|
Nederland in de Tweede
Wereldoorlog
In de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog onderging Nederland
evenals andere landen de invloed van de mondiale recessie na de beurskrach van
1929. Minister-president Hendrikus Colijn voerde de politiek van de harde
gulden. Deze leidde wel tot een harde valuta, vermeed de hyperinflatie zoals
deze in Duitsland ontstond, maar veroorzaakte volgens sommige economen ook veel
armoede. De Vereniging Nederlands Fabrikaat trachtte met de campagne "Koopt
Nederlandsche waar, dan helpen wij elkaar" de economische neergang te keren.
Mede door de armoede was ook in Nederland de opkomst van het
nationaal-socialisme mogelijk. In 1931 was Mussert samen met Cornelis van
Geelkerken oprichter van de NSB.
Onder invloed van de economische malaise en de gebroken geweertjes beweging
werden budgettaire prioriteiten niet bij het toenmalige Minister van oorlog
gelegd.
De mobilisatie
Pas in 1939, toen de geallieerden Duitsland de oorlog verklaarden,
mobiliseerde Nederland. Men trachtte nog op de valreep wapens te kopen in o.a.
Zweden, Engeland, en Zwitserland, maar al snel werden geen orders meer
geaccepteerd.
In de winter 1939-1940, met name in november 1939, ontstond een aantal keer
een crisissfeer. Het uitlekken van de Duitse aanvalsplannen zorgden een aantal
keer voor paniek, maar telkens dreef de bui over. De Nederlandse agenten in
Berlijn hadden een paar keer gewaarschuwd, maar werden op het laatst niet meer
geloofd. Dat gold ook toen op de avond van 9 mei 1940 de volgende boodschap werd
doorgegeven: "Morgenvroeg bij het krieken van de dag. Houdt stand !"

 
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 verklaarde Nederland
zich opnieuw neutraal. Echter, op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland en België
binnen. Het slecht bewapende Nederlandse leger werd snel door de Duitsers onder
de voet gelopen. Bij de Afsluitdijk, de Grebbeberg en de Moerdijkbrug bood het
Nederlandse leger weerstand.
Slag om de Grebbeberg
(met dank aan Stichting de Greb voor de
correcties)
De Slag om de Grebbeberg, 11 mei –13 mei 1940, is een episode tijdens de
Duitse inval van Nederland en werd gekenmerkt door hevige en bloedige gevechten.
Op en rond de Grebbeberg bij Rhenen werd een Duitse legermacht van
ongeveer 25.000 man drie dagen lang tegengehouden door de Nederlandse eenheden
van het II-de Legerkorps. In eerste aanleg waren er ca. 6.500 man Nederlandse
troepen bij de Grebbeberg en Rhenen. In de loop van de strijd groeide de
Nederlandse macht uit tot ongeveer 10.000 man. Aan Nederlandse zijde sneuvelden naar schatting 420
militairen. De verliezen aan Duitse kant waren ongeveer 250 manschappen. Op de militaire erebegraafplaats op de Grebbeberg liggen
ongeveer 800 in de meidagen gesneuvelde Nederlandse militairen.
De Grebbelinie maakte onderdeel uit van de verdedigingswerken van de
hoofdverdedigingslinie ten oosten van de Vesting Holland. Een gedeelte van het
Duitse Achttiende Leger had de opdracht om de centrale verdediging van het
Nederlandse veldleger te verpletteren en door te breken richting westen. Ze
zouden daarbij de noordelijke klauw van de omsingelende beweging worden, waarbij
de opmars van 26.AK door Brabant en via Moerdijk/Rotterdam de zuidelijke klauw
zou zijn. Dit was wat men ook wel de ‘Kesseltaktik’ noemde, en die in België en
Frankrijk in het groot werd gedaan in mei/juni 1940. Er landden
luchtlandingstroepen rond Den Haag om de Nederlandse Regering en Legerstaven
gevangen te nemen en zo een regeringscapitulatie af te dwingen (zoals in
Denemarken). Als bijkomend doel hadden deze eenheden tot taak om de het
Nederlandse I-ste Legerkorps aan zich te binden. Zij waren met dit subsidiaire
doel de enige Duitse eenheid in Nederland die daadwerkelijk in hun opdracht
hadden staan dat ze (ook) een taak hadden in het binden van onze strijdkrachten, terwijl de
hoofdmacht ondertussen via de tijdens luchtlandingsaanvallen veroverde
Moerdijkbruggen de Vesting Holland direct vanuit het zuiden moest binnendringen.
Het Duitse opperbevel meende dat het
Nederlandse leger zo zwak was dat de Grebbelinie snel doorbroken zou moeten
kunnen worden, vooral omdat men abusievelijk veronderstelde dat de Nederlandse
hoofdweerstand bij het Oostfront van de Vesting Holland geboden zou worden.
Sinds
de Eerste Wereldoorlog had de infanterietactiek een snelle verandering ondergaan
maar het Nederlandse leger had die ontwikkelingen maar half kunnen bijbenen.
Nederland baseerde haar verdediging nog volledig op de typische stellingbouw uit de Eerste
Wereldoorlog: de stellingen waren van oost naar west grofweg onderverdeeld in
voorposten, frontlijn en stoplijn, waarbij "frontlijn" en "stoplijn" nog het
karakter droegen van een ouderwetse continue Eerste en Tweede Loopgraaf. Echter
die
kenmerken die de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog zulke formidabele
hindernissen gemaakt hadden: ruime open schootsvelden, huizenhoge honderden
meters diepe prikkeldraadversperringen en dichte mijnenvelden, ontbraken hier.
De Grebbelinie had echter ook een sterk punt. Men maakte gebruik van
inundaties en tankgrachten waarachter een frontlijn (hoofdweerstandslijn),
enkele honderden meters daarachter een stoplijn (samen met de frontlijn de
hoofdweerstand vormende) en daarachter de hogere commandoposten en
artillerieopstellingen. Daar waar inundaties of tankgrachten ontbraken werden –
al dan niet weerstandbiedende – voorposten geplaatst. De voorposten waren
geïsoleerde opstellingen die vooral moesten waarschuwen voor vijandelijke
offensieve actie in een gebied.
Een van die toegangsroutes was de weg Wageningen-Rhenen. Doordat een (bomvrij)
gemaal in het riviertje de Grebbe nog niet klaar was, was het voorterrein daar
over een paar kilometer breedte droog en daarom werd dit uitgekozen als één van
de twee aanvalsassen van het Duitse offensief tegen
de Grebbelinie, door de 207e
Infanteriedivision. Natuurlijk was dit voordeel van de zogenaamde "kanalisering"
alleen werkelijk nuttig als de verdediger daar zelf ook zijn troepen
concentreerde en wel liefst tot het maximum van deployering, zodat er een echte
paswerking ontstond die de vijand het voordeel van een numerieke overmacht
ontzegde. Dit nu werd door de Nederlanders grotendeels nagelaten. Er was aan
Nederlandse zijde slechts
sprake van cordonvormige lineaire stellingen, waarin de infanterie schouder aan
schouder stond. Slechts enkele weerstandbiedende voorposten waren als
egelstellingen ingericht, maar dat was niet zo zeer vanuit tactische
gevechtsdoelstelling
maar vanwege het gebrek aan eenheden om een goede bezetting
te garanderen. Als men de kenmerken van de Maas-, IJssel, Betuwe-,
Maas-Waal-Grebbelinie en Peel-Raamstelling bestudeert ziet men dat slechts
sprake was van langgerekte doorlopende loopgraven waarin kazematten en
mitrailleurnesten waren gebouwd. Soms, zoals in de Peel-Raamstelling, hierachter
nog een dun scherm met flankerende opstellingen ter voorkoming van penetratie.
Dat was echter elders een ontbrekende factor. Tussen front- en stoplijn lag een
gat van 400-700 meter. Dat was niemandsland. Dan kwam de eveneens langgerekte
loopgraaf die de stoplijn heette. Vanuit deze positie werd ene vijandelijke
penetratie gestopt, en moesten heroverende activiteiten worden ontplooid om de
vijand voor de frontlijn terug te werpen. Als de stoplijn zou zijn doorbroken
was de linie verloren.
Men kon op de Grebbeberg ongeveer een regiment infanterie per linie tegelijkertijd inzetten en er lág
ook een regiment Nederlandse infanterie — maar dat was over twee stellingen in
de diepte verspreid (bij de spoorlijn van Rhenen lag nog een laatste
opvangstelling) zodat de aanvaller toch per stelling een drievoudig overwicht
kon bereiken. De voorposten waren geen linie, maar een verzameling geïsoleerde
groeps- en sectieopstellingen. De zogenaamde ruglijn, een opvangstelling, was
geen verdedigingslinie en was ook niet een doorlopende loopgraaf. Het was
slechts bedoeld troepen voor versterking enige schuilplaats te bieden. De
desbetreffende loopgraaf liep dan ook alleen vanaf het viaduct een paar honderd
meter naar het noorden, en boog westelijk af aan de Bergweg. Overigens was in de
sector Grebbeberg – een frontbreedte van 3 km – een Nederlandse legermacht
aanwezig van 10,000 man, ofwel gelijk 4 regimenten. Ook hier had men geen radicale keuze durven maken voor een
bepaalde tegenconcentratie: men hoopte door de verdediging
voldoende tijd te winnen om de nodige reserves aan te laten rukken.
Voor
de bestorming van de voorste stellingen bij de Grebbeberg wilden de Duitsers de SS-brigade
gebruiken, de SS Standarte Der Führer.
Deze Standarte was
daartoe ingedeeld bij de 207.ID. Ook de andere infanteriedivisie van het
10-de Legerkorps, de 227e,
had zo'n brigade toegewezen gekregen.
Dat was de oorspronkelijk persoonlijke lijfwacht van de Führer die tot een SS
regiment was omgebouwd (en nadien tot een divisie zou worden). De SS-troepen waren ideaal
voor zo'n opdracht. Hun manschappen vormden een schril contrast met de brave
huisvaders van de Nederlandse infanteriedivisie. Ze waren jong, top fit, zeer goed
getraind als stormtroepers en hadden een zeer goed moreel tot op het fanatieke af. De
SS Leibstandarte
werd op 11 mei van de Veluwe teruggeroepen om in Noord Brabant en ten noorden
van de grote rivieren ingezet te worden toen
daar in de nacht van 10 op 11 mei de Peel-Raamstelling doorbroken werd. Op de
Grebbeberg wisten de SS van Der Führer na soms hevige gevechten op zaterdag 11 mei de voorposten in te nemen. Op zondag 12 mei werd de
frontlijn door de Waffen SS beslissend doorbroken, en op 13 mei werd de stoplijn
op de Berg door 322.IR [207.ID] beslissend doorbroken. Hierna werd door het
Nederlandse veldleger bevel tot de terugtocht op Vesting Holland gegeven. De
Duitse artillerie was niet bijzonder effectief, en terplekke niet talrijker dan
de Nederlandse artillerie. De luchtaanval in de vroege middag van 13 mei was
slechts een laatste druppel die de terugtrekkende Nederlanders – na de al
mislukte tegenstoot met drie bataljons (waarvan er slechts twee tot ontplooiing
kwamen) tegenaanval ten noorden van de Berg – alleen maar sneller deed
terugtrekken. Voorts liep een compagnie weg in het stadje Rhenen zelf. Het was
echter niet de aanleiding tot het verlies van de linie, daar al om 10.00 uur in
de ochtend de stoplijn door Duitse infanterie was doorbroken. Hierna restte
slechts een georganiseerde en gedisciplineerde terugtocht naar
de stellingen van het Oostfront van Vesting-Holland, de Nieuwe Hollandse
Waterlinie.

Vlucht koningshuis
 Een Duitse luchtlanding bij Den Haag, bedoeld om
het Nederlandse Koninklijk Huis en de regering gevangen te nemen, mislukte.
Koningin Wilhelmina weigerde naar Engeland te vluchten. Omdat de nazi's bijna
geheel Nederland al onder de voet hadden gelopen, werd zij geadviseerd om per
schip naar Zeeland te gaan; tijdens de reis zou haar het bericht worden gegeven,
dat het zinloos zou zijn om in Zeeland te verblijven, met advies om direct door
te varen naar Engeland. Deze handelwijze was nodig, omdat de Koningin anders
nooit bereid zou worden gevonden op het schip te gaan. Zij was vastbesloten het
vaderland niet te verlaten.
Ook de ministers weken uit naar Londen. Op 13 mei droeg Minister van
Financiën Max Steenberghe, uit naam van de koningin en het kabinet, het
regeringsgezag in Nederland over aan opperbevelhebber van de Nederlandse
strijdkrachten Henri Winkelman, en verzocht hij de secretarissen-generaal
zich naar de aanwijzingen van Winkelman te gedragen. (Het ambt van
staatssecretaris is pas later ingevoerd).

Bombardement van Rotterdam
Op 14 mei eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam. Er was een
onderhandeling over de overgave gaande, en er was net een nieuw ultimatum door
de Duitsers aan de kapitein J.D. Backer overhandigd,. toen de stad tussen 13.00
en 14.00 uur gebombardeerd werd, met ca. 800 doden en 78.000 daklozen
tot gevolg. Er werd van gezegd dat dit door een communicatieprobleem veroorzaakt
was. Hierna werd Rotterdam overgegeven. Winkelman had ondertussen opdracht
gegeven een nieuwe weerstand rond Gouda en bij de as Den Haag-Leiden te
construeren. Toen echter de Duitsers voor Utrecht verschenen en aldaar een
ultimatum uitbrachten waarbij met de vernietiging van Utrecht werd gedreigd,
besloot Generaal Winkelman na overleg met zijn staf rond 1700 uur de wapens neer
te leggen voor 10 van de 11 provincies. Pas om 19.00 uur werd de capitulatie van
kracht.
Maar er was nog
enkele dagen strijd in Zeeland. Daarbij werd Middelburg gebombardeerd. Het
bombardement op Middelburg diende geen enkel doel. Het was reeds geëvacueerd
door de Franse en Nederlandse troepen alsmede gelukkig door de burgerij. Er
vielen in de stad 25 doden, enkele burgers, meest militairen.
Aanleiding tot de capitulatie van Zeeland([zonder Zeeuws Vlaanderen dat nooit
capituleerde maar gewoon op 28 mei bezet werd) was de Duitse doorbraak bij de
Sloedam, de verbinding tussen Walcheren en Zuid-Beveland. Daarop kregen de
Fransen het bevel zich terug te trekken naar Zeeuws Vlaanderen, en evacueerden
de Nederlanders deels mee. Hierna besloot Schout bij Nacht Van de Stad om de
delen ten noorden van de Schelde over te geven aan de Duitsers.

De hoop was dat de Fransen en Engelsen snel Nederland weer zouden bevrijden,
maar ook Frankrijk moest capituleren. Het
nieuwe bewind
onder maarschalk Pétain (Vichy-regime) ging met de Duitsers samenwerken
(collaboratie). Ook de regering van Minister-president De Geer werd uitgenodigd
terug te keren en hij wilde daaraan gevolg geven. Koningin Wilhelmina zinde dat
allerminst. De Nederlandse marine en handelsvloot waren van groot belang voor de
Engelsen en dan was er nog Indië met al zijn olie. Frankrijk moest later
Indochina van de Duitsers aan Japan overdragen en Wilhelmina was bang dat
hetzelfde met Indië zou gebeuren. Zij ontsloeg op eigen houtje haar premier en
stelde een andere aan, Gerbrandy (foto links), die wel door wilde vechten.
Op
15 mei 1940 vond er in Rijsoord een belangrijke gebeurtenis plaats in de, aan de
Rijksstraatweg aldaar gelegen school. De capitulatie voor de Duitse overmacht
werd hier getekend door de bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten, de
generaal Winkelman (foto rechts). (Heden ten dage is er in de betreffende school
een
Oorlogs- en verzetsmuseum). Na de Nederlandse capitulatie en het vertrek van de laatste Franse troepen
was heel Nederland bezet.
 De Duitsers stelden een Duits bestuur in Nederland in, geleid door een
rijkscommissaris (Reichskommissar), de Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart (foto
rechts); hij
werd op 29 mei 1940 geïnstalleerd. De secretarissen-generaal bleven aan en
werkten nu onder hem.
Anton Mussert hoopte op bevoegdheden voor hem en zijn NSB, maar moest
genoegen nemen met lagere posten. Seyss-Inquart hoopte de Nederlanders te winnen
voor het nationaal-socialisme en het staats- en economisch bestel zo intact
mogelijk in handen te krijgen. Hiertoe hanteerde hij de "fluwelen
handschoen-aanpak".
Veel bedrijven waren bovendien de Duitsers graag ter wille. Omdat Frankrijk
en België de eerste dagen nog niet gepacificeerd waren, konden zij zo veel
mogelijk winstgevende orders van de Duitsers in de wacht slepen. Ondanks
negatieve effecten van de Engelse blokkade leek de bezetting mee te vallen.
Bedrijven als Philips keerden recorddividenden uit.
Toen in 1941, '42 steeds duidelijker bleek dat de oorlog nog lang zou duren
en dat een Duitse overwinning allerminst zeker was,
veranderde dit beeld. De
Jodenvervolging begon grimmiger te worden, en de Duitsers traden ook harder op
tegen de bevolking, zoals bij de Februaristaking. De NSB wist bij de Duitsers
een monopolypositie in de wacht te slepen. Alle andere politieke partijen
werden verboden, inclusief de Nederlandse Unie (politieke beweging tijdens de
Tweede Wereldoorlog, opgericht door een driemanschap bestaande uit Louis Enthoven, Johannes Linthorst Homan en Jan de Quay) en de fascistische rivalen
van de NSB. De Duitsers begonnen nu ook steeds meer van de Nederlandse productie
voor zichzelf op te eisen. Goederen werden steeds schaarser. Nog steeds maakten
bedrijven winst, maar met het geld kon steeds minder worden gekocht. Via
allerlei instrumenten zoals de wisselkoers trachtten de Duitsers nog meer uit
Nederland te persen.
Ook op de kunsten en de universiteiten verstevigden de Duitsers hun greep.
Kunstenaars moesten lid worden van een speciale bond. Studenten werden gedwongen
loyaliteitsverklaringen te tekenen terwijl (studenten) verenigingen Joodse leden
niet meer mochten toelaten. Veel corpora en andere studentenvereniging hieven
zichzelf daarom op.
Toen bleek de bezetting toch helemaal niet mee te vallen. Naarmate de oorlog
vorderde, werden de gebreken steeds nijpender. In de Hongerwinter kwamen
uiteindelijk 20.000 personen door de honger om. Eind januari 1945 bracht het
Rode Kruis een grote hoeveelheid meel naar Nederland. Het kwam per schip uit
Zweden aan. Pas een maand later was het klaar en werd het legendarische Zweedse
wittebrood uitgedeeld.
Veel mensen denken nog steeds dat de Zweedse wittebroden uit de lucht kwamen
vallen. Maar dat is dus niet waar. Wel dropten geallieerde vliegtuigen in april,
met toestemming van de Duitsers, voedselpakketten boven Nederland.
|
Hongerwinter
bij mijn moeder achterop
op fiets zonder banden
om dan kilometers
verderop
bij een ‘gulle’ boer te
belanden
heel zelden voor niets
maar voor veel juwelen of
geld
de suikerbieten waren erg
duur
werd veel voor neergeteld
maar thuis werd het dan
feest
potkacheltje met hout
gevuld
met alles wat maar kon
branden
stoelen, tafels en veel
geduld
eindelijk…… was daar de
stroop
met raar soort gebakken
brood
van aardappelen en meel
maar je ging er niet aan
dood
want velen hadden niet
dat geluk
die winter niet overleefd
gaarkeuken en soep niet
bereikt
en de vrijheid niet
beleefd
ineens was er Zweeds
wittebrood
proef nog steeds die
allereerste snee
als een vers gebakken
plak cake
met grote beker heerlijke
surrogaatthee
de hongerwinter was
voorbij
en vrij snel ook de
oorlog in ons land
de mensen kregen hoop en
kracht
alles werd weer gewoon
als vroeger
…..langzamerhand….
Hetty
Wachter
|
Naar volgende
pagina
Naar vorige pagina
Terug naar 1930-1945
Terug naar SeniorPlaza
|