|
19. LiteratuurGeschreven door Ilse Steel (klik op de plaatjes om ze te vergroten) Kinder- en jeugdboeken Zat je als kind op een katholieke lagere school dan kon je lid worden van de Engelbewaarder (een zeer stichtelijk blaadje), later kwamen daar de Okkie en de Taptoe bij en samen met de Donald Duck werd dit het meest gelezen. Het fenomeen jongens- en meisjesboeken Deze strikte scheiding werd letterlijk overal in doorgevoerd. Meisjes kregen meisjesboeken en jongens kregen jongensboeken, punt uit. Wilde je als meisje Arendsoog lezen dan had je pech want dat feest ging mooi niet door. Andersom waren er geen problemen want jongens lazen geen meisjesboeken. Typische meisjesboeken uit de jaren vijftig en zestig Uitgeverij Kluitman (samen met uitgeverij West Friesland en Malmberg) bracht heel veel jeugdboeken uit waaronder de "Marjoleintje" serie van Freddy Hagers en de 'sneeuwbalserie' voor oudere meisjes met titels als: "Morgen is alles andersz" van L. Van de Meer-Prins, "De stem van het hart", van J. Bleeker en "Voor wie die rode rozen", van Gerda Nefkens, waarbij ze De 'Joop ter Heul' serie van Cissy van Marxveldt genoot een grote populariteit en wordt nu nog gelezen. Een boek dat een diepe indruk op mij maakte was, "Vlucht uit Boedapest" van W.J. Verbeeten. Het verhaal speelt zich af tijdens de Hongaarse opstand van 1956 en is zeer boeiend geschreven. Leni Saris en Sanne van Havelte zijn de meest gelezen en populairste schrijfsters van de oudere meisjes uit deze tijd. Jongensboeken De jongens smulden van "Pietje Bel", "Dik Trom", "Paddeltje", "Arendsoog", "Pim Pandoer", "Bas Banning" en "Tarzan" om er enkele te noemen. "Hugo de koppige Sakser" en "Reinoud de kruisvaarder" van Carel Beke, die ook de 'Pim Pandoer'-serie schreef, sprak meisjes ook aan maar ze kregen deze boeken niet. Jongens hadden veel meer keus en konden over veel meer onderwerpen Drukkerij Helmond kwam met de Helden-serie waaronder: "De tovenaar van het Menlopark" (Thomas, Alva Edison), "Een race met miljoenen autos" (over het leven van Henry Ford), "Onder wilden en menseneters" (de ontdekkingstochten van Stanley in Midden-Amerika), "De duivelskunstenaar van Vinci" (over het leven van Leonardo da Vinci), "Boeren goud en diamanten" (over de boerenoorlog in Zuid-Afrika), etc. De boeken van "Jules Verne" en "Winnetoe" van Karl May werden door de jongens stukgelezen. Kluitman bracht in de 'sneeuwbalreeks' ook boeken uit voor oudere jongens met aansprekende titels als: "De laatste tomahawk", door Theo Frank, "Onraad op het radarscherm", door P.J. van Emburg etc. De klassiekers die gelezen werden door jongens en meisjes In 1976 werd aan Tonke Dragt de Staatsprijs voor Jeugdliteratuur toegekend. Tonke Dragt schreef verder nog: "Torenhoog en mijlenbreed", een toekomstverhaal (1969) dat bekroond werd met de Nienke van Hichtumprijs in 1971. Het boek "De Zevensprong" werd bewerkt tot een televisieserie, en nog veel meer spannende jeugdboeken vonden als TV serie hun weg naar de jeugd. Door Margriet Geïllustreerde Pers in Amsterdam werd in de jaren vijftig en zestig ieder jaar het "Groot Vakantieboek" uitgegeven met verhalen en raadseltjes voor groot en klein. In de winter verscheen er ieder jaar een "Winterboek" met een zelfde opzet. Ieder kind wilde zon boek hebben, en ze zeurden net zolang tot vader en moeder door de knieën gingen. Vanaf het moment dat het boek in hun bezit kwam zaten de kinderen er in te lezen en hoorde of zagen niets meer, wat lekker rustig was voor de ouders. Stripverhalen Onderwijzers en ouders hadden niet veel op met stripverhalen. Toch was de opmars die eind jaren veertig begon niet meer te stuiten. De strip ontwikkelde zich van een strookje in de krant tot een echt stripboek. Toen een Amerikaans psycholoog in de jaren vijftig had gewezen op de gevaren van strips werden stripboeken in heel wat huisgezinnen verboden waar, dit tot groot verdriet van de jeugd. In het begin van de jaren zeventig jaagt Asterix de verkopen van stripalbums enorm omhoog. Ineens was het niet meer verdacht om als volwassenen met een stripboek betrapt te worden. De strip werd volledig geaccepteerd en zowel jong als oud Een strip met duidelijk Amerikaanse invloeden die ging over drank, drugs, obscure kroegen, ongure types en gemene De andere twee strips hadden een formaat dat nog minder dan de helft was van de latere stripboeken, en een minder gewelddadige inslag. Op het bovenste deel van de pagina stonden de tekeningen en daaronder de tekst, in kolommen, alles in zwart wit. In 1952 verscheen de eerste Nederlandse uitgave van de Donald Duck die een enorme populariteit zou verwerven, en bijna ieder huisgezin was zowat abonnee in de jaren vijftig en zestig. Een greep uit de populairste stripboeken uit de jaren vijftig en zestig: Olivier Bommel, met uiteraard Tom Poes van Maarten Toonder die ergens tussen 1939 en 1942 aan deze serie begon. Kuifje, Suske en Wiske (Suske en Wiske van Willy van der Steen kwam pas later naar Nederland waar ze eerst niet goed uit de voeten konden met de Sjors en Sjimmie, De rode ridder, Bessy, Archie, de man van staal, Asterix en Lucky Luke. Het leesaanbod was toen al groot maar zou de komende jaren nog meer uitgebreid worden. Het stripboek werd steeds mooier en kleurrijker en verloor tevens iets van zijn charme. De generatie die opgroeide in de jaren vijftig en zestig met het bovenstaande had het niet slecht getroffen, maar toch zouden ze een lichte cultuurschok oplopen bij de overstap naar volwassen literatuur. Literaruur, proza en poezie De Beat Generation Deze naam werd gegeven aan een groep Amerikaanse schrijvers die zich in de jaren vijftig van de 20ste eeuw afzetten tegen de conventionele consumptiemaatschappij en zich door verdovende middelen, drank, Zenboeddhisme en een onconventionele levenswijze nieuwe individuele waarden trachtten te verwerven. De Amerikaanse letterkundige beweging die men met Beat Generation aanduidt, had haar centra in San Francisco en New York, en beleefde het hoogtepunt omstreeks 1956. De belangrijkste vertegenwoordigers van deze beweging waren de dichters Allen Ginsberg en Gregory Corso, de uitgever en dichter Lawrence Ferlinghetti en de romanschrijvers Jack Kerouac en William S. Burroughs. In het zogenaamde hip idioom verheerlijkten zij hun eigen ervaringswereld en uitten zij hun protest tegen de gevestigde waarden. Hun werk had een autobiografische inslag en was in een surrealistische stijl geschreven, een effect van drugs tijdens het schrijfproces. In 1961 verscheen een belangrijke bloemlezing, "A casebook on the Beat", samengesteld door Thomas Parkinson.
Gregory Corso (1930-2001). In Corsos gedichten zijn bitter protest, wrange humor en surrealistische effecten verwerkt. Zijn belangrijkste bundels, waarin zijn kwaliteiten als criticus van de welvaartsmaatschappij goed tot uiting komen zijn: "The vestal lady of brattle" (1955), "Gasoline" (1958), "Bomb" (1958), "The happy birthday of death" (1960) en "Long live man" (1962). Lawrence Ferlinghetti (geb.1919). Deze Amerikaanse uitgever en schrijver heeft een centrale plaats ingenomen binnen de Beat Generation. Zijn 'City Lights Bookshop' in San Francisco was jarenlang het centrum van de Frisco Beats; hij durfde de uitgaven aan van controversiële werken en viel ook op door zijn eigen werk. Tot zijn in hip Amerikaans geschreven dichtbundels behoren: "Pictures of the gone world" (1955), "A Coney island of the mind" (1958) en "Starting from San Francisco" (1961). Verder schreef hij de roman "Her" (1960), waarin een kunstenaar op zoek is naar het Ideale. Daarnaast schreef hij nog enkele korte, experimentele toneelstukken b.v. "Routines" (1964).
Het werk van de Amerikaanse schrijver Norman Mailer, (1923-2007) is verwant aan het werk van de Beat Generation. Mailer vocht in de Tweede Wereldoorlog tegen Japan en baseerde op die ervaringen zijn beroemde oorlogsroman "The nakend and the death" (1948). De hierin vervatte kritische benadering van de Amerikaanse samenleving is typerend voor zijn werk. Daarnaast schreef hij essays (verhandeling over een of ander wetenschappelijk of letterkundig onderwerp) en reportage-achtige geschriften b.v. "The presidential papers" (1963)en "Cannibals and christians" (1966).
Daarnaast was hij ook een essayist en een niet onverdienstelijk schilder van aquarellen. Millers eerste gepubliceerde werk "Tropic of cancer" is kenmerkend voor zijn hele oeuvre: deels roman, deels autobiografie doorspekt met essayistische passages. Angry Young Men Hieronder verstaat men een groep Engelse schrijvers, die opkwam in de jaren vijftig. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze zich afzetten tegen de naar hun menig versleten sociale en politieke waarden en burgerlijkheid, en dat zij opkomen voor de arbeidersklasse, waar zij vaak zelf uit afkomstig zijn. Tot de belangrijkste schrijvers van deze groep behoren: John Osborne (toneel), Kinsley Amis, John Braine, Alan Sillitoe, John Wain, Keith Waterhouse, Colin Wilson en Shelagh Delaney. John G. Braine (1922-1986) werd onmiddellijk beroemd door zijn roman "Room at the top" uit 1957. Het verhaal gaat over een arbeidersjongen die zich door middel van zijn charmes weloverwogen opwerkt tot de invloedrijkste bewoner van zijn woonplaats. Andere bekende werken van hem zijn o.a. "Life at the top" (1962), "The jealous God" (1964), "Stay with me till morning" (1970). John J. Osborne (1929-1994) toneelschrijver en door velen beschouwd als de belangrijkste van de Angry Young Men. Zijn debuut "Look back in anger" uit 1956 schudde het ingedutte Britse theaterleven ruw wakker. In dit stuk wordt de wanhoop en de desillusie van de naoorlogse jeugd op een schrijnende manier tot uitdrukking gebracht. De hoofpersoon Jim Porter is het prototype van de angry young men. In 1958 werd het stuk door Tony Richardson verfilmd. Andere succesvolle toneelstukken zijn: "The Shelagh Delaney (geb.1939). Deze schrijfster werd zeer bekend door haar toneelstuk "A taste of honey" uit 1959 (verfilmd in 1962), dat de emotionele groei behandelt van een jong meisje in een armoedige arbeidersflat. Schokkend voor die tijd was haar verhouding met een neger, van wie zij een kind verwacht, en haar vriendschap met een homofiele jongen.
Andere bekende werken van hem zijn o.a. "The loneliness of the long distance runner" (verhalenbundel uit 1959 en verfilmd in 1962), "The general" (1960), "Key to the door" (1961), "The dead of William Posters" (1965), "A start in life" (1970), "The storyteller" (1979) en nog een aantal andere romans. John W. Barrington (1925-1994) debuteerde in 1953 met de satirische roman "Hurry on down", over een jongeman Charles Lumley, die zijn plaats in de maatschappij niet weet te vinden: de combinatie van een eenvoudige afkomst en een universitaire opleiding maken hem volledig ongeschikt. Andere bekende werken zijn o.a. "Living in the present" (1955), "A travelling woman" (1959), "A winter in the hills" (1970) en "The pardoners tale" (1979). Daarnaast was Barrington een zeer invloedrijk literair criticus en schreef hij poëzie. Gebundeld in Poems 1949-1979 (1981). Hij was Professor of Poetry in Oxford van 1973 tot 1978. Keith S. Spencer (geb.1929) werd bekend door de roman "Billy Liar" (1959; verfilmd 1963). Het vervolg hierop was "Billy Liar on the moon" (1975). Andere romans o.a. "Jubb" (1963), "The bucket shop" (1968) en "Office life" (1978). Met Willis Hall schreef hij een aantal toneelstukken.
Pop-Poets Groep Britse dichters en musici van wie het werk wordt aangeduid als The Mersey Sound (Liverpool). Bekende namen zijn: Roger McGrough en Brian Patten. Roger McGough (geb. 1937). Hij startte zijn literaire loopbaan in de jaren zestig bij de satirische popgroep 'The Scaffold' en behoort sindsdien tot de pop-poets en popmusici wier werk bekend is onder de noemer The Mersey Sound (naar de gelijknamige bundel uit 1967), met als centrum Liverpool. Bekende werken: "The commision" (1967) (een avondvullend stuk), "Frinck" (1969) een korte roman, de dichtbundels: "Watchwords" (1969), "After the merrymaking" (1971), "Gig" (1973) e.a.
Brian Patten (geb.1946). Engels dichter, behoort tot de pop-poets. Patten was, als de meesten van hen, ongeschoold en leidde een zeer afwisselend leven in diverse landen. Hij houdt veel van poëzie-lezingen, vaak gecombineerd met muziek. Patten is vertegenwoordigd in vele bloemlezingen (verzameling van de bloem der letterkunde, dat wil zeggen, van de mooiste en de beste stukken), waaronder de "Liverpool scene". Bekende werken: "Little Johnnys confession" (1967) en "Notes to a hurrying man" (1969). Zijn poëzie kenmerkt zich door alledaags woordgebruik. Vijftigers in Nederland Een groep van dichters en prozaïsten wier werk zich sinds 1950 heeft ontwikkeld tot een moderne, experimenteel gerichte kunst. Tot de leidende figuren van deze groep behoren Lucebert, Remco Campert, Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar en Hans Andreus. Omstreeks 1954 viel de groep uiteen, de leden bleven wel actief maar ieder ontwikkelde zich verder op zijn eigen wijze. Johannes G. Elburg (1919-1992) schreef aanvankelijk traditionele poëzie, maar sloot zich begin jaren vijftig aan bij de experimentele dichtersgroep de Vijftigers. Hoewel hij van mening was dat kunst een sociale taak te vervullen heeft is zijn werk vaak moeilijk toegankelijk, vooral door het sterk associatieve karakter er van. Tot zijn bundels behoren o.a. "Laag Tibet" (1952), "De vlag van de werkelijkheid" (1956) en "Streep door de rekening" (1965). "Geen letterheren" (1987) bevat zijn herinneringen aan de begintijd van de Vijftigers en de verwante kunstenaarsgroep Cobra. In 1976 kreeg Elburg de Constantijn Huygensprijs toegekend. Hans Andreus (1926-1977), pseudoniem van J.W. van de Zant. Het werk van Andreus is veelomvattend: dichtbundels, kinderboeken, hoorspelen en chansons. Dichtbundels o.a.: "De sonnetten van de kleine waanzin" (1957), "Luisteren met het lichaam" (1960), "De ruimtevaarder" (1968) en onder meer de roman "Valentijn" (1960).
Tevens was hij ook een succesvol abstract beeldend kunstenaar. De boeken van Hugo Claus vonden gretig aftrek in deze periode en hij groeide uit tot een zeer succesvol schrijver. In 1989 schreef Hugo Claus het boekenweekgeschenk, "De zwaardvis". Gerrit Kouwenaar (geb.1923), dichter en vertaler van onder meer toneelstukken van Goethe, Schiller, Brecht en Sartre. Poëzie o.a. "Zonder namen" (1962), "St. Helena komt later" (1965) en "Honderd gedichten" (1969). Kouwenaar zoekt in zijn poëzie naar wegen om de ontoereikende dichterlijke uitdrukkingsmogelijkheden van de taal te ondervangen. Romans: "Negentien-nu" (1950), "Ik was geen soldaat" (1951). In 1958 en 1964 ontving hij de poëzie-prijs van de gemeente Amsterdam, in 1962 de Jan Campertprijs en in 1970 de P.C. Hooftprijs. Lucebert (1924-1994), pseudoniem voor L.J. Swaanswijk, dichter, schilder, tekenaar en fotograaf, beïnvloed door o.a de Franse dadaïsten en surrealisten. Hij wordt beschouwd als de meest invloedrijke van de Experimentelen of Vijftigers. Lucebert ontving in 1962 samen met de Westduitser Hohme de Maizotteprijs voor de schilderkunst; kreeg in 1965 de Constantijn Huygensprijs en in 1968 de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele dichtwerk; "Van de afgrond en de luchtmens" (1953), "Verzamelde gedichten" (1965).
Bert Schierbeek (1918-1996), schrijver en dichter, behorend tot de vroegste van de groep Vijftigers, verzette zich tegen een traditioneel taalgebruik om de geijkte patronen te doorbreken. In zijn werk speelt de typografie (de kunst van drukken of afdrukken) een grote rol. Publiceerde o.a. "Het dier heeft een mens getekend" (1960), "Inspraak" (1970), "In en uitgang (1974)" en "Weerwerk" (1977). Happening, een creatief en artistiek feest Deze term werd gebruikt in de jaren zestig en zeventig voor een creatieve en artistieke gebeurtenis die het scheppen van een bepaalde situatie tot doel heeft; het gekozen onderwerp was slechts als uitgangspunt belangrijk. De mens moest zich bewust worden van de hem omringende werkelijkheid. Vaak hadden deze happenings een provocerend karakter. De eerste happening werd in 1959 door Allan Kaprow te New York georganiseerd en tot 1964 hadden de meeste happenings plaats in New York. Vanaf 1960 zijn er ook in Europa happenings georganiseerd: in West-Duitsland door Wolff Vostell en in Frankrijk door o.a. Jean Jacques Lebel. In Amsterdam werden happenings uitgevoerd door Robert Jasper Grootveld, Johnny the Selfkicker en Simon Vinkenoog. Ook Willem de Ridder en Wim T. Schippers mogen in dit verband genoemd worden. Pop-dichters Minstrelen op het marktplein en verhalende troubadours waren er al in de middeleeuwen. Deze lijn kunnen we doortrekken naar de jaren zestig als poëzie entertainment wordt. In de jaren vijftig verenigde men reeds jazz-muziek met poëzie (jazz en Poetry). In Amerika had men de San Francisco Beats. Poëzie werd een gebeurtenis in de jaren zestig, ook in Nederland, waar Johnny The Selfkicker, Simon Vinkenoog, Cees Buddingh, Jules Deelder e.a hieraan gestalte gaven. Spelen met woorden in het ritme van de rockbeat, de kwinkslag als onmisbaar element om de aandacht vast te houden. Poëzie hoeft niet altijd moeilijk te zijn, het kan ook eenvoudig en direct zijn. Tegen het einde van de jaren zeventig keert het fenomeen happenings weer terug. Eerst in Engeland met de punkdichters John Cooper Clarke, Patrick Fitzgerald en de reggae en dub-dichters Oku Onuora, Benjamin Zephaniah, Michael Smith, Linton Kwesi Johnson en Mutabaruka. "Dub Poetry: 19 Poets From England and Jamaica" is een bundeling van hun werk. In Nederland wederom met Simon Vinkenoog, Johnny the Selfkicker, Jules Deelder, Bart Chabot en Ton Lebbink. Men maakte platen naast of in plaats van verzenbundels. Poetry International, sedert 1970 jaarlijks georganiseerd te Rotterdam, is ook een soort happening. Mede door de vele publiciteit die eraan wordt gegeven heeft het festival de belangstelling voor poëzie gestimuleerd. John Cooper Clarke (geb.1949) is een van de schilderachtigste figuren van de Britse New Wave met zijn op Bob Dylan anno 1966 gebaseerd uiterlijk. Hij brengt snelle eigentijdse straat-poëzie, voorgedragen in een razendsnel tempo. Hij leest korte flitsende misdaadstories voor in jazzclubs en in 1976 gaat hij optreden in punkclubs, meestal samen met de groep Buzzcocks. Hij tekent een contract met CBS en maakt een serie platen waarop hij begeleidt wordt door de Invisible Girls.
Patrick Fitzgerald (geb.1956) leest in de jaren 1976-1978 zijn teksten vol agressie en venijn voor in punkclubs. Afkomstig uit het verpauperde Londense East End, gedesillusioneerd en verbitterd door wat hij als aankomend welzijnswerker ziet. Zijn teksten getuigen daarvan. Twee EPs: "Backstreet Boys" en "Safety Pin Stuck In My Heart". Hij werkt korte tijd met een band tot zijn contract wordt opgezegd en trekt daarna als troubadour de wereld over. Hij zingt naast zijn zelfgeschreven liedjes ook nummers van Jacques Brell. Anne Clarke (geb.1960), dichteres, vindt sensualiteit belangrijker dan intellect. Als teenager stuurt ze gedichten op naar Paul Weller, die er een paar publiceert in Mixed-up en Shook-up. De bloemlezing "Hard Lines" bevat ook werk van haar eigentijdse jongeren-poëzie. Haar werk beschrijft veel uitzichtloze situaties. Een ontmoeting met de musicus David Harrow resulteert in "Changing Places" (1983). Op de mini-elpees: "The Sitting Room" (1982) en "Pressure Points" (1985) is Anne Clarke ook als musicus te horen. Ze komt sterk in de belangstelling te staan met de single "Our Darkness", van De mini -elpee "Joined Up Writing" (1984). Nederland
De debuutsingle van Bart Chabot, "De dag dat de derde wereldoorlog ook aan ons land niet onopgemerkt voorbij ging", ontstaat in samenwerking met Robert-Jan Stips die de muziek en de productie voor zijn rekening neemt. De dichtbundels van Chabot hebben doorgaans Engelstalige titels. Daarnaast schrijf hij reisverhalen en ook columns voor radio en tijdschriften.
Deelders motto, Ik schrijf spreektaal. Ik ben duidelijk. Kiezen of Deelder. Hij begon als dichter maar ging later steeds meer proza schrijven. Enkele bekende werken: Poëzie o.a : "Gloria Satoria" (1969), "Dag en nacht geopend" (1970), "Boe" (1972), "Moderne gedichten" (1979), "Junkers 88" (1983) en andere werken. Johan van Doorn (1944-1991), schrijver en performer. Van Doorn werd bekend in 1966 toen hij tijdens een poëzieavond in het Amsterdamse Carré voordroeg uit zijn debuutbundel, "Een nieuwe mongool", geschreven onder het pseudoniem Johnny the Selfkicker. Zijn gedichten en optredens trokken sterk de aandacht door hun extravagantie. Zijn prozadebuut, "Mijn kleine hersentjes" (1972) maakte indruk. Met Cherry Duyns en Armando was van Doorn met het programma Herenleed op televisie en in theaters te zien.
Simon Vinkenoog (geb.1928) was woordvoerder van de Vijftigers of Experimentelen. Begon als schrijver van gedichten en kronieken bij Literair Paspoort in Parijs (werkte voor Unesco 1949-1956). Vinkenoog was in 1961 mede oprichter van het tijdschrift 'Randstad' en organiseerde Poëzie in Carré (1966). In 1959 had hij zijn eerste LSD-ervaring en is nog steeds een tevreden stickie-roker. Zijn enorme archief, met honderden dozen boeken, documenten, fotos en correspondentie, deed hij in 1989 weg. Het ging naar het Letterkundig Museum, het gemeente-archief en het Instituut voor sociale geschiedenis in Amsterdam. Naast zeer persoonlijke poëzie zoals: "Wondkoorts" (1950), "Heren zeventien" (1953), "Spiegelschrift" (1962), "Mij best" (1976), "Bestaan en begaan" (1979), schreef hij een serie autobiografische romans, waaronder "Zolang te water" (1954), "Liefde" (1965) en "De andere wereld" (1978). Een selectie van andere bekende en populaire dichters uit de jaren zestig en zeventig:
'Gard Sivik' een in 1955 te Antwerpen opgericht letterkundig tijdschrift, voor het propageren van avant-gardistische kunst (avant-garde, groep van jonge vooruitstrevende kunstenaars). In het begin was ere een puur Vlaamse redactie, maar tijdens het tweede jaargang traden ook Nederlanders tot de redactie toe. Vanaf het zesde jaargang verscheen 'Gard Sivik' zowel in België als in Nederland. Redactiewisselingen hielden het blad in beweging. In 1964 verscheen het laatste nummer. Het tijdschrift is van grote betekenis geweest voor de nieuwe opkomende poëzie. Cees Nooteboom (geb.1933), journalist, dichter, romancier, toneelschrijver ("De zwanen van de Theems", 1959) en vertaler. Gedichten o.a. "De doden zoeken een huis" (1956), "Gesloten gedichten" (1964), "Open als een schelp, dicht als een steen" (1978). Romans: "Philip en de anderen" (1955), "De ridder is gestorven" (1963). Daarnaast schreef hij reisverhalen zoals: "Een nacht in Tunesië" (1965), "Een avond in Isfahan" (1978). In 1991 schreef Cees Nooteboom het boekenweekgeschenk met als titel, "Het volgende verhaal".
Gerrit Jan Komrij (geb.1944), dichter, vertaler en essayist. Debuteerde in 1968 met "Maagdenburgse bollen en andere gedichten", waarin een grimmige humor en virtuoze (bedreven, met gemak) rijmstijl opvielen. In zijn redactionele werk voor het tijdschrift Maatstaf laat hij zijn romantische inslag zien, daarnaast is hij een zeer bekwaam vertaler. Met de selectie van de bloemlezing "De Nederlandse poëzie van de 19de en 20e eeuw in 1000 en enige gedichten" (1978) haalde hij zich de woede van de Vijftigers of Experimentelen op de hals. Bekende werken o.a. "Ik heb Goddank twee goede longen" (1971), "Tutti Frutti" (1972), "Daar is het gat van de deur" (1974), "Fabeldieren" (1975), "Horen, zien en zwijgen" (1977) en "Papieren tijgers (1978). In 1993 ontvangt Komrij de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza en in 2000 wordt hij gekozen tot Dichter des Vaderlands met een eredoctoraat aan de universiteit van Leiden. Sybren Polet (eig. Sijbe Minnema; geb.1924). Dichter en prozaschrijver die zich in zijn poëzie rationeler toonde dan de Vijftigers. In zijn roman-trilogie, "Breekwater" (1961), "Verboden tijd" (1964) en "Mannekino" (1968) vervlocht hij op speelse wijze tijd en realiteit. Poëzie o.a. "Organon" (1953), "Geboortestad" (1958), "Konkrete poëzie" (1962) en "Illusie & illuminatie" (1975). Bert Voeten (1918-1992), dichter en vertaler kreeg bekendheid met de dichtbundel "De blinde passagier" (1946). Zijn dichtwerk getuigt van een grote taalvirtuositeit (zeer bedreven in de taal) en verbeeldingskracht. Deze eigenschappen hebben ertoe geleid dat hij als vertaler van toneelwerk van o.a. Shakespeare, Molière en Arthur Miller een grote naam gekregen heeft. Dichtbundels o.a. "Suite in december" (1948), "Met het oog op morgen" (1953) en "Een bord bekijken (1963). Voeten stelde ook enkele bloemlezingen samen o.a. "De vrijheid smaakt naar pijn" (1970).
M. Vasalis (eig. Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans, 1909-1998), dichteres en jeugdpsychiater, had een bescheiden oeuvre van ongeveer honderd gedichten, maar werd vooral in het voortgezet onderwijs een van de meest gelezen dichters. Beroemd werd Vasalis gedicht "Tijd" uit haar debuutbundel "Parken en woestijnen" (1940). Vooral de eerste zin: Ik droomde dat ik leefde.../ Langzamer dan de oudste steen. heeft velen getroffen. De gedichten van Vasalis zijn vooral geroemd om hun openheid en gebrek aan opsmuk.Eenvoudige toegankelijke expressie van verheven gevoelens schreef de criticus K.L. Poll. Er verschenen nog twee dichtbundels van haar hand: "De vogel Phoenix" (1947) en "Vergezichten en gezichten" (1954). Ze publiceerde ook de novelle "Onweer" (1940) en "Kunstenaar en verzet" (1958). Voor dit bescheiden oeuvre is Vasalis bekroond met de Van der Hoogt prijs (voor haar poëzie-debuut), de Constantijn Huygensprijs in 1974 en de P.C. Hooftprijs in 1983 (beide prijzen voor haar complete werk). Judith Herzberg (geb.1934). In het begin van de jaren zestig stuurde Herzberg enkele gedichten naar de redactie van 'Vrij Nederland'. Tot haar verbazing werden ze geplaatst en kreeg ze nog geld toe. Zelf zegt ze: Ik schreef veel gedichten maar tot die eerste publicatie in Vrij Nederland had ik er nooit over gepeinsd ze te publiceren. In 1984 werd haar hele oeuvre bekroond met de Vondelprijs. Behalve poëzie schrijft Judith Herzberg ook toneelstukken, essays en filmscenarios. Enkele gedichtenbundels: "Zeepost" (1963), "Beemdgras" (1968) en "Botshol" (1980). Deze bundel werd bekroond met de Jan Campertprijs.
In 1966 was ik zeventien jaar toen ik haar dichtbundel las en de indruk die deze gedichten op mij maakten zijn me altijd bijgebleven. In 1996 verscheen een speciale jubileum-uitgave (eenentwintigste druk), die ik cadeau kreeg van mijn man, waar ik heel blij mee was. Een gedicht uit deze bundel wil ik graag opnemen. Mijn moeder is mijn naam vergeten, mijn kind weet nog niet hoe ik heet. Hoe moet ik mij geborgen weten ?
Noem mij, bevestig mijn bestaan, laat mijn naam zijn als een keten. Noem mij, noem mij, spreek mij aan, o, noem mij bij mijn diepste naam.
Voor wie ik liefheb wil ik heten. Pas in 1985 verscheen haar tweede bundel "Een vrouw bezoeken". Deze gedichten zijn nog somberder en cynischer, en enkele gaan op niet mis verstane wijze over seksueel geweld. In 1995 kwam Neeltje Maria Min met haar derde bundel "Kindsbeen" waarvoor zij de Pico Bello prijs ontving. Ga naar het vervolg van dit hoofdstuk (Literatuur) Ga terug naar het overzicht Jaren 60 en 70
|