|
|
11. Provo's, binnen- en buitenlandse politiek Geschreven door Ilse Steel (klik op de plaatjes om ze te vergroten en op de blauwe titel van de liedjes om ze te horen en zien) (TIP: mocht uw internetverbinding niet snel genoeg zijn, klik dan links onder op II) (er ontstaat dan een driehoekje met de punt naar rechts) (laat u het filmpje downloaden en klik dan op het driehoekje) Pleiners en DijkersDit waren groepen nozems die herhaaldelijk het publiek lastig vielen en zich voornamelijk ophielden in de hal van het centraal station te Amsterdam. Op eigen gezag veegden in 1967 een tachtigtal mariniers de jeugdbendes uit de hal van het station. Hierbij hield de politie zich afzijdig omdat het centraal station niet onder haar bevoegdheid viel. Door het nu weer eens hardhandig, dan weer weifelend politieoptreden ontstond er een gezagscrisis. Het dagblad de Telegraaf noemt het "de apenrots". De gemoederen raken verhit en er heerst een overspannen sfeer. De Amsterdamse politie voerde actie tegen de jongeren. Vooral de buitenlandse jongeren, vaak minderjarig en met weinig of geen geld op zak, werden zonder pardon de grens overgezet. Door tegenstanders werd dit gezien als onrechtmatige razzia's ! Vanaf 24 Augustus 1970 is slapen op de Dam is voortaan bij wet verboden. Op de dag dat deze wet van kracht wordt vegen mariniers, zij weer, het Nationaal Monument schoon ! Provos In Amsterdam ontstond de Provobeweging. Een geweldloze beweging met anarchistische inslag van Amsterdamse jongeren en linkse studenten, opgericht door o.a. Roel van Duijn en Robert Jasper Grootveld. Provo (van provoceren) was actief in de periode 1965-1967 en zette zich voornamelijk af tegen de consumptiemaatschappij en het buitenlands beleid van de regering. De beweging droeg een combinatie van anarchistisch getinte denkbeelden en pragmatische ideeën uit (pragmatisch, niet uitgaande van starre leerstellingen, maar inspelend op de praktijk). Al snel verschijnt het maandblad Provo, waarin jongeren als Roel van Duijn en Bernhard de Vries, uiting geven aan hun onvrede met de welvaartsmaatschappij en bovendien een ideologie meegeven: vreedzaam, anarchistisch, milieubewust en solidair, maar vooral ludiek. De ideeën van de Nederlandse schilder Contstant (geb.1920) zijn van invloed geweest op de Provobeweging. Hij schreef het werk: "Opstand van de Homo-Ludens" (1969).
Er werd met de bullepees en soms met de blanke sabel op de jongeren ingeslagen. Dit ruwe optreden wekte alom verontwaardiging maar het lokte ook nieuwsgierigen zodat bij iedere volgende happening het aantal deelnemers nog groter werd. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1 juni 1966 kreeg Provo 1 zetel (Luud Schimmelpennink). Dit was een overwinning in een voor Provo onrustig jaar. In de beweging zelf werd druk gediscussieerd over de vraag of een principieel anarchistische beweging wel deel uit mocht maken van een machtsorgaan binnen de parlementaire democratie, Roel van Duijn vond dat dat wel kon. Het verkiezingsmateriaal werd herhaaldelijk in beslag genomen omdat het als opruiend werd gezien. Begin 1970 werd door de Provobeweging (die toen al kabouterbeweging heette) een alternatief staatje in een staat gesticht, "Oranje Vrijstaat". Met als eigen volkslied voor haar staat, "De uil zat in de olmen". De Provobeweging hield in de zomer van 1967 op te bestaan. Het is een feit dat deze beweging als een katalysator heeft gewerkt, zeker ten aanzien van de hervormingen van de jaren zestig. Uit Provo kwam de politieke beweging der Kabouters voort. De Kabouterpartij Deze Nederlandse politieke groepering was vooral actief in Amsterdam. De partij behaalde in 1970 met lijsttrekker Roel van Duijn vijf zetels in de Amsterdamse gemeenteraad (in totaal landelijk zeven zetels). De partij had in de Amsterdamse raad, ondanks het zetelaantal, weinig invloed en ging aan ruzie ten onder. Medeoprichter Peter Hakkenberg van Gaasberg hierover: "We werden niet altijd even serieus genomen maar hebben wel degelijk ons steentje bijgedragen." Na 1973 bloedde de Kabouter beweging dood, haar aanhangers gingen elk hun eigen weg. Roel van Duijn (geb.1943) Nederlands anarchist en publicist Roel van Duijn over zijn wethouderschap, "in die tijd bestond de democratie alleen formeel. Toen ik als wethouder gekozen dreigde te worden zei burgemeester Samkalden: als dat gebeurt, dan treed ik af. Toen ik inderdaad gekozen werd heeft hij zich enorm ingespannen om ervoor te zorgen dat ik zo snel mogelijk kon aftreden. Mijn collega-wethouders hadden een hekel aan mij, ik kwam voortdurend onder vuur te liggen, terwijl ik wel degelijk bereid was tot het sluiten van compromissen." Van Duijn was de personificatie van de Provo en van de Kabouter beweging. Hij publiceerde o.a. "Het witte gevaar" (1967), "Boodschap van een wijze kabouter" (1969) en "Het wonder van Amsterdam" (1974). Ontzuiling Vanaf ongeveer het midden van de tweede helft van de 19de eeuw kwam in Nederland het verzuilingsproces op gang. Dit leidde tot een organisatorische opdeling van de samenleving op vrijwel alle levensgebieden, politiek, welzijnszorg, onderwijs, omroepverenigingen, etc. Er ontstonden vier grote zuilen: een katholieke, een protestantse, een socialistische en een liberale. Na het organisatorische hoogtepunt in de jaren vijftig kwam in de jaren zestig, mede door de toenemende ontkerkelijking, een proces van ontzuiling op gang. In de twee daarop volgende decennia zette dit proces stevig door. De verzuilde samenleving werd hiermee definitief doorbroken. Toch zijn er in de huidige samenleving nog vormen van verzuiling aanwezig b.v. radio- en tv-omroepen. De gewone Nederlandse politiek In de jaren zestig begon het al aardig te rommelen in de politiek, er ontstonden nieuwe denkbeelden die de komende jaren aan de praktijk getoetst zouden worden. De vele maatschappelijke veranderingen in die tijd vroegen erom dat de politiek hier snel op moest inspelen. Dat het een en ander niet altijd even soepel en gladjes verliep is geen wonder. Er waren nogal wat meningsverschillen tussen de verschillende partijen die op dat moment de regering vormden. Enkele heikele kwesties waren onder meer: het mediabeleid, abortus en euthanasie. De politiek werd er wel interessanter door en de soms charismatische leiders verdedigde hun standpunt te vuur en te zwaard en kruisten regelmatig de degens met de tegenpartij. Soms was het buigen, soms barsten, maar nooit was het saai. Een belangrijk kabinet uit de jaren vijftig was dat van Willem Drees Sr. Het kabinet viel uiteindelijk over een belastingverhoging. In de jaren zestig hield deze oud-premier regelmatig een praatje voor de VARA-radio over uiteenlopende onderwerpen zoals: de drankbestrijding, de beurskrach en de aanstootgevende badkleding op het Scheveningse strand. De kabinetten van de jaren zestig en zeventig In 1959 trad het kabinet onder leiding van Prof. Jan de Quay aan, deze regeringsperiode duurde tot 1963. Kabinet Marijnen, 1963-1965. Het vraagstuk van reclame in de ether en de openheid van bestel leidde tot onoplosbare meningsverschillen tussen confessionelen en liberalen. Het kabinet viel in 1965 over het mediabeleid. Kabinet Cals, J. 1965-1966. Dit kabinet viel over de kabinetsbegroting in de beroemde nacht van Norbert Schmelzer (ook wel de teckel genoemd).
In de nacht van 13 op 14 oktober 1966 ontstond er onvrede binnen de KVP over de snelle groei van openbare en particuliere bestedingen. Het gat van 350-700 miljoen gulden, dat een studiegroep van de KVP in de begroting ontdekt meende te hebben, vormde voor de KVP-fractieleider N. Schmelzer aanleiding om tijdens een begrotingsdebat enkele kritische vragen te stellen. Toen hij daar naar zijn mening geen bevredigend antwoord op kreeg diende hij een motie in om meer waarborgen voor een evenwichtige groei en tegen verdergaande geldontwaarding en werkeloosheid te krijgen. Hoewel de regering Cals-Vondeling in deze motie een uiting van wantrouwen zag, stemden bijna alle KVP-ers voor. In socialistische kringen was men zo onthutst over deze zo genoemde moord met voorbedachte rade, dat de verhouding tussen Rooms en Rood voor vele jaren grondig verstoord was. Kabinet J. Zijlstra en De Jong, 1966-1971. Kabinet B. W. Biesheuvel, 1971-1973. Het kabinet Biesheuvel kwam in 1972 in grote moeilijkheden door de "Drie van Breda". Kotalla, Fischer en Aus der Funten, gevangen gezet wegens oorlogsmisdaden in de 2de wereldoorlog, brachten al 27 jaar in gevangenschap door. De mening en de meerderheid van de Tweede Kamer die vond dat de Drie van Breda niet in vrijheid gesteld mochten worden veroorzaakte grote spanningen binnen het kabinet. Mr. W.J.Geertsema, minister van Buitenlandse Zaken, was van plan af te treden als de regering zich niet aan het oordeel van de Kamer zou houden. Het gratieverzoek werd door de Tweede kamer afgewezen (1972). DS70 bracht het kabinet ten val wegens een conflict over de sanering van de overheidsfinanciën.
Kabinet J. den Uyl, 1973-1977, een rooms rode coalitie en de meest linkse regering die Nederland ooit heeft gekend. Dit kabinet werd geconfronteerd met een oliecrisis. De olie producerende landen gaan over tot een olieboycot. De reden is de steun van westerse landen aan Israël, en het conflict Syrië-Egypte. Naarmate landen meer afstand tot Israël namen, mochten ze meer olie importeren. Tegen Nederland, Portugal en de Verenigde Staten werd zelfs een volledig olie-embargo afgekondigd. Het kabinet Den-Uyl trof enkele maatregelen om de gevolgen van de olieboycot op te vangen waaronder autoloze zondagen (4 november 1973 tot 7 januari 1974) en benzinedistributie. Reeds na twee maanden bleek dat Nederlandse en Arabische politici zich hadden vergist in de mogelijkheid om de vrije markt voor olieproducten te controleren. Al op 25 januari 1974 ebde de paniek weg, er was olie genoeg te krijgen ! Vader Abraham scoort, samen met Boer Koekoek, in 1974 een grote hit met het nummer: "Den Uyl is in den olie", het nummer bereikt zelfs de eerste plaats in de Nederlandse hitparade. In februari scoort Farce Majeure een hit met "Kiele kiele Koeweit", ook een nummer over de oliecrisis.
Vanaf 1977 tot 1982 regeerde Dries van Agt, ook wel "het fietsend bidprentje" genoemd, met drie achtereenvolgende kabinetten. In één daarvan, met Den Uyl, was de abortuskwestie het knelpunt. Euthanasie, deze heikele kwestie stak steeds opnieuw de kop op, zo ook tijdens de kabinetten van Dries van Agt. Over zijn samenwerking met de VVD, in het kabinet Van Agt-Wiegel, is Van Agt zeer te spreken. Bestek 81, waarin premier Van Agt trachtte een programma van matiging door te voeren mislukte. Pas met het aantreden van het kabinet Lubbers werd onder scherpe controle van minster Ruding een uiterst zwaar bezuinigingsprogramma doorgevoerd (vanaf 1982). Daarna brak een nieuw politiek tijdperk aan. Politiek werd zakelijk, met Ruud Lubbers aan het roer. De politieke partijen, hun ideologie en de leiders. De Partij van de Arbeid (PvdA) werd opgericht in 1946 en kwam voort uit een samensmelting van SDAP, VDB en Christelijk Democratische Unie (CDU), aangevuld met individuele katholieken en leden van CHU en ARP. Het doel van deze partij was de verwezenlijking van een democratisch-socialistische maatschappij. De PVDA werd in 1973 met 42 zetels in de Tweede Kamer de grootste partij van Nederland. Mede dankzij de populariteit van J. den Uyl behaalde de PVDA in 1977 bij de kamerverkiezingen 53 zetels. Na deze periode raakte de partij in een crisis. Het geloof in de maakbaarheid van de samenleving begon te wankelen en de kiezers liepen weg. Joop den Uyl (1919-1987) kwam in 1956 in de Tweede Kamer. Bijna twintig jaar zou hij de politiek leider van de PVDA blijven: dertien jaar als fractievoorzitter en zeven keer als lijsttrekker bij verkiezingen. Een korte tijd was hij minister in het kabinet Cals (1965-1966). In 1967 werd hij leider van de PVDA fractie in de Tweede kamer. Het hoogtepunt in zijn loopbaan was het premierschap (1973-1977). Hoewel zijn manier van optreden niet bij iedereen in goede aarde viel (zijn vaak moralistisch toontje wekte irritatie), werd hij algemeen gewaardeerd om zijn integriteit en intellect. Grote sociale bewogenheid en gedrevenheid kenmerkten zijn politiek leiderschap. Zijn trouw aan de parlementaire democratie was boven alles verheven, zoals hij getuigde in een beroemd geworden artikel over "De smalle marges van democratische politiek." Den Uyl was een woordengigant. Voeg daarbij zijn karakteristieke houding, brilletje op de neus, licht voorovergebogen en de wijsvinger omhoog geheven (Den Uyl ten voeten uit), een beetje een schoolmeester maar dan wel een met een charismatische uitstraling. En wie herinnert zich niet zijn beroemde zin: "Ik zou twee dingen willen zeggen, aan de ene kant ........." Joop den Uyl was een persoon die kleur aan de politiek gaf en tevens een dankbaar onderwerp van cabaretiers.
Onder leiding van Hans Wiegel schoof de partij op naar rechts en slaagde zij erin om meer kiezers aan zich te binden uit alle lagen van de bevolking. De VVD werd de partij van rechts Nederland die keer op keer wees op het (veronderstelde) misbruik van de sociale voorzieningen. Belangrijke programmapunten van de VVD waren de sanering van de overheidsfinanciën en afslanking van de verzorgingsstaat.
Zijn minzame uitstraling en quasi nonchalante manier van doen verraste vaak de tegenstander in een politiek debat. Hij bleef vriendelijk maar streed op scherp van de snede, om vervolgens met zijn droge humor de scherpe kantjes er af te halen. Een grote persoonlijkheid die spanning en kleur gaf aan de politiek. Wiegel noemt Den Uyl Sinterklaas, klik hier. Democraten 66 (D66) werd opgericht in 1966 uit onvrede met het verzuilde politieke bestel. Voorstander van een pragmatische politiek. Tot de belangrijkste programmapunten behoorden de invoering van een districtenstelsel en rechtstreekse verkiezing van de minister president. Omdat D66 met deze ideeën praktisch alleen bleef staan in de Nederlandse politiek, verdween de staatsrechterlijke vernieuwingsdrang langzaam wat naar de achtergrond. D66 ontwikkelde zich tot een centrum-linkse, sociaal-liberale partij met een sterk pragmatische inslag en een grote belangstelling voor het milieu. D66 werkte samen met de PVDA en de PPR: regeerakkoord (1971). Deelname aan het kabinet Den Uyl (1973) leidde tot interne ruzies en verlies van aanhang: 1971: 11 zetels, 1972 6 zetels in de Tweede Kamer. In 1977 herstelde de partij zich met 8 zetels. De geschiedenis van de partij kenmerkt zich door sterke schommelingen. Helaas werd D66 te veel een bijwagen van de PVDA en verloor aan geloofwaardigheid wat de kiezers deed besluiten om op een andere partij te stemmen bij de volgende verkiezingen.
Onder de bezielende leiding van de jonge Hans van Mierlo kwamen de Democraten in 1967 van niets op zeven kamerzetels terecht, een regelrechte verkiezingsstunt, hij haalde er de wereldpers mee. Hij oefende een geweldige aantrekkingskracht uit op de jonge kiezers die massaal voor hem en zijn partij vielen. Een charmant ogende man met een groot charisma, een goed redenaar, maar een snel geïrriteerd politicus. Bekijk de campagne spot van D66, klik hier.
Door de verkiezingswinst van D66 in 1981 (9 zetels winst) verkreeg de partij voor de tweede maal regeringsverantwoordelijkheid en werd Terlouw minister van Economische Zaken en vice-premier. Na de grote verkiezingsnederlaag van D66 in 1982 verliet Terlouw de actieve politiek. Jan Terlouw ontving de Gouden Griffel in 1972 en 1973 in het genre jeugdboeken onder andere voor "Oorlogswinter". Hij werd een populaire schrijver. Als politicus een beminnelijke en rustige man. De Boerenpartij. Deze rechts georiënteerde politieke groepering kwam voort uit de Vereniging voor Bedrijfsvrijheid en Landbouw (BVL) die zich o.a. verzette tegen het gedwongen lidmaatschap van het Landbouwschap. Deed in 1959 voor het eerst mee aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer. In 1963 kwam de Boerenpartij met drie zetels in de Kamer. H. Koekoek (beter bekend als Boer Koekoek) werd benoemd tot fractieleider en verwierf door zijn ongekunstelde optreden een grote populariteit. De Boerenpartij ontwikkelde zich tot een protestpartij die ook (rechtse) kiezers buiten de agrarische sector wist aan te spreken. Na groot succes in 1967 (7 zetels in de Tweede Kamer) daalde de aanhang van de partij door interne twisten. Bij de verkiezingen van 1981 verdween de Rechtse Volkspartij (zoals de partij inmiddels heette) uit het parlement.
Hij werd door de beschaafde heren en dames in de politiek en media belachelijk gemaakt, maar hij haalde er winst uit voor de partij door in 1966 bij de Staten en Gemeenteraadsverkiezingen 6 % van de stemmen binnen te halen. Boer Koekoek kwam, zag en won. De Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP) werd in 1957 gesticht door antimilitaristisch christenen en radicale socialisten uit de PVDA die zich als pacifist politiek dakloos voelden (pacifisme= vredelievendheid, afwijzing van geweld). Tot het midden van de jaren zestig kenmerkte de PSP zich door een ethisch bevlogen pacifisme (ethisch, behorende tot de ethiek, moraalfilosofie). Daarnaast ontwikkelde de partij zich meer en meer tot de partij van de buitenparlementaire actie. Midden jaren zestig wierp de PSP zich, mede onder invloed van het huwelijk van prinses Beatrix, ook op als republikeinse partij. Daarnaast speelden themas als emancipatie, kernenergie, milieu, woningnood en jongerenbeleid een belangrijke rol (waarbij veel gebruik werd gemaakt van bovengenoemde buitenparlementaire acties). In het midden van de jaren zestig bereikte de partij haar hoogtepunt, bijna 5% bij de Statenverkiezingen van 1966.
De Politieke Partij Radicalen (PPR) ontstond in 1968 nadat vier kamerleden van de KVP uit de partij waren getreden (Groep- Aarden). De PPR werkte van 1972-1977 samen met de PVDA en D66. In 1972 behaalde de PPR bij de Tweede Kamerverkiezingen onder leiding van de populaire Bas de Gaay Fortman 7 zetels. Het jaar daarop trad de partij met twee ministers toe tot het progressieve kabinet Den Uyl. Daarna ging het steeds slechter met de partij en bleven ze steken in de oppositie (partij die tegen de regerende meerderheid is). De PPR ontwikkelde zich tot milieupartij, tegen kernenergie en grootschaligheid en schoof steeds verder op naar links. De partij onderscheidde zich van de andere kleinere linkse partijen door haar herhaaldelijk uitgesproken bereidheid regeringsverantwoordelijkheid te dragen. In 1990 vormde de PPR met CPN, PSP en EVP Groen Links.
De Communistische Partij Nederland (CPN) was een voortzetting (1935) van de Communistische Partij Holland (CPH) die op haar beurt in 1918 was voortgekomen uit de Sociaal Democratische Partij (SDP). Deze was in 1909 ontstaan door een scheuring in de SDAP waarbinnen een groep revolutionaire marxisten zich afscheidde. Van 1938 tot 1968 was de stalinist Paul de Groot de leider van de partij die lange tijd sterk onder de invloed van Moskou stond. De CPH/CPN was streng hiërarchisch georganiseerd. Door de koude oorlog raakte de CPN in een isolement en daalde het kiezersaandeel tot 2,4% in 1959. In de roerige jaren zestig beleefde de partij een opleving, maar veel hadden ze niet in te brengen. Haar macht was nagenoeg nihil. In de tweede helft van de jaren zeventig ging het snel bergafwaarts met de CPN en in 1986 was de partij niet langer in de kamer vertegenwoordigd. In 1991 ging de partij op in Groen Links.
De Christelijk-Historische Unie (CHU) ontstond in 1908 uit een scheuring in de ARP naar aanleiding van de kiesuitbreiding van 1895. Een groep onder leiding van A.F. de Savorin Lohman, ook wel de mensen met de dubbele namen genoemd, scheidde zich af en ging met andere protestants-christelijke groeperingen samen in de CHU. Deze partij was wat aristocratischer dan de ARP en onderscheidde zich door een lossere partijorganisatie.
De Antirevolutionaire Partij (ARP) werd in 1879 opgericht door Abraham Kuyper. De geschiedenis van de ARP gaat terug tot de eerste helft van de 19de eeuw en de ideeën van Groen van Prinsterer: tegen de revolutie het evangelie! In de jaren dertig had de partij in de persoon van H.Colijn een sterke leider die de Nederlandse politiek domineerde. In die tijd bereikte de invloed van de anti-revolutionairen een hoogtepunt. In de jaren zestig ontwikkelde de ARP zich in een meer vooruitstrevende richting. De partij benadrukte het sociale karakter van de christelijke politiek en noemde zich voortaan de Evangelische Volkspartij.
In 1980 ging de ARP met de CHU en de KVP op in het CDA. De Katholieke Volkspartij (KVP) werd in 1945 opgericht en onderscheidde zich van de vooroorlogse Rooms-Katholieke Staatspartij door open te staan voor niet katholieken en omdat zij zichzelf een programpartij noemde. Maar de praktijk wees uit dat de KVP net als voorheen de RKSP vooral een partij was voor alle katholieken.
In 1968 traden vier progressieve kamerleden uit de partij, zij vormden de kern van de latere PPR. Het verval van de KVP was een belangrijke stimulans om tot vorming te komen van een grote christen-democratische partij. In 1980 ging de KVP met ARP en de CHU op in het CDA.
Zijn poging om een programma van matiging door te voeren o.a. het ombuigen van een beleid in de richting van een sanering van overheidsfinanciën (Bestek 81) mislukte. Van Agt was redelijk populair, behalve ten tijde van de strijd om de abortusklinieken (1976), maar hij overleefde al was het kantje boord. Van Agt was heel precies, zowel in zijn uitspraak, met de zachte G, als in zijn werk. Hij formuleerde zijn zinnen weloverwogen en trok vaak een zuinig mondje. Voor de cabaretier Wim Kan was hij een bron van inspiratie zoals velen van zijn politieke tijdgenoten dat waren. DS70 werd in 1970 opgericht door een aantal verontruste leden van de PVDA die zich niet konden verenigen met de radicalisering van de sociaal-democratie als gevolg van het optreden van Nieuw Links. Willem Drees jr. werd partijleider. Hij pleitte voor bezuiniging op de overheidsuitgave en invoering van het profijtbeginsel (grondregel dat de kosten van overheidsdiensten in rekening wordt gebracht aan de gebruikers ervan). In 1971 behaalde DS70 maar liefst acht zetels bij de Tweede-Kamerverkiezingen. De partij trad met twee ministers en twee staatssecretarissen toe tot het kabinet Biesheuvel. Amper een jaar later bracht DS70 dit kabinet ten val wegens een conflict over de sanering van de overheidsfinanciën.
Twee markante persoonlijkheden Joseph Luns (1911-2002 ) politicus, diplomaat en jurist, studeerde rechten in Leiden, Amsterdam, Londen en Berlijn. In 1938 trad hij in In 1952 nam Luns als minister zonder portefeuille zitting in het tweede kabinet Drees. Tijdens zijn ministerschap viel onder meer de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië. Hij kreeg veel kritiek in de Nieuw-Guinea kwestie, waarin hij de Indonesische aanspraken miskende en zinspeelde op Amerikaanse toezeggingen voor militaire hulp in geval van een gewapend conflict. In Europees verband streefde hij naar een uitbreiding van de Europese Gemeenschappen met onder andere Groot-Brittannië, alsmede naar een vergroting van de bevoegdheden van het Europees Parlement. In Internationaal verband toonde hij zich, naar de mening van sommigen, een te serviel (slaafs) aanhanger van de politiek van de Verenigde Staten. Ten aanzien van het Atlantisch Bondgenootschap volgde hij een beleid dat was gericht op een vergaande samenwerking tussen de betrokken landen. In 1979 ontstond enige beroering toen bekend werd dat hij van 1933 tot 1936 lid was geweest van de NSB. Luns deed deftig en was deftig. Zijn lengte en enigszins schorre stem gaven hieraan extra cachet en distinctie. Luns had smaak en deed zijn werk met zorg en overleg. Hij was uitermate gezien bij de lidstaten en is mede daarom zo lang in functie geweest. In 1967 ontving hij de Karel de Grote prijs van de stad Aken. In 2002 overlijdt Joseph Luns op negentigjarige leeftijd. Hij was niet alleen de langst zittende minister van na de Tweede Wereldoorlog maar hij was ook -in zijn hoogtijdagen- verreweg de populairste bewindsman die ons land ooit gekend heeft. Marga Klompé (1912-1986), studeerde scheikunde te Utrecht en promoveerde in 1941 op het proefschrift: "Solconcentratie en In 1948 kwam ze voor de KVP in de Tweede Kamer. Vanaf 13 oktober 1956 was zij de eerste vrouwelijke minister in Nederland. Minister van Maatschappelijk Werk in de kabinetten: Drees, De Quay en Beel (1956-1963), minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk, kabinetten Zijstra en De Jong. (1966-1971). Van 1971 tot 1986 Minister van Staat, Na 1971, in welk jaar zij benoemd werd tot minister van Staat, ontplooide zij vooral activiteiten op kerkelijk en religieus terrein in nationaal en internationaal verband, met name in de vredesbeweging. De burgemeesters van Amsterdam in deze roerige tijden Het huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg op 10 maart 1966 leidde tot ernstige incidenten. Anti-Duitse gevoelens staken weer de kop op (het paar had de uitdrukkelijke wens te kennen gegeven dat ze in de hoofdstad wilde trouwen). De sfeer op de huwelijksdag was grimmig, veel relletjes en de relschoppers gooiden rookbommen naar de stoet, het bleef tot laat in de avond onrustig in de hoofdstad. Toen negen dagen later een fototentoonstelling van het politieoptreden zou worden geopend kwam het opnieuw tot flinke rellen, maar het waren allang niet meer uitsluitend de provos die felle kritiek hadden op het politiebeleid van burgemeester van Hall. Er volgde nog meer incidenten en er ontstond een gezagscrisis. Van Hall werd verweten dat hij door bangelijk of niet optreden bij had gedragen aan de ontstane gezagscrisis. In 1967 werd hem een eervol ontslag opgedrongen. In maart 1967 moest Samkalden hals over kop de Amsterdamse raadszaal verlaten waar een horde demonstranten een chaos veroorzaakten die verder vergaderen onmogelijk maakte. De oorzaak was een voorstel aan de raad om in een stukje antiek Amsterdam (Bickerseiland) een kantoorpand te bouwen. De politie was snel ter plaatse maar kon de demonstranten niet tot rede brengen. Pas toen de rellenpolitie arriveerde en dreigde met geweld de raadszaal te ontruimen, verlieten de eilandbewoners het stadhuis. Er werden geen arrestaties verricht. Het kabouterraadslid Frans van Bommel werd van iedere deelneming aan de vergadering uitgesloten omdat hij er van verdacht werd stinkbommen te hebben geworpen en hij zou contacten met de demonstranten hebben gehad. Er was sprake van een sleutel waarmee hij de demonstranten binnen zou hebben gelaten. In 1962 trad hij voor de PVDA in de Amsterdamse raad, werd wethouder en later staatssecretaris op Binnenlandse Zaken in het kabinet Den Uyl. In 1977 werd hij tot burgemeester van Amsterdam benoemd, "de mooiste baan van Nederland" volgens zijn eigen zeggen. Hij werd gezien als een beminnelijk man, waar het volgens Roel van Duijn (ex-provo) vrijwel onmogelijk was om ruzie mee te krijgen. "Ik had in die jaren aanvaringen met zo ongeveer alle wethouders in het college, maar nooit met de burgemeester." Na zijn vertrek in 1983 was Polak actief als bestuurder in diverse organisaties, ook was hij lid van de Raad van State. Ga naar vervolg van dit hoofdstuk (Provo's, binnen- en buitenlandse politiek) Ga terug naar het overzicht Jaren 60 en 70
|