|
De inval in Polen
De Duitse en Russische inval
Op
1 september 1939 werd Polen aangevallen door Nazi-Duitsland (operatie "Fall
Weiss") en op 17 september 1939 door de Sovjet-Unie, zoals afgesproken in het
geheime gedeelte van het Molotov-Ribbentroppact. Ondanks de technologische
voorsprong en de numerieke overmacht van de Duitsers wisten de Polen het dezen
knap lastig te maken, zoals bij de Slag om de Bzura-rivier en bij het fort
Westerplatte, waar 188 soldaten het 7 dagen uithielden tegen een Duitse
overmacht. Warschau werd op 8 september bereikt door de Duitsers en op 12
september was de stad omsingeld. Ondertussen bombardeerden de Duitsers Warschau
dagelijks, waarbij duizenden burgers omkwamen. Op 28 september 1939 capituleerde
de stad.

De hardnekkige mythe dat Poolse cavaleristen Duitse tanks te lijf gaan, is
niet gebaseerd op de werkelijkheid, de bewuste beelden die daar het bewijs van
zouden zijn, zijn een Duitse montage van trainingsfilms en Italiaanse
nieuwsbeelden. De Poolse cavaleristen met hun mobiliteit waren echter wel
effectief in een land met weinig verharde wegen en ze voerden met succes enkele
overvallen uit op rustende Duitse infanteristen. Polen beschikte zelf over vele
honderden pantservoertuigen.
De Poolse luchtmacht was, op enkele vliegtuigen na, sterk verouderd maar werd
niet zoals een andere mythe wil al in de eerste uren vernietigd: dagenlang bood
men weerstand en een groot deel van de vliegers zag kans om te ontkomen richting
Roemenië vanwaar ze later vertrokken om deel te nemen
aan de nieuwe Poolse luchtmacht in het Westen. De kleine maar moderne marine,
bestaande uit 5 onderzeeboten en 3 fregatten, week eveneens uit naar Engeland.
Na de omsingeling van Warschau werd opdracht gegeven tot een algehele
terugtrekking van het leger richting de Roemeense grens, waar het opperbevel een
strategische verdediging plande. Het gebied, heuvel- en moerasachtig in het
zuidoosten van Polen, werd ook het Roemeense bruggenhoofd genoemd en had vele
geheime munitie- en wapendepots met het oog op deze verdediging. Bovendien kon
het gebied, via het bevriende Roemenië bevoorraad worden. Het plan voorzag dat
bondgenoten Frankrijk en het Verenigd
Koninkrijk
vervolgens de aanval zouden inzetten, zolang de Polen dit bruggenhoofd in handen
hielden. De Russische inval maakte echter aan alle hoop een eind. In de rug
aangevallen, besloot het Poolse opperbevel tot evacuatie naar Frankrijk, via
Roemenië en Hongarije. Tienduizenden Poolse militairen lukte het om te
ontsnappen.
Op 5 oktober 1939 capituleerde de laatste militaire eenheid te velde, in de
buurt van Kock, en was de nieuwe Poolse een feit. Er vond echter geen
capitulatie van de regering cq. militair opperbevel plaats.
Evacuatie en reorganisatie
De regering en een deel van de krijgsmacht weken uit via Roemenië
naar Frankrijk en richtten daar twee infanteriedivisies en een pantserbrigade op
met Frans materieel. Ze vochten voor de tweede maal tegen de Duitsers tijdens
Fall Gelb; na de wapenstilstand trokken ze zich succesvol terug in het onbezette
deel van Frankrijk en bereikten van daaruit vervolgens het Verenigd Koninkrijk.
Ze formeerden daar voor de derde maal in de oorlog een strijdmacht: het Eerste
Poolse legerkorps, o.a. bestaande uit de Poolse 1ste Pantserdivisie en de Poolse
1ste Onafhankelijke Parachutistenbrigade, die later deelnamen aan de geallieerde
opmars na de Invasie in Normandië.

Poolse commando's tijdens training in Schotland, 1943
Van de naar schatting 300.000 Poolse krijgsgevangen in de Sovjet Unie werden
in 1942 slechts 82.000 vrijgelaten die daarna een epische tocht ondernamen via
Kazachstan en Iran naar Palestina waar het Tweede legerkorps in 1943 werd
opgericht. Dat legerkorps, bestaande uit twee infanteriedivisies en één
pantserbrigade, zou successen boeken in de geallieerde opmars door Italië in
1944 en 1945.
Het grootste deel van die krijgsgevangenen zou echter gedwongen worden om het
Eerste Poolse leger (vijf infanteriedivisies) te formeren, dat als onderdeel van
het Rode leger vanaf 1943 aan het Oostfront zou strijden tot aan Berlijn. Later
werd nog het Tweede Poolse leger (vier infanteriedivisies, één pantserbrigade)
opgericht dat tot in Tsjechië zou vechten. Er hingen begin mei 1945 slechts drie
vlaggen in Berlijn: de witte capitulatievlag, de Sovjetvlag en de Poolse vlag.
De slag om Engeland
Situatie in het Verenigd Koninkrijk
Toen Sir Thomas Inskip in 1937 als Minister voor de coördinatie van de
defensie werd, zag hij in dat het Verenigd Koninkrijk de bommenwerperwedloop
tegen Duitsland aan het verliezen was. Hij zag in dat de theorie een
bommenwerper komt er altijd door, niet hoefde te kloppen als hij een goed wapen
hiertegen vond.
Alhoewel de strategie van onafhankelijke bombardementen met succes door de
Duitsers in de Spaanse Burgeroorlog, door de Japanners in China en de Britten in
Abessinië werd toegepast wilde hij de rol van de RAF
(Royal Air Force) ertoe beperken de Duitsers niet toe te laten een beslissende
klap uit te delen en stand te houden tot er hulp van bondgenoten opdaagde of een
blokkade de vijand zou afmatten.
Hij had daarvoor enkele aanwinsten: de nieuwe jagers, vooral de Spitfire en
de ontwikkeling van de radar. Het argument dat deze optie minder duur zou zijn
dan het bouwen van bommenwerpers gaf de doorslag toen het kabinet in 1937
goedkeuring aan zijn voorstellen gaf.
Een tweede sleutelfiguur voor de Britten was de benoeming van Sir Hugh
Dowding tot chef van Fighter Command (chef van de jachtvliegtuigen). Hij bekeek
de jagersstrategie op een koele manier en zag het vernietigen van de Duitse
bommenwerpers als zijn enige taak.
 Daarnaast was de benoeming van Lord Beaverbrook tot minister van
vliegtuigproductie voor zijn land van enorm belang. Hij had maar één taak: zo
vlug en zo veel mogelijk vliegtuigen produceren, los van alle procedures. Dank
zij hem had de Britse luchtmacht op het einde van de slag meer vliegtuigen dan
ervoor. Hij slaagde erin tijdens die periode bijna 500 Hurricanes en Spitfires
te produceren. Alleen kon hij het verlies aan ervaren piloten niet compenseren.
Groot Brittannië zette hoofdzakelijk jachtvliegtuigen in tijdens de slag: de
Spitfire en de Hurricane.

Situatie in Duitsland
Hitler
ging er van uit dat de Britten vrede zouden sluiten als Frankrijk verslagen was.
In zijn Weisung (aanbeveling) 16 schreef hij trouwens: "Omdat Engeland, ondanks
zijn hopeloze militaire positie, geen tekenen toont dat het een compromis wil
sluiten, heb ik besloten om een landing in Engeland voor te bereiden en, zo
nodig, uit te voeren." Mussolini's schoonzoon, graaf Ciano schreef het volgende
in zijn dagboek: "Hitler is de gokker die zijn grote slag heeft geslagen en van
de tafel zou willen opstaan om niets meer te riskeren."
Na
een maand te hebben gewacht dreigde hij op 19 juli 1940 toch met een aanval op
het Verenigd Koninkrijk indien het niet onmiddellijk de wapens neerlegde. Lord
Halifax, minister van Buitenlandse Zaken in de regering geleid door Winston
Churchill, die eerder geneigd was vrede te sluiten, moest onder druk van zijn
chef en het parlement Hitlers voorstel tot overgave afwijzen en zo werd
Duitsland verplicht zijn dreigementen kracht bij te zetten. Op 21 juli viel de
principiële beslissing het Verenigd Koninkrijk binnen te vallen (Operatie
Zeeleeuw).
De Duitse legerleiding wilde dezelfde tactiek toepassen als bij de oversteek
van de Maas, alleen de verhouding van de ingezette middelen, de moeilijkheden
enz. zouden anders zijn. Generaal Jodl zei het zo: in vorm gelijk aan het
oversteken van een rivier over een breed front. Men zou opnieuw gebruikmaken van
Stuka's in plaats van artillerie, maar hiervoor was luchtsuprematie vereist.
Erich Raeder, Duits groot-admiraal, bevelhebber van de vloot, geloofde niet in
een invasie vooraleer de Britten zich hadden overgegeven. Hij toonde respect
voor de kracht van de Royal Navy. Men beschikte niet over landingsvaartuigen
voor materieel en manschappen. Er werden wel wat voorbereidingen getroffen zoals
het verzamelen van binnenschepen en kustvaarders maar dit was meer bedoeld om Raeder's ongeloof in de operatie te verdoezelen. De Marine stelde een plan voor
om vlak bij Dover een bruggehoofd te slaan. De route zou men via mijnenvelden en
onderzeeërs beschermen. Ze stelden dat er tien dagen nodig zouden zijn om de
eerste aanvalsmacht aan land te zetten. Dit wekte grote weerstand op bij de
legerleiding. Zij wilde bij de eerste aanvalsgolf 260.000 man, 30.000 voertuigen
en 60.000 paarden laten overbrengen en beschouwde de middelen die de Marine ter
beschikking stelde als onvoldoende. De Luftwaffe stond er dan ook alleen voor.
Het luchtmachtoffensief, Operatie Adelaar had echter totaal geen binding met
Operatie Zeeleeuw.
Hermann Göring, chef van de luchtmacht, besefte
terdege, gezien de tegenstand die zijn luchtmacht had ondervonden toen ze de
evacuatie van de Engelse troepen bij Duinkerken wilde verijdelen, dat dit geen
eenvoudige taak was. Hij wilde er wel twee weken voor uittrekken.
Om de RAF te vernietigen werden 2600 vliegtuigen verzameld (Luftflotte I en
II) waaronder 1200 bommenwerpers en een duizendtal jagers. Men plande ook
aanvallen op havens en schepen om zo de Britse natie te wurgen die afhankelijk
was van handel over zee.
De bedoeling was simpelweg met grote aantallen bommenwerpers de Britten tot
overgave te bombarderen. Hulp van land- en zeestrijdkrachten zouden hierbij niet
nodig zijn. Er werd niet gedacht aan het droppen van para-troepen op strategisch
belangrijke doelen alhoewel de Britten dat wel verwachtten.

De meest gebruikte types bommenwerpers waren: Dornier Do 17Z, Dornier Do 215
(variant van de Dornier Do 17Z), Heinkel He 111, Junker Ju 88 en de Stuka (popularen
naam voor de Junker Ju 87)
De meest gebruikte types jagers waren: Messerschmitt Bf 110 en Messerschmitt
Bf 109
De Slag
De Slag om Engeland begon op 10 juli 1940 en duurde tot 30 oktober 1940. De
campagne vertoonde veel improvisatie van Duitse kant en kan worden opgedeeld in
vijf fasen:
Deel 1: beginfase: Slag om Het Kanaal, 10 juli - 12 augustus 1940


Deel 2: Operatie Adelaar, 13 augustus - 18 augustus 1940
Op 13 augustus 1940 startte Operatie Adelaar (Duits: Adlertag). Duitse
bommenwerpers maakten 485 en jagers 1000 vluchten bij aanvallen op de
havensteden Plymouth en Southampton en op vliegvelden in Hampshire en Kent. De
Luftwaffe verloor daarbij 45 vliegtuigen, de RAF 13. Twee dagen later deed men
een poging om de bases van de jachtvliegtuigen onbruikbaar te maken via een
aanvalsmacht die bestond uit 1266 jagers en 520 bommenwerpers. Ze herhaalden dat
op de 16de en de 18de. De RAF reageerde met kracht en haalde 162 vliegtuigen
neer.
Deel 3: Bombardementen tegen de vliegvelden, 24 augustus - 6 september 1940
De Duitsers bleven in de rest van de maand en in het begin van september met
hun aanvallen op de vliegvelden doorgaan tot Göring plotseling, na een reeks
aanvallen van de RAF op Berlijn, besloot dat Londen het hoofddoel van de Duitse
aanval moest zijn. Op die manier hoopte hij het moreel van het Britse volk te
breken. Tijdens deze fase verloor de RAF 290 vliegtuigen en bij de Luftwaffe
werden 380 vliegtuigen vernietigd.

Deel 4: Slag om Londen, 7 september - 30 september 1940
Op 7 september 1940 vertrokken 372 bommenwerpers, geëscorteerd door 642
jachtvliegtuigen om de stad aan te vallen. Deze aanval boekte een groot succes
omdat vooral het havengebied zwaar werd beschadigd. De Britten hadden hun
vliegtuigen over een groot aantal vliegvelden verdeeld om deze te beschermen.
Toen de Luftwaffe een paar dagen later een nieuwe aanval op Londen lanceerde
kostte die hen 28 toestellen.
Later werd geopperd dat de aanval op Berlijn een zet van Winston Churchill
was om de aandacht van de Duitsers naar Londen te verleggen en hij de Londenaars
opofferde om Fighter Command te doen overleven.
In ieder geval verschafte de gewijzigde Duitse tactiek de RAF een broodnodige
adempauze die haar toeliet haar vliegvelden opnieuw volledig operationeel te
maken.
Intussen was de Duitse luchtmacht tot het besef gekomen dat, als ze hun eigen
verliezen aan bommenwerpers wilde terugdringen, Fighter Command moest
uitgeschakeld worden. De bommenwerpers waren immers niet in staat aanvallen van
jagers af te slaan. Een andere optie was de bommenwerpers via
langeafstandsjagers zoals de tweemotorige Messerschmitt Bf 110 tot boven hun
doel te begeleiden. Al snel bleek dat deze niet opgewassen waren tegen Spitfires
en Hurricanes en moest men teruggrijpen naar de Messerschmitt 109 die met een
actieradius van 125 mijl (vooraleer hij over een extra brandstoftank beschikte)
vanuit Calais dekking kon geven tot Londen. Verderop was de
bommenwerperbemanning op zichzelf aangewezen. Dowding speelde daar handig op in
door zijn squadrons terug te trekken naar vliegvelden die buiten het bereik
lagen van de dekking door de Bf 109. Op 15 september 1940 lanceerde de Luftwaffe
een grootscheepse aanval op Londen. Ze verloren 60 vliegtuigen.
Deel 5: eindfase, 1 oktober - 31 oktober 1940
Er werden door de Duitsers acties op kleinere schaal uitgevoerd.
3080 jongemannen met 14 nationaliteiten hadden de slag gewonnen. Meer dan één
op vijf verloor hierbij zijn leven en minder dan de helft zou de oorlog
overleven. Winston Churchill zei over die kerels: "Nooit hebben zovelen zo veel
te danken gehad aan zo weinigen" (Engels: "Never was so much owed by so many to
so few").
Een belangrijke reden waarom de Duitse verliezen aan vliegtuigen belangrijker
hoger waren dan de Britse, was dat de Britten beschikten over een geheim wapen:
de radar. Daardoor waren zij vrij goed op de hoogte van de positie van de Duitse
vliegtuigen, terwijl de Duitsers geen idee hadden waar de Britse vliegtuigen
zich ophielden.
De Slag om Engeland zorgde ervoor dat Groot-Brittannië opnieuw werd betrokken
en ernstig werd genomen als strijdende mogendheid, vooral in de Verenigde
Staten.
Voor Duitsland was het een zaak die als minder belangrijk werd afgedaan. De
aandacht van Hitler en Herman Göring verplaatste zich
naar de invasie in Rusland. Ze achtten de Britten, ook al waren ze niet
overwonnen, niet in staat hen veel schade toe te brengen.
Naar volgende
pagina
Naar vorige pagina
Terug naar 1930-1945
Terug naar SeniorPlaza
|