|
Gilbert Bécaud
(klik op de
afbeeldingen om ze te vergroten)
Gilbert Bécaud
werd als François Silly op 24 oktober 1927 geboren in Toulon, Frankrijk, een
levendige havenstad aan de kust van de Middellandse Zee. François had een
relatief gelukkige jeugd, ondanks het feit dat zijn vader het gezin verliet toen
hij nog jong was. De nieuwe partner van zijn moeder, Louis Bécaud, voedde de
kinderen van de familie, François, Jean en Odette, op alsof het zijn eigen
kinderen waren. Hij kon niet met hun moeder trouwen omdat haar eerste man een
echtscheiding weigerde.
François
ontwikkelde al op jonge leeftijd een passie voor muziek en het bleek al snel dat
hij een wonderkind was op de piano. Toen hij nog maar negen jaar oud was volgde
hij al lessen aan het conservatorium van Nice. Hij studeerde aan het
conservatorium tot 1942 toen de familie door de Tweede Wereldoorlog Toulon
verliet. Zijn moeder moedigde de muzikale carrière van haar jongste zoon aan en
ze liet hem onder de best mogelijke condities studeren. In 1943 vroeg de oudere
broer van François, die deel uitmaakte van het verzet in de regio Vercors, zijn
familie om te verhuizen naar Albertville in de Savoie. Kort nadat ze verhuisd
waren ging ook François deel uitmaken van het verzet.
Na de oorlog
vestigde de familie zich in Parijs en François, die pas twintig geworden was,
vond al snel werk als pianist in de locale bars en cabaretclubs. In die tijd
begon hij ook muziek te schrijven voor films onder het pseudoniem François
Bécaud. Hij registreerde zich ook onder deze naam bij de SAGEM, de Franse
vereniging voor het copyright voor liedjesschrijvers en componisten. Nadat hij
de liedjesschrijver Maurice Vidalin ontmoet had raakte de jonge pianist steeds
nauwer betrokken bij het Franse chanson. In 1948 begon François chansons te
schrijven voor de Franse zangeres Marie Bizet, die hem introduceerde bij een
andere jonge liedjesschrijver Pierre Delanoë. Vidalin, Delanoë en Bécaud raakten
nauw bevriend en samen werden ze de meest succesvolle liedjesschrijvers uit die
tijd, met talloze hits eind jaren veertig en begin jaren vijftig.
In 1950
introduceerde Marie Bizet Bécaud aan Jacques Pills, een bekende zanger uit die
tijd. Het klikte gelijk tussen de twee en Pills vroeg hem om als pianist voor
hem te gaan werken. Bécaud nam het aanbod aan en vergezelde hem op een lange
reeks van internationale tournees, waarvan er vele door de Verenigde Staten
waren. Het was tijdens een van die tournees door de Verenigde Staten dat Bécaud
de Franse zangeres Edith Piaf ontmoette, een zangeres waar Bécaud en Pills graag
liedjes voor wilden schrijven. Bécaud en Pills gingen bij elkaar zitten en
schreven het nummer "Je t'ai dans la peau", een lied waar Piaf gelijk gek op was
en ze maakte het een grote internationale hit. Kort na hun ontmoeting trouwden
Edith Piaf en Jacqes Pills met elkaar. Daarmee kwam een einde aan de
samenwerking van Bécaud en Pills, maar hun vriendschap bleef bestaan en Bécaud
werd de manager van Piaf in plaats van de pianist van haar man.
In 1952 nam
François officieel een nieuwe artiestennaam aan, Gilbert Bécaud. Rond die tijd
ook creëerde hij zijn legendarische imago met zijn gestippelde stropdas, het
type stropdas dat rond zijn nek hing voor de rest van zijn carrière.
Later in
datzelfde jaar ontmoette Bécaud Louis Amade die naast Delanoë en Vidalin de
belangrijkste liedjesschrijver voor hem zou worden. Amade, een hoge ambtenaar,
ging zijn tijd verdelen tussen de verplichtingen voor zijn werk en zijn passie
voor de muziek. In 1952 had Bécaud een andere belangrijke ontmoeting met een
andere jonge zanger en liedjesschrijver, Charles Aznavour. Edith Piaf had
Aznavour, zoals ze ook met Bécaud gedaan had, geholpen om zijn carrière in
Amerika van de grond te trekken. Bécaud en Aznavour vonden dat ze veel gemeen
hadden en ze gingen samenwerken met het schrijven van liedjes. Ze bleven een
levenslange vriendschap onderhouden.
Voor zijn
persoonlijke leven was 1952 ook belangrijk omdat hij in dat jaar in het huwelijk
stapte met Monique Nicolas. Met zijn carrière ging het ook goed. Zijn eigen
muzikale talent gecombineerd met een team van uitstekende liedjesschrijvers om
hem heen, naast de geweldige ervaring die hij had opgedaan bij de tournees samen
met Jacques Pills, zorgden ervoor dat hij klaar was voor internationale roem.
Op 2 februari
1953 ging hij naar de studio om zijn eerste twee singles op te nemen, "Mes mains"
(geschreven door Pierre Delanoë) and "Les Croix" (geschreven door Louis Amade).
Op diezelfde dag ging zijn vrouw Monique naar het ziekenhuis waar hun eerste
zoon Gaya geboren werd.
In 1954 werd het
Olympia theater heropend, de beroemdste Franse concerthal aller tijden,
gevestigd in Parijs. Het theater had 25 jaar
leeggestaan en haar eigenaar Bruno Coquatrix zocht naar sterren om de heropening te vieren. Coquatrix bood Bécaud
aan om op de avond van de opening in februari 1954 op te treden. Dat accepteerde
hij, maar Bécaud was in die tijd nog iemand die optrad in het voorprogramma van
grote artiesten. Toen hij op 17 februari 1955 in het Olympia terugkeerde was hij
zelf al een ster en zijn optreden zette het Olympia in vuur en vlam. Bécaud gaf
een legendarische matinee, waarbij 4.000 tieners op en neer sprongen en met zijn
liedjes meezongen. Omdat ze meegesleept werden door zijn energieke optreden op
het podium raakte het publiek overenthousiast en begonnen ze stoelen uit de
vloer te rukken en vernielden ze het splinternieuwe decor van het Olympia. Dit
gedrag was in de jaren vijftig in Frankrijk zeer ongewoon. De Franse pers
schreef uitgebreid over zijn optreden en doopte de jonge Bécaud tot "Monsieur
Dynamite", "The Atomic Bomb" en zijn beroemdste bijnaam "Monsieur 100.000
volts".
Dit
legendarische concert maakte hem op slag beroemd in Frankrijk. De jonge zanger
zou zijn enthousiaste ontvangst in het Olympia nooit vergeten en hij bleef trouw
aan het Olympia voor de rest van zijn carrière. Tussen 1954 en 1997 trad hij
daar maar liefst 30 keer op, een record dat door geen enkele andere artiest
geëvenaard werd.
Bécaud's jeugdig
enthousiasme, zijn Mediterrane charme en zijn bruisende energie zorgden ervoor
dat hij in de hele wereld een publiekslieveling werd. In 1955 stak Bécaud al
zijn tijd en energie in het geven van live concerten in heel Europa. De
onvermoeibare Bécaud gaf vervolgens optredens in Noord Amerika en het Noord
Westen van Afrika. Tijdens deze tournee gaf hij in totaal maar liefst 250
concerten ! Maar intussen ging hij ook gewoon door met het schrijven van
liedjes, samen met Vidalin, Delanoë en Amade. Bécaud nam tussendoor ook nog even
de tijd om nieuwe platen op te nemen. Hij bracht eind jaren vijftig een reeks
hits uit, zoals "La corrida" in 1956 gevolgd door "Les marchés de Provence" in
1957 en zijn klassieker "C'est merveilleux l'amour" in 1958.
In 1956 vond
Bécaud ook nog de tijd om aan een filmcarrière te beginnen. Onder regie van
Marcel Camé speelde hij een hoofdrol in de film "Le pays d'où je viens". Het
multi-talent Bécaud schreef ook nog eens de soundtrack van deze film. Hoewel hij
veel plezier beleefde aan het maken van films, bleef zijn zangcarrière altijd op
de eerste plaats staan.
In 1957 vond er
nog een heugelijke gebeurtenis voor hem persoonlijk plaats. Zijn vrouw Monique
baarde hun tweede kind, hun zoon Philippe. Maar het volgende jaar was minder
voorspoedig omdat Bécaud's echte vader overleed en nog geen twee weken later
zijn stiefvader.
Intussen ging
het met zijn muzikale carrière steeds beter. Tegen 1960 was hij internationaal
een van de meest gevierde artiesten die duizenden mensen naar zijn concerten
trok. En ook in Frankrijk was hij een grote ster. In 1960 kenden de critici hem
voor zijn zang en liedjesschrijven de prestigieuze "Grand Prix du Disque" toe.
Later in dat jaar componeerde Bécaud, die altijd experimenteerde met nieuwe
ideeën, de kerstcantate "L'Enfant à l'étoile". De cantate werd op kerstavond van
1960 opgevoerd in Parijs in de kerk Eglise Saint-Germain-l'Auxerrois en het trok
tienduizenden kijkers bij de live uitzending op de Franse televisie.
In
1961 bestormde hij weer de Franse hitparade met zijn hitsingle "Et maintenant",
geschreven door Pierre Delanoë. Het werd een van de beroemdste nummers uit zijn
hele carrière. Het nummer werd meer dan 150 keer gecoverd door een rij aan
Franse sterren. De Engelstalige versie van het nummer "What now my love" werd
een grote internationale hit.
Aangemoedigd
door zijn succes met de kerstcantate in 1960 ging Bécaud in 1962 een nog grotere
uitdaging aan. Hij zette zijn eerste opera op het podium. Hij had er
verschillende jaren aan gewerkt en de opera met de titel "L'Opéra d'Aran" had
zijn première op 25 oktober 1962 in het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs.
Het orkest, onder leiding van de beroemde Franse dirigent Georges Prêtre, gaf
een briljante uitvoering van Bécaud's werk. De opera werd geprezen door de
critici en was ook commercieel gezien een groot succes. Tot op de dag van
vandaag wordt "L'Opéra d'Aran" internationaal nog steeds uitgevoerd.
Maar het Franse
publiek weigerde haar nieuwe zangidool op te geven en ondanks zijn succes als
componist verlegde Bécaud zijn aandacht weer naar zijn zangcarrière. In 1963
maakte hij weer een grote internationale tournee die hem zelfs tot in Japan
bracht. Later dat jaar ging hij weer naar de studio om een aantal hitsingles op
te nemen, waaronder de klassieker "Un Dimanche à Orly", een humoristisch nummer
over de vele keren die Bécaud op dit Parijse vliegveld verbleef.
Bécaud
bleef in Frankrijk onverminderd populair, maar zijn status van meest favoriete
zanger werd begin zestiger jaren bedreigd door de, zoals de Fransen zeggen, Yéyé
generatie. De jonge zangers uit die tijd pasten de uit Amerika overgewaaide rock
and roll aan voor de Franse markt. Al snel bouwden ze daarmee een aanhang op van
gillende teenagers. De oudere Franse chansonniers, zoals Bécaud en Aznavour
liepen het risico om uit de mode te raken door nieuwe rocksterren als Johnny
Halyday. Maar Bécaud ging met zijn tijd mee en begon nummers te schrijven voor
de nieuwe sterren, zoals Richard Anthony en Hervé Vilard. Een andere nieuwe
ster, Eddy Mitchel, coverde Bécaud's klassieker "Et maintenant" en Bécaud’s "Age
tendre et tête de bois" werd de herkenningsmelodie van een goed bekeken
tienerprogramma op de Franse televisie.
In
oktober 1963 was de hele Franse natie geschokt door het overlijden van Edith
Piaf en Jean Cockteau, twee van de beroemdste Franse sterren aller tijden. Zij
stierven enkele uren na elkaar. Bécaud was diep bedroefd over het overlijden van
Piaf. Maar de dood van Cockteau schokte hem nog meer, omdat hij een boezemvriend
van hem was en hij een van de eerste mensen was geweest die hem had aangemoedigd
aan het begin van zijn zangcarrière.
In
1964 nam Baud het nummer "Nathalie" op. Het werd weer een van de grootste hits
uit zijn carrière. Later dat jaar bracht Bécaud het nummer live in het Olympia
bij zijn tiende concert in dit theater. Direct na zijn concert maakte de
onvermoeibare Bécaud een tournee door Frankrijk en de rest van Europa met zijn "L'Opéra
d'Aran". Uit 1964 stamt ook zijn nummer "L'orange", waarvan de tekst geschreven
werd door Philippe Delanoë en muziek van hemzelf. In 1965 maakte hij opnieuw een
tournee door Frankrijk om vervolgens in april te vertrekken voor een reeks
concerten in de Sovjet Unie. Later dat jaar scoorde hij nog twee hits met "Quand
il est mort le poète" en het zeer controversiële "Tu le regretteras", een nummer
opgedragen aan Charles de Gaulle. De single veroorzaakte vele protesten in de
Franse pers omdat die werd uitgebracht tijdens de campagne voor de
presidentsverkiezingen. Bij zijn latere concerten bracht hij het nummer dan ook
niet meer.
Tegen die tijd
was Bécaud intussen een internationale ster geworden. In het voorjaar van 1966
maakte hij een tournee van zes weken door Duitsland. Na zijn terugkeer bereidde
hij zich voor op een speciaal concert voor zijn fans in de Verenigde Staten dat
op 22 april 1966 live werd uitgezonden op de Amerikaanse televisie. Na zijn
succes in Noord Amerika veroverde Bécaud ook het zuiden van dit continent met
een uitgebreide tournee door Zuid Amerika. Op 8 oktober van dat jaar bracht hij
zijn "L'Opéra d'Aran" in België op de planken. Nog in datzelfde jaar maakte hij
een platenopname van een modernere versie van zijn opera, waarbij hij voor de
eerste keer de hoofdrol voor zijn rekening nam.
Ook in 1966 was
er weer een gelukkige gebeurtenis in zijn persoonlijke leven, want in dat jaar
werd zijn derde kind Anne geboren.
Zijn
internationale carrière verliep nu voorspoedig en internationale sterren stonden
in de rij om Engelstalige versies van zijn nummers op te nemen. Het fenomenale
succes van "What now my love" (vertaling van "Et maintenant") werd gevolgd door
de internationale klapper "Let it be me" (vertaling van zijn hit "Je
t'appartiens" uit 1955). Alle topsterren uit die tijd, zoals Bob
Dylan, Nina
Simone, Sonny en Cher en James Brown namen hun eigen versie van "Let it be me"
op. Maar de bekendste vertolking was wel die van The Everly Brothers. Hierna
volgde Bécaud met een andere klassieker "L'important c'est la rose", een nummer
dat het publiek in extase bracht toen hij het voor het eerst op 17 november 1967
zong tijdens een optreden in het Olympia (zijn twaalfde show in dit
muziektheater).
In de zestiger
jaren verloren veel andere sterren hun status, maar de energieke Bécaud niet.
Hij bleef populair bij zijn oude fans, maar trok ook een jong publiek. Begin
jaren zeventig stootte hij weer naar de top van de Franse hitparade met de mooie
ballade "La solitude ça n'existe pas", die hij samen schreef met Pierre Delanoë.
Maar Bécauds eigen favoriete lied uit de jaren zeventig was zijn hit "La vente
aux enchères", geschreven door Maurice Vidalin. In het algemeen besteedde Bécaud
minder tijd aan het opnemen van platen. Omdat hij veel nationale en
internationale tournees maakte had hij daar ook niet zoveel tijd voor. Hoewel
hij nu eind veertig jaar was bleven zijn concerten explosief en energiek als
altijd. Het publiek hield van zijn live optredens en toen hij in februari 1972
optrad in het Olympia werd hij aan het eind van het concert maar liefst twaalf
keer teruggeroepen om een toegift te geven.
Eind 1972 bracht
zijn platenmaatschappij zes triple albums uit die vrijwel zijn hele zangcarrière
omvatte. Bécaud had besloten om een pauze in te lassen om zich weer aan zijn
acteercarrière te wijden. Eind 1972 begon hij met de opnames van de film "Un
homme libre" onder regie van Roberto Muller. In 1973 stond hij weer voor de
camera's voor de opnames van film "Toute une vie", geregisseerd door Claude
Louche. Na de opnames van deze twee films ging hij zich weer met zingen
bezighouden. In oktober 1973 trad hij voor de zestiende keer op in het Olympia.
Maar het hectische leven dat hij er op na hield begon zijn tol te eisen van zijn
gezondheid. Hij leed aan oververmoeidheid en zijn gewoonte om tussen twee shows
te roken als een schoorsteen begon ook zijn stem aan te tasten.
Maar dit alles
weerhield hem er niet van om door te gaan met zijn muziekcarrière. Op 24
december 1973 werd voor de tweede keer zijn kerstcantate, dit keer
internationaal, uitgezonden op de televisie. Drie weken later stond hij al weer
voor een reeks shows op het podium van het Olympia. Op 14 januari 1974 kwam
tijdens een optreden in het Olympia zijn vriend en mede liedjesschrijver Louis
Amado (die ook een hoge ambtenaar was) het podium op en maakte Bécaud "Chevalier
de la Légion d'Honneur", een hoge Franse onderscheiding.
De meeste tijd
in 1974 en 1975 besteedde hij aan het maken van tournees, maar in 1976 vond hij
weer tijd om platenopnames te maken. Hij ging samenwerken met een jonge
liedjesschrijver, Pierre Grosz, die een aantal hits voor hem zou schrijven,
waaronder het legendarische "Mais où sont-ils les jours heureux ?"
Maar ook met
zijn privéleven was hij druk. In 1976 trouwde hij met Kitty St John, een
Amerikaanse vrouw. Lang voordat ze getrouwd waren hadden ze al een dochter Emily
die in 1972 was geboren. Zij was zijn vijfde kind. Hij had al kinderen uit zijn
eerste huwelijk, Gaya, Philippe en Anne. Maar hij had ook nog een
buitenechtelijk kind met Janet Woollacoot, dochter Jennifer, die einde jaren
zestig werd geboren. Na zijn huwelijk met Kitty St John kocht Bécaud een enorme
boerderij in de Franse streek Poitou. Dit werd een ontmoetingsplaats voor zijn
uitgebreide familie.
Na een korte
tijd rust gehouden te hebben keerde hij op de kerstavond van 1976 weer terug op
het podium met onder andere het lied " La première cathédrale", geschreven door
een jonge Franse liedjesschrijver Franck Thomas. Het concert werd gegeven aan de
voorkant van de Notre Dame en werd live op de Franse televisie uitgezonden.
Het jaar daarna
keerde hij weer terug naar de studio en nam het nummer "L'indifférence" op. Met
dit lied, dat hij samen met Maurice Vidalin geschreven had won hij de
prestigieuze "Oscar de la meilleure chanson française". Hierna nam hij weer een
tijd vrijaf.
In 1980 trad hij
echter weer voor het voetlicht met een splinternieuw album. Hij ging weer door
de wereld toeren met onder andere optredens in Canada en Japan. In de herfst van
1980 stond hij weer voor vijf weken met veel succes in het Olympia. In 1982 had
hij weer een hit met de single "Désirée". Van de Franse vereniging voor het
copyright voor liedjesschrijvers en componisten (SAGEM) ontving hij de Gouden
Medaille voor zijn bijdrage aan de Franse muziek.
Het jaar daarna
vierde hij zijn 30-jarige platencarrière en gaf hij weer een serie shows in het
Olympia. In 1984 trok hij veel media-aandacht met zijn nieuwe single "Mustapha
Dupont", een lied over de Franse gemeenschap van immigranten. Dat was begin
jaren tachtig al een gevoelig onderwerp.
In 1986 had hij
weer een nieuw succes. Zijn musical "Madame Roza" werd voor het eerst in de
Verenigde Staten opgevoerd. Eigenlijk was de musical (gebaseerd op een boek van
Emile Ajar) al in 1983 klaar. Maar toen hij hem in Frankrijk op de planken wilde
brengen gaf dat allerlei problemen. De musical was in Amerika een groot succes
en trok massa's publiek. De voorstelling speelde in Baltimore en Los Angeles en
op 1 oktober 1987 was de première op Broadway in New York. En hoewel de musical
ook op Broadway een groot succes was, duurde het nog jaren voordat "Madame Roza"
in Parijs in première ging.
In 1988 stond
hij voor de 22-ste keer op het podium van het Olympia. Hij had twee shows, de
ene avond speelde hij zijn "Rode Show" en de ander avond zijn "Blauwe Show".
In 1988 nam hij
ook afscheid van zijn platenmaatschappij EMI. Hij tekende een nieuw contract bij
BMG Ariola en de platenmaatschappij kocht gelijk de rechten op de meeste van
zijn oude nummers. Het jaar daarop nam hij zijn eerste album voor deze
platenmaatschappij op "Fais-moi signe". Het album bevatte uitstekende nummers
die door Pierre Delanoë en Louis Amade geschreven waren, maar ook materiaal van
nieuwe liedjesschrijvers, zoals Claude Lemesle ("Quand la musique s'arrète") en
Didier Barbelivien ("Après toi c'est la mer").
In 1991 verloor
Bécaud zijn moeder, die overigens 100 jaar oud werd. Na de dood van zijn moeder
stortte hij zich in zijn werk en gaf wereldwijd maar liefst 249 concerten om
vervolgens van 1 tot 20 oktober 1991 weer terug te keren in zijn geliefde
Olympia. Later dat jaar, terwijl hij nog steeds treurde om de dood van zijn
moeder en het verlies van zijn oude vriend Yves Montand in november, kondigde
Bécaud aan dat hij op het punt stond om te stoppen met de muziek.
Maar tot ieders
opluchting keerde hij in 1992 weer terug in de studio om een derde versie van
zijn "L'Opéra d'Aran" op te nemen, geproduceerd door zijn zoon Gaya. Hij zette
zich weer aan het werk om samen met Pierre Delanoë 16 nummers te schrijven voor
zijn nieuwe album. Het album werd opgenomen in de Verenigde Staten met de
Amerikaanse producer Mick Lanaro. Het autobiografische album met de titel "Une
vie comme un roman" ging over Bécaud's levensverhaal vanaf zijn geboorte in
Toulon tot aan zijn 22-ste optreden in het Olympia. Het album werd uitgebracht
op 2 februari 1993, een paar maanden na het overlijden van zijn oude vriend
Louis Amade. Aan het eind van 1992 gaf hij van 2 tot 24 oktober zeer succesvolle
concerten in het Palais des Congrès.
Hierna nam hij
lange tijd vrij om zijn gezondheid weer op orde te brengen, omdat zijn vele
roken zijn zangstem aantastte. Hij ging lekker ontspannen in zijn landhuizen in
Corsica en Poitou. En hij bracht met zijn vrouw de tijd door in hun nieuwe
woonboot die afgemeerd lag aan de Seine vlakbij Parijs. Maar hij was niet in
staat om de hele dag maar een beetje rond te hangen en tussendoor ging hij
wekenlang werken aan nieuwe nummers, samen met zijn liedjesschrijvers Pierre
Delanoë, Claude Lemesle, Pierre Grosz, Franck Thomas en Jean-Michel Bériat. Er
was in die periode ook sprake van dat zijn musical "Madame Roza" in Parijs
opgevoerd zou worden. In werkelijkheid zou dat nog tot 1996 duren.
Pas op 15
november 1996 bracht hij weer een nieuw album uit "Ensemble". Het album bevatte
nummers die hij geschreven had terwijl hij "rust hield" en ook een nummer van
zijn overleden vriend Louis Amade.
Van 13 tot 23
november 1997 vierde hij zijn zeventigste verjaardag met een serie optredens in
het Olympia. Het Olympia was een tijd lang gesloten geweest vanwege een
renovatie en Bécaud trad op bij de heropening van het vernieuwde Olympia.
Vervolgens ging hij weer op tournee in Frankrijk en de rest van de wereld en hij
gaf in januari 1998 een serie gedenkwaardige concerten in Japan.
Nadat hij nog
een grote tournee door Europa gemaakt had werd zijn "L'Opéra d'Aran" opnieuw
opgevoerd, met een nieuwe getalenteerde cast, in het Grand Théâtre in Tours.
Bécaud weigerde
om stilletjes met pensioen te gaan. In 1999 bracht hij weer een nieuw album uit
onder de titel "Faut faire avec …". Het was een erg akoestisch album waarvan de
nummers waren opgenomen met een kleine groep muzikanten. De teksten waren
geschreven door Pierre Delanoë, die zes nummers schreef, inclusief het mooie "Dieu
est mort" en door Didier Barbelivien die twee nummers schreef. Op dit album zong
hij ook een duet samen met zijn dochter Emily, "La fille au tableau", geschreven
door Luc Plamondon.
In november 1999
trad hij voor de 33-ste keer live op in het Olympia. Ondanks het feit dat Bécaud
kanker had wist hij tot grote waardering van zijn fans een reeks geweldige shows
neer te zetten. Het laatste concert van zijn leven gaf hij op 15 juli 2000 in
Frijburg (Zwitserland). In 2001 nam hij zijn laatste album op met als titel "Le
cap".
Op 18 december
2001 overleed hij rustig op zijn woonboot (Aran genaamd). Hij werd 74 jaar oud.
De condoleances stroomden van over de hele wereld binnen. Internationale grote
sterren woonden op 21 december 2001 zijn begrafenis bij in de La Madeleine kerk
in Parijs. Hij ligt begraven op het Père Lachaise kerkhof in Parijs.
Zijn laatste
album werd op 19 maart 2002 uitgebracht. Het album had geen titel en het omvatte
een collectie van 30 nummers die door zijn zoon Gaya geselecteerd werden. Gaya
toonde groot respect voor zijn vaders nagedachtenis en hij koos elf nummers die
over leven en dood en God gingen, waardoor het album een ondertoon van een
laatste vaarwel had. Het album bevatte ook een duet met Serge Lama "Le train
d'amour" en twee gedeeltes van zij musical "Madame Roza", gezongen door Annie
Cordy.
In de loop van
zijn carrière, die zo'n 40 jaar duurde, vergaarde hij een trouwe schare fans in
heel de wereld. Zijn energieke optreden op het podium trok jong en oud. Hij is
een van de meest populaire Franse artiesten aller tijden.
Kijk en luister naar Gilbert
Bécaud
Mes mains
Les marches
de provence
Et
maintenant
Nathalie
L'orange
L'important
c'est la rose
Geraadpleegde bronnen
o.a.:
Absolute Facts
Biography Base
IMDb
RFI Musique
Wikipedia
Yahoo Music
Terug naar Nostalgie
|