierde radiostation
Radio Luxembourg om anticommunistische ideeën te verspreiden. Ze werkte er bijna
drie jaar. Het station had een uitzendvermogen van 200 Watt (een zeer krachtig
radiostation dus) en was in die tijd het enige commerciële radiostation van
Europa. Het strooide met meer dan 400 uitzendingen anticommunistische propaganda
uit over 350-miljoen mensen in Europa. Zelf maakte Jo iedere week een muzikale
show van een half uur. De toenmalige Britse directeur van Radio Luxembourg zei
daarover: "Op haar eigen rustige manier verkoopt Stafford Amerika aan Europa."
Verder werkte ze ook nog als diskjockey voor het radiostation Voice of America,
waar ze vaak bekende namen te gast had waarvan ze de muziek draaide. Ze trad ook
op in Europa en in 1952 stond ze als topattractie in het prestigieuze Palladium
in Londen.
Op 26
februari 1952 trouwde ze met Paul Weston en 9 maanden later werd hun zoon
Tim geboren, in 1956 gevolgd door de geboorte van dochter Amy.
In 1954
kreeg ze haar eigen televisieshow, The Jo Stafford Show, bij CBS. Later
kreeg Jo een aantal sterren op de Hollywood Walk of Fame, één voor haar
platen, één voor haar radiowerk en één voor haar televisiewerk.
Jo en Paul
Een aantal van haar
belangrijkste hits zijn: "You Belong to Me", "Shrimp Boats" (geschreven door haar
man Paul Weston), "Make Love to Me", Jambalaya", "Hey Good Lookin' " (met
Frankie Laine), "Goodnight Irene", "Keep it a Secret," een van haar favoriete
liedjes, Jerome Kern's "All the Things You Are" en "Thank you for Calling".
Tussen 1944 en 1954 had ze 75
nummers in de Amerikaanse hitparade.
Eind jaren
vijftig ging ze minder optreden om meer tijd bij haar kinderen te kunnen
doorbrengen. Rond die tijd ging haar man Paul
Weston, in die tijd muziekdirecteur van Columbia Records, naar een conventie in
Key West (Florida). Laat op de avond speelde hij in de bar op de piano en begon
hij op een humoristische manier liedjes te spelen en noemde zichzelf Jonathan.
Twee van de managers van Columbia Records die bij hem waren moedigden hem aan om
er een plaat van te maken als ze weer terug in Californië zouden zijn. Dat deed
hij samen met zijn vrouw en hij noemde haar Darlene. Voor de opname gebruikten
populaire liedjes waarvan ze zelf niet hielden. Ze zongen en speelden een beetje vals en de
piano was ook niet helemaal zuiver. Het resultaat was een serie opnames van
"Jonathan en Darlene Edwards". Voor hun tweede album kregen ze in 1960 een
Grammy Award voor het Beste Comedy Album.
In 1961
verhuisde het gezin voor de zomer naar Londen en maakte Jo een serie
televisie-uitzendingen voor het Britse net ATV. De programma's werden niet
alleen in Engeland uitgezonden, maar ook in de Verenigde Staten, Australië,
Nieuw Zeeland en Canada. Onder haar gasten waren Ella Fitzgerald (die zij als de
beste zangeres van de wereld beschouwde), Bob Hope en de komiek Peter Sellers.
Jo
zong ook samen met artiesten als Frankie Laine, Gordon MacRae en anderen. Met
haar man zong ze volksliedjes uit de Appalachian Mountains op een album getiteld
"Jo Stafford Sings American Folk Songs" en het was de eerste keer dat iemand bij
de vertolking van volksliedjes violen en een orkest gebruikte. Ze werd er zo
populair mee dat de American Folklore Society een 'Jo Stafford Prize in American
Folklore' instelde, een beurs voor studenten in folklore en volksmuziek. De
prijs werd begin jaren vijftig een aantal keren uitgereikt.
Ze bleef platen
opnemen tot midden jaren zestig. Toen stopte ze ermee omdat ze het gevoel had
dat ze de nieuwe eigentijdse muziek niet kon zingen. Toen haar gevraagd werd wat
haar al die jaren geïnspireerd had antwoordde ze: "Het waren de prachtige
liedjesschrijvers en de liedjes die ze maakten. De muziek was de slagroom."
Verder schreef ze eens: "Als ik in één woord die hele tijd zou moeten
beschrijven zou het 'plezier' zijn. We hadden zo'n plezier. Ik denk dat het kwam
omdat we ons werk serieus namen, maar niet onszelf."
Ze trok zich in
1975 helemaal terug uit de muziekwereld, met uitzondering van de Jonathan en
Darlene Edwards versie van "Stayin' Alive" in 1977 en een optreden in 1990 bij
een show ter ere van Frank Sinatra.
Jo won begin
jaren negentig een proces wegens contractbreuk van haar vroegere
platenmaatschappij. Ze verkreeg daarmee de rechten op al haar oude
platenopnames, inclusief de opnames van Jonathan en Darlene. Ze reactiveerde,
samen met haar zoon Tim het label Corinthian Records. Het was oorspronkelijk een
label voor religieuze muziek dat door de diepgelovige Paul Weston was opgestart.
Met de hulp van Paul stelde ze een aantal "Best of Jonathan and Darlene" albums
samen die in 1993 uitkwamen.
Jo en Paul waren
tot aan de dood van Paul ook actief in charitatieve activiteiten. Zij was
voorzitter van SHARE, een charitatieve organisatie in Hollywood die zich
gespecialiseerd had in het helpen van geestelijk gehandicapte kinderen. Vele
jaren was Jo actief bij het helpen van een organisatie voor kreupele kinderen in
Californië.
In 1996 stierf
Paul een natuurlijke dood. Ook na zijn dood ging Jo nog verder met Corinthian
Records. In 2006 schonk ze haar bibliotheek en die van Paul aan de University of
Arizona.
Op 16 juli 2008
overleed ze op 90-jarige leeftijd in Century City (Californië) aan de gevolgen
van een hartinfarct.
Kijk en luister naar Jo Stafford
(TIP: mocht uw internetverbinding niet snel genoeg zijn, klik dan links onder op
II)
(er ontstaat dan een driehoekje met de punt naar rechts)
(laat u het filmpje downloaden en klik dan op het driehoekje)