|
|
|
Protestkunst Uiteenlopende vormen van kunst waarin wordt geprotesteerd tegen onderdrukking, wantoestanden, onrecht enz. Vooral in de jaren zestig en zeventig populair. De kaarten en affiches van de Duitse advocaat Klaus Staeck (geb.1938) zijn hier een goed voorbeeld van. Hoofdthema’s van zijn werk zijn de meningsvrijheid, vredesproblematiek, milieu, sociaal onrecht en de strijd tegen arrogante en reactionaire machthebbers binnen en buiten de kunstwereld. Steak exposeert regelmatig in musea en voert daarnaast affichecampagnes uit in steden. Zij affiches zijn links georiënteerd en ironisch van toon. Nouvaux Fauves (jonge wilden) Nieuwe richtingen in de Europese schilderkunst, vanaf ca. 1979. Het werk wordt gekenmerk door het ‘echte schilderen’ groot formaat en ongeremd kleurengebruik. Enkele vertegenwoordigers van deze richting: Markus Luperts, Ar Penk, Anselm Kiefer (Duitsland). In Italië, Sandro Chia, Francesco Clemente en Enzo Cucchi.
Jonge Italianen van de ‘trans-avant-garde’ Sandro Chia (geb.1946). Zijn werk kenmerkt zich door een zeer vitale overdaad aan beelden en vormen met een speelse ironie en door een losse schilderwijze. In de jaren negentig werd zijn kunst statischer.
Francesco Clemente (geb.1952). Zijn decoratief, mystiek aandoend werk heeft als voornaamste thema’s liefde, dood en angst en bevat historische en autobiografische elementen. Hij werkt in India, New York en Rome. Enzo Cucchi (geb.1950). Vloeiende bewegingen en harde kleuren kenmerken zijn werk. De voorstellingen verwijzen naar het bovennatuurlijke en mythische van de omgeving van zijn woonplaats Ancona. In het midden van de jaren tachtig tempert hij zijn kleurgebruik tot oker, grijs, bruin en zwart.
Nederlandse kunstenaars van de jaren zestig en zeventig. Jan Wolkers (1925-2007). Beeldend kunstenaar en schrijver, een dubbeltalent. Hij bezocht de Leidse schildersacademie, en volgde daarna een opleiding tot beeldhouwer o.a. in Parijs bij Ossip Zadkine, waar hij tevens begon met het schrijven van verhalen. Wolkers maakte in de jaren zestig kleine sculpturen en de eerste abstracte beelden. In zijn beeldhouwwerk staat zijn geheel eigen, authentieke thematiek centraal (authentiek, geloofwaardig, echt). De kracht en de eenvoud van de natuur is altijd zijn belangrijkste inspiratiebron gebleven. Wolkers maakte o.a. het Auschwitzmonument (Amsterdam 1977).
Theo Aart Volten (1925-2002), was aanvankelijk schilder maar begon in 1953 met beeldhouwen. Zijn constructies zijn opgebouwd uit geometrische vormen en hij maakt ook gebruik van industriële producten, o.a. metalen buizen. Zijn werk evalueerde van de tweedimensionale vormgeving, via reliëfs en lineair ijzer plastieken naar een vrije ruimtelijke structuur, vaak in roestvrij staal. Bekend werk zijn zijn monumentale kolommen, evenwichtig van constructie en perfect van afwerking, een goed voorbeeld hiervan is het Winkler Prinsmonument in Amsterdam, in de volksmond de ’Knakenpaal’ genoemd. Volten ontving in 1996 een van de Oeuvreprijzen van het Fonds voor Beeldende Kunsten en in 1998 werd hij door koningin Beatrix, een van zijn grootste fans, onderscheiden met de Eremedaille voor Kunst en Wetenschap. André Volten is een van de belangrijkste en succesvolste naoorlogse beeldhouwer van Nederland. Carel Nicolaas Visser (geb.1928), beeldhouwer. Maakte eerst geabstraheerde (abstracties vormen, los van de werkelijkheid) dierplastieken. Daarna bouwde hij het op uit puur abstracte, geometrische vormen, balken en kubussen en stapelingen van deze vormen. In de jaren zeventig ontwikkelende zijn werk zich in de richting van de beeldassociatie. Hij stelde zijn beelden samen uit verschillende materialen, waarin de polariteit (hoedanigheid van polen of een pool) tussen hard en zacht, licht en zwaar, natuur en cultuur uitgangspunt was. In 1971 kreeg Visser de Staatsprijs voor beeldende kunsten en architectuur.
Mark Brusse (geb.1937), sloot zich in 1961 in Parijs aan bij het nouveau realisme, waarvan Spoerri de spil was. Aanvankelijk maakte hij assemblages van gevonden en bewerkte stukken hout, waarvan de delen konden bewegen, meestal met een verholen erotische thematiek (serie 'Strange fruit', 1965). In 1965 vertrok Brusse naar New York waar hij environments vervaardigde die hij 'occupation de l’espace' noemde.
Wim T. Schippers (geb.1942), beeldend kunstenaar. Zijn verschillende activiteiten staan steeds in relatie tot de werkelijkheid, die hij vertekent (5 cm. hoge paarse fauteuil (1965), Vondelpark Amsterdam; a-dynamische werken) Het doorbreken van stereotiepen en het scheppen van verwarring paste hij in samenwerking met W. van de Linde ook toe op TV (Hoepla, 1967, Barend Servet show, 1972/73 en van Oekels Discohoek, 1974/75). Een kunstenaar die vragen wil oproepen en tevens zijn publiek wil vermaken. In de jaren zestig en zeventig verrichtte Schippers baanbrekend werk op televisiegebied. Paul van Hoeydonck (geb.1925), Belgische kunstenaar onder meer bekend van assemblages die associaties oproepen met ruimtevaarders en robots. Zijn 'Fallen Astronaut' werd in 1971 door de bemanning van de Apollo 15 op de maan geplaatst.
Sinds 1965 maakt hij landschappelijke tekeningen, waarin hij ook foto’s verwerkt. Vanaf 1971 begint hij weer te schilderen, terugkerende motieven die steeds aan de oorlog refereren zijn : bosranden, bomen, vlaggen en doodskoppen.
De opkomende schilders en beeldhouwers van de jaren vijftig en zestig legden als het ware een bom onder de reeds bestaande kunst. Het museumpubliek werd vaak volledig overdonderd door de nieuwe vormen, de felle kleuren en onbekende voorstellingen. Men moest anders leren kijken en open staan voor nieuwe indrukken. Dat had de jonge generatie al snel begrepen. En waar de oudere generatie vaak hun afschuw toonde, omarmden zij de nieuwe kunst en toonden zich leergierig, wat tot gevolg had dat de musea weer druk bezocht werden. Langzaam maar zeker veroverde deze nieuwe stroming in de kunst de wereld, ook Nederland, dat zich zoals altijd afwachtend opstelde. Er verschenen steeds meer juichende kritieken en de kunstenaars voelden zich eindelijk door het grote publiek geaccepteerd. Wat langer duurde de acceptatie door hun kunstbroeders, die vooral in het begin afwijzend stonden tegenover de nieuwe stroming (vooral de Pop-art moest het ontgelden). Pas toen duidelijk werd dat zij hun eigen plaats in de kunstwereld zouden behouden gingen ze overstag. Er was ook geen ontkomen aan, of men nu een krant of tijdschrift opensloeg, naar de tv keek of de radio aanzette, overal werd men geconfronteerd met de nieuwe kunstvorm. De galeries (kunstzalen waar kunstenaars hun werk konden exposeren) namen enorm in aantal toe. Voor veel jonge kunstenaars was het dé gelegenheid om hun werk onder de aandacht van het publiek te brengen. Vooral in de jaren zestig en zeventig kon men er een bonte verzameling mensen vinden die onder het genot van een hapje en een drankje en uiteraard de joint nonchalant in de hand, zich liepen te vergapen aan de tentoongestelde beeldhouwwerken, sculpturen en schilderijen. Dat niet iedereen begreep wat het voorstelde mocht de pret niet drukken en zelfs de kunstenaar werd onderdeel van zijn eigen tentoonstelling. De invloed van deze generatie kunstenaars en pioniers was enorm. Het doorbreken van taboes (alles kon) en het dichterbij brengen van de kunst naar het grote publiek lokte hordes jongeren naar de kunstacademie die al spoedig overbevolkt raakte. Ook het bohémien leven dat de kunstenaars leidde sprak velen aan, maar zoals met alles zou alleen het echte talent overleven ! Dat de kunstwereld in beweging kwam en bleef is de grote verdienste van deze generatie kunstenaars en voor vele beginnende kunstenaars zijn zij een voorbeeld en inspiratiebron die nog lang niet is opgedroogd. Ga terug naar het overzicht Jaren 60 en 70 Ga terug naar de vorige pagina van dit hoofdstuk (Kunst)
|
|